Language of document : ECLI:EU:C:2022:252

BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF

15 maart 2022 (*)

„Doorhaling”

In zaak C‑614/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (Nederland) bij beslissing van 4 oktober 2021, ingekomen bij het Hof op dezelfde dag, in de procedure

G

tegen

Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

geeft


DE PRESIDENT VAN HET HOF,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        G, vertegenwoordigd door E. van den Hombergh, advocaat,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. Bulterman en C. Schillemans als gemachtigden,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Van Regemorter en M. Jacobs als gemachtigden,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en A. Edelmannová als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door L. D’Ascia en D. G. Pintus, avvocati dello Stato,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch als gemachtigde,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Wils en L. Grønfeldt als gemachtigden,

advocaat-generaal J. Richard de la Tour gehoord,

de navolgende


Beschikking

1        Bij e-Curia-neerlegging van 2 maart 2022 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (Nederland), het Hof ervan in kennis gesteld dat zij het verzoek om een prejudiciële beslissing intrekt.

2        In die omstandigheden dient overeenkomstig artikel 100 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof de doorhaling van de onderhavige zaak in het register van het Hof te worden gelast.

3        Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.


De president van het Hof beschikt:

Zaak C614/21 wordt doorgehaald in het register van het Hof.

Luxemburg, 15 maart 2022.

De griffier

 

De president

A. Calot Escobar

 

K. Lenaerts


* Procestaal: Nederlands.