Language of document :

Beroep ingesteld op 13 mei 2016 – Yanukovych/Raad

(Zaak T-244/16)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Viktor Fedorovych Yanukovych (Kiev, Oekraïne) (vertegenwoordiger T. Beazley, QC)

Verwerende partij: Raad van de Europese Unie

Conclusies

nietig verklaren van besluit (GBVB) 2016/318 van de Raad van 4 maart 2016 tot wijziging van besluit 2014/119/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2016, L 60, blz. 76), voor zover het verzoeker betreft;

nietig verklaren van uitvoeringsverordening (EU) 2016/311 van de Raad van 4 maart 2016 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 208/2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2016, L 60, blz. 1), op grond van het feit dat verordening nr. 208/2014 hierbij niet wordt herroepen, voor zover zij verzoeker betreft, en

de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker zeven middelen aan.

Eerste middel: de Raad van de Europese Unie (hierna: „Raad”) beschikte niet over een juiste rechtsgrondslag voor de bestreden maatregelen. Ten eerste voldeden de bestreden maatregelen niet aan de voorwaarden waaronder de Raad een beroep kon doen op artikel 29 VEU. Met name i) zijn de door de Raad uitdrukkelijk aangevoerde doelstellingen (consolidering van de rechtsstaat en naleving van de mensenrechten in Oekraïne) louter vage verklaringen die niet rechtmatig staande kunnen worden gehouden als geldige grondslag voor die maatregelen; ii) hangt de grondslag waarop de Raad zich probeert te baseren niet voldoende samen met de juiste maatstaf voor rechterlijke toetsing die in deze omstandigheden is vereist, en iii) wordt door het opleggen van beperkende maatregelen aan verzoeker in feite de handelswijze gesteund en gelegitimeerd van het nieuwe regime in Oekraïne, dat zelf een eerlijke rechtsgang en de rechtsstaat ondergraaft en dat de mensenrechten schendt en stelselmatig bereid is deze te schenden. Ten tweede werd niet voldaan aan de voorwaarden waaronder een beroep kon worden gedaan op artikel 215 VWEU, omdat er geen sprake was van een geldig besluit op grond van hoofdstuk 2 van titel V van het VEU. Ten derde kon artikel 215 VWEU niet tegen verzoeker worden aangevoerd daar er geen voldoende verband was.

Tweede middel: misbruik van bevoegdheden door de Raad. Met de uitvoering van de bestreden maatregelen beoogde de Raad in wezen het huidige regime in Oekraïne gunstig te stemmen (opdat Oekraïne voortgaat de banden met de EU aan te halen), en niet hetgeen als doeleinden/beweegredenen in de bestreden maatregelen was vermeld.

Derde middel: geen motivering door de Raad. De in de bestreden maatregelen vastgestelde „motivering” om verzoeker op de lijst te plaatsen, is (behalve onjuist) formulair, ongeschikt en onvoldoende gespecificeerd.

Vierde middel: verzoeker voldeed destijds niet aan de vastgestelde criteria om een persoon op de lijst te plaatsen.

Vijfde middel: kennelijke beoordelingsfouten door de Raad door de bestreden maatregelen op verzoeker toe te passen. Door verzoeker, niettegenstaande het feit dat de „motivering” en de relevante criteria voor plaatsing op de lijst duidelijk los van elkaar staan, wederom op de lijst te plaatsen, heeft de Raad een kennelijke beoordelingsfout gemaakt.

Zesde middel: schending van de rechten van verdediging van verzoeker en/of ontzegging van een doeltreffende bescherming in rechte. De Raad heeft met name niet behoorlijk met verzoeker van gedachten gewisseld alvorens hem weer op de lijst te plaatsen en verzoeker heeft geen behoorlijke of eerlijke kans gekregen om hetzij fouten recht te zetten, hetzij informatie te verschaffen over zijn persoonlijke omstandigheden.

Zevende middel: schending van verzoekers rechten op eigendom op grond van artikel 17, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat met name de beperkende maatregelen een ongerechtvaardigde en buitengewone beperking van die rechten vormen, omdat onder andere i) er geen aanwijzingen zijn dat enige naar verluidt door verzoeker verduisterde middelen worden geacht buiten Oekraïne te zijn gebracht, en ii) het noodzakelijk noch passend is alle tegoeden van verzoeker te bevriezen, aangezien de autoriteiten van Oekraïne nu de waarde hebben bepaald van de verliezen waarop naar verluidt in onderliggende strafzaken tegen verzoeker jacht wordt gemaakt.

____________