Language of document : ECLI:EU:F:2012:153

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Derde kamer)

14 november 2012

Zaak F‑120/11

Mario Paulo da Silva Tenreiro

tegen

Europese Commissie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanstelling – Ambt van directeur – Afwijzing van verzoekers sollicitatie – Kennisgeving van vacature – Advies van voorselectiecomité – Kennelijke beoordelingsfout”

Betreft: Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarbij Da Silva Tenreiro vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van zijn sollicitatie naar het ambt van directeur van het directoraat A, „Civiele justitie”, van het directoraat-generaal (DG) „Justitie” alsmede van het besluit om Y aan te stellen in dat ambt.

Beslissing: Het beroep wordt verworpen. Verzoeker draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Commissie.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Kennisgeving van vacature – Bepaling van minimumkwalificaties voor te vervullen ambt – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Grenzen – Kennelijke beoordelingsfout bij opstelling van kennisgeving – Bewijslast

(Ambtenarenstatuut, art. 29)

2.      Ambtenaren – Vacature – Voorziening door middel van bevordering of overplaatsing – Vergelijking van verdiensten van kandidaten – Ambt van directeur – Geschiktheid om leiding te geven – Voorwaarde waaraan kan worden voldaan door buiten werkterrein van directoraat opgedane ervaring

(Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 1, sub a, en 45, lid 1)

3.      Ambtenaren – Kennisgeving van vacature – Toetsing van sollicitaties aan genoemde voorwaarden – Beoordelingsbevoegdheid van administratie – Grenzen – Eerbiediging van in kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden – Rechterlijke toetsing – Grenzen

4.      Ambtenaren – Vacature – Voorziening door middel van bevordering of overplaatsing – Vergelijking van verdiensten van kandidaten – Onderscheid tussen procedure voor voorziening in ambt en bevorderingsprocedure – Verplichting om alleen rekening te houden met beoordelingsrapporten – Geen

(Ambtenarenstatuut, art. 29, lid 1, sub a, en 45)

1.      Het tot aanstelling bevoegd gezag beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid om de bekwaamheden te bepalen die vereist zijn voor het te vervullen ambt en alleen een kennelijke beoordelingsfout in de definitie van de minimumvoorwaarden om in het betrokken ambt te voorzien, kan leiden tot de onwettigheid van de kennisgeving van vacature en de daaruit volgende aanstelling.

De door de verzoekende partij aan te dragen bewijselementen moeten dus voldoende zijn om, gelet op het dienstbelang, de plausibiliteit te ontnemen aan de juistheid van de voorwaarden voor het ambt waarin moet worden voorzien zoals deze worden genoemd in de kennisgeving van vacature. Met andere woorden en meer algemeen, het middel ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout moet worden afgewezen indien de betrokken keuze ondanks de door de verzoeker aangevoerde elementen nog steeds geldig kan worden geacht.

(cf. punten 26 en 27)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 11 juli 2007, Konidaris/Commissie, T‑93/03, punt 72

Gerecht voor ambtenarenzaken: 29 september 2011, da Silva Tenreiro/Commissie, F‑72/10, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑634/11 P, punt 61; 29 september 2011, AJ/Commissie, F‑80/10, punt 35, en aangehaalde rechtspraak

2.      In het kader van de vergelijking van de verdiensten van de kandidaten voor een vacant ambt, kan worden aanvaard dat een directeur over een opleiding of ervaring beschikt die niet uitsluitend verband houdt met het werkterrein van het directoraat dat hij moet leiden, voor zover specifieke kennis kan worden gevonden binnen hetzelfde directoraat, op het niveau van de hoofden van een eenheid en hun medewerkers, en dat het accent veeleer wordt gelegd op de algemene leidinggevende, analyserende en oordeelkundige kwaliteiten van hoog niveau.

(cf. punt 28)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 3 maart 1993, Booss en Fischer/Commissie, T‑58/91, punt 69

Gerecht voor ambtenarenzaken: da Silva Tenreiro/Commissie, reeds aangehaald, punt 62

3.      Het staat aan het tot aanstelling bevoegd gezag om te beoordelen of een kandidaat voldoet aan de in de kennisgeving van vacature gestelde voorwaarden, en die beoordeling kan slechts in geval van een kennelijke fout worden betwist. Het Gerecht kan zich derhalve niet in de plaats van dat gezag stellen door zijn beoordeling van de beroepsbekwaamheden van de kandidaten te controleren, behoudens wanneer het een kennelijke beoordelingsfout vaststelt.

Wat een betoog betreft ontleend aan het feit dat voormeld gezag een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door geen rekening te houden met de specifieke ervaring van de verzoeker met betrekking tot het te vervullen ambt, wanneer die specifieke ervaring met betrekking tot de bij het ambt behorende werkzaamheden geen voorwaarde van de kennisgeving van vacature is, kan deze geen rol spelen bij het al dan niet bestaan van een kennelijke beoordelingsfout.

(cf. punten 34 en 35)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: 13 december 1990, Kalavros/Hof van Justitie, T‑160/89 en T‑161/89, punt 29, en aangehaalde rechtspraak; 29 mei 1997, Contargyris/Raad, T‑6/96, punt 124

4.      Er bestaan verschillen tussen de procedure van voorziening in een vacant ambt door middel van overplaatsing of bevordering, die verloopt overeenkomstig artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut, en de bevorderingsprocedure bedoeld in artikel 45 van het Statuut. Laatstgenoemde procedure beoogt een verandering te brengen in de loopbaan van de ambtenaren wegens de inspanningen en verdiensten waarvan zij bij de uitoefening van hun werkzaamheden blijk hebben gegeven, dat wil zeggen de ambtenaren te belonen die in het verleden blijk hebben gegeven van over het geheel genomen de beste verdiensten, terwijl de procedure van voorziening in een vacant ambt alleen in het belang van de dienst de ambtenaar zoekt die het meest geschikt is om de bij dat ambt behorende werkzaamheden te verrichten. De administratie is derhalve niet gehouden om in het kader van de vergelijking van de verdiensten haar oordeel uitsluitend op de beoordelingsrapporten te baseren, maar mag ook rekening houden met andere elementen betreffende de verdiensten van de kandidaten die de beoordeling in die rapporten over de verdiensten van de kandidaten in het verleden kunnen relativeren.

(cf. punt 41)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: Konidaris/Commissie, reeds aangehaald, punten 91 en 92