Language of document : ECLI:EU:C:2005:709

Zaak C‑144/04

Werner Mangold

tegen

Rüdiger Helm

(verzoek van het Arbeitsgericht München om een prejudiciële beslissing)

„Richtlijn 1999/70/EG – Clausules 2, 5 en 8 van raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 2000/78/EG – Artikel 6 – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Discriminatie op grond van leeftijd”

Samenvatting van het arrest

1.        Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Algemene of hypothetische vragen – Toetsing door Hof van eigen bevoegdheid

(Art. 234 EG)

2.        Sociale politiek – Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden – Gelijke behandeling – Richtlijn 1999/70 betreffende raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Nationale regeling die algemeen niveau van voorheen gewaarborgde bescherming van werknemers verlaagt – Rechtvaardiging op andere gronden dan noodzaak om raamovereenkomst ten uitvoer te leggen – Toelaatbaarheid

(Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage, clausule 8,lid 3)

3.        Sociale politiek – Mannelijke en vrouwelijke werknemers – Toegang tot arbeidsproces en arbeidsvoorwaarden – Gelijke behandeling – Richtlijn 2000/78 tot instelling van algemeen kader van gelijke behandeling in arbeid en beroep – Nationale regeling die voorziet in verschil van behandeling op grond van leeftijd – Ontoelaatbaarheid bij gebreke van objectieve rechtvaardigingsgronden – Ontoelaatbaarheid die ook ziet op arbeidsovereenkomsten die zijn gesloten vóór verstrijken van termijn voor implementatie van richtlijn

(Richtlijn 2000/78 van de Raad, art. 6, lid 1)

4.        Gemeenschapsrecht – Beginselen – Gelijke behandeling – Discriminatie op grond van leeftijd – Verbod – Verplichting van nationale rechterlijke instanties

1.        In het kader van de verwijzingsprocedure van artikel 234 EG is de nationale rechter, die als enige rechtstreeks kennis heeft van de feiten van het geding, het best in staat om, gelet op de bijzonderheden van de zaak, de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen. Wanneer de door de nationale rechterlijke instantie gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van een bepaling van gemeenschapsrecht, is het Hof van Justitie derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden.

Het Hof dient evenwel, ter toetsing van zijn bevoegdheid, een onderzoek in te stellen naar de omstandigheden waaronder de nationale rechter hem om een prejudiciële beslissing heeft verzocht. De geest van samenwerking die in de verwijzingsprocedure moet heersen, houdt namelijk in dat de nationale rechter zijnerzijds oog dient te hebben voor de aan het Hof opgedragen taak, welke bestaat in het bijdragen tot de rechtsbedeling in de lidstaten en niet in het geven van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vragen.

(cf. punten 34‑36)

2.        Clausule 8, lid 3, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, welke ten uitvoer is gelegd bij richtlijn 1999/70 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die bepaalt dat de uitvoering van de bepalingen van genoemde overeenkomst geen geldige reden vormt om het algemene niveau van bescherming van de werknemers op het gebied dat zij bestrijkt, te verlagen, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, waarbij om redenen verband houdend met de noodzaak de werkgelegenheid te bevorderen en onafhankelijk van de uitvoering van deze raamovereenkomst, de leeftijd waarboven het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd onbeperkt is toegestaan, is verlaagd.

(cf. punt 54, dictum 1)

3.        Het gemeenschapsrecht, met name artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 tot instelling van een algemeen kader van gelijke behandeling in arbeid en beroep, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan het sluiten van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd onbeperkt is toegestaan wanneer de werknemer 52 jaar of ouder is, tenzij er een nauw verband bestaat met een eerdere arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met dezelfde werkgever.

Een dergelijke regeling is immers niet gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 6, lid 1, van genoemde richtlijn voor zover niet is aangetoond dat de vaststelling van een leeftijdsgrens als zodanig, los van iedere andere overweging ter zake van de structuur van de betrokken arbeidsmarkt en de persoonlijke situatie van de betrokkene, objectief noodzakelijk is voor de verwezenlijking van het doel, de opneming in het arbeidsproces van oudere werkeloze werknemers te bevorderen, en deze regeling dus verder gaat dan passend en noodzakelijk is voor het bereiken van het nagestreefde doel.

De omstandigheid dat op de datum waarop de betrokken overeenkomst werd gesloten, de termijn voor implementatie van richtlijn 2000/78 nog niet was verstreken, doet niets af aan deze uitlegging. De lidstaten dienen zich tijdens de termijn voor implementatie van een richtlijn immers te onthouden van maatregelen die de verwezenlijking van het door deze richtlijn voorgeschreven resultaat ernstig in gevaar zouden brengen. Daarbij is van weinig belang of de betrokken, na de inwerkingtreding van de betrokken richtlijn vastgestelde bepaling van nationaal recht al dan niet de implementatie daarvan beoogt.

(cf. punten 65‑68, 78, dictum 2)

4.        Een nationale rechter aan wie een geschil is voorgelegd waarbij het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, dat een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht is, in geding is, dient in het kader van zijn bevoegdheid de voor de justitiabelen uit het gemeenschapsrecht voortvloeiende rechtsbescherming te verzekeren en de volle werking daarvan te waarborgen, waarbij hij elke eventueel strijdige bepaling van nationaal recht buiten toepassing moet laten, ook wanneer de termijn voor implementatie van een richtlijn als richtlijn 2000/78 tot instelling van een algemeen kader van gelijke behandeling in arbeid en beroep, die op dit algemene beginsel is gebaseerd, nog niet is verstreken.

(cf. punten 75, 77, dictum 2)