Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Nederlandse Raad van State op 17 oktober 2007 - M. en N. Elgafaji en de Staatssecretaris van Justitie

(Zaak C-465/07)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Nederlandse Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekers: M. Elgafaji, N. Elgafaji en de Staatssecretaris van Justitie

Prejudiciële vragen

1) Dient artikel 15, aanhef en onder c, van richtlijn 2004/83/EG1 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, aldus te worden uitgelegd dat die bepaling uitsluitend bescherming biedt in een situatie waarop ook artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de mens, betrekking heeft, of biedt eerstgenoemde bepaling in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming?

2) Indien artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in vergelijking met artikel 3 van het verdrag een aanvullende of andere bescherming biedt, wat zijn in dat geval de criteria om te beoordelen of een persoon die stelt voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking te komen, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging als gevolg van willekeurig geweld, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, aanhef en onder e, van de richtlijn?

____________

1 - PB L 304, blz. 12