Language of document : ECLI:EU:T:2019:502

Gevoegde zaken T244/16 en T285/17

Viktor Fedorovych Yanukovych

tegen

Raad van de Europese Unie

 Arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 11 juli 2019

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Handhaving van verzoekers naam op de lijst – Verplichting van de Raad om na te gaan of de beslissing van een autoriteit van een derde land is genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming”

1.      Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen – Algemene verwijzing naar andere bij het verzoekschrift gevoegde geschriften – Niet-ontvankelijkheid

[Statuut van het Hof van Justitie, art. 21; Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, art. 76, d)]

(zie punten 56, 57)

2.      Europese Unie – Rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne – Bevriezing van tegoeden van personen die betrokken zijn bij het verduisteren van overheidsmiddelen en van de met hen geassocieerde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen – Omvang van het toezicht

[Art. 275, tweede alinea, VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47; besluiten (GBVB) 2016/318 en 2017/381; verordeningen 2016/311 en 2017/374 van de Raad]

(zie punten 73, 74)

3.      Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Oekraïne – Besluit tot bevriezing van tegoeden – Vaststelling of handhaving op grond van een door de autoriteiten van een derde land gevoerde gerechtelijke procedure met betrekking tot het verduisteren van overheidsmiddelen – Toelaatbaarheid – Voorwaarde – Nationale beslissing die met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming is gegeven – Verificatieplicht van de Raad – Motiveringsplicht – Omvang – Derde land dat is toegetreden tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens – Geen invloed

[Besluiten (GBVB) 2016/318 en 2017/381 van de Raad; verordeningen 2016/311 en 2017/374 van de Raad]

(zie punten 75‑80, 85‑87, 91‑95)


Samenvatting

In de op 11 juli 2019 gewezen arresten Yanukovych/Raad (T‑244/16 en T‑285/17) en Klymenko/Raad (T‑274/18) heeft het Gerecht verschillende handelingen van de Raad(1) die betrekking hebben op de in het licht van de situatie in Oekraïne vastgestelde beperkende maatregelen en waarbij is beslist tot verlenging van de geldigheidsduur van de lijst van personen, entiteiten en lichamen op wie die beperkende maatregelen van toepassing zijn(2), nietig verklaard, voor zover de namen van verzoekers, de voormalige president en de voormalige minister van Belastingen en Accijnzen van Oekraïne, op die lijst zijn gehandhaafd. De namen van verzoekers zijn op die lijst geplaatst omdat tegen hen in Oekraïne een vooronderzoek werd gevoerd naar misdrijven in verband met het verduisteren van overheidsmiddelen en de illegale overbrenging daarvan buiten Oekraïne. Vervolgens is de plaatsing op die lijst bevestigd op grond van de overweging dat de autoriteiten van dat land wegens het verduisteren van overheidsmiddelen of activa strafprocedures tegen hen hadden ingeleid.

Onder verwijzing naar de in de rechtspraak ontwikkelde beginselen die uit het arrest van 19 december 2018, Azarov/Raad(3), voortvloeien, brengt het Gerecht in deze twee arresten allereerst in herinnering dat de rechterlijke instanties van de Unie de rechtmatigheid van alle Uniehandelingen dienen te toetsen aan de eerbiediging van de grondrechten. Hoewel de Raad zich voor de vaststelling of de handhaving van beperkende maatregelen kan baseren op een beslissing van een derde land, dient hij zelf na te gaan of een dergelijke beslissing is gegeven met inachtneming van met name de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming in dat land. De omstandigheid dat het betrokken derde land is toegetreden tot het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), brengt weliswaar mee dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) toezicht uitoefent op de door dat verdrag gewaarborgde grondrechten, die overeenkomstig artikel 6, lid 3, VEU als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat het hierboven vermelde toetsingsvereiste overbodig wordt. Voorts moet de Raad, om aan zijn motiveringsplicht te voldoen, in de handelingen waarbij beperkende maatregelen worden opgelegd, duidelijk maken dat hij heeft geverifieerd of de beslissing van het derde land waarop hij die maatregelen baseert, met inachtneming van die rechten is vastgesteld. De Raad dient die verificatie verrichten, ongeacht welk bewijs verzoekers aandragen.

Het Gerecht merkt vervolgens op dat de Raad weliswaar betoogt dat tijdens de strafrechtelijke procedures rechterlijk toezicht is uitgeoefend in Oekraïne en dat uit meerdere in dat kader gegeven rechterlijke beslissingen blijkt dat de Raad heeft kunnen nagaan of de betrokken rechten in acht zijn genomen, maar dat die beslissingen op zich niet aantonen dat de beslissing van de Oekraïense autoriteiten om de strafrechtelijke procedures waarop de handhaving van de beperkende maatregelen is gebaseerd, in te leiden, is genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Alle door de Raad vermelde rechterlijke beslissingen zijn immers gewezen in het kader van de strafrechtelijke procedures die als rechtvaardiging dienden voor de plaatsing en handhaving van de namen van verzoekers op de lijst en zijn slechts tussenbeslissingen in het kader van die procedures aangezien zij bij wijze van bewarende of procesrechtelijke maatregel zijn genomen.

In het arrest Klymenko/Raad (T‑274/18) benadrukt het Gerecht inzonderheid dat de Raad niet verduidelijkt hoe het bestaan van die beslissingen de conclusie wettigt dat de bescherming van de betrokken rechten was gewaarborgd, aangezien de Oekraïense strafrechtelijke procedure waarop de betrokken beperkende maatregelen in 2014 waren gebaseerd, zich nog in het stadium van het vooronderzoek bevond. Dienaangaande verwijst het Gerecht naar het EVRM(4) en naar het Handvest van de grondrechten(5), waaruit voortvloeit dat het principiële recht op effectieve rechterlijke bescherming onder meer het recht inhoudt om te worden berecht binnen een redelijke termijn. Het Gerecht benadrukt dat het EHRM reeds heeft verklaard dat de schending van dat beginsel met name kan worden vastgesteld wanneer de onderzoeksfase van een strafrechtelijke procedure wordt gekenmerkt door een aantal fasen van inactiviteit die aan de voor dat onderzoek bevoegde instanties kunnen worden toegerekend. Het Gerecht brengt eveneens in herinnering dat wanneer tegen een persoon sinds meerdere jaren beperkende maatregelen van kracht zijn, meer bepaald vanwege het bestaan van eenzelfde in het betrokken derde land gevoerde strafrechtelijke procedure, de Raad nader dient in te gaan op de vraag of die instanties eventueel grondrechten van die persoon hebben geschonden. De Raad had dus op zijn minst moeten aangeven waarom hij ervan kon uitgaan dat die rechten waren geëerbiedigd voor zover het gaat om de behandeling van verzoekers zaak binnen een redelijke termijn.

Alvorens zich over de grond van de zaak uit te spreken, heeft het Gerecht overigens in diezelfde zaak afwijzend beslist op de exceptie van niet-ontvankelijkheid die de Raad had opgeworpen vanwege het feit dat verzoeker, zich baserend op het arrest Azarov, een nieuw middel had aangevoerd. Dienaangaande merkt het Gerecht in de eerste plaats op dat het Hof in het arrest Azarov, na het arrest van het Gerecht van 7 juli 2017, Azarov/Raad(6), te hebben vernietigd, heeft geoordeeld dat de zaak in staat van wijzen was en de litigieuze handelingen nietig heeft verklaard wegens niet-naleving van de motiveringsplicht. Dit is een middel van openbare orde, dat als zodanig op elk moment kan worden aangevoerd. Het Gerecht merkt in de tweede plaats op dat de door verzoeker aan het arrest Azarov ontleende argumenten hoe dan ook nauw verband houden met bepaalde punten van het verzoekschrift en dus eveneens op die grond ontvankelijk zijn. Het Gerecht wijst er in de derde plaats op dat het arrest Azarov een juridisch gegeven is dat het voordragen van een nieuw middel of een nieuwe grief rechtvaardigt, aangezien het Hof hiermee de ten tijde van de indiening van verzoekers beroep bestaande rechtspraak van het Gerecht ongedaan heeft gemaakt.


1      In de zaken T‑244/16 en T‑285/17 was verzocht om nietigverklaring van besluit (GBVB) 2016/318 van de Raad van 4 maart 2016 (PB 2016, L 60, blz. 76) en uitvoeringsverordening (EU) 2016/311 van de Raad van 4 maart 2016 (PB 2016, L 60, blz. 1), besluit (GBVB) 2017/381 van de Raad van 3 maart 2017 (PB 2017, L 58, blz. 34) en uitvoeringsverordening (EU) 2017/374 van de Raad van 3 maart 2017 (PB 2017, L 58, blz. 1), en in zaak T‑274/18 was verzocht om nietigverklaring van besluit (GBVB) 2018/333 van de Raad van 5 maart 2018 (PB 2018, L 63, blz. 48) en uitvoeringsverordening (EU) 2018/326 van de Raad van 5 maart 2018 (PB 2018, L 63, blz. 5).


2      Namelijk de personen, entiteiten en lichamen die vallen onder artikel 1 van besluit 2014/119/GBVB van de Raad van 5 maart 2014 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in het licht van de situatie in Oekraïne (PB 2014, L 66, blz. 26), zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2015/143 van de Raad van 29 januari 2015 (PB 2015, L 24, blz. 16) alsook onder artikel 2 van verordening (EU) nr. 208/2014 van de Raad van 5 maart 2014 (PB 2014, L 66, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2015/138 van de Raad van 29 januari 2015 (PB 2015, L 24, blz. 1).


3      Arrest van het Hof van 19 december 2018, Azarov/Raad (C‑530/17 P, EU:C:2018:1031).


4      Artikel 6, lid 1.


5      Artikel 47.


6      Arrest van het Gerecht van 7 juli 2017, Azarov/Raad (T‑215/15, EU:T:2017:479).