Language of document : ECLI:EU:C:2021:533

Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. PITRUZZELLA

van 1 juli 2021 (1)

Zaak C891/19 P

Europese Commissie

tegen

Hubei Xinyegang Special Tube Co. Ltd

„Hogere voorziening – Dumping – Uitvoeringsverordening (EU) 2017/804 – Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of staal – Verordening (EU) 2016/1036 – Artikel 3, leden 2, 3 en 6, en artikel 17 – Vaststelling van de schade – Analyse van de prijsonderbieding – Verplichting van de Commissie om rekening te houden met de marktsegmenten voor het betrokken product en met de totale verkoop van soortgelijke producten door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie”






1.        De vaststelling van door invoer met dumping veroorzaakte schade voor de bedrijfstak van de Unie vormt een fundamenteel vereiste voor de vaststelling van antidumpingmaatregelen. Bij de analyse of er van dergelijke schade sprake is dient de Europese Commissie onder andere een objectief onderzoek in te stellen naar de gevolgen van die invoer voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie, met name door te bepalen of er sprake is van prijsonderbieding.

2.        Dient de Commissie bij dat complexe onderzoek rekening te houden met de marktsegmenten voor het betrokken product, en zo ja, in welke gevallen? Dient deze instelling bij dat onderzoek rekening te houden met de totale verkoop van soortgelijke producten van producenten van de Unie die zijn opgenomen in de voor het onderzoek samengestelde steekproef? Met welke intensiteit dient de Unierechter in die context dit soort analyses van de Commissie, waarbij complexe economische situaties moeten worden onderzocht, te toetsen?

3.        Dat zijn in essentie de belangrijkste vragen die zijn gesteld in de onderhavige zaak, waarin de Commissie bij het Hof een hogere voorziening heeft ingesteld strekkende tot vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie (hierna: „bestreden arrest”(2)), waarbij uitvoeringsverordening (EU) 2017/804(3) nietig is verklaard.

I.      Toepasselijke bepalingen

4.        Artikel 3 van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (hierna: „basisverordening”)(4), met het opschrift „Vaststelling van schade”, luidt als volgt:

„1.      Voor de toepassing van deze verordening wordt onder ‚schade’, tenzij anders bepaald, verstaan aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Unie, dreiging van aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Unie of aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak en wordt dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel uitgelegd.

2.      De vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van:

a)      de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie, en

b)      de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Unie.

3.      Wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de productie of het verbruik in de Unie, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde product ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren tezamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn.

[...]

5.      Het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de betrokken bedrijfstak van de Unie omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, [...].

6.      Aan de hand van het overeenkomstig lid 2 voorgelegde relevante bewijsmateriaal moet worden aangetoond, dat de invoer met dumping schade in de zin van deze verordening veroorzaakt. Hierbij moet meer in het bijzonder worden aangetoond, dat de overeenkomstig lid 3 vastgestelde omvang en/of prijzen de in lid 5 omschreven gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Unie en dat deze gevolgen als aanmerkelijk kunnen worden aangemerkt.

7.      Andere gekende factoren dan de invoer met dumping die de bedrijfstak van de Unie terzelfder tijd schade toebrengen, worden ook onderzocht, om te voorkomen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade overeenkomstig het bepaalde in lid 6 aan de invoer met dumping wordt toegeschreven. Relevant in dit verband zijn onder andere: de hoeveelheden en de prijzen van de niet tegen dumpingprijzen verkochte invoer; een inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumentengedrag; handelsbeperkende praktijken van en de concurrentie tussen buitenlandse producenten en producenten in de Unie; technologische ontwikkelingen en de exportprestaties, en productiviteit van de bedrijfstak van de Unie.”

II.    Feiten en litigieuze verordening

5.        Naar aanleiding van een klacht heeft de Commissie op 13 februari 2016 een antidumpingonderzoek ingesteld naar de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer (ander dan gietijzer) of van staal (ander dan roestvrij staal), met een rond profiel, met een uitwendige diameter van meer dan 406,4 mm (hierna: „betrokken product”), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

6.        Tijdens het onderzoek is Hubei Xinyegang, een in China gevestigde vennootschap die naadloze buizen en pijpen produceert en naar de Unie exporteert, opgenomen in de overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening samengestelde steekproef van Chinese producenten-exporteurs.

7.        Op 11 november 2016 heeft de Commissie verordening (EU) 2016/1977 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op het betrokken product van oorsprong uit de Volksrepubliek China vastgesteld (hierna: „voorlopige verordening”).(5)

8.        Op 11 mei 2017 heeft de Commissie de litigieuze verordening vastgesteld, waarvan artikel 1 bepaalt dat een definitief antidumpingrecht wordt opgelegd aan alle Chinese producenten-exporteurs van het betrokken product. Voor de door Hubei Xinyegang geproduceerde en geëxporteerde producten is het dumpingrecht vastgesteld op 54,9 %.

III. Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

9.        Op 7 augustus 2017 heeft Hubei Xinyegang bij het Gerecht beroep ingesteld strekkende tot nietigverklaring van de litigieuze verordening, en ter onderbouwing daarvan vier middelen aangevoerd.

10.      Het Gerecht heeft uitsluitend het eerste en het tweede middel onderzocht. Het eerste middel bestond uit twee onderdelen en had betrekking op schending van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening en de artikelen 3.1 en 3.2 van de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994(6) (hierna: „antidumpingovereenkomst”). Het tweede middel had betrekking op schending van artikel 3, lid 6, van die verordening en artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst.

11.      In het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste middel – over een vraagstuk dat in de onderhavige zaak niet aan de orde is – afgewezen(7), maar het tweede onderdeel van het eerste door Hubei Xinyegang aangevoerde middel toegewezen. Dit onderdeel betrof de methode die de Commissie bij de vaststelling van het bestaan van schade heeft gehanteerd om de prijzen van de invoer met dumping te vergelijken met die van de door de bedrijfstak van de Unie verkochte producten. Het Gerecht oordeelde dat de Commissie bij de analyse van de prijsonderbieding en de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie niet alle relevante gegevens van de betrokken zaak in aanmerking heeft genomen, en daardoor inbreuk heeft gemaakt op artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening. Tot die conclusie is het Gerecht gekomen onder verwijzing naar met name het rapport van de beroepsinstantie van het orgaan voor geschillenbeslechting (Dispute Settlement Body) van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (hierna: „beroepsinstantie”) in de zaak China – Measures Imposing Anti-Dumping Duties on High-Performance Stainless Steel Seamless Tubes („HP-SSST”) from Japan (WT/DS 454/AB/R en WT/DS 460/AB/R, van 14 oktober 2015; hierna: „rapport van de beroepsinstantie ‚HP-SSST’”), en zijn arrest van 28 oktober 2004, Shanghai Teraoka Electronic/Raad (T‑35/01, EU:T:2004:317; hierna: „arrest Shanghai Teraoka”).

12.      Het Gerecht heeft in de eerste plaats geoordeeld dat de Commissie, ondanks dat zij had vastgesteld dat er voor het betrokken product drie marktsegmenten bestonden, bij haar analyse van de prijsonderbieding, en meer in het algemeen bij haar analyse van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie, ten onrechte geen rekening met die segmentatie heeft gehouden.(8) In de tweede plaats heeft het Gerecht tevens het argument van Hubei Xinyegang aanvaard dat de Commissie bij de analyse van de prijsonderbieding ten onrechte geen rekening had gehouden met 17 van de 66 productsoorten die door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie werden verkocht. Tot slot heeft het Gerecht geoordeeld dat zijn conclusies niet ter discussie kunnen worden gesteld op grond van de informatie die de Commissie na de terechtzitting, in een tardief stadium van de procedure, aan het dossier heeft toegevoegd.

13.      Vervolgens heeft het Gerecht ook het tweede door Hubei Xinyegang aangevoerde middel inzake schending van artikel 3, lid 6, van de basisverordening en artikel 3.5 van de antidumpingovereenkomst aanvaard.(9) Het Gerecht heeft in wezen geoordeeld dat de conclusie van de Commissie over het bestaan van een oorzakelijk verband in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening moest worden geacht te berusten op een onvolledige feitelijke grondslag, aangezien het bij de analyse van het eerste middel tot de slotsom was gekomen dat de Commissie niet alle gegevens in aanmerking had genomen die relevant zijn voor de vaststelling van de prijsonderbieding en de gevolgen van de invoer voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie.(10)

14.      Het Gerecht heeft de litigieuze verordening daarom nietig verklaard voor zover zij betrekking heeft op Hubei Xinyegang, zonder de andere middelen te onderzoeken die Hubei Xinyegang tot staving van haar beroep had aangevoerd.

IV.    Conclusies van partijen

15.      Met haar hogere voorziening verzoekt de Commissie het Hof om het bestreden arrest te vernietigen, het eerste en het tweede middel van het beroep in eerste aanleg ongegrond te verklaren, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen ter beoordeling van de andere middelen, en de beslissing omtrent de kosten van de procedure in eerste aanleg en van de hogere voorziening aan te houden.

16.      Hubei Xinyegang verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen, subsidiair, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen ter beoordeling van de overige middelen, en de Commissie te verwijzen in de kosten van de hogere voorziening en van de procedure voor het Gerecht.

17.      ArcelorMittal Tubular Products Roman SA, Válcovny trub Chomutov a.s. en Vallourec Deutschland GmbH (hierna: „ArcelorMittal e.a.”), die voor het Gerecht aan de zijde van de Commissie hebben geïntervenieerd(11), verzoeken het Hof om het bestreden arrest te vernietigen, het eerste en het tweede middel van het beroep in eerste aanleg ongegrond te verklaren, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen voor een uitspraak omtrent het derde en het vierde middel van het beroep in eerste aanleg, Hubei Xinyegang te verwijzen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening, en de beslissing omtrent de kosten aan te houden voor het overige.

V.      Analyse van de hogere voorziening

18.      Ter staving van haar hogere voorziening voert de Commissie, daarbij ondersteund door ArcelorMittal e.a., zes middelen aan die kunnen worden verdeeld in drie groepen.

19.      De eerste drie middelen zijn gericht tegen het deel van het bestreden arrest waarin het Gerecht de Commissie heeft verweten dat zij bij haar analyse van de prijsonderbieding ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verschillende marktsegmenten voor het betrokken product.(12)

20.      Het vierde en het vijfde middel zijn gericht tegen het deel van het bestreden arrest waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie bij haar analyse van de prijsonderbieding ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de prijzen van 17 van de 66 door de producenten van de Unie verkochte productsoorten.(13)

21.      Tot slot betoogt de Commissie met haar zesde middel dat het Gerecht de rechterlijke toetsing niet met de juiste intensiteit heeft verricht.

22.      Alvorens de door de Commissie aangevoerde middelen te analyseren lijkt het mij nuttig enkele inleidende opmerkingen te maken.

A.      Inleidende opmerkingen

23.      De onderhavige zaak betreft de analyse van de prijsonderbieding die de Commissie in het kader van een antidumpingprocedure verricht om vast te stellen of de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden. De vaststelling van dergelijke schade is een essentieel vereiste voor het instellen van antidumpingmaatregelen.(14) De vaststelling van schade wordt geregeld door artikel 3 van de basisverordening.

24.      In dit verband moet ten eerste worden opgemerkt – zoals het Gerecht heeft gedaan(15) – dat de bepalingen van artikel 3, leden 1, 2 en 3, van de basisverordening vrijwel identiek zijn aan die van de artikelen 3.1 en 3.2 van de antidumpingovereenkomst. Daaruit blijkt dat de Uniewetgever met die bepalingen binnen het Unierecht uitvoering heeft willen geven aan een bijzondere verplichting die in het kader van de WTO-overeenkomsten is aangegaan.(16) In die omstandigheden, en binnen die grenzen, dient de rechter van de Unie de wettigheid van de litigieuze verordening aan die bepalingen van de antidumpingovereenkomst te toetsen.(17) Bij die wettigheidstoetsing moet de Unierechter tevens rekening houden met de uitlegging die het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO aan de verschillende bepalingen van de antidumpingovereenkomst heeft gegeven.(18)

25.      Ten tweede moet erop worden gewezen dat de vaststelling van schade volgens artikel 3, lid 2, van de basisverordening gebaseerd moet zijn op positief bewijsmateriaal en een objectief onderzoek inhoudt van, enerzijds, de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie en, anderzijds, de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Unie.

26.      Wat specifiek de analyse van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van het soortgelijke product in de Unie betreft, volgt uit artikel 3, lid 3, tweede volzin, van de basisverordening dat met name moet worden nagegaan of de bij de invoer met dumping gehanteerde prijzen aanzienlijk lager waren dan die van soortgelijke producten in de Unie, of anders gezegd, of er sprake is geweest van een aanzienlijke „prijsonderbieding”.(19)

27.      De vaststelling van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie, en meer in het bijzonder de vaststelling van het bestaan van prijsonderbieding, houdt in dat wordt onderzocht of er een verband bestaat tussen de prijzen van die invoer en de prijzen van de soortgelijke producten, wat veronderstelt dat die twee prijzen met elkaar worden vergeleken.(20)

28.      Artikel 3 van de antidumpingovereenkomst, en dus ook artikel 3 van de basisverordening, voorziet evenwel niet in een specifieke analysemethode voor de vaststelling van schade of, meer in het bijzonder, prijsonderbieding.(21) Deze analyse moet evenwel gebaseerd zijn op positief bewijsmateriaal en een objectief onderzoek, en moet derhalve onpartijdig en billijk zijn en rekening houden met al het relevante bewijsmateriaal.(22)

29.      Dienaangaande moet overigens in herinnering worden gebracht dat de instellingen van de Unie volgens vaste rechtspraak van het Hof op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische en politieke situaties die zij moeten onderzoeken.(23) Het Hof heeft uitdrukkelijk erkend dat die ruime beoordelingsbevoegdheid met name bestaat bij de vaststelling of de bedrijfstak van de Unie schade heeft geleden.(24)

30.      Zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt, lijdt het geen twijfel dat bij de analyse van de prijsonderbieding en, meer in het algemeen, de analyse van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld.(25) Zoals ik bij de analyse van het zesde middel in hogere voorziening nader zal toelichten, heeft dit gevolgen voor de intensiteit waarmee de Unierechter zijn toetsing verricht.

31.      Ten derde moeten, wat meer bepaald de onderhavige zaak betreft, enkele door het Gerecht vastgestelde feiten worden vermeld die tussen de partijen niet worden betwist.

32.      Om te beginnen heeft de Commissie in het antidumpingonderzoek vastgesteld dat het betrokken product bestond uit bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer (ander dan gietijzer) of van staal (ander dan roestvrij staal), met een rond profiel, met een uitwendige diameter van meer dan 406,4 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China.(26) Zij heeft vastgesteld dat er voor dat product drie marktsegmenten zijn: één betreffende olie en gas, één betreffende de elektriciteitsproductie, en één betreffende de bouw.(27) De definitie van het betrokken product en het soortgelijke product was tijdens de administratieve procedure weliswaar het voorwerp van onenigheid, maar is voor het Gerecht niet door Hubei Xinyegang betwist en moet dus als definitief worden beschouwd.

33.      Voorts moet worden opgemerkt dat de Commissie in de onderhavige zaak een analyse heeft uitgevoerd om te bepalen of de prijzen van de Chinese invoer kunnen worden aangemerkt als onderbieding ten opzichte van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, door de invoerprijzen te vergelijken met de prijzen van de bedrijfstak van de Unie aan de hand van het productcontrolenummer (hierna: „PCN-methode”).

34.      Volgens deze methode kreeg elke productsoort die door de Chinese producenten-exporteurs werd geproduceerd en verkocht en elke productsoort die door de producenten van de Unie werd geproduceerd en verkocht een uniek productcontrolenummer (PCN), dat werd bepaald door de belangrijkste kenmerken van het product.(28) De uit China ingevoerde productsoorten werden vervolgens op basis van het PCN vergeleken met de door de bedrijfstak van de Unie geproduceerde en verkochte producten met dezelfde of vergelijkbare kenmerken.(29) Voor de berekening van de prijsonderbieding heeft de Commissie de verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie PCN per PCN vergeleken met die van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs. Voor elk PCN waarvoor corresponderende verkochte producten bestonden, stelde de Commissie een onderbiedingsmarge vast. Vervolgens heeft zij voor elk van de in de steekproef opgenomen Chinese exporteurs een gewogen gemiddelde onderbiedingsmarge voor het betrokken product berekend. Door middel van deze methode zijn prijsonderbiedingsmarges tussen de 15,2 % en 29,1 % vastgesteld.(30) Het gebruik van de PCN-methode als vergelijkingsmethode is als zodanig niet door Hubei Xinyegang betwist.(31)

35.      Tot slot is vastgesteld en niet door partijen betwist dat bij de analyse in het kader van de vaststelling van de prijsonderbieding de totale invoer uit China is geanalyseerd.(32)

B.      Eerste drie middelen: bij het onderzoek van de prijsonderbieding en de gevolgen van de invoer voor de prijzen is geen rekening gehouden met de marktsegmenten voor het betrokken product

36.      Met haar eerste drie middelen in hogere voorziening betwist de Commissie het deel van het bestreden arrest waarin het Gerecht de Commissie heeft verweten dat zij bij haar analyse van de prijsonderbieding ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de verschillende marktsegmenten voor het betrokken product (punten 59‑67). Met het derde middel in hogere voorziening betwist de Commissie met name de punten 77 tot en met 79 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht enkele gegevens heeft afgewezen die de Commissie, op zijn verzoek, na de terechtzitting in eerste aanleg had overgelegd.

1.      Bestreden arrest

37.      In de punten 59 tot en met 67 van het bestreden arrest heeft het Gerecht als vaststaand aangenomen dat de Commissie, ondanks dat zij het bestaan van drie marktsegmenten voor het betrokken product had vastgesteld, bij de analyse van de prijsonderbieding geen rekening met die segmentatie heeft gehouden.

38.      In dit verband heeft het Gerecht er evenwel op gewezen dat deze zaak wordt gekenmerkt door vier factoren (die achtereenvolgens zijn geanalyseerd in de punten 61, 62, 63 en 64 van het bestreden arrest): ten eerste waren niet alle productsoorten die onder het soortelijke product vallen aan de vraagzijde onderling rechtstreeks uitwisselbaar, ook al konden de producenten hun aanbod aanpassen; ten tweede was het gebruik van verschillende grondstoffen bij de vervaardiging van de productsoorten van invloed op de prijsverschillen tussen de marktsegmenten, welke verschillen, zoals bleek uit het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, een relevant gegeven vormden waarmee rekening moest worden gehouden bij de analyse van de prijsonderbieding; ten derde had de Commissie bevestigd dat 75,1 % van de in de steekproef opgenomen Chinese invoer was geconcentreerd in het bouwsegment, dat afzonderlijk had moeten worden geanalyseerd, zoals uit het arrest Shanghai Teraoka volgt, en ten vierde bleek uit de voorlopige verordening dat meer dan 60 % van de verkoop van de grootste onderneming in de steekproef van producenten van de Unie verband hield met de olie- en gasindustrie.

39.      Voorts heeft het Gerecht in punt 65 van het bestreden arrest opgemerkt dat de Commissie in de litigieuze verordening had vastgesteld dat er een verband bestaat tussen de analyse van de prijsonderbieding van de invoer met dumping en de prijsontwikkeling in de bedrijfstak van de Unie, doch dat dit verband in algemene zin was vastgesteld, zonder onderscheid te maken tussen de verschillende marktsegmenten.

40.      In die omstandigheden is het Gerecht in punt 66 van het bestreden arrest tot de slotsom gekomen dat de Commissie, door bij haar analyse van de prijsonderbieding geen rekening te houden met de marktsegmentatie van het betrokken product en, meer in het algemeen, met de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie, haar analyse niet had gebaseerd op alle relevante gegevens van de betrokken zaak. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest daaraan toegevoegd dat de Commissie, gelet op de vier in punt 38 hierboven genoemde factoren, zich in elk geval ervan had moeten vergewissen dat de verlaging van de prijzen in de bedrijfstak van de Unie niet voortkwam uit een segment waarin in beperkte mate producten uit China werden ingevoerd of waarin de prijsonderbieding – voor zover daarvan überhaupt sprake was – niet kon worden aangemerkt als „aanzienlijk” in de zin van artikel 3, lid 3, van de basisverordening. Volgens het Gerecht staat deze conclusie er niet aan in de weg dat de Commissie de PCN-methode gebruikt, zoals in de onderhavige zaak, indien deze methode wordt gehanteerd in het kader van een analyse waarbij rekening wordt gehouden met de marktsegmentatie.

41.      Tot slot heeft het Gerecht in de punten 77 en 79 van het bestreden arrest geoordeeld dat aan zijn conclusies niet kan worden afgedaan door de informatie die de Commissie na de terechtzitting, in een tardief stadium van de procedure, aan het dossier heeft toegevoegd. Volgens het Gerecht kon de Commissie zich ter ondersteuning van de litigieuze verordening namelijk niet rechtsgeldig beroepen op gronden die niet in de verordening waren opgenomen en die zij pas na de instelling van het beroep had aangevoerd.

2.      Standpunten van partijen

a)      Eerste middel in hogere voorziening: de Commissie is niet verplicht de schade per marktsegment te analyseren

42.      In haar eerste middel in hogere voorziening, dat uiteenvalt in drie onderdelen, betwist de Commissie, daarbij ondersteund door ArcelorMittal e.a., de conclusie van het Gerecht dat de Commissie de schade hoe dan ook per marktsegment had moeten analyseren, hoewel de onderzochte buizen en pijpen ontegenzeglijk één „soortgelijk product” vormen.

43.      In het eerste onderdeel stelt de Commissie dat het Gerecht, door te concluderen dat zij voor elk marktsegment van het betrokken product afzonderlijk had moeten onderzoeken of er sprake was van prijsonderbieding, artikel 1, leden 2 en 4, artikel 3, leden 2, 3 en 8, en artikel 4 van de basisverordening heeft geschonden. Uit die bepalingen volgt volgens de Commissie dat zij de prijsonderbieding uitsluitend op het niveau van het „soortgelijke product” in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening hoeft te analyseren. Deze bepalingen schrijven niet voor dat een gedetailleerdere analyse wordt verricht, en evenmin dat de prijsonderbieding voor elk marktsegment afzonderlijk wordt geanalyseerd. Aangezien voor het Gerecht noch de vaststelling van het „soortgelijke product”, noch die van de „bedrijfstak van de Unie” in de litigieuze verordening is betwist, kunnen deze vaststellingen niet opnieuw ter discussie worden gesteld in het kader van middelen betreffende de vaststelling van het bestaan van schade. Volgens de Commissie heeft het Gerecht een analyse ingevoerd die gebaseerd is op het mededingingsrechtelijke begrip „relevante markt”, dat evenwel verschilt van het begrip „soortgelijk product” in het kader van het antidumpingrecht.

44.      In het tweede onderdeel voert de Commissie aan dat het Gerecht de twee precedenten waarop het zijn analyse heeft gebaseerd (te weten het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST” en het arrest Shanghai Teraoka), onjuist heeft uitgelegd, althans de feiten, die volledig verschillen van de relevante feiten in de onderhavige zaak, onjuist heeft gekwalificeerd of verdraaid. Geen van deze twee precedenten kan namelijk de grondslag vormen voor de conclusie dat zij verplicht was om de prijsonderbieding niet alleen op het niveau van het soortgelijke product, maar ook voor elk marktsegment te analyseren.

45.      In het derde onderdeel voert de Commissie aan dat het Gerecht de litigieuze verordening onjuist heeft uitgelegd of, subsidiair, de feiten juridisch onjuist heeft gekwalificeerd waar het in punt 67 van het bestreden arrest heeft vastgesteld dat de in de punten 59, 61, 62 (eerste deel) en 64 van het bestreden arrest vastgestelde feiten uitzonderlijke omstandigheden vormden die vereisten dat de prijsonderbieding per marktsegment werd geanalyseerd.

46.      Hubei Xinyegang betoogt om te beginnen dat de Commissie het bestreden arrest onjuist beschrijft. Het Gerecht heeft de Commissie namelijk geen algemene verplichting opgelegd de prijsonderbieding voor elk marktsegment te analyseren, maar louter geoordeeld dat de Commissie in de litigieuze verordening bij de analyse van de prijsonderbieding, gezien de feiten van de zaak, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de marktsegmentatie. De argumenten over een vermeende verplichting om de prijsonderbieding voor elk marktsegment te analyseren zijn derhalve niet ter zake dienend. Bovendien is het niet toegestaan meerdere feiten impliciet te betwisten zonder aan te voeren dat zij onjuist zijn opgevat, en is de verstrekte aanvullende informatie nieuw en dus niet-ontvankelijk.

47.      Met betrekking tot het eerste onderdeel voert Hubei Xinyegang aan dat de verwijzing in artikel 4, lid 1, en artikel 3, lid 2, van de basisverordening naar „soortgelijke producten” in het meervoud, aantoont dat het begrip „soortgelijk product” meerdere productsoorten en dus verschillende marktsegmenten kan omvatten. Dat wordt volgens haar bevestigd door de rechtspraak van het Hof. Daarnaast heeft de beroepsinstantie van het WTO beklemtoond dat het van belang is om bij de analyse van de prijsonderbieding het bestaan van verschillende marktsegmenten te onderzoeken, en ligt het bestreden arrest in lijn met dit standpunt. Volgens Hubei Xinyegang bestaat er weliswaar geen verplichting om voor elke productsoort of elk marktsegment te bepalen of er sprake is van prijsonderbieding, maar is de Commissie wel verplicht om alle relevante factoren te onderzoeken, waaronder de vraag hoe het bestaan van verschillende marktsegmenten in het algemeen van invloed kan zijn op de analyse van de gevolgen voor de prijzen, in dit geval prijsonderbieding.

48.      Met betrekking tot het tweede onderdeel betoogt Hubei Xinyegang dat de grondslag voor de nietigverklaring van de litigieuze verordening wordt gevormd door de verplichting de vaststelling te baseren op positief bewijsmateriaal als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening. De verwijzing naar het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST” en het arrest Shanghai Teraoka dient slechts ter ondersteuning van de stelling dat er, indien er marktsegmenten met aanzienlijke prijsverschillen zijn, rekening moet worden gehouden met de invloed van een dergelijke segmentatie op de analyse van de prijsonderbieding. Voorts zijn meerdere stellingen van de Commissie met betrekking tot deze twee precedenten onjuist. Tot slot is in de litigieuze verordening nergens vermeld dat in de onderhavige zaak zowel de invoer uit China als de door de bedrijfstak van de Unie verkochte producten in hetzelfde marktsegment geconcentreerd waren, zoals het Gerecht heeft vastgesteld.

49.      Ook het derde onderdeel moet volgens Hubei Xinyegang worden afgewezen. Ten eerste hebben de betrokken partijen de vraag of er verschillende marktsegmenten bestaan immers niet in het kader van de omschrijving van het betrokken product aan de orde gesteld, maar in het kader van de schade en het oorzakelijk verband. Wat ten tweede de correctie betreft die de Commissie bij de berekening van de schademarge heeft toegepast in verband met de economische situatie en de winstgevendheid van de grootste onderneming in de steekproef van producenten van de Unie, deze elementen hebben duidelijk aanzienlijke gevolgen gehad voor de schadeanalyse.

b)      Tweede middel in hogere voorziening: de PCN-methode

50.      Met haar tweede middel betwist de Commissie de punten 60 en 67 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht in wezen heeft geoordeeld dat bij de PCN-methode geen rekening kan worden gehouden met de marktsegmentatie. Aldus heeft het Gerecht overweging 24 van de litigieuze verordening en de toelichtingen die de Commissie tijdens de administratieve procedure en in de mondelinge en schriftelijke opmerkingen voor het Gerecht heeft gegeven, onjuist uitgelegd. Subsidiair stelt de Commissie dat het Gerecht de in dit verband overgelegde gegevens onjuist heeft opgevat.

51.      Volgens de Commissie is de PCN-methode de meest gedetailleerde analyse om het betrokken product met het soortgelijke product te vergelijken. Met deze methode, die de voornaamste handelspartners van de Unie overigens niet gebruiken, wordt een analyse verricht die veel dieper gaat dan die op het niveau van de marktsegmenten van het soortgelijke product. Bij de samenstelling van PCN’s wordt namelijk rekening gehouden met alle productkenmerken, zodat de Commissie elk product van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten kan vergelijken met het meest vergelijkbare product van de in de steekproef opgenomen producent van de Unie. Het eerste cijfer van het PCN geeft aan binnen welk marktsegment een productsoort valt. Niets wijst erop dat de Commissie, door zich op de PCN’s te baseren, geen rekening heeft gehouden met bepaalde product- of marktkenmerken (met name prijsschommelingen). Dankzij haar opzet en werking garandeert de PCN-methode een analyse per marktsegment.

52.      Hubei Xinyegang betoogt dat het Gerecht in het bestreden arrest enkel heeft aangegeven dat de toepassing van de PCN-methode in casu op zichzelf niet volstond om rekening te houden met de marktsegmentatie. Met deze methode kon de Commissie weliswaar vaststellen of bij de invoer uit China van producten die onder een PCN of een specifieke productsoort met betrekking tot een specifiek marktsegment vallen, lagere verkoopprijzen waren gehanteerd (prijsonderbieding) dan de verkoopprijzen die de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie voor hetzelfde PCN of dezelfde productsoort in hetzelfde marktsegment hadden gefactureerd, maar kon zij niet bepalen welke gevolgen de invoer in een bepaald segment had op de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie voor producten die in andere segmenten vallen.

c)      Derde middel: onjuiste uitlegging van de motiveringsplicht en onjuiste opvatting van het bewijs

53.      Met haar derde middel in de hogere voorziening, dat uit twee onderdelen bestaat, betwist de Commissie de punten 77 tot en met 79 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht bewijsmateriaal heeft afgewezen dat zij na de terechtzitting in eerste aanleg had overgelegd, waaruit ten eerste bleek dat in alle drie de betrokken marktsegmenten sprake was van prijsonderbieding, en ten tweede dat de verkoop van de producenten in de Unie was geconcentreerd in het bouwsegment.

54.      Met haar eerste onderdeel betoogt de Commissie dat het Gerecht de motiveringsplicht van de Commissie in antidumpingzaken aldus ten onrechte te strikt heeft uitgelegd. Deze uitlegging is volgens haar in strijd met de rechtspraak en maakt inbreuk op artikel 296 VWEU. De Commissie hoefde in de litigieuze verordening niet specifiek uit te leggen dat in alle drie de marktsegmenten prijsonderbieding was vastgesteld en dat de verkoop van de producenten van de Unie in het bouwsegment was geconcentreerd. Deze informatie was tijdens het onderzoek in elk geval in grote lijnen aan Hubei Xinyegang meegedeeld.

55.      In het tweede onderdeel betoogt de Commissie dat het Gerecht het bewijsmateriaal waarover het beschikte, onjuist heeft opgevat door in punt 78 van het bestreden arrest te verklaren dat de analyse per marktsegment pas achteraf is verricht. Het onderscheid tussen de verschillende marktsegmenten is bewust meegenomen in de analyse volgens de PCN-methode, waarvan het Gerecht de werking niet kende of niet goed heeft begrepen en onjuist heeft opgevat.

56.      Tegen het eerste argument voert Hubei Xinyegang aan dat het arrest waarop de Commissie haar argumenten heeft gebaseerd(33), betrekking heeft op een bijzondere situatie waarin een vennootschap die niet aan de administratieve procedure had deelgenomen, niet-nakoming van de motiveringsplicht had aangevoerd met betrekking tot stellingen die zij niet had geformuleerd. De situatie van Hubei Xinyegang is echter volstrekt anders, aangezien zij vanaf het begin van de administratieve procedure heeft benadrukt dat het bestaan van verschillende marktsegmenten van belang was voor de analyse van de prijsonderbieding. Daarnaast volgt uit de rechtspraak dat de instellingen de feiten en rechtsoverwegingen moeten uiteenzetten die in het bestek van de beslissing van wezenlijk belang zijn en dat de motivering van een maatregel in de tekst van de maatregel zelf moet zijn opgenomen. Ook is het niet waar dat zij wist dat in alle drie de marktsegmenten prijsonderbieding was vastgesteld en dat de verkoop van de producenten van de Unie geconcentreerd was in het bouwsegment, aangezien zij om vertrouwelijkheidsredenen geen toegang had tot de prijsonderbiedingsberekeningen van de andere Chinese producenten.

57.      Met betrekking tot het tweede onderdeel betoogt Hubei Xinyegang dat het Gerecht de Commissie niet verwijt dat zij de PCN-methode niet per segment heeft toegepast maar dat zij geen analyse per segment heeft uitgevoerd. Wel heeft het Gerecht kritiek geuit op het feit dat de PCN-methode de Commissie uitsluitend in staat stelt prijsonderbieding in een bepaald segment vast te stellen, maar haar niet de mogelijkheid biedt de gevolgen te analyseren die de in een bepaald segment vastgestelde prijsonderbieding heeft voor de door producenten van de Unie in een ander segment gefactureerde verkoopprijzen.

3.      Analyse

a)      Kritiek van het Gerecht in het bestreden arrest

58.      Om het eerste, het tweede en het derde middel van de door de Commissie ingestelde hogere voorziening te kunnen onderzoeken, moet naar mijn mening eerst de exacte strekking worden vastgesteld van de kritiek die het Gerecht in het bestreden arrest heeft geuit. Partijen zijn het namelijk niet eens over de draagwijdte die aan het bestreden arrest moet worden toegekend.(34)

59.      Uit de lezing van de punten 65, 66 en 67 van het bestreden arrest, die in de punten 39 en 40 hierboven zijn weergegeven, blijkt mijns inziens dat het Gerecht in dat arrest akte heeft genomen van het feit dat de Commissie de PCN-methode gebruikt voor de analyse van het bestaan van prijsonderbieding, maar heeft geoordeeld dat het gebruik van die methode in het licht van de vier in punt 38 genoemde factoren, die de onderhavige zaak kenmerken, niet volstond om bij de analyse van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van de bedrijfstak van de Unie voldoende rekening te houden met de marktsegmentatie. Het Gerecht verwijt de Commissie aldus dat zij haar analyse niet op alle relevante gegevens van de zaak heeft gebaseerd.

60.      Volgens het Gerecht had de Commissie, aangezien zij had vastgesteld dat er een verband bestond tussen de analyse van de prijsonderbieding en de prijsontwikkeling van de bedrijfstak van de Unie – die voor het geheel was bepaald zonder rekening te houden met de marktsegmentatie(35) – zich er, gezien de omstandigheden van de zaak, ten minste van moeten vergewissen dat de prijsontwikkeling van de bedrijfstak van de Unie (dat wil zeggen de verlaging van die prijzen) niet „voortkwam” uit een segment waarin de invoer uit China van beperkte omvang was of de prijsonderbieding niet „aanzienlijk” was. Met andere woorden, het Gerecht was van oordeel dat de Commissie, ondanks het gebruik van de PCN-methode, had moeten vaststellen dat die verlaging van de prijzen van het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie, in zijn geheel beschouwd, niet het gevolg was van de ontwikkelingen in een marktsegment waarin de invoer met dumping geen wezenlijke gevolgen had gehad, gezien de bescheiden omvang ervan of de geringe mate van prijsonderbieding. In dat geval zou een dergelijke prijsverlaging immers niet het gevolg zijn geweest (van de weerslag op de prijzen) van de invoer met dumping.

61.      Binnen deze context heeft de onderstaande analyse om te beginnen tot doel te bepalen welke strekking de verplichtingen hebben die bij de analyse van de prijsonderbieding op de Commissie rusten wanneer in het kader van het onderzoek betreffende de onderzochte producten meerdere marktsegmenten kunnen worden onderscheiden. Vervolgens moet worden nagegaan of het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de door deze instelling verrichte analyse, gezien de kenmerkende feiten van de onderhavige zaak, in strijd was met artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening.

b)      Is de Commissie verplicht om per segment te analyseren of er sprake is van prijsonderbieding?

62.      Om te beginnen rijst de vraag of artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening, uitgelegd in het licht van de andere bepalingen van die verordening en de overeenkomstige bepalingen van de antidumpingovereenkomst, voor de Commissie een algemene verplichting inhoudt om elke keer wanneer met betrekking tot het betrokken product verschillende marktsegmenten kunnen worden onderscheiden, per segment te analyseren of er sprake is van prijsonderbieding.(36)

63.      Naar mijn mening is dat niet het geval, en ik wijs er in dit verband op dat partijen het erover eens zijn dat de Commissie een dergelijke algemene verplichting niet heeft.

64.      Zoals de Commissie terecht opmerkt, volgt uit de bewoordingen van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening dat de analyse van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen op de markt van de Unie, en met name het onderzoek of bij deze invoer prijzen zijn gehanteerd die aanzienlijk lager waren dan die van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie (en dus of er sprake was van prijsonderbieding), moet worden verricht met betrekking tot het soortgelijke product zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 4, van de basisverordening. Noch uit deze bepalingen, noch uit enige andere bepaling van de basisverordening blijkt dat er voor de Commissie een algemene verplichting bestaat om het bestaan van prijsonderbieding op een gedetailleerder niveau te onderzoeken dan dat van het soortgelijke product.

65.      Deze uitlegging wordt verder bevestigd door de uitlegging van artikel 3.2 van de antidumpingovereenkomst in het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, waarin uitdrukkelijk is gesteld dat de met het onderzoek belaste autoriteit krachtens deze bepaling niet verplicht is het bestaan van prijsonderbieding vast te stellen voor elke onderzochte productsoort of voor het gehele gamma van producten waaruit het soortgelijke product bestaat.(37)

66.      Hieruit volgt dat, wanneer het betrokken product en het soortgelijke product eenmaal zijn gedefinieerd en de definitie ervan niet wordt betwist, in beginsel volstaat dat de Commissie de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie analyseert op het niveau van het aldus gedefinieerde soortgelijke product, en niet op een gedetailleerder niveau.

67.      Uit artikel 3, lid 2, van de basisverordening volgt evenwel dat de Commissie een objectief onderzoek moet instellen naar de gevolgen van de invoer voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie. Bij het objectieve onderzoek dat wordt voorgeschreven door deze bepaling, gelezen in het licht van de uitlegging die de beroepsinstantie van de WTO aan het overeenkomstige artikel 3.1 van de antidumpingovereenkomst heeft gegeven, moet al het relevante bewijsmateriaal in aanmerking worden genomen. Waar van toepassing kan dat inhouden dat het relatieve marktaandeel van elke bij het onderzoek betrokken productsoort in aanmerking moet worden genomen.(38)

68.      Hieruit volgt dat het in bepaalde omstandigheden passend is om rekening te houden met de marktaandelen van de verschillende betrokken productsoorten, om te verzekeren dat het onderzoek naar het bestaan van aanzienlijke prijsonderbieding op het niveau van het soortgelijke product „objectief” is(39), en het dus noodzakelijk kan zijn rekening te houden met de verschillende marktsegmenten van het betrokken product.

c)      In welke gevallen moet de prijsonderbieding per segment worden geanalyseerd?

69.      De vraag rijst dus in welke gevallen het, om de objectiviteit van de analyse van de prijsonderbieding te waarborgen, passend of zelfs noodzakelijk is een analyse per segment uit te voeren aan de hand van het relatieve marktaandeel van elke productsoort. Vervolgens zal op basis van deze analyse moeten worden nagegaan of het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de onderhavige zaak tot deze categorie gevallen behoort.

70.      In dit verband heeft het Gerecht in het bestreden arrest, om in de onderhavige zaak de noodzaak van een analyse van de prijsonderbieding per segment te rechtvaardigen, verwezen naar twee precedenten die door partijen uitvoerig zijn besproken: het arrest Shanghai Teraoka van het Gerecht en het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”.

71.      Het eerste van deze precedenten, te weten het arrest Shanghai Teraoka, betrof een zaak waarin binnen het betrokken product drie afzonderlijke segmenten konden worden geïdentificeerd en 97 % van de betrokken invoer geconcentreerd was in slechts een van deze drie segmenten.

72.      Tijdens het antidumpingonderzoek had de Raad van de Europese Unie de prijsonderbieding alleen met betrekking tot dit segment onderzocht, en zijn bevindingen betreffende de gevolgen voor de prijzen in dit segment vervolgens geëxtrapoleerd naar het gehele soortgelijke product.(40) Voor het Gerecht betoogde verzoekster dat de Raad aldus artikel 3 van de basisverordening had geschonden door de gevolgen van de invoer met dumping van slechts een deel van het soortgelijke product te beoordelen.(41)

73.      In die context heeft het Gerecht geoordeeld dat de instellingen van de Unie in het kader van de vaststelling van schade die volgens artikel 3 van de basisverordening wordt verricht, een analyse per segment kunnen uitvoeren ter beoordeling van de verschillende schade-indicatoren, met name indien de via een andere methode verkregen resultaten om de een of andere reden vertekend blijken te zijn, mits het betrokken product in zijn geheel naar behoren in aanmerking wordt genomen.(42) Daarnaast heeft het Gerecht vastgesteld dat in een situatie waarin 97 % van de invoer in een specifiek segment is geconcentreerd, het voor een juist onderzoeksresultaat vanzelfsprekend en zelfs absoluut noodzakelijk is dat dat segment in die analyse afzonderlijk wordt beoordeeld.(43) Op basis van die overwegingen heeft het Gerecht het argument van de verzoekende partij afgewezen.

74.      Naar mijn mening vloeit uit dit arrest rechtens voort dat de instellingen van de Unie zich, in een geval waarin de invoer sterk geconcentreerd is in één segment van de markt voor het betrokken product, in het kader van de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover zij met betrekking tot handelsbeschermende maatregelen beschikken – die in punt 29 hierboven in herinnering is gebracht –, kunnen beperken tot een analyse van de prijsonderbieding voor dat segment, indien daarmee kan worden gegarandeerd dat het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie een objectief karakter heeft, mits het betrokken product in zijn geheel naar behoren in aanmerking wordt genomen. Bovendien kan, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een afzonderlijke beoordeling van een segment passend of zelfs noodzakelijk zijn om de objectiviteit van een dergelijk onderzoek te waarborgen.

75.      Wat het tweede precedent betreft, te weten het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, dit had betrekking op een zaak waarin binnen het soortgelijke product, zoals gedefinieerd door de Chinese autoriteiten die verantwoordelijk waren voor het antidumpingonderzoek, drie segmenten konden worden onderscheiden (graad A, graad B en graad C). In die zaak waren de invoer met dumping en de binnenlandse verkoop geconcentreerd in verschillende marktsegmenten: de binnenlandse verkoop was geconcentreerd in het segment van graad A, met een te verwaarlozen invoer (1,45 %); de invoer met dumping was daarentegen geconcentreerd in de segmenten van graad B en graad C. Bovendien waren de prijzen van de producten van graad B en graad C respectievelijk het dubbele en het drievoudige van die van graad A. In die context hadden de Chinese autoriteiten prijsonderbieding vastgesteld in de segmenten van graad B en graad C, waarin de invoer geconcentreerd was, maar hadden zij geen prijsonderbieding vastgesteld in het segment van graad A, waarin de binnenlandse productie geconcentreerd was.(44) Die autoriteiten hadden dus geen prijsonderbieding vastgesteld op het niveau van het soortgelijke product, maar alleen met betrekking tot graad B en graad C.(45)

76.      In deze feitelijke context was de beroepsinstantie van de WTO van oordeel dat bij een objectief onderzoek naar het bestaan van aanzienlijke prijsonderbieding als gevolg van de invoer met dumping ten opzichte van het binnenlandse soortgelijke product (dat de drie productsoorten omvat), rekening had moeten worden gehouden met de relevante marktaandelen van de verschillende productsoorten, en dat bij een passende analyse van de prijseffecten rekening had moeten worden gehouden met het feit dat er aanzienlijke verschillen bestonden tussen de prijzen van de verschillende productsoorten. De beroepsinstantie was ook van oordeel dat een met het onderzoek belaste autoriteit niet mag voorbijgaan aan bewijsmateriaal dat erop wijst dat de invoer met dumping geen of slechts een beperkt effect heeft op de binnenlandse prijzen.(46)

77.      Uit het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST” blijkt dus dat in een situatie die wordt gekenmerkt doordat de binnenlandse verkoop en de invoer met dumping geconcentreerd zijn in verschillende segmenten, die op hun beurt worden gekenmerkt door aanzienlijke prijsverschillen, met het oog op een objectief onderzoek naar het bestaan van prijsonderbieding zoals voorgeschreven door artikel 3.1 van de antidumpingovereenkomst (en dus door artikel 3, lid 2, van de basisverordening), rekening moet worden gehouden met het marktaandeel van elke productsoort en met die aanzienlijke prijsverschillen.

78.      De twee bovengenoemde precedenten geven aanwijzingen voor bepaalde situaties waarin het passend of zelfs noodzakelijk is met de marktsegmentatie rekening te houden om een objectief onderzoek naar prijsonderbieding te garanderen. In het licht van al deze overwegingen moet dus worden onderzocht of het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de Commissie in casu rekening moest houden met de segmentatie van de markt voor het betrokken product en dat zij, door dit niet te doen, haar analyse niet op alle relevante factoren van de onderhavige zaak heeft gebaseerd.

d)      Verplichting van de Commissie om in casu rekening te houden met de marktsegmentatie

1)      Verplichting om de litigieuze verordening te motiveren, en door de Commissie na de terechtzitting in eerste aanleg voor het Gerecht overgelegde informatie

79.      Om de in de vorige alinea genoemde analyse te kunnen uitvoeren moet evenwel eerst worden nagegaan of het Gerecht terecht heeft geweigerd rekening te houden met de informatie die de Commissie na de terechtzitting in eerste aanleg heeft overgelegd, zoals blijkt uit de punten 77 tot en met 79 van het bestreden arrest, dan wel of het aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zoals de Commissie in het kader van haar derde middel in hogere voorziening stelt. Deze informatie is immers van fundamenteel belang om de precieze context van de onderhavige zaak te begrijpen.

80.      Dienaangaande blijkt uit het dossier dat het Gerecht, na de mondelinge behandeling voor het Gerecht, de Commissie een termijn heeft gesteld om bepaalde informatie te verstrekken ter verduidelijking van het percentage van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie dat was verkocht in de drie betrokken marktsegmenten, alsmede nadere gegevens over de invoer van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs.

81.      De Commissie heeft aan dit verzoek voldaan en gegevens verstrekt die waren verkregen na de toepassing van de PCN-methode op de verkoop van de Chinese producenten en de producenten in de Unie die in de steekproef waren opgenomen. Uit deze gegevens bleek dat er binnen elk van de drie betrokken segmenten een verband bestond tussen de invoer met dumping en de verkoop van de bedrijfstak van de Unie, die een vrijwel gelijke omvang hadden. Meer in het bijzonder bleek uit deze gegevens dat zowel de invoer als de binnenlandse verkoop hoofdzakelijk geconcentreerd was in het bouwsegment (met een aandeel van respectievelijk 75,1 % en 71,6 %), dat beide in het olie- en gassegment een niet onbelangrijk aandeel hadden (respectievelijk 17,3 % en 15,3 %), en dat beide in mindere, doch niet onbelangrijke mate aanwezig waren in het segment elektriciteitsproductie (respectievelijk 7,4 % en 13,1 %). Daarnaast bleek uit die gegevens dat in alle drie de betrokken segmenten prijsonderbieding had plaatsgevonden.

82.      Het Gerecht heeft geoordeeld dat deze gegevens niet relevant waren en in de voornoemde punten van het bestreden arrest in essentie vastgesteld dat de Commissie de motivering van de litigieuze verordening niet kon aanvullen met middelen die waren aangevoerd nadat het beroep bij het Gerecht was ingesteld.

83.      In dit verband moet evenwel in herinnering worden gebracht dat de door artikel 296 VWEU geëiste motivering volgens vaste rechtspraak van het Hof moet beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling, en moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, terwijl tevens acht moet worden geslagen op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen.(47)

84.      In het bijzonder moet in geval van een handeling van algemene strekking, zoals een verordening tot instelling van een antidumpingrecht, de motiveringsplicht aldus worden uitgelegd dat van de instellingen van de Unie geen specifieke opsomming mag worden verlangd van de soms talrijke en ingewikkelde feiten met het oog waarop de verordening is uitgevaardigd en zeker geen min of meer volledige beoordeling.(48)

85.      In dit verband zij opgemerkt dat het Gerecht de Commissie niet heeft verweten dat de motivering van de litigieuze verordening ontoereikend was, maar heeft geweigerd bepaalde, op zijn eigen verzoek door de Commissie verstrekte gegevens in aanmerking te nemen waarmee een toelichting werd gegeven op de conclusies in de litigieuze verordening teneinde te reageren op door een verzoeker aangevoerde argumenten. In concreto bieden deze gegevens, waarmee werd gereageerd op argumenten van Hubei Xinyegang, een nadere toelichting op de conclusie – waarvan vaststaat dat zij toereikend is gemotiveerd – dat met de op de PCN-methode gebaseerde analyse is aangetoond dat er in casu sprake was van prijsonderbieding op het niveau van het soortgelijke product.(49)

86.      In die context ben ik van mening dat de Commissie de mogelijkheid moet worden geboden om te reageren op argumenten die in het kader van een beroep tegen een verordening tot instelling van antidumpingrechten zijn aangevoerd, door aanvullende gegevens te verstrekken waarmee de Unierechter – waar en indien nodig om de handeling te kunnen toetsen – volledig inzicht kan krijgen in de analyse, in het kader waarvan complexe economische situaties moeten worden onderzocht en die gebaseerd is op talrijke economische gegevens, die de Commissie heeft verricht om tot de in die handeling van algemene strekking vervatte conclusies te komen. Dienaangaande merk ik op dat de praktijk van het Gerecht in antidumpingzaken zich in die richting lijkt te ontwikkelen.(50)

87.      Bovendien kan de Unierechter de betrokken instelling, indien hij dit noodzakelijk acht, om informatie en opheldering vragen teneinde nadere uitleg te verkrijgen over de summiere doch toereikende reden voor de vaststelling van een handeling van algemene strekking, zoals het Gerecht in de onderhavige zaak heeft gedaan.(51)

88.      Uit het voorgaande volgt mijns inziens dat het Gerecht rekening had moeten houden met de in punt 81 hierboven vermelde gegevens die na toepassing van de PCN-methode waren verkregen, waarmee de Commissie, op verzoek van het Gerecht zelf en ter weerlegging van een argument dat Hubei Xinyegang in haar beroep in eerste aanleg had aangevoerd, een nadere toelichting heeft gegeven op de conclusie in de litigieuze verordening betreffende de vaststelling dat er in de onderhavige zaak sprake was van prijsonderbieding op het niveau van het soortgelijke product.

89.      Hieruit volgt mijns inziens dat het derde middel in hogere voorziening van de Commissie moet worden aanvaard en dat het Gerecht in het bestreden arrest op dit punt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Dit houdt in dat de in de punt 81 genoemde factoren bij de onderstaande analyse in aanmerking moeten worden genomen.

2)      Gebruik van de PCN-methode in de onderhavige zaak

90.      Voor een beter begrip van het onderzoek dat de Commissie in de onderhavige zaak heeft uitgevoerd om te bepalen of de invoer met dumping heeft geresulteerd in prijsonderbieding ten opzichte van de prijzen van soortgelijke producten van de bedrijfstak van de Unie, en dat het Gerecht in het bestreden arrest heeft bekritiseerd, moet de reeds in de punten 33 en 34 hierboven vermelde PCN-methode die de Commissie daarvoor heeft gebruikt, nader worden geanalyseerd.

91.      Uit overweging 24 van de litigieuze verordening en de gegevens in het dossier blijkt dat PCN’s alfanumerieke codes zijn die elk overeenkomen met een productcategorie. Deze codes worden meteen na de inleiding van het onderzoek vastgesteld op basis van de specifieke kenmerken van het product.(52)

92.      In de onderhavige zaak zijn de verschillende tijdens het onderzoek onderzochte producten volgens die methode ingedeeld in vijf categorieën die te herkennen zijn aan het eerste nummer van de code, waarmee de productsoort is aangeduid. Niet wordt betwist dat de producten die onder een PCN van de categorieën 1 en 2 vallen tot het olie- en gassegment behoorden, dat de producten die onder categorie 3 vallen in de bouwsector werden gebruikt, en dat de producten die onder de categorieën 4 en 5 vallen tot het segment elektriciteitsopwekking behoorden.

93.      Zoals in punt 34 hierboven vermeld, heeft de Commissie om op basis van de PCN-methode te bepalen of er sprake is van aanzienlijke prijsonderbieding, de prijzen van de invoer en de prijzen van de producenten van de Unie PCN per PCN met elkaar vergeleken. Vervolgens heeft zij de verkoop van elk onder een PCN vallend product door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten vergeleken met die van een overeenkomstig product van de bedrijfstak van de Unie. Aldus heeft de Commissie, voor zover de indeling van het product per PCN was gebaseerd op criteria op grond waarvan rekening kon worden gehouden met de verschillende segmenten waarin het betrokken product werd afgezet – zoals uit het voorgaande punt blijkt –, deze segmenten bij de analyse van de prijsonderbieding in aanmerking genomen.

94.      Uit de gegevens in het dossier(53) kan worden opgemaakt dat bij het gebruik van deze methode op het niveau van de verschillende segmenten rekening kan worden gehouden met de relatieve omvang van de verschillende verkochte producten. Dat blijkt overigens uit het feit dat op basis van deze analyse voor elk segment de verschillende verkooppercentages konden worden vastgesteld, zoals de Commissie heeft gedaan. Zoals uit punt 81 hierboven volgt, kon op basis van die vaststelling dus worden geconstateerd dat de invoer uit China en de binnenlandse verkoop in de Unie in de verschillende segmenten in wezen overeenstemden, en meer in het bijzonder dat beide geconcentreerd waren in hetzelfde segment, te weten de bouwsector, doch dat de invoer en de binnenlandse verkoop in de andere twee segmenten niet te verwaarlozen waren.

95.      Bij de toepassing van deze methode kon ook rekening worden gehouden met het niveau van onderbieding in de verschillende marktsegmenten, zoals blijkt uit het feit dat de Commissie heeft kunnen vaststellen dat er in elk segment sprake was van onderbieding.

96.      Uit de voorgaande overwegingen volgt mijns inziens dat de stelling in de punten 60 en 66 van het bestreden arrest dat de Commissie, ondanks het gebruik van de PCN-methode, bij de analyse van de prijsonderbieding niet alle relevante gegevens in aanmerking heeft genomen omdat zij geen rekening heeft gehouden met de segmentatie die overeenkomt met de verschillende soorten van het betrokken product, onjuist is. Dankzij de opzet van deze methode en de concrete toepassing daarvan is in de onderhavige zaak immers gegarandeerd dat de onderzochte producten per marktsegment zijn geanalyseerd.

97.      Wat het argument van Hubei Xinyegang betreft dat de Commissie met de PCN-methode niet heeft kunnen vaststellen welke gevolgen de invoer in een bepaald segment heeft voor de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie van producten die tot andere segmenten behoren, ben ik van mening dat een dergelijke aanvullende analyse niet nodig is in een situatie waarin de invoer en de binnenlandse verkoop in de drie bestaande segmenten in wezen dezelfde omvang hadden en in alle drie de segmenten prijsonderbieding was vastgesteld.

98.      Uit het voorgaande volgt mijns inziens dat ook het tweede middel van de Commissie moet worden aanvaard.

3)      Kenmerkende factoren van de onderhavige zaak op grond waarvan het Gerecht heeft vastgesteld dat de door de Commissie verrichte analyse ontoereikend was

99.      In punt 67 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie zich, gelet op de vier voor de onderhavige zaak kenmerkende omstandigheden – die in de punten 61 tot en met 64 van het bestreden arrest door het Gerecht zijn geanalyseerd en in punt 38 hierboven zijn vermeld –, ondanks het gebruik van de PCN-methode, in elk geval had moeten vergewissen van het feit dat de prijsontwikkeling van de bedrijfstak van de Unie (dat wil zeggen, de prijsverlaging) niet „voortkwam” uit een segment waarin de invoer uit China van beperkte omvang was of de prijsonderbieding niet aanzienlijk was. Zoals in punt 60 hierboven is opgemerkt, is het Gerecht van oordeel dat de Commissie, indien deze omstandigheden zich voordoen, ondanks het gebruik van de PCN-methode– teneinde een objectief onderzoek van de prijsonderbieding en, meer in het algemeen, de gevolgen van de prijzen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie te garanderen – een aanvullend onderzoek dient uit te voeren om na te gaan of de verlaging van de prijzen van het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie, in zijn geheel beschouwd, inderdaad het gevolg was (van de gevolgen voor de prijzen) van de invoer met dumping. Aangezien een dergelijke aanvullende analyse ontbreekt, is het door de Commissie verrichte onderzoek volgens het Gerecht niet volledig.

100. Daarom moet worden nagegaan of deze vier omstandigheden, in het licht van de onderhavige zaak, de Commissie ertoe verplichten om, ondanks het onderzoek met behulp van de PCN-methode, de door het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest gevraagde analyse uit te voeren.

101. In dit verband wijs ik met betrekking tot de eerste van die omstandigheden – te weten dat de verschillende productsoorten die vallen onder het soortgelijke product, zoals gedefinieerd, moeilijk onderling uitwisselbaar zijn(54) – erop dat de substitueerbaarheid vanuit de vraagzijde bezien weliswaar zonder meer een fundamenteel analysecriterium is voor de afbakening van de relevante markt in mededingingszaken, doch in antidumpingzaken niet dezelfde fundamentele rol speelt. Voor de definitie van het soortgelijke product in antidumpingzaken als bedoeld in artikel 1, lid 4, van de basisverordening worden andere criteria gebruikt, en het is niet ongebruikelijk dat in het kader van een antidumpingonderzoek een product dat meerdere productsoorten omvat die volgens het mededingingsrecht tot verschillende relevante productmarkten behoren, als soortgelijk product wordt aangemerkt. In dit verband moet ook worden opgemerkt dat Hubei Xinyegang de afbakening van het soortgelijke product niet voor het Gerecht heeft betwist, zodat deze definitie als vaststaand moet worden beschouwd en bij de analyse van het bestaan van de schade niet ter discussie kan worden gesteld.(55)

102. Hieruit volgt dat de geringe onderlinge uitwisselbaarheid van de onderzochte producten aan de vraagzijde geen relevante factor lijkt te zijn om te kunnen concluderen dat de Commissie in de onderhavige zaak verplicht was om, naast de analyse op basis van de PCN-methode, de door het Gerecht in punt 67 van het bestreden arrest gevraagde aanvullende analyse uit te voeren.

103. Met betrekking tot de tweede omstandigheid – te weten het bestaan van prijsverschillen tussen de verschillende segmenten – heeft het Gerecht onder verwijzing naar het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST” geoordeeld dat het bestaan van die prijsverschillen een factor was waarmee rekening moest worden gehouden bij de analyse van de prijsonderbieding, en dat het bestaan van dergelijke prijsverschillen tussen de segmenten ertoe bijdroeg dat de in punt 67 van het bestreden arrest bedoelde aanvullende analyse verplicht was.(56)

104. Zoals uit punt 76 hierboven blijkt, heeft de beroepsinstantie in dat rapport weliswaar vastgesteld dat in die zaak bij een passende analyse van de gevolgen voor de prijzen rekening had moeten worden gehouden met aanzienlijke prijsverschillen tussen de verschillende productsoorten, maar mijns inziens kan uit dit precedent niet worden afgeleid dat de Commissie in de onderhavige zaak verplicht was om de in punt 67 van het bestreden arrest uiteengezette analyse uit te voeren teneinde een objectief onderzoek van de prijsonderbieding in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening te garanderen.

105. Zoals gezegd in de punten 75 tot en met 77 hierboven waren de invoer met dumping en de binnenlandse verkoop in het door de beroepsinstantie van de WTO onderzochte geval immers geconcentreerd in verschillende segmenten, was prijsonderbieding vastgesteld in slechts twee van de drie betrokken segmenten waarin de invoer geconcentreerd was, en was geen prijsonderbieding vastgesteld in het segment waarin de binnenlandse verkoop was geconcentreerd. Volgens de in punt 81 vermelde gegevens waren de invoer met dumping en de binnenlandse verkoop in de onderhavige zaak daarentegen in hetzelfde segment geconcentreerd, en in de andere segmenten op een vergelijkbaar niveau aanwezig. Daarnaast was in de onderhavige zaak onderbieding vastgesteld in alle segmenten waarin het betrokken product werd afgezet. Bovendien blijkt uit het dossier dat bij de vergelijking door middel van de PCN-methode rekening kon worden gehouden met prijsverschillen tussen de verschillende productsoorten die onder de verschillende segmenten vallen. In die context moet worden geconcludeerd dat de Commissie ook op grond van de tweede door het Gerecht vastgestelde omstandigheid, bezien in het licht van het rapport van de beroepsinstantie „HP‑SSST”, in casu niet kan worden verplicht de in punt 67 van het bestreden arrest gevraagde aanvullende analyse te verrichten.

106. Met betrekking tot de derde van de door het Gerecht onderzochte omstandigheden – te weten dat 75,1 % van de invoer van de in de steekproef opgenomen Chinese producenten geconcentreerd was in het bouwsegment – heeft het Gerecht, onder verwijzing naar het arrest Shanghai Teraoka, geoordeeld dat die omstandigheid een afzonderlijke analyse van dit segment logisch, of zelfs noodzakelijk maakte.(57) Uit dit precedent kan mijns inziens evenwel niet worden afgeleid dat de Commissie in de onderhavige zaak een onjuiste analyse heeft verricht. Zoals uit de punten 71 tot en met 74 blijkt, heeft dit precedent immers betrekking op een andere situatie dan die van de onderhavige zaak. Anders dan in dat arrest heeft de Commissie het onderzoek van de prijsonderbieding in de onderhavige zaak immers niet beperkt tot het segment waarin de invoer was geconcentreerd, maar heeft zij dit onderzoek ten aanzien van het gehele betrokken product verricht. Daarnaast heeft zij door de PCN-methode te gebruiken, zoals in dat precedent was vereist, rekening gehouden met de marktsegmentatie.(58) Hoe dan ook, gelet op het feit dat de invoer met dumping en de binnenlandse verkoop geconcentreerd waren in hetzelfde segment en in de andere segmenten vergelijkbaar waren, en dat prijsonderbieding is vastgesteld in alle segmenten waarin het betrokken product werd afgezet, kan ook met de derde door het Gerecht genoemde omstandigheid niet worden aangetoond dat de Commissie een onjuiste analyse heeft verricht.

107. Tot slot kan ook de vierde door het Gerecht genoemde omstandigheid – te weten dat uit de voorlopige verordening bleek dat meer dan 60 % van de verkoop van de grootste onderneming in de steekproef van producenten van de Unie verband hield met de aardolie- en aardgasindustrie – geen grondslag vormen voor de conclusie van het Gerecht dat de in punt 67 van het bestreden arrest bedoelde aanvullende analyse in dit geval noodzakelijk was. De relevantie van deze omstandigheid, waarmee het Gerecht wilde suggereren dat het aannemelijk was dat de invoer met dumping en de verkoop van de bedrijfstak van de Unie in verschillende segmenten waren geconcentreerd, wordt immers duidelijk tegengesproken door de constatering die voortvloeit uit de in punt 81 vermelde informatie, namelijk dat de invoer met dumping en de verkoop in de Unie in hetzelfde segment waren geconcentreerd, te weten de bouw.

108. Uit het voorgaande volgt dat geen van de vier door het Gerecht genoemde factoren kan rechtvaardigen dat een aanvullende analyse als vermeld in punt 67 van het bestreden arrest moest worden verricht. In het bijzonder kan de Commissie in een situatie waarin zij de PCN-methode had gebruikt om de prijsonderbieding vast te stellen, en waarin ten eerste de invoer met dumping en de binnenlandse verkoop in hetzelfde segment waren geconcentreerd en in de andere segmenten vergelijkbaar waren, en ten tweede in alle segmenten waarin het betrokken product werd afgezet, sprake was van prijsonderbieding, niet worden verweten dat zij de in punt 67 van het bestreden arrest vermelde aanvullende analyse niet heeft verricht.

e)      Conclusie met betrekking tot het eerste, het tweede en het derde middel

109. In het licht van alle voorgaande overwegingen moet worden geconcludeerd dat het Gerecht in het bestreden arrest op verschillende punten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover het daarin heeft geoordeeld dat de Commissie, door bij haar analyse van de prijsonderbieding en, meer in het algemeen, de gevolgen voor de prijzen, geen rekening te houden met de marktsegmentatie, haar analyse niet op alle relevante gegevens van de onderhavige zaak heeft gebaseerd, en dat zij zich, ondanks het gebruik van de PCN-methode, in casu in elk geval had moeten vergewissen van het feit dat de prijsontwikkeling van de bedrijfstak van de Unie (dat wil zeggen, prijsverlaging) niet „voortkwam” uit een segment waarin de invoer uit China van beperkte omvang was of de prijsonderbieding niet „aanzienlijk” was.

110. Daarom ben ik van oordeel dat het eerste, het tweede en het derde middel van de door de Commissie ingestelde hogere voorziening moeten worden aanvaard.

C.      Vierde en vijfde middel: 17 productsoorten van het soortgelijke product die niet door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd, zijn niet in aanmerking genomen

111. Met het vierde en het vijfde middel betwist de Commissie, ondersteund door ArcelorMittal e.a., het bestreden arrest voor zover het Gerecht in de punten 68 tot en met 76 heeft vastgesteld dat de Commissie bij haar analyse van de prijsonderbieding ten onrechte een bepaalde hoeveelheid van het soortgelijke product dat door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie werd geproduceerd, niet in aanmerking heeft genomen.

1.      Bestreden arrest

112. In de genoemde punten van het bestreden arrest heeft het Gerecht vastgesteld dat 17 van de 66 door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie verkochte productsoorten, die 8 % van het verkoopvolume van deze producenten vertegenwoordigen, bij de analyse van de prijsonderbieding niet in aanmerking zijn genomen, aangezien die producten niet door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd en bijgevolg geen vergelijking mogelijk was.

113. Op basis van het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST” heeft het Gerecht in punt 71 van het bestreden arrest geoordeeld dat er geen reden was om aan te nemen dat bij de in artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening bedoelde analyse een bepaalde hoeveelheid van het soortgelijke product waarvoor geen prijsonderbieding was vastgesteld, buiten beschouwing kon worden gelaten. Daarnaast heeft het Gerecht in de punten 72 tot en met 74 van het bestreden arrest vastgesteld dat het door de Commissie in de litigieuze verordening vastgestelde verband tussen de analyse van de prijsonderbieding van de invoer met dumping en de prijsontwikkeling van de bedrijfstak van de Unie noodzakelijkerwijs op een onjuiste feitelijke grondslag berustte, aangezien dat was vastgesteld zonder rekening te houden met de bovengenoemde 17 productsoorten met waarvoor geen prijsonderbieding was vastgesteld. Daarom was het Gerecht van oordeel dat, bij gebreke van een specifieke reden in de litigieuze verordening dienaangaande, niet kon worden uitgesloten dat deze 17 productsoorten in niet te verwaarlozen mate hadden bijgedragen tot de verlaging van de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat de Commissie bij de analyse van de prijsonderbieding en de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie niet alle relevante gegevens van de betrokken zaak in aanmerking had genomen, en aldus artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening had geschonden.

2.      Standpunten van partijen

a)      Vierde middel: onjuiste uitlegging van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening

114. Met haar vierde middel, dat uit twee onderdelen bestaat, verwijt de Commissie het Gerecht, daarbij ondersteund door ArcelorMittal e.a., dat het artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening heeft geschonden.

115. In het eerste onderdeel betoogt de Commissie dat de conclusie van het Gerecht dat de analyse van de prijsonderbieding moet worden uitgevoerd met betrekking tot alle door de bedrijfstak van de Unie verkochte productsoorten, is gebaseerd op een onjuiste opvatting van de analyse van de prijsonderbieding. Uit de bewoordingen van artikel 3, lid 3, van de basisverordening blijkt dat de prijsonderbieding niet moet worden geanalyseerd met betrekking tot elke door de bedrijfstak van de Unie verkochte productsoort of PCN, maar op het niveau van het soortgelijke product. De Commissie berekent eerst de prijsonderbieding op het niveau van elk PCN en vervolgens de gewogen gemiddelde prijsonderbieding voor alle PCN’s die door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie worden geproduceerd. Indien voor een PCN geen onderbieding of een negatieve onderbieding wordt vastgesteld, betekent dat niet dat er tevens geen antidumpingrecht kan worden ingesteld op die PCN’s waarvoor geen onderbieding is vastgesteld.

116. In het tweede onderdeel voert de Commissie aan dat het Gerecht, door vast te stellen dat de analyse van de gevolgen voor de prijzen in de zin van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening ook een beoordeling vereist van de 17 PCN’s die niet door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten worden geproduceerd, deze analyse heeft verward met de analyse van „niet-toerekening” als bedoeld in artikel 3, lid 7, van de basisverordening. Uit de bewoordingen van deze bepalingen blijkt namelijk dat zij uitgaan van de beoordeling van de prijsonderbieding tussen het ingevoerde product met dumping en het soortgelijke product, en niet van de gevolgen van PCN’s die wel door de bedrijfstak van de Unie maar niet door de Chinese producenten-exporteurs worden verkocht. Volgens de Commissie heeft zij in de litigieuze verordening de gevolgen voor de prijzen bepaald aan de hand van die PCN’s waaraan op basis van de Chinese verkoopsteekproef een PCN uit de verkoopsteekproef van de Unie kon worden gekoppeld. Zij heeft geen prijsonderbieding kunnen vaststellen met betrekking tot de 17 PCN’s die door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie werden verkocht, maar niet door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten werden uitgevoerd. Het in de punten 72 tot en met 74 van het bestreden arrest aan de orde gestelde vraagstuk – te weten of de Commissie het risico had moeten beoordelen dat de bedrijfstak van de Unie aanzienlijke verliezen kon lijden naar aanleiding van de verkoop in de Unie van de 17 PCN’s die niet door de Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd – moet worden onderzocht in het kader van de in artikel 3, lid 7, van de basisverordening bedoelde analyse van „niet-toerekening”. Hubei Xinyegang heeft ter onderbouwing van haar verzoek echter niet aangevoerd dat deze bepaling is geschonden. Bovendien worden de conclusies van het Gerecht op geen enkele wijze door het rapport van de beroepsinstantie „HP‑SSST” ondersteund.

117. Hubei Xinyegang stelt om te beginnen dat de Commissie het bestreden arrest onjuist beschrijft. Het Gerecht heeft niet overwogen dat de prijsonderbieding op het niveau van elk PCN moet worden bepaald, maar enkel kritiek geuit op het feit dat de Commissie haar vaststellingen betreffende het bestaan van prijsonderbieding bij bepaalde productsoorten heeft uitgebreid tot andere productsoorten waarvoor geen prijsonderbieding was vastgesteld, zonder daarvoor enige verklaring te geven.

118. Ten aanzien van het eerste onderdeel betoogt Hubei Xinyegang dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat de in de rechtspraak geformuleerde bezwaren(59) betreffende de mogelijkheid uitvoertransacties naar de Unie van bepaalde soorten van het betrokken product uit te sluiten van de berekening van de dumpingmarge, ook golden in het kader van de analyse van de prijsonderbieding of de gevolgen voor de prijzen. Volgens haar bestaat er ook een risico van manipulatie indien werd geoordeeld dat de Commissie geen rekening hoeft te houden met alle verkopen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie. Aldus zou zij namelijk prijsonderbieding kunnen vaststellen bij slechts een klein deel van de verkopen van de bedrijfstak van de Unie, en deze vaststelling kunnen uitbreiden tot de rest van de verkoop, zonder te hoeven uitleggen welke gevolgen deze laatste verkoop voor de prijzen heeft.

119. Met betrekking tot het tweede onderdeel voert Hubei Xinyegang aan dat het argument van de Commissie dat de analyse van de gevolgen voor de prijzen en de vaststelling van het oorzakelijk verband twee volledig los van elkaar staande fasen zijn, niet ter zake doet omdat de Commissie niet is opgekomen tegen punt 86 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat er een verband bestaat tussen de vaststelling van de prijsonderbieding en de vaststelling van een oorzakelijk verband. In elk geval omvat artikel 3, lid 2, van de basisverordening, waar wordt verwezen naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie, de eisen inzake oorzakelijk verband en niet-toerekening, die voorts nader zijn uiteengezet in artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening. Daarnaast heeft het Gerecht terecht verwezen naar het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, waaruit kan worden afgeleid dat de gevolgen voor de prijzen moeten worden vastgesteld voor het product in zijn geheel, zonder de productsoorten uit te sluiten waarvoor geen prijsonderbieding is vastgesteld.

b)      Vijfde middel: schending van artikel 17 van de basisverordening

120. Met haar vijfde middel stelt de Commissie dat het Gerecht artikel 17 van de basisverordening(60) heeft geschonden door te oordelen dat de Commissie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de gevolgen van de 17 productsoorten die niet werden verkocht door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs, maar wel door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie. Dat die 17 PCN’s ontbreken, is het inherente gevolg van het feit dat in de onderhavige zaak de steekproefmethode is gebruikt, waarvoor de Commissie een zekere beoordelingsbevoegdheid heeft. Aangezien de steekproef als representatief wordt beschouwd, is de vaststelling dat er sprake is van prijsonderbieding op basis van de gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarges die zijn vastgesteld voor de PCN’s die door de in de steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs worden verkocht, representatief voor alle PCN’s, en dus ook voor het betrokken product. De uitlegging van het Gerecht ontneemt elk nuttig effect aan de steekproefmethode en beperkt ten onrechte de beoordelingsbevoegdheid van de Commissie ter zake.

121. Hubei Xinyegang antwoordt ten eerste dat de Commissie bij het samenstellen van de steekproef weliswaar een zekere beoordelingsbevoegdheid heeft, maar dat dit niets afdoet aan het feit dat de steekproef, wanneer zij eenmaal is samengesteld, moet voldoen aan alle juridische voorschriften van de basisverordening, waaronder het voorschrift dat de gevolgen voor de prijzen naar behoren worden geanalyseerd. Ten tweede doet het bestreden arrest geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de Commissie om gebruik te maken van steekproeven, en evenmin aan de flexibiliteit waarover zij met betrekking daartoe beschikt. Het bestreden arrest vereist dat, wanneer de steekproef eenmaal is samengesteld, uitsluitend rekening wordt gehouden met de gevolgen van alle invoer met dumping door de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs voor de prijzen van alle door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie verkochte productsoorten.

3.      Analyse

a)      Kritiek van het Gerecht in het bestreden arrest

122. Om het vierde en het vijfde middel te kunnen analyseren moet, net als bij de eerste drie middelen, eerst de strekking van de kritiek van het Gerecht worden verduidelijkt. Ook met betrekking tot het in deze middelen betwiste deel van het bestreden arrest zijn partijen het namelijk niet eens over de strekking van de kritiek van het Gerecht.

123. De Commissie en ArcelorMittal e.a. voeren aan dat het Gerecht in het bestreden arrest de Commissie de verplichting heeft opgelegd om de prijsonderbieding te analyseren voor elke productsoort – dat wil zeggen voor elk PCN – die door de bedrijfstak van de Unie wordt verkocht. Daarnaast stellen zij dat de fundamentele kritiek van het Gerecht niet valt onder de analyse van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van de bedrijfstak van de Unie, maar onder analyse van de zogenoemde „niet-toerekening” als bedoeld in artikel 3, lid 7, van de basisverordening, welke bepaling voor het Gerecht niet is ingeroepen.

124. Hubei Xinyegang betoogt daarentegen dat het Gerecht de Commissie heeft verweten de strekking van haar vaststellingen ter zake van de prijsonderbieding voor bepaalde productsoorten simpelweg te hebben uitgebreid tot productsoorten waarvoor helemaal geen prijsonderbieding was aangetoond, zonder daarvoor een motivering te geven. Door de bovengenoemde 17 productsoorten van haar analyse uit te sluiten heeft de Commissie derhalve niet aangetoond welke gevolgen de invoer heeft voor het soortgelijke product in zijn geheel, en aldus artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening geschonden.

125. In dit verband merk ik in de eerste plaats op dat het Gerecht in punt 69 van het bestreden arrest heeft geconstateerd dat de Commissie bij de toepassing van de PCN-methode niet in staat is geweest een prijsonderbiedingsmarge vast te stellen bij de 17 productsoorten van de bedrijfstak van de Unie waarmee geen ingevoerde producten correspondeerden. Vervolgens heeft het Gerecht in punt 71, onder verwijzing naar het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, evenwel verklaard dat de desbetreffende bepalingen geen enkel aanknopingspunt bieden voor de opvatting dat een bepaalde hoeveelheid van het soortgelijke product waarbij er geen sprake was van prijsonderbieding – te weten deze 17 productsoorten waarvoor op grond van de PCN-methode geen prijsonderbiedingsmarge kon worden vastgesteld – kan worden uitgesloten van de in artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening neergelegde analyse.

126. Met deze laatste verklaring heeft het Gerecht mijns inziens uitdrukking gegeven aan het beginsel dat de Commissie bij haar analyse van de gevolgen voor de prijzen de volledige verkoop van het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie in aanmerking moet nemen. Vervolgens heeft het Gerecht dit beginsel op de onderhavige zaak toegepast en geoordeeld dat de Commissie – aangezien deze analyse in casu was uitgevoerd door de prijsonderbieding op grond van de PCN-methode vast te stellen – noodzakelijkerwijs rekening moest houden met alle PCN’s van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie teneinde haar analyse op alle relevante gegevens te baseren.

127. In de tweede plaats heeft het Gerecht de Commissie in de punten 73 en 74 van het bestreden arrest in wezen verweten dat zij het door haar vastgestelde verband tussen de analyse van de prijsonderbieding en de prijsontwikkeling van de bedrijfstak van de Unie op een onjuiste feitelijke grondslag heeft gebaseerd door geen rekening te houden met de 17 betrokken productsoorten, aangezien niet kon worden uitgesloten dat deze productsoorten „in niet te verwaarlozen mate hebben bijgedragen aan de verlaging van de prijzen van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie”.

128. Hieruit volgt dat de fundamentele kritiek van het Gerecht op de Commissie erin bestaat dat zij bij haar analyse geen rekening heeft gehouden met de invloed die (de prijzen van) die 17 productsoorten – waarvoor geen prijsonderbiedingsmarge kon worden vastgesteld – konden hebben gehad op de ontwikkeling van de prijzen van de producenten van de Unie, die de Commissie had berekend met betrekking tot het soortgelijke product in zijn geheel.

b)      Is de Commissie verplicht om bij de analyse van de gevolgen voor de prijzen altijd rekening te houden met alle productsoorten van de bedrijfstak van de Unie die onder de definitie van het soortgelijke product vallen?

129. In deze context rijst allereerst de vraag of op de Commissie de verplichting rust, zoals lijkt te kunnen worden afgeleid uit punt 71 van het bestreden arrest, om bij haar analyse van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen altijd alle door de bedrijfstak van de Unie verkochte productsoorten in aanmerking te nemen, met name wanneer deze analyse wordt verricht door de prijsonderbieding vast te stellen.

130. Ter onderbouwing van zijn beginselverklaring in punt 71 van het bestreden arrest heeft het Gerecht verwezen naar punt 5.180 van het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, waarin deze instantie heeft vastgesteld dat de Chinese autoriteiten in die zaak „het aanzienlijke karakter van de prijsonderbieding van de invoer met dumping dienden te beoordelen ten opzichte van het ‚aandeel van de binnenlandse productie waarvoor geen prijsonderbieding was vastgesteld’”.

131. Het Gerecht heeft de strekking van deze verklaring naar analogie uitgebreid tot de onderhavige zaak en, na eerder in punt 70 van het bestreden arrest te hebben vastgesteld dat met betrekking tot de 17 betrokken productsoorten geen „prijsonderbieding” was vastgesteld, in punt 71 het bovengenoemde beginsel afgeleid dat het niet mogelijk is om een deel van het soortgelijke product van de analyse van de gevolgen voor de prijzen uit te sluiten.

132. Ik ben er echter niet van overtuigd dat uit dit punt van het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST” een algemeen beginsel kan worden afgeleid zoals het Gerecht heeft gedaan. Dit punt moet namelijk worden gelezen in de context van de door de beroepsinstantie van de WTO onderzochte zaak. Zoals uit punt 75 hierboven blijkt, was in die zaak een situatie aan de orde waarin de Chinese autoriteiten de prijsonderbieding voor producten in het marktsegment van graad A, waarin de binnenlandse verkoop geconcentreerd was, niet hadden geanalyseerd, en dus ook niet hadden vastgesteld, maar louter hun bevindingen ter zake van de prijsonderbieding betreffende de marktsegmenten van graad B en graad C, waarin de invoer met dumping geconcentreerd was, tot dit segment hadden uitgebreid.

133. Daaruit blijkt dat de beroepsinstantie in dit punt beoogde aan te geven dat de Chinese autoriteiten zich er in een dergelijke zeer specifieke situatie – waarin de binnenlandse verkoop sterk geconcentreerd was in één segment (graad A) en de invoer met dumping geconcentreerd was in andere segmenten (graad B en graad C) – niet toe konden beperken hun bevindingen betreffende onderbieding met betrekking tot graad B en graad C uit te breiden tot producten die deel uitmaken van graad A.

134. Anders dan in die zaak het geval was, heeft de Commissie in de onderhavige zaak niet om opportuniteitsredenen een „deel van de binnenlandse productie” bij de vaststelling van prijsonderbieding buiten beschouwing gelaten, maar zij was niet in staat, zoals het Gerecht zelf heeft erkend, om de prijsonderbiedingsmarge voor dergelijke producten te berekenen wegens de steekproef en de analysemethode die zij op grond van haar beoordelingsbevoegdheid had gekozen.(61)

135. Hieruit volgt mijns inziens dat het betrokken punt in het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST” geen grondslag kan vormen voor een algemeen beginsel als dat wat uit punt 71 van het bestreden arrest kan worden afgeleid, volgens welke de Commissie bij haar analyse van de prijsonderbieding en de gevolgen voor de prijzen altijd rekening moet houden met alle productsoorten die door de bedrijfstak van de Unie worden verkocht en onder het vastgestelde soortgelijke product vallen.

136. Hubei Xinyegang voert evenwel aan dat dit beginsel in overeenstemming is met de benadering van het Hof in de zaak Changshu City. In dit verband moet in herinnering worden gebracht dat het Hof in dat arrest heeft geoordeeld dat artikel 2, lid 11, van de basisverordening, gelet op zijn bewoordingen, doelstelling en context, niet aldus kan worden uitgelegd dat dit toestaat dat uitvoertransacties naar de Unie betreffende bepaalde soorten van het betrokken product van de berekening van de dumpingmarge worden uitgesloten, en dat uit deze bepaling juist volgt dat de instellingen van de Unie verplicht zijn om ten behoeve van die berekening met al die transacties rekening te houden.(62)

137. Dienaangaande ben ik evenwel van mening dat de uitlegging die het Hof in dat arrest aan artikel 2, lid 11, van de basisverordening voor de berekening van de dumpingmarge heeft gegeven niet noodzakelijkerwijs automatisch kan worden overgezet op de analyse van de prijsonderbieding in artikel 3, leden 2 en 3, van die verordening. Alleen al vanuit letterlijk oogpunt moet worden opgemerkt dat in de twee bepalingen volstrekt andere bewoordingen zijn gebruikt. In artikel 2, lid 11, van de basisverordening is namelijk uitdrukkelijk bepaald dat rekening moet worden gehouden met de „prijs van alle [...] exporttransacties”.(63) Daarom kan worden aangenomen dat de bepalingen van artikel 3, leden 2 en 3, van die verordening, voor zover zij verschillend zijn geformuleerd, niet noodzakelijkerwijs eisen dat bij deze analyse alle transacties betreffende het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie in aanmerking worden genomen.

138. Dit lijkt overigens ook te stroken met de verschillende logica die aan de berekening van de dumpingmarge en aan de vaststelling van de prijsonderbieding ten grondslag ligt. Bij de berekening van de dumpingmarge worden normaal gesproken(64) immers de binnenlandse verkoop en de uitvoer van dezelfde onderneming (de producent-exporteur) in aanmerking genomen, terwijl voor de vaststelling van de prijsonderbieding de verkoopcijfers van verschillende producenten moeten worden vergeleken (te weten de invoer met dumping van de producenten-exporteurs en de binnenlandse verkoop van de bedrijfstak van de Unie).

139. Uit de voorgaande analyse volgt dat noch het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, waarop het Gerecht zich heeft gebaseerd, noch het door Hubei Xinyegang aangehaalde arrest Changshu City, de grondslag kan vormen voor een beginsel volgens welke de Commissie bij de analyse van de prijsonderbieding en, meer in het algemeen, van de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen, altijd en in alle omstandigheden de totale verkoop van de producenten in de Unie van alle productsoorten van het soortgelijke product in aanmerking dient te nemen.

140. In het licht van het bovenstaande moet ik evenwel het volgende opmerken.

141. Ten eerste volgt (zoals ik heb opgemerkt in de punten 28 en 67 hierboven), uit artikel 3, lid 2, van de basisverordening dat de Commissie een objectief onderzoek moet instellen naar de gevolgen van de invoer voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie. Daarom kan niet worden uitgesloten dat, om de objectiviteit van een dergelijk onderzoek te waarborgen, in bepaalde omstandigheden inderdaad rekening moet worden gehouden met de totale verkoop van de producten van de bedrijfstak van de Unie.

142. Ten tweede volgt uit de bewoordingen van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening dat de betreffende analyse een onderzoek van de gevolgen van de invoer voor de prijzen van het soortgelijke product in de Unie veronderstelt. Zoals opgemerkt in punt 35 hierboven, is in casu niet betwist dat een dergelijk onderzoek is uitgevoerd met betrekking tot alle invoer van het betrokken product door de in de steekproef opgenomen Chinese exporteurs.

143. Ten derde, zoals ik in herinnering heb gebracht in de punten 28 en 29 hierboven, voorziet artikel 3 van de basisverordening niet in een specifieke analysemethode voor de vaststelling van het bestaan van schade of, meer in het bijzonder, prijsonderbieding, en beschikken de instellingen van de Unie in dit opzicht over een ruime beoordelingsbevoegdheid, gezien de ingewikkeldheid van de economische en politieke situaties die zij moeten onderzoeken. In dit verband staat het, mits de objectiviteit van het onderzoek is gewaarborgd, aan deze instellingen om de analysemethode te kiezen die zij naargelang van de specifieke kenmerken van het betrokken onderzoek het meest geschikt achten om de gevolgen voor de prijzen vast te stellen.

144. Ten vierde blijkt in het onderhavige geval uit de litigieuze verordening in de eerste plaats dat de Commissie ervoor heeft gekozen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef samen te stellen(65) met betrekking tot zowel Chinese producenten-exporteurs als producenten van de Unie. De samenstelling van die steekproef, waarvoor in de rechtspraak een zekere beoordelingsbevoegdheid is erkend(66), is in de onderhavige zaak niet betwist.

145. In de tweede plaats heeft de Commissie er in de onderhavige zaak op grond van de bovengenoemde beoordelingsbevoegdheid voor gekozen om de prijsonderbieding met behulp van de PCN-methode vast te stellen, zoals reeds opgemerkt in de punten 33, 34 alsook 90 en volgende. Deze methode, die evenmin is betwist, had onder meer tot doel ervoor te zorgen dat de prijzen van de te vergelijken producten van verschillende ondernemingen met elkaar konden worden vergeleken. Om deze vergelijkbaarheid te garanderen werden de verschillende PCN’s, zoals gezegd, vastgesteld op grond van de fysieke en technische kenmerken van de producten. Zoals ArcelorMittal e.a. echter terecht aanvoeren, moet om een dergelijk systeem te kunnen gebruiken een compromis worden gevonden tussen enerzijds de noodzaak de bovengenoemde vergelijkbaarheid van de prijzen te waarborgen en, anderzijds de noodzaak ervoor te zorgen dat een zo groot mogelijke hoeveelheid invoer en binnenlandse verkoop met elkaar kan worden vergeleken, teneinde een zo representatief mogelijk resultaat te verkrijgen. In die optiek geldt dat hoe gedetailleerder het PCN is, des te beter de ingevoerde en de binnenlandse producten waarop het PCN betrekking heeft, met elkaar kunnen worden vergeleken. Daarbij geldt echter ook dat hoe gedetailleerder het PCN is, des te groter het risico is dat bepaalde producten (PCN’s) geen equivalenten hebben en dus niet bij de analyse in aanmerking kunnen worden genomen. In de onderhavige zaak is vastgesteld dat het gebruik van de door de Commissie ontwikkelde PCN-methode een zeer hoge mate van vergelijkbaarheid mogelijk heeft gemaakt, aangezien 100 % van de invoer met dumping is vergeleken met 92 % van de binnenlandse verkoop van de in de steekproef opgenomen ondernemingen. Zoals gezegd is deze methode niet betwist.

146. Tegen de achtergrond van deze overwegingen moet de door het Gerecht aan de Commissie verweten fout worden geanalyseerd.

c)      Fout die het Gerecht de Commissie verwijt

147. Uit punt 76 van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht de Commissie heeft verweten dat zij in de onderhavige zaak bij de analyse van de prijsonderbieding en de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie niet alle relevante gegevens in aanmerking heeft genomen.

148. Uit de punten 73 en 74 van het bestreden arrest, waarnaar in de punten 113 en 127 hierboven wordt verwezen, volgt dat wat het tweede kritiekpunt betreft, de relevante gegevens waarmee de Commissie ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden verband hielden met de invloed die de verkoopprijzen van de 17 productsoorten waarvoor geen prijsonderbieding kon worden vastgesteld, konden hebben gehad op de verlaging van de verkoopprijs van het soortgelijke product, in zijn geheel beschouwd, van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie. Zoals in punt 128 hierboven is opgemerkt, heeft het Gerecht de Commissie in wezen verweten bij haar analyse van de prijsonderbieding en de gevolgen voor de prijzen geen rekening te hebben gehouden met de invloed die de verkoop van deze 17 productsoorten eventueel kon hebben op de ontwikkeling van de prijzen van de producenten van de Unie voor het soortgelijke product in zijn geheel beschouwd.

149. In dit verband merk ik evenwel ten eerste op dat, zoals in punt 142 hierboven is opgemerkt, artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening uitdrukkelijk bepaalt dat de analyse van de gevolgen voor de prijzen betrekking heeft op de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van het soortgelijke product in de Unie, en niet de gevolgen voor de prijzen van een deel van de soortgelijke producten. In de onderhavige zaak heeft het Gerecht de Commissie evenwel verweten dat zij deze bepalingen heeft geschonden omdat het niet de gevolgen van de invoer (die bij de analyse volledig in aanmerking zijn genomen), maar de gevolgen van de verkoop van 17 productsoorten door de producenten van de Unie waren waar zij geen rekening mee heeft gehouden.

150. Ten tweede heeft dit argument betrekking op het gestelde verzuim om na te gaan of de verlaging van de prijzen van het soortgelijke product in zijn geheel niet op een „niet te verwaarlozen” wijze het gevolg was van de prijsverlaging van de 17 betrokken productsoorten. Met andere woorden, de Commissie had moeten nagaan of de prijzen van die 17 productsoorten in onevenredige mate hadden bijgedragen tot de prijsverlaging van het soortgelijke product in zijn geheel, ten opzichte van de gevolgen op het aldus beschouwde soortgelijke product van de prijsverlaging van de andere 49 productsoorten, waarvoor prijsonderbieding was vastgesteld.

151. Zoals ArcelorMittal e.a. terecht hebben opgemerkt, kan deze onevenredige verlaging van de prijzen van de betrokken 17 productsoorten echter om slechts twee redenen hebben plaatsgevonden: als gevolg van een onevenredige weerslag van de invoer met dumping op deze producten, dan wel als gevolg van andere – interne of externe – factoren dan die invoer met dumping. In casu kan maar een van de twee het geval zijn. In het eerste geval zou een dergelijke onevenredige verlaging betekenen dat de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van deze 17 productsoorten nog groter zijn geweest dan de gevolgen die de Commissie heeft vastgesteld voor de andere productsoorten waarvoor onderbieding was vastgesteld. In dat geval kan de conclusie over het bestaan van schadelijke gevolgen voor de prijzen van het soortgelijke product wegens de invoer op de markt van de Unie echter zeker niet worden betwist. In het tweede geval zou de onevenredige verlaging van de prijzen van deze producten daarentegen te wijten zijn aan de gevolgen van andere „factoren [dan de invoer met dumping] die de bedrijfstak van de Unie terzelfder tijd schade toebrengen”. Zoals de Commissie stelt, worden deze andere factoren evenwel onderzocht in het kader van de analyse van de „niet-toerekening” als bedoeld in artikel 3, lid 7, van de basisverordening, waarvan Hubei Xinyegang geen schending heeft aangevoerd en die derhalve de toewijzing van haar beroep niet kan rechtvaardigen.(67)

152. Wat deze 17 productsoorten betreft, moet ik er nogmaals op wijzen dat de conclusie van het Gerecht in punt 71, in fine, van het bestreden arrest – op grond van de vaststelling in punt 70 van het bestreden arrest – dat er bij de 17 litigieuze productsoorten geen sprake was van prijsonderbieding, mijns inziens onjuist is. Zoals het Gerecht zelf in punt 69 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, waren de steekproefmethode en de keuze voor de PCN-methode de redenen dat voor die productsoorten geen prijsonderbiedingsmarge kon worden berekend.(68) Dat betekent echter niet dat er bij die 17 productsoorten geen sprake was van onderbieding. Het is namelijk niet uitgesloten dat andere Chinese exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen, deze 17 productsoorten invoerden tegen prijzen die aanzienlijk lager waren dan die van de producenten in de Unie.(69) De keuze van de methode die de Commissie in het kader van haar beoordelingsbevoegdheid heeft gemaakt – een keuze die overigens niet is betwist – is de enige reden waarom het niet mogelijk was om dat vast te stellen.

153. Uit het voorgaande volgt dat de analyse van het Gerecht in de punten 68 tot en met 76 van het bestreden arrest mijns inziens eveneens berust op een onjuiste rechtsopvatting, en dat het Gerecht derhalve ook dit deel van het arrest heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening.

D.      Zesde middel: onjuiste vaststelling van de intensiteit van de rechterlijke toetsing

1.      Standpunten van partijen

154. Het zesde middel dat de Commissie aanvoert, daarbij ondersteund door ArcelorMittal e.a., bestaat uit drie onderdelen. Met het eerste onderdeel verwijt de Commissie het Gerecht dat het ultra petita heeft beslist, door het eerste en het tweede middel van het beroep in eerste aanleg te herkwalificeren en aldus de omvang van het geschil uit te breiden tot buiten de strikte grenzen die in dat beroep zijn vastgesteld. Hubei Xinyegang heeft de vaststelling van de feiten immers niet betwist, maar door vraagtekens te zetten bij de wijze waarop de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid heeft uitgeoefend, heeft zij de beoordeling van de feiten betwist.

155. Met het tweede onderdeel betoogt de Commissie dat het Gerecht in de punten 34, 35 en 45 van het bestreden arrest de intensiteit van de toetsing die het diende te verrichten, onjuist heeft vastgesteld. In het bestreden arrest heeft het Gerecht zich volgens haar gebaseerd op een ruime uitlegging van het begrip „vaststelling van de feiten” die geen steun vindt in de rechtspraak en niet verenigbaar is met de in de vaste rechtspraak erkende intensiteit van de rechterlijke toetsing. Het Gerecht heeft een volledige toetsing verricht, terwijl het criterium van de kennelijke fout van toepassing was.

156. In het derde onderdeel betoogt de Commissie dat het Gerecht de feiten rechtens onjuist heeft gekwalificeerd. Zelfs indien de door het Gerecht vastgestelde intensiteit van de rechterlijke toetsing passend was, quod non, heeft de Commissie zich daaraan aangepast, aangezien zij tijdens het onderzoek alle gegevens heeft verzameld die nodig zijn om een analyse per marktsegment te verrichten en de 17 betwiste PCN’s te beoordelen.

157. Met betrekking tot het eerste onderdeel voert Hubei Xinyegang aan dat uit een eenvoudige lezing van het beroepschrift in eerste aanleg blijkt dat het Gerecht de door haar aangevoerde middelen niet heeft geherkwalificeerd, maar deze eenvoudigweg heeft aanvaard. Met betrekking tot het tweede onderdeel betoogt zij dat het Gerecht een juiste toetsing heeft verricht, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie. Met betrekking tot het derde onderdeel stelt zij dat zelfs indien de Commissie alle voor de analyse noodzakelijke gegevens had verzameld, dit niet blijkt uit de litigieuze verordening of uit het voor het Gerecht overgelegde bewijsmateriaal.

2.      Analyse

158. Wat het eerste onderdeel van het onderhavige middel betreft, ben ik het met Hubei Xinyegang eens dat uit de lezing van het beroepschrift in eerste aanleg blijkt dat het Gerecht in het bestreden arrest de door haar aangevoerde middelen inzake schending van artikel 3, leden 2, 3 en 6, van de basisverordening inderdaad heeft aanvaard zonder ze te herkwalificeren. Mitsdien moet het eerste onderdeel van het onderhavige middel mijns inziens worden afgewezen.

159. Dit betekent echter niet dat het niet mogelijk is dat het Gerecht een rechterlijke toetsing met een onjuiste intensiteit heeft verricht, zoals de Commissie in het kader van het tweede onderdeel stelt.

160. In dit verband geldt volgens vaste rechtspraak dat voor de vaststelling van schade voor de bedrijfstak van de Unie ingewikkelde economische situaties worden beoordeeld en bij het rechterlijke toezicht op een dergelijke beoordeling dan ook alleen dient te worden nagegaan of de procedureregels in acht zijn genomen, of de feiten juist zijn vastgesteld en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid. Dit is met name het geval voor de vaststelling, in het kader van een antidumpingonderzoek, van de factoren die de bedrijfstak van de Unie schade toebrengen.(70)

161. Dienaangaande heeft Hof eveneens geoordeeld dat de toetsing door het Gerecht van de bewijzen waarop de instellingen van de Unie zich baseren, geen nieuwe beoordeling van de feiten vormt die in de plaats komt van de beoordeling van de feiten door deze instellingen. Deze toetsing maakt geen inbreuk op de ruime beoordelingsbevoegdheid die deze instellingen op het gebied van de handelspolitiek bezitten, maar is beperkt tot de vaststelling of die elementen de door de instellingen getrokken conclusies kunnen schragen. Het Gerecht dient bijgevolg niet alleen de materiële juistheid van het aangevoerde bewijs en de betrouwbaarheid en de samenhang daarvan te controleren, maar het moet ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader voor de beoordeling van een complexe toestand vormen en de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen.(71)

162. Bovendien kan de Unierechter in het kader van de rechtmatigheidstoetsing krachtens artikel 263 VWEU zijn eigen motivering in geen geval in de plaats stellen van die van de instelling die de handeling heeft verricht.(72)

163. In casu merk ik om te beginnen op dat het Gerecht in punt 34 van het bestreden arrest heeft verwezen naar een formule uit zijn vaste rechtspraak(73), waarin in wezen de beginselen zijn opgenomen die het Hof heeft ontwikkeld in de arresten die in de punten 160 en 161 hierboven zijn vermeld. Deze formule bevat evenwel een volzin die niet in de rechtspraak van het Hof kan worden teruggevonden, te weten: „Dit beperkt rechterlijk toezicht betekent niet dat de Unierechter de interpretatie, door de instellingen, van economische gegevens niet mag toetsen.” Deze volzin is klaarblijkelijk ontleend aan de rechtspraak over de omvang van de rechterlijke toetsing in mededingingszaken.(74) Ik denk echter niet dat de vaststelling van de omvang van de rechterlijke toetsing door het Hof in mededingingszaken automatisch toepasbaar is op antidumpingzaken. Hoewel beide rechtsgebieden van economische aard zijn en beide betrekking hebben op gedragingen van ondernemingen en onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen, verschillen zij op een aantal punten aanzienlijk. Zo hebben de instellingen in de twee rechtsgebieden zeer verschillende onderzoeksbevoegdheden en ontleent de Commissie in antidumpingzaken – anders dan in mededingingszaken – aan de basisverordening geen enkele onderzoeksbevoegdheid op grond waarvan zij vennootschappen kan dwingen hun medewerking te verlenen aan het onderzoek of informatie te verstrekken.(75) Bovendien moet de beoordelingsmarge van de instellingen in antidumpingzaken in beginsel ruimer zijn, aangezien deze, zoals uitdrukkelijk uit de rechtspraak blijkt, voortvloeit uit de noodzaak rekening te houden met de ingewikkeldheid van niet alleen economische situaties, zoals in mededingingszaken, maar ook politieke situaties.(76)

164. In de tweede plaats zij eraan herinnerd dat artikel 3 van de basisverordening niet voorziet in een specifieke analysemethode voor de vaststelling van schade of, meer in het bijzonder, prijsonderbieding, zoals het Gerecht heeft vastgesteld en ik in punt 28 hierboven in herinnering heb gebracht. Bij gebreke van een nauwkeurige methode om die analyse te verrichten, die inhoudt dat ingewikkelde economische situaties moeten worden onderzocht, beschikt de Commissie a fortiori over een beoordelingsbevoegdheid.

165. In dit verband moet mijns inziens worden beklemtoond dat het Gerecht volgens de in punt 161 aangehaalde vaste rechtspraak van het Hof weliswaar dient na te gaan of het bewijsmateriaal waarover de Commissie beschikt het relevante feitenkader voor de beoordeling van een complexe toestand vormt, doch dat dit niet wegneemt dat het Gerecht bij die beoordeling niet zo ver mag gaan dat het de grenzen van de beperkte rechterlijke toetsing overschrijdt door zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de Commissie. De vaststelling dat de Commissie niet over het relevante feitenkader beschikte moet tot de conclusie leiden dat die instelling als gevolg daarvan een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Met andere woorden, de in punt 161 hierboven genoemde rechtspraak moet worden gelezen in het licht van de in punt 160 genoemde rechtspraak. Bijgevolg moet de Unierechter, om een verordening als de litigieuze verordening in de onderhavige zaak nietig te verklaren, vaststellen dat de eventuele ontoereikendheid van de relevante gegevens voor de beoordeling van een complexe economische situatie heeft geleid tot een kennelijke beoordelingsfout van de Commissie.

166. In de derde plaats, en in verband met voorgaande overwegingen, ben ik van mening dat de omvang van de voornoemde aan de instellingen toegekende beoordelingsbevoegdheid moet worden verduidelijkt. In feite is de scheidslijn tussen nagaan of de relevante gegevens volstaan om een complexe economische situatie te beoordelen en de gebruikte analysemethode ter discussie stellen nogal dun.

167. Dienaangaande ben ik van mening dat deze beoordelingsbevoegdheid zich in een situatie als die in de onderhavige zaak ten minste uitstrekt tot de beslissingen over de keuze van de analysemethode, de te verzamelen gegevens en bewijzen, de berekeningsmethode die moet worden gebruikt om de prijsonderbiedingsmarge te bepalen, en de uitlegging en de beoordeling van de verzamelde gegevens. Met betrekking tot al deze punten moet het criterium van de kennelijke beoordelingsfout worden toegepast en kan de Unierechter een beperkte toetsing verrichten.

168. Bij de analyse van de onderhavige zaak in het licht van de voorgaande overwegingen blijkt uit de punten 59 en 60 hierboven dat het Gerecht de Commissie met zijn eerste punt van kritiek enerzijds verwijt dat zij, ondanks het gebruik van de PCN-methode, de marktsegmentatie niet in aanmerking heeft genomen bij de analyse van de prijsonderbieding en, meer in het algemeen, van de gevolgen voor de prijzen, en anderzijds dat zij geen aanvullende analyse heeft verricht om na te gaan of de verlaging van de prijzen van het soortgelijke product van de bedrijfstak van de Unie, als geheel beschouwd, niet het gevolg was van ontwikkelingen in een marktsegment waar de invoer met dumping geen wezenlijke invloed had gezien de onbeduidende omvang daarvan of omdat er geen sprake was van aanzienlijke prijsonderbieding.

169. Uit punt 128 hierboven blijkt dat het Gerecht de Commissie met zijn tweede punt van kritiek verwijt dat zij bij haar analyse geen rekening heeft gehouden met de mogelijke invloed die de prijzen van deze 17 productsoorten, waarvoor geen prijsonderbieding kon worden vastgesteld, konden hebben gehad op de prijsontwikkeling van de producenten van de Unie die was berekend met betrekking tot het soortgelijke product in zijn geheel.

170. Op grond van deze twee gestelde analysefouten heeft het Gerecht in punt 76 van het bestreden arrest geoordeeld dat de Commissie in casu niet alle relevante gegevens in aanmerking heeft genomen.

171. Dienaangaande merk ik ten eerste op dat uit deze kritiekpunten blijkt dat het Gerecht vrij sterk ingrijpt in de door de Commissie verrichte analyse van de prijsonderbieding, hetgeen mijns inziens moeilijk te verzoenen valt met de beperkte intensiteit van de rechterlijke toetsing die door de in punt 160 genoemde rechtspraak wordt voorgeschreven. Zoals blijkt uit het opschrift van het deel van het bestreden arrest dat begint bij punt 53, strekte het tweede onderdeel van het in eerste aanleg door Hubei Xinyegang aangevoerde eerste middel, dat het Gerecht heeft aanvaard, ertoe de door de Commissie gebruikte methode voor het onderzoek van de prijsonderbieding ter discussie te stellen. De keuze daarvan valt mijns inziens zonder meer binnen de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de Commissie ter zake beschikt, zoals opgemerkt in punt 167 hierboven.

172. Ten tweede wijs ik erop dat het Gerecht nergens heeft vastgesteld dat het gestelde feit dat niet alle relevante gegevens van de onderhavige zaak in aanmerking zijn genomen, ertoe heeft geleid dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Hieruit volgt mijns inziens dat het Gerecht de door de rechtspraak vereiste maatstaf voor de uitoefening van rechterlijke toetsing in een zaak als de onderhavige niet heeft toegepast.

173. Op grond van de voorgaande overwegingen ben ik van mening dat ook het zesde middel moet worden aanvaard.

E.      Conclusie inzake de hogere voorziening

174. Uit de punten 109, 110, 153 en 173 hierboven volgt dat het Gerecht zowel in het deel van het arrest dat betrekking heeft op de eerste door het Gerecht bekritiseerde grief (punten 59‑67 en punten 77‑79) als in het deel van het bestreden arrest dat betrekking heeft op de tweede grief (punten 68‑76) mijns inziens blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Bijgevolg moet het bestreden arrest worden vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de analyse door het Gerecht van het eerste door Hubei Xinyegang in eerste aanleg aangevoerde middel.

175. Voor zover het Gerecht, zoals blijkt uit punt 88 van het bestreden arrest, zijn aanvaarding van het tweede door Hubei Xinyegang in eerste aanleg aangevoerde middel uitsluitend heeft gebaseerd op dezelfde vaststellingen als in het kader van het onderzoek van het eerste middel, moet ook het deel van het bestreden arrest dat betrekking heeft op de analyse van het tweede middel (punten 82‑89) worden vernietigd, en bijgevolg het gehele bestreden arrest, zoals de Commissie aanvoert.

VI.    Beroep voor het Gerecht

176. Overeenkomstig artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

177. Dat is mijns inziens het geval met betrekking tot het eerste en het tweede middel die Hubei Xinyegang voor het Gerecht heeft aangevoerd en die zijn samengevat in de punten 24, 25 en 82 van het bestreden arrest. Uit alle voorgaande overwegingen volgt namelijk dat de argumenten die Hubei Xinyegang in het kader van deze eerste twee middelen van beroep heeft aangevoerd, anders dan het Gerecht heeft geoordeeld, niet aantonen dat de Commissie een kennelijke fout heeft gemaakt bij haar analyse van de prijsonderbieding en de gevolgen van de invoer met dumping voor de prijzen van soortgelijke producten in de Unie.

178. Naar mijn mening is de zaak evenwel niet in staat van wijzen met betrekking tot het derde en het vierde middel van beroep, die het Gerecht in het bestreden arrest niet heeft onderzocht en ten aanzien waarvan niet kan worden uitgesloten dat nader onderzoek nodig is. In die omstandigheden ben ik van oordeel dat de zaak moet worden terugverwezen naar het Gerecht voor een uitspraak over de resterende middelen van het beroep.

VII. Kosten

179. Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof ten aanzien van de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het zelf de zaak afdoet. Aangezien dat in casu niet het geval is, wordt de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

VIII. Conclusie

180. Gelet op de voorgaande overwegingen geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:

„–      Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 september 2019, Hubei Xinyegang Special Tube/Commissie (T‑500/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:691) wordt vernietigd.

–      Het eerste en het tweede middel van Hubei Xinyegang Special Tube in eerste aanleg worden verworpen.

–      De zaak wordt naar het Gerecht terugverwezen voor een uitspraak over de resterende middelen.

–      De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.”


1      Oorspronkelijke taal: Italiaans.


2      T‑500/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:691.


3      Uitvoeringsverordening 2017/804 van de Commissie van 11 mei 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer (ander dan gietijzer) of van staal (ander dan roestvrij staal), met een rond profiel, met een uitwendige diameter van meer dan 406,4 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2017, L 121, blz. 3).


4      PB 2016, L 176, blz. 21.


5      PB 2016, L 305, blz. 1.


6      PB 1994, L 336, blz. 103.


7      Zie de punten 48‑52 van het bestreden arrest.


8      Zie de punten 59‑67 van het bestreden arrest.


9      Zie de punten 82‑89 van het bestreden arrest.


10      Zie in het bijzonder punt 88 van het bestreden arrest.


11      Beschikking van de president van de Zevende kamer van het Gerecht van 24 januari 2018. Zie punt 12 van het bestreden arrest.


12      Zie de punten 59‑67 en 77‑79 van het bestreden arrest.


13      Zie de punten 68‑76 van het bestreden arrest.


14      Uit artikel 1, lid 1, van de basisverordening blijkt namelijk dat een antidumpingrecht slechts kan worden ingesteld op een product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt wanneer het in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt.


15      Zie de punten 30 en 54 van het bestreden arrest.


16      Zie in dit verband arrest van 16 juli 2015, Commissie/Rusal Armenal (C‑21/14 P, EU:C:2015:494, punten 44‑46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


17      Zie naar analogie arrest van 9 januari 2003, Petrotub en Republica (C‑76/00 P, EU:C:2003:4, punt 56).


18      Zie naar analogie arrest van 6 oktober 2020, Commissie/Hongarije (Hoger onderwijs) (C‑66/18, EU:C:2020:792, punt 92).


19      Zoals blijkt uit de bewoordingen van de voornoemde relevante bepalingen kan bij de analyse van de gevolgen voor de prijzen niet alleen worden vastgesteld of er sprake is van prijsonderbieding, maar ook of de invoer de prijzen sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer zouden hebben plaatsgevonden.


20      Zie in die zin het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, punten 5.158 en 5.161 (met verdere verwijzingen). Deze beginselen zijn in essentie weergegeven in de punten 32 en 56 van het bestreden arrest.


21      Zie het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST” punten 5.141 (met verdere verwijzingen naar voetnoot 340). Zie eveneens punt 33 van het bestreden arrest.


22      Zie het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, punt 5.180.


23      Zie bijvoorbeeld arrest van 19 september 2019, Trace Sport (C‑251/18, EU:C:2019:766, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


24      Arrest van 10 juli 2019, Caviro Distillerie e.a./Commissie (C‑345/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:589, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


25      Zie punt 33 van het bestreden arrest.


26      Overweging 19 van de voorlopige verordening, bevestigd door overweging 28 van de litigieuze verordening.


27      Zie de overwegingen 22, 25 en 108 van de litigieuze verordening.


28      In de onderhavige zaak zijn kenmerken in aanmerking genomen als productsoort, uitwendige diameter, wanddikte, afschrikken & ontlaten, lengte, buisuiteinde en tests. Zie overweging 24 van de litigieuze verordening.


29      Zie overweging 24 van de litigieuze verordening.


30      Overweging 69 van de litigieuze verordening en punt 37 van het bestreden arrest.


31      Punt 37 van het bestreden arrest.


32      Zie punt 38 van het bestreden arrest.


33      Arrest van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland (C‑687/13, EU:C:2015:573).


34      Zoals uit de punten 43 en 46 blijkt, geven de partijen een verschillende uitlegging aan het bestreden arrest.


35      Zie punt 65 van het bestreden arrest en punt 37 hierboven.


36      De vraag of een dergelijke verplichting bestaat, heeft de Commissie reeds in het kader van het eerste onderdeel van haar eerste middel in hogere voorziening besproken.


37      Zie het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, punt 5.180, eerste volzin.


38      Zie het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, punt 5.180.


39      Zie punt 28 hierboven.


40      Zie overweging 96 van verordening (EG) nr. 2605/2000 van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op de invoer van bepaalde elektronische weegschalen (EWSK) uit de Volksrepubliek China, de Republiek Korea en Taiwan (PB 2000, L 301, blz. 42), die het voorwerp is van het arrest Shanghai Teraoka.


41      Zie arrest Shanghai Teraoka, punt 121.


42      Zie arrest Shanghai Teraoka, punt 127.


43      Zie arrest Shanghai Teraoka, punt 129.


44      Zie het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, punten 5.179‑5.181.


45      Zie het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, punt 5.178.


46      Zie het rapport van de beroepsinstantie „HP-SSST”, punt 5.181.


47      Zie in die zin arrest van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland (C‑687/13, EU:C:2015:573, punten 75 en 76).


48      Zie arrest van 10 september 2015, Fliesen-Zentrum Deutschland (C‑687/13, EU:C:2015:573, punt 77). De in dat arrest en in de aldaar aangehaalde rechtspraak geformuleerde beginselen zijn mijns inziens van algemene strekking en kunnen niet in twijfel worden getrokken door argumenten betreffende het beweerde bijzondere karakter van de situatie van Hubei Xinyegang in de onderhavige zaak.


49      Zie de overwegingen 63‑79 van de litigieuze verordening, gelezen in samenhang met de overwegingen 60‑62 van de voorlopige verordening.


50      Zie bijvoorbeeld arresten van 1 juni 2017, Changmao Biochemical Engineering/Raad (T‑442/12, EU:T:2017:372, punt 52), en 9 juni 2016, Growth Energy en Renewable Fuels Association/Raad (T‑276/13, EU:T:2016:340, punt 282).


51      Zie in dit verband ook de overwegingen in de punten 113‑118 van de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Fliesen-Zentrum Deutschland (C‑687/13, EU:C:2015:349).


52      Vermeld in voetnoot 28 hierboven.


53      Zie met name de door de Commissie overgelegde bijlage betreffende de berekening van de prijsonderbiedingsmarges van Hubei Xinyegang.


54      Zie punt 67 van het bestreden arrest met betrekking tot de in punt 61 daarvan verrichte analyse.


55      In dit verband merk ik overigens op dat het Gerecht heeft erkend dat er sprake was van substitueerbaarheid vanuit de aanbodzijde bezien, aangezien de producenten hun productiemiddelen eenvoudig konden aanpassen om de verschillende soorten binnen het ene of het andere segment vallende producten te vervaardigen.


56      Zie punt 67 van het bestreden arrest met betrekking tot de analyse in punt 62 daarvan.


57      Zie punt 67 van het bestreden arrest met betrekking tot de analyse in punt 63 daarvan.


58      Zie de punten 71‑74 hierboven.


59      Hubei Xinyegang verwijst naar het arrest van 5 april 2017, Changshu City Standard Parts Factory en Ningbo Jinding Fastener/Raad (C‑376/15 P en C‑377/15 P, EU:C:2017:269; hierna: „arrest Changshu City”).


60      Van artikel 17 van de basisverordening, met het opschrift „Steekproeven”, luiden de leden 1 en 2 als volgt: „1. Indien het aantal klagers, exporteurs of importeurs, productsoorten of transacties groot is, kan het onderzoek worden beperkt tot een redelijk aantal partijen, producten of transacties, door gebruik te maken van statistisch geldige steekproeven op basis van op het tijdstip van de selectie beschikbare gegevens, of tot de grootste representatieve productie-, verkoop- of exporthoeveelheden die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kunnen worden onderzocht. 2. De definitieve selectie van partijen, productsoorten of transacties ingevolge dit artikel geschiedt door de Commissie, bij voorkeur in overleg en met toestemming van de betrokken partijen, mits deze zich binnen drie weken na de opening van het onderzoek bij de Commissie aanmelden en voldoende inlichtingen verstrekken om de keuze van een representatieve steekproef mogelijk te maken.”


61      Zie dienaangaande ook punt 152 hierboven.


62      Punt 61 van het arrest Changshu City.


63      Volgens deze bepaling wordt „het bestaan van dumpingmarges in het onderzoektijdvak normaal vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde prijs van alle vergelijkbare exporttransacties naar de Unie”. Cursivering van mij.


64      Daarvan is uiteraard geen sprake wanneer de normale waarde wordt vastgesteld op basis van gegevens betreffende een referentieland als bedoeld in artikel 2, lid 7, van de basisverordening.


65      Zie de overwegingen 6‑13 van de voorlopige verordening en de overwegingen 6‑11 van de litigieuze verordening.


66      Zie arrest van 15 juni 2017, T.KUP (C‑349/16, EU:C:2017:469, punt 31).


67      In dit verband merk ik op dat deze vaststelling niet ter discussie wordt gesteld door het in punt 119 hierboven uiteengezette argument van Hubei Xinyegang dat punt 86 van het bestreden arrest niet is betwist. In punt 76 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de Commissie namelijk verweten bij de analyse van de prijsonderbieding en de gevolgen voor de prijzen niet alle relevante gegevens in aanmerking te hebben genomen en dus artikel 3, leden 2 en 3, van de basisverordening te hebben geschonden. Daarom moet de kritiek van het Gerecht met betrekking tot die bepalingen worden beoordeeld.


68      Dat is de uitlegging die moet worden gegeven aan de verklaring van de Commissie in punt 70 van het bestreden arrest dat „de prijzen van die 17 productsoorten niet per definitie ‚door de Chinese uitvoer in de steekproef werden onderboden’”.


69      Dit is nog een verschil met de zaak waarover de beroepsinstantie heeft beslist in het rapport „HP‑SSST”, waarin de Chinese autoriteiten geen prijsonderbieding voor producten van graad A hebben vastgesteld omdat er in dit segment geen invoer was en niet vanwege de keuze voor de steekproefmethode en de keuze van de analysemethode.


70      Arresten van 10 september 2015, Bricmate (C‑569/13, EU:C:2015:572, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 10 juli 2019, Caviro Distillerie e.a./Commissie (C‑345/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:589, punt 15).


71      Arrest van 18 oktober 2018, Gul Ahmed Textile Mills/Raad (C‑100/17 P, EU:C:2018:842, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


72      Arrest van 10 juli 2019, Caviro Distillerie e.a./Commissie (C‑345/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:589, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


73      Zie bijvoorbeeld arresten van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35, punt 53), en 28 juni 2019, Changmao Biochemical Engineering/Commissie (T‑741/16, niet gepubliceerd, EU:T:2019:454, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak van het Gerecht).


74      Zie arrest van 8 december 2011, KME e.a./Commissie (C‑272/09 P, EU:C:2011:810, punt 94).


75      Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak EBMA/Giant (China) (C‑61/16 P, EU:C:2017:615, punt 50).


76      Zie punt 29 hierboven en de in voetnoot 23 aangehaalde vaste rechtspraak.