Language of document : ECLI:EU:T:2022:112

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)

2 maart 2022 (*)

„Arbitragebeding – Subsidieovereenkomst binnen het bestek van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie ‚Horizon 2020’ – Ontbinding van de overeenkomst – Beroepsfout – Hoedanigheid van begunstigde van de subsidie of van persoon die namens of voor rekening van de begunstigde optreedt”

In zaak T‑688/19,

VeriGraft AB, gevestigd te Göteborg (Zweden), vertegenwoordigd door P. Hansson en A. Johansson, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb, vertegenwoordigd door A. Galea als vertegenwoordiger, bijgestaan door D. Waelbroeck en A. Duron, advocaten,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 272 VWEU, strekkende tot vaststelling van de nietigheid van de door het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (EASME) gedane ontbinding van de subsidieovereenkomst voor het project Personalized Tissue-Engineered Veins as the first Cure for Patients with Chronic Venous Insufficiency (P-TEV; gepersonaliseerde venen op basis van menselijk-weefseltechnologie als eerste behandeling voor patiënten met chronische veneuze insufficiëntie), die is gesloten in het kader van het instrument ter ondersteuning van innovatie in kleine en middelgrote ondernemingen binnen het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie „Horizon 2020” (2014‑2020),

wijst

HET GERECHT (Negende kamer),

samengesteld als volgt: M. J. Costeira, president, M. Kancheva (rapporteur) en T. Perišin, rechters,

griffier: I. Pollalis, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 1 juli 2021,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, VeriGraft AB, is een Zweedse biotechnologieonderneming die in 2005 onder de naam NovaHep AB is opgericht door A en B, hoogleraren aan het Karolinska-instituut te Stockholm (Zweden). Deze onderneming was aanvankelijk gespecialiseerd in stamceltoepassingen. In 2011 zijn de werkzaamheden wegens financiële moeilijkheden opgeschort en in 2012 is de onderneming verplaatst naar Göteborg (Zweden). Nadat de werkzaamheden dankzij kapitaal van nieuwe aandeelhouders in 2014 zijn hervat, is verzoekster nu gespecialiseerd in de ontwikkeling van gepersonaliseerde implantaten op basis van menselijk-weefseltechnologie, bestemd voor toepassing in de regeneratieve geneeskunde. Binnen de geneeskunde stelt de regeneratieve geneeskunde zich ten doel om menselijke cellen te vervangen of te repareren, dan wel weefsel of organen te regenereren, zodat deze weer normaal functioneren. A hield aanvankelijk 41 % van het kapitaal van verzoekster maar heeft vanaf 2014 geleidelijk al haar aandelen overgedragen. Zij is daarnaast tot in juli 2015 lid geweest van de raad van bestuur van verzoekster en vervolgens medewerker in deeltijd, totdat haar arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2016 werd ontbonden. Verzoekster draagt vanaf augustus 2017 de huidige naam.

 Onderzoek van de universiteit van Göteborg en de CEPN naar A en haar onderzoeksgroep

2        In maart 2016 heeft de universiteit van Göteborg een bijzondere commissie belast met een onderzoek naar beschuldigingen tegen verschillende medewerkers, namelijk A en andere leden van haar onderzoeksgroep, van wangedrag bij het onderzoek ter voorbereiding van tien wetenschappelijke artikelen die werden gepubliceerd tussen 2010 en 2015. Deze commissie, die aanbevelingen moest doen aan de vicerector van de universiteit van Göteborg, heeft advies ingewonnen bij de Centrala Etikprövningsnämnden (centrale ethische commissie, Zweden; hierna: „CEPN”). De CEPN heeft in maart 2018 advies uitgebracht en de bijzondere commissie heeft in juni 2018 haar aanbevelingen gedaan aan de vicerector van de universiteit van Göteborg. Zowel de CEPN als de bijzondere commissie heeft bij acht van de tien betrokken artikelen wangedrag bij de uitvoering van het onderzoek vastgesteld. De CEPN heeft in het bijzonder systematische lacunes vastgesteld in de samenstelling en het functioneren van A’s onderzoeksgroep, alsook een bijna disfunctionele onderzoeksomgeving: er waren geen naar behoren georganiseerde vergaderingen gehouden en personen kwamen en gingen, vaak om onduidelijke redenen. De CEPN heeft de onderzoekscultuur rond A sterk bekritiseerd en was bovendien van mening dat uit de onjuiste afbeeldingen die in acht van de tien onderzochte artikelen waren gevonden naar voren kwam dat de ernstige fouten niet slechts door nalatigheid maar in feite opzettelijk waren begaan. De vicerector heeft de door de bijzondere commissie gedane aanbeveling opgevolgd en wangedrag bij het onderzoek vastgesteld in een besluit van juni 2018. De vicerector heeft tevens het tuchtorgaan van de overheid verzocht om A weg te sturen. Dat verzoek is bij besluit van 21 december 2018 afgewezen op grond dat het wangedrag bij het onderzoek „op basis van een algemene beoordeling van de bijzonderheden van de zaak” onvoldoende grond voor ontslag vormde.

 Kaderprogramma Horizon 2020 en instrument voor innovatieondersteuning van kmo’s

3        Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie „Horizon 2020” (2014‑2020) (hierna doorgaans: „kaderprogramma Horizon 2020”) is krachtens de artikelen 173 en 182 VWEU vastgesteld bij verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020) en tot intrekking van besluit nr. 1982/2006/EG (PB 2013, L 347, blz. 104). Volgens artikel 1 wordt bij deze verordening het kader ingesteld waarbinnen de Unie onderzoeks- en innovatieactiviteiten ondersteunt, met als doel de Europese wetenschappelijke en technologische basis te verstevigen en de samenleving meer voordelen te bieden, alsmede het economische en industriële potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling beter te benutten.

4        Een van de bijzondere actiegebieden van het kaderprogramma Horizon 2020 is de bijdrage van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) aan onderzoek en innovatie. Volgens artikel 22, lid 2, van verordening nr. 1291/2013 wordt in het kader van één enkel gecentraliseerd beheerssysteem een instrument opgericht voor innovatieondersteuning van kmo’s, bedoeld voor alle typen kmo’s met innovatiepotentieel in brede zin.

5        Het instrument voor innovatieondersteuning van kmo’s is nader vormgegeven door besluit 2013/743/EU van de Raad van 3 december 2013 tot vaststelling van het specifieke programma tot uitvoering van „Horizon 2020” – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020) en tot intrekking van de besluiten 2006/971/EG, 2006/972/EG, 2006/973/EG, 2006/974/EG en 2006/975/EG (PB 2013, L 347, blz. 965).

 Delegatie aan EASME van het centraal beheer van het instrument voor innovatieondersteuning van kmo’s

6        Het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (EASME), dat per 1 april 2021 het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb (Eismea) is geworden, is per 1 januari 2014 opgericht bij uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot intrekking van de besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG (PB 2013, L 341, blz. 73). De oprichting geschiedde overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma’s worden gedelegeerd (PB 2003, L 11, blz. 1). Krachtens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 58/2003 had dit agentschap rechtspersoonlijkheid.

7        Uit artikel 3, lid 1, onder d), van uitvoeringsbesluit 2013/771 blijkt dat EASME was belast met de uitvoering van delen van het kaderprogramma Horizon 2020. De Commissie had met besluit C(2013) 9414 final van 23 december 2013 houdende delegatie aan EASME met het oog op de uitvoering van taken in verband met de tenuitvoerlegging van programma’s van de Unie op de gebieden energie, milieu, klimaatactie, concurrentiekracht en kmo’s, onderzoek en innovatie, en ICT, met name wat betreft de besteding van de in de algemene begroting van de Unie opgenomen kredieten, EASME bepaalde beheerstaken van het instrument voor innovatieondersteuning van kmo’s toevertrouwd. Volgens bijlage I bij dit besluit waren de voornaamste taken het beoordelen van voorstellen met het oog op financiering uit het instrument voor innovatieondersteuning van kmo’s alsook het opstellen en sluiten van subsidieovereenkomsten en het toezien op de uitvoering daarvan door de begunstigden.

 Administratieve procedure

8        Op 6 april 2017 heeft EASME de oproep tot het indienen van voorstellen H2020-SMEINST‑2‑2016-2017 gepubliceerd, ter ondersteuning van met name innovatieve kmo’s in de sector biotechnologie voor de menselijke gezondheidszorg.

9        Verzoekster heeft een voorstel ingediend voor fase 2 van het instrument voor innovatieondersteuning van kmo’s, dat is gericht op het in de handel brengen van een geïndividualiseerd cardiovasculair product dat voortkwam uit het project Personalized Tissue-Engineered Veins as the first Cure for Patients with Chronic Venous Insufficiency (gepersonaliseerde venen op basis van menselijk-weefseltechnologie als eerste behandeling voor patiënten met chronische veneuze insufficiëntie; hierna „project P-TEV”). Het product is geïndiceerd voor de behandeling van patiënten met ernstige chronische veneuze insufficiëntie.

10      Het voorstel van verzoekster bestond in een beoordeling van de haalbaarheid, de veiligheid en de werkzaamheid van het implanteren van met weefseltechnologie gemaakte bloedvaten bij twaalf patiënten met ernstige chronische veneuze insufficiëntie aan de onderste ledematen. Hiervoor werden met name bloedvaten weggenomen bij overledenen en werd perifeer bloed afgenomen bij patiënten om de cellen daaruit te halen, die cellen te decellulariseren en vervolgens de weggenomen of met de technologie gemaakte bloedvaten te recellulariseren, chirurgische ingrepen uit te voeren onder volledige narcose, de werkzaamheid van de procedure te toetsen en de kwaliteit van leven te beoordelen gedurende twaalf maanden na de operatie. Al het onderzoek zou aanvankelijk in Noorwegen en Zweden plaatsvinden.

11      Onderdeel 4 van verzoeksters voorstel verwees naar de meest relevante wetenschappelijke publicaties voor de inhoud van project P-TEV, te weten:

–        [...], [...], [...], [...], [...], [...], [A], [...], „Successful tissue engineering of competent allogeneic venous valves”, Journal of Vascular Surgery: Venous and Lymphatic Disorders, 2015, nr. 4, blz. 421‑443;

–        [...], [...], [...], [...], [...], [...], [...], [...], [A], „In Vivo Application of Tissue-Engineered Veins Using Autologous Peripheral Whole Blood: A Proof of Concept Study”, EBioMedicine, 2014, nr. 1, blz. 72‑79;

–        [...], [...], [...], [...], [...], [...], [...], [...], [...], [A], „Transplantation of an allogeneic vein bioengineered with autologous stem cells: a proof-of-concept study”, The Lancet, 2012, nr. 9838, blz. 230‑237.

12      In mei 2017 heeft EASME verzoeksters voorstel, na de door externe deskundigen uitgevoerde beoordelingsprocedure van de onderdelen 1 tot en met 3 van dat voorstel, aangewezen voor de toekenning van subsidie.

 Subsidieovereenkomst

13      Op 9 augustus 2017 heeft verzoekster met de Unie, vertegenwoordigd door EASME, een subsidieovereenkomst met nummer 778620 gesloten voor project P-TEV (hierna: „subsidieovereenkomst”).

14      Overeenkomstig de artikelen 2 tot en met 5 van de subsidieovereenkomst ontving verzoekster een subsidie van maximaal 2 184 603,75 EUR voor project P-TEV, dat op 1 september 2017 moest beginnen en 24 maanden zou duren.

15      Artikel 34 van de subsidieovereenkomst betreft de eerbiediging van de ethische beginselen.

16      Artikel 34.1 van de subsidieovereenkomst bepaalt het volgende:

„De begunstigde voert het project uit met inachtneming van:

a)      de ethische beginselen (waaronder de strengste ethische onderzoeksnormen) zoals deze bijvoorbeeld vermeld staan in de Europese gedragscode voor wetenschappelijke integriteit, hetgeen meer in het bijzonder inhoudt dat in het onderzoek geen gegevens worden gefabriceerd of vervalst dan wel plagiaat of ander wangedrag wordt gepleegd, en

b)      de geldende internationale, Europese en nationale wetgeving.

[...]”

17      Artikel 34.2 van de subsidieovereenkomst geeft aan welke verplichtingen de begunstigde heeft inzake activiteiten die ethische vragen oproepen. Het luidt:

„Activiteiten die ethische vragen oproepen moeten voldoen aan de ‚ethische eisen’ in bijlage 1.

Voorafgaand aan een activiteit die ethische vragen oproept moet de begunstigde [...] aan [EASME] een kopie van de volgende documenten verstrekken:

a)      de krachtens nationale wetgeving vereiste adviezen van de ethische commissie, en

b)      de krachtens nationale wetgeving vereiste kennisgevingen of vergunningen voor activiteiten die ethische vragen oproepen.

[...]”

18      Als de begunstigde een van de verplichtingen op grond van de artikelen 34.1 en 34.2 van de subsidieovereenkomst niet nakomt, kan overeenkomstig artikel 34.4 de subsidie worden verlaagd en de overeenkomst worden ontbonden. Niet-nakoming van die verplichtingen kan er ook toe leiden dat een andere maatregel wordt opgelegd overeenkomstig hoofdstuk 6 van de subsidieovereenkomst.

19      Artikel 50.3 van de subsidieovereenkomst regelt de ontbinding van deze overeenkomst door EASME.

20      Volgens artikel 50.3.1 van de subsidieovereenkomst kan EASME de overeenkomst in de volgende gevallen ontbinden:

„[...]

f)      de begunstigde (of een natuurlijke persoon die bevoegd is om hem te vertegenwoordigen of om namens hem te beslissen) heeft een ernstige beroepsfout begaan, vastgesteld op elke grond die aannemelijk kan worden gemaakt;

[...]

l)      de begunstigde (of een natuurlijke persoon die bevoegd is om hem te vertegenwoordigen of om namens hem te beslissen) heeft in het kader van de gunningsprocedure of van de overeenkomst:

i)      wezenlijke fouten of onregelmatigheden begaan dan wel fraude gepleegd;

ii)      zijn verplichtingen ernstig geschonden, onder meer door het project incorrect uit te voeren, valse informatie in te dienen, de vereiste informatie achterwege te laten of de ethische beginselen te schenden;

[...]”

21      De ontbindingsprocedure van de subsidieovereenkomst wordt geregeld in artikel 50.3.2, waarin het volgende wordt bepaald:

„Alvorens de overeenkomst te ontbinden doet [EASME] de begunstigde een formele kennisgeving toekomen waarin het de begunstigde

–        op de hoogte stelt van zijn voornemen en motivering, en

–        uitnodigt om binnen 30 dagen na ontvangst van de kennisgeving zijn opmerkingen in te dienen alsook, in het in bovenstaand punt l), onder ii), bedoelde geval, [EASME] te informeren over de maatregelen om te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst.

Als [EASME] geen opmerkingen ontvangt of besluit de procedure ondanks de ontvangen opmerkingen voort te zetten, stelt het de begunstigde formeel in kennis van de bevestiging van de ontbinding en de ingangsdatum daarvan. In het tegenovergestelde geval stelt het de begunstigde er formeel van in kennis dat het de procedure beëindigt.

De ontbinding gaat in op de volgende datum:

–        voor ontbindingen krachtens de bovenstaande punten b), e), g), h), j) en l) ii): op de aangegeven datum in de kennisgeving van bevestiging (zie boven);

–        voor ontbindingen krachtens de bovenstaande punten d), f), i), k), l) i), en m): op de dag nadat de coördinator de kennisgeving van de bevestiging heeft ontvangen.”

22      In de bewoordingen van artikel 57.1 van de subsidieovereenkomst wordt deze „beheerst door het toepasselijke Unierecht, indien nodig aangevuld met het Belgische recht”.

23      Artikel 57.2 van de subsidieovereenkomst bepaalt dat „[i]ndien een meningsverschil over de uitlegging, toepassing of geldigheid van de overeenkomst niet in der minne kan worden geschikt, [...] het Gerecht – en in hogere voorziening het Hof [...] – bij uitsluiting bevoegd [zijn]” en dat „[d]e betreffende vorderingen moeten worden ingesteld krachtens artikel 272 [VWEU]”.

 Toetsing van het project door EASME

24      In het najaar van 2018 heeft EASME een externe auditor opgedragen de voortgang van project P-TEV na te gaan.

25      Bij brief van 22 november 2018 heeft EASME het verslag van de externe auditor aan verzoekster gezonden.

26      Onder het opschrift „Significante resultaten in verband met de verspreiding, de exploitatie en de mogelijke impact” vermeldde het verslag van de externe auditor het volgende:

„Het project zal naar verwachting in de komende verslagperiode resultaten met een aanzienlijke onmiddellijke of potentiële impact leveren (ook al zijn niet alle doelstellingen in bijlage 1 bij de subsidieovereenkomst behaald).

De vertragingen op de korte en middellange termijn in onderdeel 3 zullen naar verwachting geen grote gevolgen hebben voor het geheel van de klinische ontwikkeling en het in de handel brengen van de resultaten van het project.”

27      Het verslag van de externe auditor gaf tevens aan dat „de doelstellingen van het project [...] vanuit wetenschappelijk en technologisch oogpunt nog steeds van belang [waren]”.

28      In zijn brief van 22 november 2018 heeft de verantwoordelijke voor project P-TEV bij EASME aan verzoekster meegedeeld dat EASME „op grond van het verslag [van de externe auditor van mening was] dat project [P-TEV] naar tevredenheid verliep” en dat het „om grote gevolgen voor het geheel van de klinische ontwikkeling en het in de handel brengen van de [geneesmiddelen voor geavanceerde therapie] op langere termijn te voorkomen, [aanbeval] om het project zonder aanvullende kosten te verlengen, zodat de klinische studie in fase I in haar geheel zoals voorzien uitgevoerd zou kunnen worden”.

29      Daarnaast heeft EASME project P-TEV in de loop van 2018 meermaals en met spoed ethisch getoetst. In het verslag van de eerste ethische toetsing, van 21 tot en met 23 februari 2018, heeft de groep ethisch deskundigen die door EASME was gezonden een aantal problemen gemeld en een tweede ethische toetsing aanbevolen. Na deze tweede toetsing, uitgevoerd op 24 en 25 mei 2018, heeft de groep ethisch deskundigen in haar verslag aangegeven dat verzoekster deels had geantwoord op bepaalde ethische vragen die bij de eerste toetsing waren gerezen, maar dat andere kwesties nog moesten worden geregeld. De groep heeft een derde ethische toetsing aanbevolen. De derde ethische toetsing is gehouden van 26 tot en met 28 september 2018. De groep ethisch deskundigen heeft in haar verslag aangegeven dat verzoekster bepaalde ethische kwesties had geregeld die bij de tweede toetsing waren gerezen, maar dat er nog bepaalde ethische problemen bleven bestaan. Het verslag vermeldde met name het ontbreken van bepaalde vereiste documenten, zoals vergunningen voor klinische proeven uit de registers voor klinische proeven van de Unie voor Spanje en Litouwen, goedkeuring van de bevoegde ethische commissie in Spanje en accreditatie van het laboratorium voor de vervaardiging van weefsel bestemd voor gebruik bij mensen in Spanje en Litouwen. Het verslag gaf tevens aan dat alle gevraagde documenten uitdrukkelijk betrekking moesten hebben op project P-TEV, alsook dat de verwerking van de persoonsgegevens van de nabestaanden van de weefseldonoren voor onderzoek onvoldoende was onderzocht en dat er geen informatie werd verstrekt over het recht op bescherming van persoonsgegevens en de wijze waarop dat recht kan worden uitgeoefend, en evenmin over het recht van de nabestaanden om hun toestemming in te trekken.

30      Bovendien werd er in het verslag op gewezen dat er niet lang daarvoor officiële onderzoeken waren uitgevoerd naar wangedrag in het onderzoek en ethische problemen in Zweden, waaruit was gebleken dat er sprake was geweest van wangedrag bij het onderzoek in het kader van de voorafgaande publicaties waar project P-TEV naar verwees, alsook bij de klinische werkzaamheden waarmee de concepten voor de in dat project toegepaste procedures waren gevalideerd.

31      Volgens het verslag van de groep ethisch deskundigen had deze situatie op meerdere vlakken geleid tot bezorgdheid over de vooringenomen wijze waarop het voorstel van verzoekster was beoordeeld, de validatie van concepten zonder voorafgaande goedkeuring naar behoren, en de eventuele gevaren voor toekomstige onderzoeksdeelnemers.

32      De groep ethisch deskundigen heeft daaruit geconcludeerd dat de beoordeling als geheel onvoldoende bleef en heeft een nieuwe ethische toetsing aanbevolen, in afwachting van het resultaat van een onderzoek naar de onderzoekstekortkomingen door de commissie die EASME had aangewezen.

 Ontbinding van de subsidieovereenkomst

33      Bij brief van 18 oktober 2018 heeft EASME verzoekster meegedeeld dat het de subsidieovereenkomst wilde ontbinden (hierna: „eerste vooraankondigingsbrief”). In deze brief schreef EASME dat de groep ethisch deskundigen naar aanleiding van de derde ethische toetsing op 26 september 2018 had aangegeven dat verzoekster een oplossing had geboden voor sommige van de ethische problemen die bij de ethische toetsing van 24 mei 2018 waren gerezen, maar dat andere kritieke ethische problemen bleven bestaan. EASME verwees uitdrukkelijk naar de eerste vijf ethische problemen uit het verslag van de groep ethisch deskundigen naar aanleiding van de derde toetsing, die zijn weergegeven in punt 29 hierboven. EASME gaf aan dat de subsidieovereenkomst zijns inziens als gevolg van die problemen moest worden ontbonden, aangezien verzoekster „haar verplichtingen in het kader van de subsidieovereenkomst of tijdens de gunningsprocedure ernstig [had] geschonden”. EASME nodigde verzoekster uit om binnen 30 dagen na ontvangst van de brief opmerkingen in te dienen.

34      Bij brief van 18 november 2018 heeft verzoekster haar opmerkingen over de eerste vooraankondigingsbrief bij EASME ingediend. Zij bestreed de grieven van EASME en betoogde dat zij haar verplichtingen in het kader van de subsidieovereenkomst was nagekomen.

35      EASME heeft een externe ethisch deskundige opgedragen om de opmerkingen van verzoekster over de eerste vooraankondigingsbrief te beoordelen. In zijn verslag aan EASME van 11 december 2018 heeft de externe ethisch deskundige ten eerste een standpunt ingenomen over de opmerkingen van verzoekster betreffende de ethische problemen die bij de eerste vooraankondigingsbrief waren geïdentificeerd in de uitvoering van project P-TEV en ten tweede verwezen naar een onderzoek inzake wangedrag in het verrichte onderzoek, met beschuldigingen zoals het fabriceren van gegevens, leugens over ethische goedkeuringen en frauduleuze verslagen over de resultaten van de klinische behandeling. Deze deskundige heeft tevens gemeld dat de rector van de universiteit van Göteborg had „gevraagd om acht artikelen van onderzoekers die bij het project betrokken zijn, in te trekken, nadat PubPeer aan het licht had gebracht dat er gefabriceerde gegevens waren gebruikt, hetgeen door de [CEPN] was bevestigd”. Volgens het verslag stond een van die artikelen met gefabriceerde gegevens bovenaan de lijst met relevante publicaties voor project P-TEV. Het verwees verder voor een uitvoerige beschrijving van dat onderzoek en de resultaten ervan, alsook voor links naar alle relevante documentatie, naar twee artikelen op een weblog van iemand die zich presenteerde als onafhankelijk wetenschapsjournalist.

36      Op 18 februari 2019 heeft EASME een tweede vooraankondigingsbrief (hierna: „tweede vooraankondigingsbrief”) aan verzoekster gezonden. In deze brief gaf EASME aan dat het, na de opmerkingen van verzoekster te hebben onderzocht, voornemens bleef de subsidieovereenkomst te ontbinden maar op andere gronden dan in de eerste vooraankondigingsbrief was uiteengezet. Het verlengde daarom de vooraankondigingsprocedure. EASME wees erop dat „volgens openbare informatie [...] [A] (medeoprichter [van verzoekster]) door de [CEPN] schuldig [was] bevonden aan een ernstige beroepsfout”. EASME gaf tevens aan dat twee van de documenten die in het kader van het projectvoorstel van verzoekster waren gepresenteerd als „de meest relevante wetenschappelijke publicaties betreffende de inhoud van project P-TEV” volgens de CEPN bewijzen bevatten van die fout, namelijk het artikel „In Vivo Application of Tissue-Engineered Veins Using Autologous Peripheral Whole Blood: A Proof of Concept Study” in het tijdschrift EBioMedicine, 22 september 2014 (hierna: „artikel in EBioMedicine”), en het artikel „Transplantation of an allogeneic vein bioengineered with autologous stem cells: a proof-of-concept study” in het tijdschrift The Lancet, 21 juli 2012 (hierna: „artikel in The Lancet”). Volgens EASME was in het onderzoek van de CEPN tevens geconcludeerd dat in de zaak systematische gebreken aan het licht waren gekomen wat betreft de samenstelling en het functioneren van de onderzoeksgroep en dat de onderzoeksomgeving bijna disfunctioneel was. Zo werden er bijvoorbeeld geen vergaderingen georganiseerd en was het vaak een onverklaarbaar komen en gaan van de betrokkenen. EASME voegde daaraan toe dat de groep ethisch deskundigen de onderzoekscultuur in de groep rond A sterk had bekritiseerd. EASME was van mening dat die conclusies deden twijfelen aan de professionele integriteit van A en dus aan de operationele capaciteit van verzoekster om het project naar behoren uit te voeren met inachtneming van de niet-uitsluitingseisen die de financiële regelgeving van de Unie stelt. Als gevolg daarvan was EASME van mening dat de subsidieovereenkomst niet meer kon worden uitgevoerd en moest worden ontbonden op grond van artikel 50.3.1, onder f), ervan.

37      Bij brief van 15 maart 2019 heeft verzoekster haar opmerkingen over de tweede vooraankondigingsbrief bij EASME ingediend. Verzoekster betoogde dat het onderzoek van de CEPN specifiek A en haar universitaire onderzoeksgroep betrof. Verzoekster gaf tevens aan dat zij geenszins betrokken was geweest bij dat onderzoek en dat het was uitgevoerd en gepubliceerd voordat verzoekster eind 2015 haar werkzaamheden startte. Verzoekster verduidelijkte dat zij sinds het aantreden van de nieuwe directie in 2014 fysiek gescheiden was van de universiteit waar A haar onderzoek deed en dat alle leidinggevenden, wetenschappers en menselijk-weefseltechnici die betrokken waren bij de ontwikkeling van haar technologie bij haar in dienst waren, zonder dat er personeel werd gedeeld met de universiteit van Göteborg. Voorts gaf verzoekster aan dat zij, nadat zij op 3 maart 2016 informatie over vermoedens van misstanden bij het onderzoek van A had ontvangen, A’s arbeidsovereenkomst de volgende dag had opgeschort en dat A vanaf die datum tot het aflopen van haar arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2016 geen uitvoerende of vertegenwoordigende rol meer vervulde bij verzoekster.

38      In diezelfde brief schreef verzoekster meer in het bijzonder over de in het voorstel genoemde wetenschappelijke publicaties dat, hoewel deze waren aangehaald om de haalbaarheid van de in project P-TEV toegepaste technologie aan te tonen, alle publicaties zonder haar betrokkenheid waren opgesteld bij de universiteit van Göteborg. Volgens verzoekster was gebleken dat bepaalde aangehaalde publicaties onjuiste afbeeldingen bevatten. Het artikel in The Lancet, dat een oudere technologie betrof, bevatte bijvoorbeeld een mogelijk dubbele of onjuist vergrote afbeelding, maar het tijdschrift was van mening geweest dat deze fout gering was en geen gevolgen had voor de conclusies van het artikel, zodat het had besloten geen erratum te publiceren. Verzoekster gaf aan dat het artikel in The Lancet nog steeds in zijn oorspronkelijke vorm openbaar was. Wat betreft het artikel in EBioMedicine, eveneens genoemd in de tweede vooraankondigingsbrief, heeft verzoekster opgemerkt dat het onderzoek daarnaar geen gebrek aan samenhang aan het licht had gebracht en dat de CEPN het derhalve niet had opgenomen in zijn verslag. Verzoekster voegde daaraan toe dat het artikel „Successful tissue engineering of competent allogeneic venous valves” in het Journal of Vascular Surgery, dat in haar voorstel was aangehaald maar dat niet was genoemd in de tweede vooraankondigingsbrief, een onjuiste tabel bevatte die aanleiding had gegeven tot de publicatie van een erratum in maart 2017. Dat artikel was daarna in maart 2019 teruggetrokken vanwege het beleid van het Journal of Vascular Surgery.

39      Verzoekster benadrukte in haar brief van 15 maart 2019 verder dat zij sinds 2015 haar technologie volledig onafhankelijk van de onderzoeksgroep in kwestie had ontwikkeld en dat zij erin was geslaagd om met eigen personeel en eigen protocollen een volledige verzameling preklinische gegevens te ontwikkelen in samenwerking met derden en onder toezicht van geaccrediteerde onderzoeksinstituten van de Zweedse overheid. Bovendien had de interne ontwikkeling in de afgelopen drie jaar geleid tot een significante verbetering van de processen waarmee menselijk weefsel wordt aangemaakt, voor welke processen octrooien waren aangevraagd zonder betrokkenheid van A. Het gaat daarbij om andere processen dan die welke werden toegepast in de academische omgeving en waarover reeds was gepubliceerd. Tot slot nodigde verzoekster EASME uit om onafhankelijke deskundigen of interne auditors aan te stellen om te controleren of zij in staat was project P-TEV tot een goed einde te brengen en of zij volledig onafhankelijk was van A.

40      Bij brief van 15 april 2019 heeft EASME verzoekster meegedeeld dat zij de ontbinding van de subsidieovereenkomst bevestigde (hierna: „ontbindingsbrief”). Het wees erop dat het om de redenen die waren aangegeven in een lijst met argumenten bij de ontbindingsbrief, de argumenten van verzoekster niet kon aanvaarden en dat het daarom geheel bij zijn standpunt in de tweede vooraankondigingsbrief bleef.

41      In de bijlage bij de ontbindingsbrief, met de titel „Lijst van argumenten (procedure op tegenspraak)”, antwoordde EASME op de opmerkingen van verzoekster in haar brief van 15 maart 2019 dat uit de derde ethische toetsing was gebleken dat de door de CEPN en de universiteit van Göteborg uitgevoerde officiële onderzoeken hadden aangetoond dat er een fout was gemaakt in het onderzoek voor de publicaties die de begunstigden van project P-TEV in bijlage 1 (deel A) bij de subsidieovereenkomst hadden opgenomen. Volgens EASME bestond die fout onder andere in het manipuleren van gegevens en het uitvoeren van klinische proeven zonder overeenkomstige ethische vergunning. EASME voegde daaraan toe dat twee van de artikelen die in het projectvoorstel van verzoekster waren gepresenteerd als „de meest relevante wetenschappelijke publicaties betreffende de inhoud van project P-TEV”, volgens de CEPN bewijzen bevatten van die fout. Aangezien dat materiaal de basis had gevormd voor de wetenschappelijke beoordeling die had geleid tot de toekenning van de subsidie, bevatte die beoordeling volgens EASME een (ernstige) structurele fout. EASME trok de conclusie dat in dit geval was voldaan aan het objectieve criterium voor het ontbinden van de subsidieovereenkomst in artikel 50.3.1, onder f), ervan, aangezien „[A], die de begunstigde mede [had] opgericht, [...] door de CEPN schuldig [was] bevonden aan een beroepsfout”.

 Procedure en conclusies van partijen

42      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 8 oktober 2019, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

43      Op 27 januari 2019 heeft EASME een verweerschrift ter griffie van het Gerecht neergelegd.

44      Verzoekster heeft repliek ingediend op 23 maart 2020. EASME heeft op 23 juli 2020 zijn dupliek ingediend.

45      Op 12 april 2021 heeft Eismea het Gerecht in kennis gesteld van het feit dat het vanaf 1 april 2021 de universele rechtsopvolger van EASME was.

46      Partijen zijn in hun pleidooien en in hun antwoorden op de mondelinge vragen van het Gerecht gehoord ter terechtzitting van 1 juli 2021.

47      Vanwege het overlijden van rechter Berke op 1 augustus 2021 heeft de president van de Negende kamer een andere rechter aangewezen om de kamer aan te vullen.

48      Bij beschikking van 26 augustus 2021 heeft het Gerecht (Negende kamer) de heropening van de mondelinge behandeling bevolen.

49      Op 14 september 2021 heeft de president van de Negende kamer, nadat de partijen het Gerecht hadden laten weten dat zij niet om een nieuwe pleitzitting verzochten en omdat het Gerecht zich voldoende voorgelicht achtte, besloten de mondelinge behandeling weer af te sluiten.

50      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        vast te stellen en te verklaren dat de ontbinding van de overeenkomst door EASME ongeldig is;

–        Eismea te verwijzen in de kosten.

51      Eismea verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Bevoegdheid van het Gerecht

52      Het Gerecht is op grond van artikel 272 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 256 VWEU, bevoegd om uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door of namens de Unie gesloten publiekrechtelijke of privaatrechtelijke overeenkomst. Artikel 272 VWEU is dus een specifieke bepaling op grond waarvan de Unierechter krachtens een arbitragebeding kan worden geadieerd zonder beperkingen in verband met de aard van de bij de Unierechter ingestelde vordering (arrest van 26 februari 2015, Planet/Commissie, C‑564/13 P, EU:C:2015:124, punten 22 en 23).

53      Zoals partijen terecht stellen, is het Gerecht overeenkomstig artikel 272 VWEU, gelezen in samenhang met artikel 256 VWEU, in casu dus bevoegd om kennis te nemen van het onderhavige beroep krachtens het arbitragebeding in artikel 57.2, eerste alinea, van de subsidieovereenkomst.

 Gegrondheid van het beroep

54      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster drie middelen aan. Het eerste betreft schending van artikel 50.3.1, onder f), van de subsidieovereenkomst, op grond dat de vermeende beroepsfout tijdens het onderzoek niet kan worden toegerekend aan verzoekster of een natuurlijke persoon met vertegenwoordigings- of beslissingsbevoegdheden in haar naam en dat die fout hoe dan ook geen invloed had op project P-TEV. Het tweede middel betreft schending van het evenredigheidsbeginsel, omdat bij het besluit tot ontbinding geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat de vermeende beroepsfout geen invloed had op de wetenschappelijke relevantie van project P-TEV. Het derde middel betreft schending van de rechten van de verdediging, omdat EASME heeft nagelaten het verslag van de externe ethisch deskundige waarop het zijn besluit tot ontbinding van de subsidieovereenkomst heeft gebaseerd, aan verzoekster te zenden.

55      Er zij aan herinnerd dat het Gerecht, wanneer het is geadieerd in het kader van een arbitragebeding krachtens artikel 272 VWEU, het geschil moet beslechten op grond van het op de overeenkomst van toepassing zijnde materiële recht (zie in die zin arresten van 4 februari 2016, Isotis/Commissie, T‑562/13, EU:T:2016:63, niet gepubliceerd, punt 51, en 20 mei 2019, Fundación Tecnalia Research & Innovation/REA, T‑104/18, EU:T:2019:345, niet gepubliceerd, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak), in casu primair de betrokken subsidieovereenkomst, de Uniehandelingen betreffende het kaderprogramma Horizon 2020, verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB 2012, L 298, blz. 1), in de op de feiten van de zaak toepasselijke versie, alsook de andere regels die voortvloeien uit het Unierecht en, subsidiair, overeenkomstig artikel 57.1 van de subsidieovereenkomst, het Belgische recht.

56      Het Gerecht acht het opportuun om eerst het derde middel te onderzoeken.

 Derde middel: schending van de rechten van de verdediging

57      Volgens verzoekster heeft zij voor het eerst uit het verweerschrift het bestaan vernomen van het verslag van de externe ethisch deskundige van 11 december 2018 en vernomen dat EASME op basis van dat verslag had besloten om de subsidieovereenkomst te ontbinden. EASME heeft tijdens de ontbindingsprocedure nagelaten haar dit verslag te verstrekken. Bovendien heeft EASME in antwoord op een schrijven van verzoekster met het oog op de voorbereiding voor de repliek bevestigd dat het bewuste verslag haar niet was toegezonden omdat het een intern document was dat uitsluitend diende voor zijn eigen toetsing, waarvan de resultaten – de ontbinding van de subsidieovereenkomst – haar waren meegedeeld. Voorts heeft EASME ook geweigerd om verzoekster toegang te verlenen tot het volledige document of haar de naam van de deskundige in kwestie mee te delen. Volgens verzoekster heeft EASME haar zo de mogelijkheid ontnomen om bepaalde beschuldigingen in het verslag van de externe ethisch deskundige te weerleggen. Verzoekster heeft zo niet de gelegenheid gehad om zich te verweren tegen de beweringen dat het „niet om een normaal project [ging]”, dat „het inhoudelijk werk [was] beïnvloed door wangedrag bij het onderzoek”, en dat „in het project [...] een bepaald aantal gebreken in de naleving van de ethische regels [was] aangetroffen”. Daardoor heeft EASME inbreuk gemaakt op verzoeksters recht van verweer. Wat betreft de inhoud van het verslag van de externe ethisch deskundige van 11 december 2018 benadrukt verzoekster dat het verwijst naar het blog www.forbetterscience.com, dat wordt beheerd door iemand die zich presenteert als „onafhankelijk wetenschapsjournalist” maar dat niet extern lijkt te worden geverifieerd of aan collegiale toetsing lijkt te worden onderworpen.

58      Eismea betoogt dat het, anders dan verzoekster aanvoert, in de bijlage van het verweerschrift het verslag van de externe ethisch deskundige heeft opgenomen en dat daaruit slechts de naam van de deskundige was verwijderd. Het verduidelijkt dat het in beginsel om een document voor intern gebruik gaat op grond waarvan het een oordeel kan vormen, en dat dus niet aan de begunstigden hoeft te worden meegedeeld. Eismea benadrukt dat verzoekster in haar opmerkingen over de tweede vooraankondigingsbrief de gelegenheid heeft gehad om een standpunt in te nemen over de ontbindingsgronden die in die brief zijn uiteengezet en dat van een schending van verzoeksters rechten van verdediging dus geen sprake kan zijn. Hoe dan ook preciseert Eismea dat, hoewel het verslag van de externe ethisch deskundige – aan wie was opgedragen om de opmerkingen van verzoekster over de eerste vooraankondigingsbrief te beoordelen – inderdaad de beroepsfouten heeft gesignaleerd, dat verslag niet heeft gediend als grondslag voor de tweede vooraankondigingsbrief aangezien EASME zelf al kennis had genomen van die beroepsfouten. Daaruit volgt dat het betreffende verslag verzoekster geen nadeel heeft berokkend.

59      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat dit middel voor het eerst in de repliek is aangevoerd. Uit artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht volgt dat nieuwe middelen in de loop van het geding niet mogen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. In casu berust dit middel op het bestaan van het verslag van een externe ethisch deskundige, die door EASME in een interne procedure was gemandateerd. Dat verslag is niet verstrekt aan verzoekster bij de procedure om de subsidieovereenkomst te ontbinden en gesteld wordt dat zij er kennis van heeft genomen via het verweerschrift. Uit de e-mailwisseling tussen verzoekster en EASME over het betreffende verslag blijkt dat het verslag niet aanwezig was op het internetportaal voor deelnemers aan het kaderprogramma Horizon 2020 en dat het niet aan verzoekster is verstrekt aangezien het volgens EASME om een intern document ging. Daarnaast bestrijdt Eismea niet dat verzoekster, zoals zij betoogt, pas via het verweerschrift voor het eerst kennis heeft genomen van het bestaan van dat verslag.

60      Derhalve moet worden geoordeeld dat dit middel rechtens en feitelijk steunt op gegevens waarvan tijdens de procedure voor het Gerecht is gebleken en dat het daarom vanuit het oogpunt van de eisen in artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering als ontvankelijk moet worden beschouwd.

61      Voorts heeft het Hof reeds geoordeeld dat, indien de partijen in hun overeenkomst besluiten de Unierechter door middel van een arbitragebeding bevoegd te verklaren om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot die overeenkomst, die rechter bevoegd is om, ongeacht het in de overeenkomst bepaalde toepasselijke recht, inbreuken op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en op de algemene beginselen van het Unierecht te onderzoeken (arrest van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 81).

62      Wanneer EASME een overeenkomst uitvoert, blijft het dus onderworpen aan de krachtens het Handvest en de algemene beginselen van het Unierecht op EASME rustende verplichtingen. De omstandigheid dat het op de betreffende overeenkomst toepasselijke recht niet dezelfde waarborgen biedt als die welke door het Handvest en de algemene beginselen van het Unierecht worden geboden, ontslaat EASME dan ook niet van de verplichting om zich deze waarborgen ten aanzien van zijn contractanten in acht te nemen (arrest van 16 juli 2020, Inclusion Alliance for Europe/Commissie, C‑378/16 P, EU:C:2020:575, punt 82; zie in die zin eveneens arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie, C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punt 86).

63      Daaruit volgt dat het Gerecht in casu bevoegd is om een vermeende schending van verzoeksters rechten van verdediging door EASME te onderzoeken.

64      Verzoekster verwijt EASME in wezen ten eerste dat het haar, voordat het besloot de subsidieovereenkomst te ontbinden, niet de mogelijkheid heeft geboden om een standpunt in te nemen over de wijze waarop de externe ethisch deskundige in zijn verslag van 11 december 2018 verzoeksters opmerkingen over de eerste vooraankondigingsbrief heeft beoordeeld en dus haar recht om gehoord te worden heeft geschonden, en ten tweede dat EASME haar in de procedure voor het Gerecht niet de naam van de externe ethisch deskundige heeft meegedeeld, hetgeen een inbreuk vormt op haar rechten van verdediging.

65      Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest, dat sinds 1 december 2009 dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen, voorziet in „het recht van eenieder te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen”. Het recht om te worden gehoord is algemeen van toepassing (zie arrest van 11 september 2013, L/Parlement, T‑317/10 P, EU:T:2013:413, niet gepubliceerd, punt 81 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit recht moet dus los van de aard van de administratieve procedure die tot de vaststelling van een individuele maatregel leidt, worden geëerbiedigd wanneer de overheid voornemens is om – volgens de bewoordingen van die bepaling – jegens iemand een dergelijke „voor hem nadelige individuele maatregel” te nemen. Het recht om te worden gehoord, dat zelfs bij ontbreken van een toepasselijke regeling moet worden gewaarborgd, verlangt dat de betrokkene vooraf in staat wordt gesteld om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over gegevens die bij het te nemen besluit tegen hem zouden kunnen worden gebruikt (arrest van 24 april 2017, HF/Parlement, T‑584/16, EU:T:2017:282, punt 150).

66      Meer in het bijzonder impliceert de eerbiediging van het recht om te worden gehoord dat de betrokkene vóór de vaststelling van een voor hem nadelig besluit in staat moet zijn gesteld om naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken met betrekking tot de echtheid en de relevantie van de feiten en omstandigheden op basis waarvan dat besluit zal worden genomen (arrest van 11 september 2013, L/Parlement, T‑317/10 P, EU:T:2013:413, niet gepubliceerd, punten 80 en 81, en beschikking van 17 juni 2019, BS/Parlement, T‑593/18, EU:T:2019:425, niet gepubliceerd, punten 76 en 77).

67      Uit artikel 22.1.1 van de subsidieovereenkomst blijkt dat EASME gebruik kan maken van externe deskundigen om te verifiëren of een project correct wordt uitgevoerd en of de overeengekomen verplichtingen worden nagekomen.

68      Bovendien blijkt uit artikel 50.3.2 van de subsidieovereenkomst dat EASME, alvorens de overeenkomst te ontbinden op grond van artikel 50.3.1, onder f), de begunstigde formeel in kennis moet stellen van zijn voornemen en beweegredenen en hem moet uitnodigen om uiterlijk 30 dagen na de kennisgeving opmerkingen in te dienen.

69      In dit geval betrof het verslag van de externe ethisch deskundige van 11 december 2018 de opmerkingen van verzoekster over de eerste vooraankondigingsbrief. Dit verslag bevatte weliswaar een passage, aangehaald in punt 35 hierboven, over het onderzoek van de CEPN naar de publicaties van A en haar werkgroep en naar hun banden met project P-TEV, maar deze passage bevestigde slechts wat al in het verslag van de derde ethische toetsing van 28 september 2018 was opgenomen in een passage die luidde als volgt:

„[O]nlangs zijn officiële onderzoeken uitgevoerd naar het wangedrag bij het onderzoek en de ethische problemen in Zweden, waaruit is gebleken dat er sprake is van wangedrag in de onderzoeken voor de voorafgaande publicaties waar project P-TEV naar verwees en bij de klinische werkzaamheden waarmee de concepten voor de in dat project toegepaste procedures waren gevalideerd.”

70      Overigens blijkt uit de tekst van de lijst argumenten op tegenspraak die bij de ontbindingsbrief is gevoegd, dat EASME uit het verslag van de derde ethische toetsing had vernomen van het CEPN-onderzoek naar de publicaties van A betreffende project P-TEV.

71      Hieruit volgt dat, anders dan verzoekster betoogt, niet kan worden geoordeeld dat EASME de ontbinding van de subsidieovereenkomst heeft gegrond op de beoordelingen in het verslag van de externe ethisch deskundige van 11 december 2018.

72      Bovendien zijn de redenen voor het ontbinden van de subsidieovereenkomst aan verzoekster meegedeeld in de tweede vooraankondigingsbrief, waarover zij een standpunt heeft kunnen innemen zoals blijkt uit de opmerkingen die zij op 19 maart 2019 heeft ingediend overeenkomstig artikel 50.3.2 van de subsidieovereenkomst.

73      In deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat EASME in casu verzoeksters recht om te worden gehoord niet heeft geschonden.

74      Daarenboven moet worden vastgesteld dat, aangezien EASME het besluit om de subsidieovereenkomst te ontbinden niet heeft gegrond op het verslag van de externe ethisch deskundige, zoals in punt 71 hierboven is aangegeven, de omstandigheid dat Eismea de naam van de betreffende deskundige niet aan verzoekster heeft meegedeeld in de procedure voor het Gerecht hoe dan ook geen schending kan vormen van verzoeksters rechten van verdediging in deze procedure.

75      Bijgevolg moet het derde middel ongegrond worden verklaard.

 Eerste middel: schending van artikel 50.3.1, onder f), van de subsidieovereenkomst

76      Verzoekster betoogt dat A, die door EASME in de tweede vooraankondigingsbrief en in de ontbindingsbrief is aangewezen als degene die door de CEPN schuldig is bevonden aan een beroepsfout, geen begunstigde van de subsidie is en ook niet als natuurlijk persoon bevoegd is om verzoekster te vertegenwoordigen of namens haar op te treden in de zin van artikel 50.3.1, onder f), van de subsidieovereenkomst. Volgens de verklarende woordenlijst van de Commissie die ter beschikking van subsidiekandidaten wordt gesteld en blijkens de tekst van de subsidieovereenkomst zelf is verzoekster als partij bij de subsidieovereenkomst en enig ontvanger van de financiering de begunstigde van de overeenkomst. Bovendien is A sinds haar vertrek uit de raad van bestuur van verzoekster in juli 2015 niet meer bevoegd om verzoekster te vertegenwoordigen of namens haar te beslissen. Die bevoegdheid heeft zij evenmin vanwege haar hoedanigheid als medeoprichter van verzoekster. Ten aanzien daarvan volgt uit het Zweedse vennootschapsrecht dat het minderheidsaandeel dat A had op het moment dat het voorstel voor project P-TEV werd ingediend, haar niet het recht gaf om verzoekster te vertegenwoordigen of namens haar te beslissen. Daarenboven benadrukt verzoekster dat de deeltijdse arbeidsovereenkomst die A had van 2015 tot de ontbinding daarvan op 1 oktober 2016, haar evenmin het recht gaf om haar te vertegenwoordigen of namens haar op te treden. Volgens verzoekster heeft A verder niet meer deelgenomen aan verzoeksters werkzaamheden vanaf 4 maart 2016, toen haar arbeidsovereenkomst zonder loon werd opgeschort, tot aan de ontbinding van die overeenkomst, en heeft zij dus geen invloed uitgeoefend op het voorstel voor project P-TEV, dat in april 2017 is ingediend. Volgens verzoekster is het in deze omstandigheden duidelijk dat A niet valt onder de categorie personen waarop artikel 50.3.1, onder f), van de subsidieovereenkomst doelt en dat de beroepsfout waaraan zij zich schuldig zou hebben gemaakt daarom niet de ontbinding van de subsidieovereenkomst kan rechtvaardigen.

77      Verzoekster voert aan dat Eismea om die reden probeert om de ontbinding van de subsidieovereenkomst met terugwerkende kracht anders te motiveren, door voor het eerst voor het Gerecht te betogen dat in werkelijkheid verzoekster, als begunstigde, verantwoordelijk is voor fouten in het onderzoek. Volgens verzoekster heeft Eismea in dit stadium van de procedure niet het recht om de gronden voor ontbinding te heroverwegen zonder het beginsel te schenden dat de gerechtelijke procedure voorspelbaar moet zijn. Bovendien is de overheid op grond van de Europese Code van goed administratief gedrag gehouden om voorzienbare en duidelijke beslissingen te nemen.

78      Verzoekster betoogt dat, zelfs al zou het Gerecht aanvaarden dat Eismea de gronden waarop het de subsidieovereenkomst heeft ontbonden met terugwerkende kracht wijzigt, die ontbinding nog steeds ongegrond is. Volgens verzoekster aanvaardt zij de conclusies van de CEPN over de fouten die A en haar onderzoeksgroep bij het onderzoek hebben begaan. Het kan haar evenwel niet worden verweten dat zij in het voorstel voor project P-TEV willens en wetens gebruik heeft gemaakt van wetenschappelijke artikelen met onderzoeksfouten, die gevolgen zouden hebben voor de wetenschappelijke en technologische relevantie van dat project.

79      In dat verband benadrukt verzoekster ten eerste dat haar voorstel voor project P-TEV in april 2017 bij EASME is ingediend, terwijl het verslag van de CEPN pas in maart 2018 openbaar is gemaakt. In reactie op het argument van Eismea dat zij kennis had van de problemen met het werk van A op het moment dat zij het voorstel voor project P-TEV indiende omdat zij A na beschuldigingen van onderzoeksfouten vanaf maart 2016 had geschorst, merkt verzoekster op dat het resultaat van het onderzoek door de universiteit van Göteborg op dat tijdstip onzeker was en dat de problemen blijkens de duur van dat onderzoek duidelijk complex waren. Zij geeft aan dat het besluit van de vicerector van de universiteit van Göteborg waarmee de tekortkomingen in het onderzoek van A en haar onderzoeksgroep formeel zijn vastgesteld, dateert van juni 2018.

80      Ten tweede merkt verzoekster op dat de wetenschappelijke publicaties die in het voorstel voor project P-TEV worden aangehaald, ten tijde van de indiening van dat voorstel in april 2017 geen foute afbeeldingen (meer) bevatten. Om te beginnen geeft verzoekster wat betreft het artikel in The Lancet aan dat zij daarnaar heeft verwezen om aan te tonen dat met weefseltechnologie gemaakte bloedvaten niet werden afgestoten of andere ernstige veiligheidsproblemen veroorzaakten. De resultaten die in dat artikel worden genoemd, zijn gebaseerd op een oudere, niet door verzoekster toegepaste technologie waarbij recellularisatie wordt uitgevoerd met behulp van beenmergcellen. Verzoekster merkt op dat, anders dan in de tweede vooraankondigingsbrief staat, het artikel in The Lancet, dat een kleine fout bevatte in verband met een vergrote afbeelding, in het onderzoek van de CEPN niet als foutief is aangemerkt en nog steeds in de oorspronkelijke vorm openbaar was toen het voorstel voor project P-TEV bij EASME werd ingediend, aangezien het tijdschrift het niet nodig had geacht om een erratum te publiceren. Vervolgens geeft verzoekster met betrekking tot het artikel in het tijdschrift EBioMedicine aan dat het de belangrijkste verwijzing is voor project P-TEV, omdat uit dat artikel blijkt dat de klinische resultaten aantonen dat weefseltechnologie met perifeer bloed, die overeenkomt met de technologie die zij ontwikkelt, in het algemeen niet leidt tot afstoting of andere ernstige veiligheidsproblemen. Verzoekster benadrukt dat de CEPN in dit artikel geen gebrek aan samenhang heeft aangetroffen dat opname in haar onderzoek zou rechtvaardigen, en dat ten aanzien van dit artikel dus geen fout is vastgesteld zoals in de tweede vooraankondigingsbrief onjuist staat vermeld. Tot slot geeft verzoekster over het artikel in het Journal of Vascular Surgery aan dat het als referentie is gebruikt voor proeven met venen met kleppen, maar dat het minder van belang is voor project P-TEV omdat het artikel geen klinische maar in-vitroproeven betreft. Volgens verzoekster wordt dit artikel niet genoemd in de tweede vooraankondigingsbrief, maar bevatte het bij publicatie foute overzichten van afbeeldingen op grond waarvan de CEPN een onderzoeksfout heeft vastgesteld. Voor dit artikel is evenwel in maart 2017 een erratum gepubliceerd door het Journal of Vascular Surgery, en het artikel is in maart 2019 vanwege het beleid van dat tijdschrift ingetrokken.

81      Verder voert verzoekster ook aan dat de constateringen van de groep externe ethisch deskundigen bij de drie ethische toetsingen in de loop van 2018, die beschreven worden in het verweerschrift, voor het onderhavige geding niet relevant zijn omdat EASME uiteindelijk de vermeende inbreuken op de ethische beginselen blijkens de tweede vooraankondigingsbrief niet meer heeft aangevoerd als grond voor zijn besluit om de subsidieovereenkomst te ontbinden. In die zin acht verzoekster ook de verwijzing naar artikel 34 van de subsidieovereenkomst irrelevant.

82      Eismea wijst op de bij de drie opeenvolgende ethische toetsingen geconstateerde tekortkomingen die verzoekster opzettelijk heeft weggelaten uit het verzoekschrift, en benadrukt dat het feit dat verzoekster tot driemaal toe niet heeft voldaan aan de ethische eisen die reeds waren geïdentificeerd in de ethische verslagen van die toetsingen, bijzonder zorgelijk is voor een project dat naar zijn aard aanzienlijke ethische zorgen geeft.

83      Eismea betoogt dat verzoekster artikel 50.3.1, onder f), van de subsidieovereenkomst te nauw uitlegt. Volgens Eismea begrijpt verzoekster niet dat die bepaling in casu op haar als begunstigde van toepassing is, los van A. Datzelfde geldt voor artikel 34 van de subsidieovereenkomst, volgens hetwelk de overeenkomst kan worden ontbonden als de begunstigde een van zijn ethische verplichtingen niet nakomt. Volgens Eismea moet het ontbindingsbesluit in deze context worden gelezen. Uit de tekst van de lijst argumenten bij de ontbindingsbrief blijkt namelijk dat het besluit om de subsidieovereenkomst te ontbinden geen verband hield met A’s aandeelhouderschap, werk of lidmaatschap van verzoeksters raad van bestuur, gegevens waarnaar EASME overigens ook nooit heeft verwezen. Het betoog van verzoekster dat A geen deel uitmaakt van de categorie personen waar artikel 50.3.1, onder f), van de subsidieovereenkomst op doelt, is dus niet relevant.

84      Daarentegen lijdt het volgens Eismea geen twijfel dat het voorstel voor project P-TEV zich baseerde op een technologie die in samenwerking met A was ontwikkeld, en op onderzoek dat door haar en haar onderzoeksgroep was uitgevoerd. Bovendien benadrukt Eismea dat het voorstel voor project P-TEV verwees naar de meest relevante wetenschappelijke publicaties voor de inhoud van dat project.

85      Volgens Eismea hadden de onderzoeksgegevens waarop het voorstel van verzoekster berustte blijk gegeven van een beroepsfout, zoals in de tweede vooraankondigingsbrief was uitgelegd. De CEPN heeft het bewijs van wangedrag in het onderzoek geleverd waar het gaat om het werk dat de begunstigden van project P-TEV hebben gepresenteerd in het voorstel van verzoekster van april 2017.

86      Eismea merkt op dat de artikelen die verzoekster in deel 4 van het voorstel voor project P-TEV heeft aangehaald als de meest relevante artikelen voor de inhoud van dat project, ook werden genoemd in deel A van bijlage 1 bij de subsidieovereenkomst. Wat dat betreft erkent Eismea dat het artikel in EBioMedicine niet genoemd werd in het verslag van de CEPN, maar wijst het erop dat de CEPN volgens verzoekster toch gecontroleerd had of er geen sprake was van een gebrek aan samenhang. Eismea merkt tevens op dat verzoekster niet betwist dat het artikel in The Lancet, dat bijzonder relevant leek voor project P-TEV, volgens de CEPN een onjuiste vergroting van een afbeelding bevatte en dat, hoewel niet kon worden vastgesteld dat het om een vervalsing ging, de verklaring vreemd was en de betrouwbaarheid van het betreffende onderzoek in twijfel trok. Wat het artikel in het Journal of Vascular Surgery betreft, geeft Eismea aan dat de CEPN twee onjuist gepositioneerde en gecomprimeerde afbeeldingen heeft aangetroffen, hetgeen neerkwam op beeldmanipulatie en wetenschappelijke oneerlijkheid, zodat alle coauteurs, onder wie A, schuldig zijn bevonden aan wetenschappelijke fraude.

87      Eismea benadrukt tevens het tegenstrijdige karakter van het argument van verzoekster dat de onderzoeksfouten die zijn aangetroffen in de publicaties van A geen invloed hebben op project P-TEV omdat zij zich op nieuwe preklinische gegevens heeft gebaseerd. Eismea acht het overigens zorgelijk dat verzoekster, ondanks de verplichting daartoe op grond van artikel 17.2 van de subsidieovereenkomst, het niet nodig heeft gevonden om Eismea ervan op de hoogte te stellen dat project P-TEV berustte op nieuwe preklinische gegevens en een publicatie of een reeks onderzoeken aan te leveren om aan te tonen welke werkzaamheden zijn verricht.

88      Eismea voegt daaraan toe dat verzoekster bij het indienen van project P-TEV wel degelijk wist van de aan A in 2016 gerichte verwijten van wangedrag in het onderzoek en van de gevolgen daarvan voor het project. Dit blijkt uit het feit dat verzoekster, zoals zij in het verzoekschrift heeft aangegeven, juist maatregelen had genomen om A uit haar organisatie te verwijderen, met name door de schorsing van haar arbeidsovereenkomst in maart 2016, vervolgens de ontbinding van die overeenkomst in september 2016 en het terugkopen van haar aandelen. Dit blijkt tevens uit de door verzoekster in de repliek gedane verklaring dat zij „gezien de controverse rondom [A] in een vroeg stadium van de uitvoering van project P-TEV [had] besloten zich niet te baseren op de gegevens uit A’s onderzoek” en dat zij „in plaats daarvan met [haar] partners zelf alle preklinische gegevens [had] verzameld die nodig waren om goedkeuring voor klinische proeven aan te vragen”. Volgens Eismea heeft verzoekster in haar projectvoorstel dus kennelijk willens en wetens twee artikelen gepresenteerd als „de meest relevante wetenschappelijke publicaties betreffende de inhoud van het voorgestelde project”, terwijl die artikelen het bewijs van wangedrag bevatten en dat bewijs was geleverd voordat het voorstel werd ingediend. Eismea is van mening dat, rekening houdend met deze gegevens, het feit dat geen van deze artikelen gemanipuleerde afbeeldingen bevatte op het moment waarop de aanvraag werd ingediend of dat de CEPN een jaar na de indiening haar advies uitbracht, niet doorslaggevend is.

89      Eismea benadrukt dat verzoekster op geen enkel moment, of dat nu tijdens de beoordelingsfase van de subsidie of het voorstel dan wel na toekenning van de subsidie was, aan EASME heeft laten weten dat er wangedrag bij het onderzoek en een ethische schending hadden plaatsgevonden in het kader van de publicaties die in het voorstel zijn gepresenteerd en de technologie waarop project P-TEV was gebaseerd, hetgeen duidelijk strijdig was met de benadering dat een binnen het kaderprogramma Horizon 2020 voorgesteld project inherent vertrouwen geniet, en artikel 17.2 van de subsidieovereenkomst schond. Eismea merkt op dat verzoekster aan het begin van de voorbereidingsfase voor de subsidie een verklaring op erewoord heeft ondertekend, waarin zij heeft bevestigd dat zij geen valse verklaring had gegeven bij de mededeling van de vereiste gegevens om deel te nemen aan de subsidieverleningsprocedure en dat zij bij het aanleveren van die gegevens niets had achtergehouden.

90      Volgens Eismea zou project P-TEV niet in aanmerking zijn gekomen voor financiering als EASME had geweten dat verzoekster zich baseerde op publicaties waarbij beroepsfouten waren gemaakt. Door het wangedrag bij het onderzoek van A te verbergen heeft verzoekster EASME misleid en de op vertrouwen gebaseerde benadering geschaad.

91      Eismea merkt verder op dat verzoekster de beroepsfouten die waren vastgesteld in de artikelen die zij weloverwogen heeft genoemd in haar voorstel, pas heeft toegegeven toen EASME haar daarmee confronteerde gedurende de vooraankondigingsprocedure.

92      Door zich zo op te stellen heeft verzoekster dus de verplichting geschonden om de ethische beginselen in artikel 34 van de subsidieovereenkomst te eerbiedigen, hetgeen volgens de Europese gedragscode voor wetenschappelijke integriteit van de Europese Federatie van Europese Academies van wetenschappen en geesteswetenschappen – All European Academies (ALLEA) en de Europese Stichting voor Wetenschappen (European Science Foundation) uitgelegd kan worden als een ernstige fout, vastgesteld op elke grond die aannemelijk kan worden gemaakt, in de zin van artikel 50.3.1, onder f), van de subsidieovereenkomst.

93      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat met de verklaring op erewoord die namens verzoekster is ondertekend door haar algemeen directeur op 18 mei 2017, wordt verklaard dat zij zich niet bevindt in een van de situaties waardoor zij zou worden uitgesloten van subsidies van de Unie in de zin van artikel 131, lid 5, van verordening nr. 966/2012, met de nadruk op de volgende omstandigheden:

„[...]

–        Zij (of personen met vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid ten aanzien van haar) is (zijn) niet veroordeeld voor een schending van de beroepsnormen bij een beslissing van een bevoegde instantie van een lidstaat met kracht van gewijsde.

–        [Zij] heeft in de uitoefening van haar beroep geen ernstige fout begaan, vastgesteld op elke grond die [EASME] aannemelijk kan maken, met inbegrip van besluiten van de Europese Investeringsbank [(EIB)] en internationale organisaties.

[...]”

94      Tevens moet worden opgemerkt dat EASME de overeenkomst op grond van artikel 50.3.1, onder l), ervan kan ontbinden als de begunstigde of een natuurlijke persoon die hem kan vertegenwoordigen of namens hem kan beslissen, in het kader van de gunningsprocedure of de overeenkomst wezenlijke fouten, onregelmatigheden, fraude of een ernstige schending van zijn contractuele verplichtingen heeft begaan, onder meer door de werkzaamheden incorrect uit te voeren, valse gegevens in te dienen, vereiste gegevens achter te houden of de ethische beginselen in artikel 34 van die overeenkomst te schenden.

95      In casu zij er evenwel op gewezen dat EASME de ontbinding van de subsidieovereenkomst niet heeft gebaseerd op artikel 50.3.1, onder l), van deze overeenkomst maar op artikel 50.3.1, onder f), volgens hetwelk EASME de overeenkomst kan ontbinden als „de begunstigde (of een natuurlijke persoon die bevoegd is om hem te vertegenwoordigen of om namens hem te beslissen) [...] een ernstige beroepsfout [heeft] begaan, vastgesteld op elke grond die aannemelijk kan worden gemaakt”.

96      EASME heeft namelijk achtereenvolgens twee ontbindingsprocedures van de subsidieovereenkomst gestart. De eerste ontbindingsprocedure is ingeleid bij de eerste vooraankondigingsbrief, van 18 oktober 2018. In deze brief heeft EASME aangegeven dat het vanwege de aanhoudende niet-nakoming van de ethische verplichtingen die de groep deskundigen had vastgesteld bij de derde ethische toetsing, van mening was dat „verzoekster haar verplichtingen in het kader van de subsidieovereenkomst of tijdens de gunningsprocedure ernstig had geschonden” (zie punt 33 hierboven).

97      De tweede procedure tot ontbinding van de subsidieovereenkomst is ingeleid bij de tweede vooraankondigingsbrief, van 18 februari 2019. In deze tweede brief heeft EASME uitdrukkelijk aangegeven dat het na onderzoek van verzoeksters opmerkingen over de eerste vooraankondigingsbrief voornemens bleef om de subsidieovereenkomst te ontbinden, „maar om verschillende redenen”. In dezelfde brief geeft EASME na een toelichting op deze „verschillende redenen” aan dat de subsidieovereenkomst zijns inziens moest worden ontbonden op grond van artikel 50.3.1, onder f), van deze overeenkomst (punt 36 hierboven).

98      Hieruit volgt dat, anders dan Eismea aanvoert, het betoog dat verzoekster ethische beginselen heeft geschonden zoals is vastgesteld in het verslag naar aanleiding van de derde ethische toetsing en door EASME in de eerste vooraankondigingsbrief is vermeld, niet relevant is om te beoordelen of het ontbinden van de subsidieovereenkomst gegrond is.

99      Tevens zij opgemerkt dat de reden die EASME gaf om de ontbinding van de subsidieovereenkomst op grond van artikel 50.3.1, onder f), ervan te rechtvaardigen, ondubbelzinnig het feit was dat A schuldig was bevonden aan beroepsfouten en niet, zoals Eismea in zijn geschriften en tijdens de hoorzitting heeft betoogd, de omstandigheid dat verzoekster willens en wetens door onderzoeksfouten beïnvloede publicaties had opgenomen in het voorstel voor project P-TEV en daarmee EASME had misleid over haar vermogen om dat project correct ten uitvoer te leggen, of dat zij bij de uitvoering van het project willens en wetens gebruik had gemaakt van A’s publicaties, waarvan was erkend dat de onderliggende onderzoeken tekortkomingen bevatten.

100    Het standpunt van Eismea voor het Gerecht wordt dus tegengesproken door de inhoud van de tweede vooraankondigingsbrief. In deze brief heeft EASME namelijk eerst aangegeven dat A, „medeoprichter van [verzoekster]”, door de CEPN schuldig was bevonden aan ernstige beroepsfouten, heeft het daarna verduidelijkt dat twee publicaties, die waren gepresenteerd als de wetenschappelijke publicaties die het meest relevant waren voor de inhoud van project P-TEV, bewijzen bevatten van de betreffende fouten en heeft het gewezen op de ernstige kritiek van de CEPN op het functioneren van de onderzoeksgroep van A (punt 36 hierboven). EASME wees er vervolgens op dat „die conclusies de professionele integriteit van [A] in twijfel [trokken] en dus ook de operationele capaciteit van [verzoekster] om het project naar behoren uit te voeren met inachtneming van de niet-uitsluitingseisen die de financiële regelgeving van de [Unie] stelt” (punt 36 hierboven).

101    In deze context is het bijzonder opmerkelijk dat de tweede vooraankondigingsbrief verwees naar een eventuele schending door verzoekster van haar niet-uitsluitingsverplichtingen vanwege de omstandigheden van haar medeoprichter, welke schending indien bewezen had kunnen rechtvaardigen dat de subsidieovereenkomst werd ontbonden op grond van artikel 50.3.1, onder l), van deze overeenkomst, maar dat die brief geen gegevens bevatte die beoogden aan te tonen dat verzoekster zelf een beroepsfout had begaan.

102    Vastgesteld moet dus worden dat EASME in de tweede vooraankondigingsbrief van mening was dat het de beroepsfout van A was die twijfel opwierp over de capaciteit van verzoekster om project P-TEV uit te voeren en haar niet-uitsluitingsverplichtingen te eerbiedigen, en niet een of andere fout van verzoekster zelf.

103    Deze vaststelling volgt ook uit de tekst van de conclusie in de lijst van argumenten op tegenspraak in de ontbindingsbrief:

„In casu is de objectieve grond [bepaald in artikel 50.3.1, onder f)] bevestigd. [A] was een medeoprichter van de begunstigde en is door de CEPN schuldig bevonden aan een beroepsfout.”

104    Wat dit betreft zij erop gewezen dat EASME volgens artikel 50.3.1, onder f), de overeenkomst kan ontbinden als „de begunstigde (of een natuurlijke persoon die bevoegd is om hem te vertegenwoordigen of om namens hem te beslissen) [...] een ernstige beroepsfout [heeft] begaan, vastgesteld op elke grond die aannemelijk kan worden gemaakt”.

105    Uit de eerste pagina van de subsidieovereenkomst blijkt dat niet A, maar verzoekster de begunstigde is.

106    Bovendien blijkt uit de gegevens van het dossier, die Eismea niet bestrijdt, dat, in de eerste plaats, de arbeidsovereenkomst van A – die vanaf september 2015 in deeltijd bij verzoekster in dienst was als wetenschappelijk directeur – in maart 2016 is geschorst zonder behoud van loon en in december 2016 is ontbonden, dat, in de tweede plaats, A sinds juli 2015 geen deel meer uitmaakt van verzoeksters raad van bestuur en dat, in de derde plaats, A’s aandeel in het kapitaal van verzoekster op het moment dat de subsidieaanvraag voor project P-TEV werd ingediend en tot het moment dat A dat aandeel eind 2018 volledig van de hand had gedaan, onder de drempel bleef waarboven zij naar Zweeds vennootschapsrecht namens verzoekster beslissingen had kunnen nemen.

107    Eismea heeft inderdaad – voor het eerst ter terechtzitting – aangevoerd dat verzoekster, anders dan zij stelt, niet alle banden met A had verbroken vanaf april 2016, omdat A was aangewezen als wetenschappelijk toezichthouder in het kader van een Marie Skłodowska-Curiebeurs van het kaderprogramma Horizon 2020 waaraan verzoekster deelnam. Om te beginnen illustreert deze bewering echter het tegenstrijdige karakter van het betoog van Eismea voor het Gerecht, aangezien het voor het overige betoogt dat EASME de subsidieovereenkomst heeft ontbonden vanwege een ernstige beroepsfout van verzoekster, en niet van een natuurlijke persoon die bevoegd is om haar te vertegenwoordigen of namens haar op te treden. Voorts heeft Eismea geen bewijs geleverd ter ondersteuning van deze bewering ter terechtzitting. Ten slotte kan met de bewering van Eismea hoe dan ook niet worden aangetoond dat A in het kader van project P-TEV verzoekster heeft vertegenwoordigd of namens haar heeft opgetreden.

108    Derhalve moet worden vastgesteld dat A niet tot de categorie personen behoort waar artikel 50.3.1, onder f), van de subsidieovereenkomst op doelt, omdat zij volgens deze overeenkomst niet de begunstigde van de subsidie was, noch namens of voor rekening van de begunstigde optrad tijdens of na de door haar begane onderzoeksfouten die de vicerector van de universiteit van Göteborg heeft vastgesteld op grond van de conclusies van het CEPN-onderzoek.

109    De ontbinding van de subsidieovereenkomst door EASME op grond van artikel 50.3.1, onder f), van deze overeenkomst, op de gronden die zijn aangevoerd in de ontbindingsbrief van 19 april 2019, was dus ongegrond.

110    Aan deze conclusie kan niet worden afgedaan door de overige argumenten die Eismea in deze zaak heeft aangevoerd.

111    Het betoog van Eismea dat verzoekster zelf een beroepsfout heeft begaan door, in strijd met de verplichting om de ethische beginselen in artikel 34 van de subsidieovereenkomst te eerbiedigen, willens en wetens de onderzoeksfouten van A te verhullen bij de presentatie van haar voorstel voor project P-TEV of het betoog dat verzoekster een ernstige beroepsfout heeft begaan door zich bij de uitvoering van project P-TEV bewust te baseren op de publicaties van A, waarvan erkend was dat het onderzoek tekortkomingen bevatte, vormt namelijk een nieuwe motivering van de ontbinding van de subsidieovereenkomst. Als Eismea gedurende de gerechtelijke procedure de redenen zou kunnen wijzigen waarom het heeft besloten om de subsidieovereenkomst te ontbinden, zou dat zeker afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de ontbindingsprocedure van artikel 50.3.2 van deze overeenkomst en aan de rechten die deze aan begunstigden waarborgt.

112    Bovendien berust het betoog van Eismea hoe dan ook op de onjuiste premisse dat verzoekster willens en wetens voor haar heeft verzwegen dat de in haar voorstel voor project P-TEV aangehaalde publicaties onderzoeksfouten bevatten.

113    Verzoekster heeft namelijk wel toegegeven dat zij sinds 3 maart 2016 wist van de beschuldigingen tegen A en dat zij haar arbeidsovereenkomst daarom had geschorst en uiteindelijk eind september van datzelfde jaar had ontbonden, alsook alle contact met haar onderzoeksgroep had verbroken, maar op het moment dat project P-TEV werd ingediend was het onderzoek van de CEPN nog gaande en de vicerector van de universiteit van Göteborg heeft pas in juni 2018, op grond van de in maart 2018 openbaar gemaakte conclusies van de CEPN, officieel vastgesteld dat A en haar onderzoeksgroep fouten hadden begaan in hun onderzoek. Eismea kan verzoekster dus niet verwijten dat zij de betreffende fouten verborgen heeft gehouden. De omstandigheid dat verzoekster naar eigen zeggen in een vroeg stadium van project P-TEV, gezien de controverse rondom A, afstand heeft genomen van A’s onderzoek en haar eigen preklinische gegevens heeft verzameld, kan op zichzelf niet aan deze constatering afdoen.

114    Voorts stelt Eismea onterecht dat de artikelen die zijn gepresenteerd als het meest relevant voor de inhoud van project P-TEV, onderzoeksfouten bevatten op het moment dat het voorstel voor dat project werd ingediend. Anders dan wat in de tweede vooraankondigingsbrief stond en zoals Eismea ook toegeeft, heeft de CEPN ten aanzien van het artikel in EBioMedicine immers geen onderzoeksfout geconstateerd. Uit het CEPN-onderzoek bleek geen gebrek aan samenhang dat opname in haar onderzoek zou rechtvaardigen. Daarnaast, in tegenstelling tot wat de tweede vooraankondigingsbrief ook aangaf, volgt uit het verslag van de CEPN dat het artikel in The Lancet wel een onjuiste vergroting van een afbeelding bevatte waardoor twijfel werd gewekt over de betrouwbaarheid van de resultaten in dat artikel, maar dat in het onderzoek geen fraude was vastgesteld. Wat tot slot het artikel in het Journal of Vascular Surgery betreft, waarin de CEPN een onderzoeksfout heeft vastgesteld, bestrijdt Eismea niet dat er, op de datum waarop het voorstel voor project P-TEV werd ingediend, al een erratum was gepubliceerd voor het overzicht van afbeeldingen waaruit de onderzoeksfout is gebleken. Daarenboven voert Eismea geen bewijs aan voor de bewering dat het Journal of Vascular Surgery het betrokken artikel onder verwijzing naar zijn redactionele beleid later heeft ingetrokken vanwege de tekortkomingen in het onderzoek die de CEPN had vastgesteld in de publicaties van A.

115    Gelet op het voorgaande moet het eerste middel en daarmee het beroep in zijn geheel worden toegewezen, zonder dat het tweede middel, inzake schending van het evenredigheidsbeginsel, nog hoeft te worden onderzocht.

 Kosten

116    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien Eismea in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van verzoekster worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Negende kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De door het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen gedane ontbinding van de voor het project Personalized Tissue-Engineered Veins as the first Cure for Patients with Chronic Venous Insufficiency (P-TEV; gepersonaliseerde venen op basis van menselijk-weefseltechnologie als eerste behandeling voor patiënten met chronische veneuze insufficiëntie) gesloten subsidieovereenkomst met nummer 778620 wordt nietig verklaard.

2)      Het Europees Uitvoerend Agentschap Innovatieraad en het mkb wordt verwezen in de kosten.

Costeira

Kancheva

Perišin

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 2 maart 2022.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.