Language of document : ECLI:EU:T:2022:301

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)

18 mei 2022 (*)

„Staatssteun – Duitse markt voor luchtvervoer – Door Duitsland aan Condor Flugdienst verstrekte lening – Besluit waarbij de steunmaatregel verenigbaar met de interne markt wordt verklaard – Artikel 107, lid 3, onder c), VWEU – Richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden – Moeilijkheden die specifiek zijn en niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep – Moeilijkheden die te groot zijn om door de ondernemingsgroep zelf te worden opgelost – Risico van onderbreking van een belangrijke dienst”

In zaak T‑577/20,

Ryanair DAC, gevestigd te Swords (Ierland), vertegenwoordigd door E. Vahida, F.‑C. Laprévote, V. Blanc, S. Rating en I.‑G. Metaxas-Maranghidis, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Flynn en V. Bottka als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Condor Flugdienst GmbH, gevestigd te Neu-Isenburg (Duitsland), vertegenwoordigd door A. Birnstiel en S. Blazek, advocaten,

interveniënte,

wijst

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: A. Kornezov (rapporteur), president, E. Buttigieg, K. Kowalik-Bańczyk, G. Hesse en D. Petrlík, rechters,

griffier: I. Pollalis, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 7 december 2021,

het navolgende

Arrest

1        Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Ryanair DAC, nietigverklaring van besluit C(2019) 7429 final van de Commissie van 14 oktober 2019 betreffende steunmaatregel SA.56812 (2019/N) – Duitsland – Reddingssteun aan Condor (PB 2020, C 294, blz. 3; hierna: „bestreden besluit”).

I.      Voorgeschiedenis van het geding

2        Interveniënte, Condor Flugdienst GmbH, is een chartermaatschappij die gevestigd is te Neu-Isenburg (Duitsland). Zij biedt vanaf de luchthavens van Frankfurt, Düsseldorf, München en Hamburg (Duitsland) luchtvervoersdiensten aan die zij hoofdzakelijk verleent aan touroperatoren aan en waarbij zij zich richt op de markt voor vrijetijdsreizen. Ten tijde van de feiten van het onderhavige geding was interveniënte volledig in handen van Thomas Cook Group plc (hierna: „Thomas Cook Group”).

3        Op 23 september 2019 heeft Thomas Cook Group haar activiteiten beëindigd en is zij in liquidatie gegaan.

4        Bijgevolg heeft interveniënte op 25 september 2019 op haar beurt om inleiding van een insolventieprocedure moeten verzoeken.

5        Diezelfde dag heeft de Bondsrepubliek Duitsland bij de Europese Commissie een reddingssteunmaatregel ten gunste van interveniënte aangemeld in de vorm van een lening van 380 miljoen EUR van de Kreditanstalt für Wiederaufbau (staatsbank voor ontwikkeling), samen met een garantie die voor 50 % was verleend door de deelstaat Hessen (Duitsland) en voor 100 % door de Duitse federale overheid (hierna: „betrokken maatregel”).

6        De betrokken maatregel is beperkt tot een periode van zes maanden en is bedoeld om ordelijk luchtvervoer te behouden en de negatieve gevolgen van de liquidatie van de moedermaatschappij voor interveniënte, haar passagiers en haar personeel te beperken, door interveniënte in staat te stellen haar activiteiten voort te zetten totdat zij met haar schuldeisers overeenstemming bereikt en de verkoop van de onderneming is afgerond.

7        Op 14 oktober 2019 heeft de Commissie, zonder de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden, het bestreden besluit vastgesteld. Daarin kwam zij tot de slotsom dat de betrokken maatregel staatssteun vormde in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU en dat deze verenigbaar was met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU en de richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PB 2014, C 249, blz. 1; hierna: „richtsnoeren”).

II.    Conclusies van partijen

8        Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het bestreden besluit nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

9        De Commissie en interveniënte verzoeken het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

10      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan: ten eerste, schending van punt 22 van de richtsnoeren, ten tweede, schending van punt 44, onder b), daarvan, ten derde, schending van punt 74 van die richtsnoeren, ten vierde, schending van haar procedurele rechten, en ten vijfde, niet-nakoming van de motiveringsplicht.

A.      Ontvankelijkheid

11      Verzoekster betoogt dat zij als „belanghebbende” in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 1, onder h), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 VWEU (PB 2015, L 248, blz. 9) procesbevoegd is. Teneinde haar procedurele rechten veilig te stellen mag zij dus een beroep tot nietigverklaring instellen tegen het bestreden besluit, dat is genomen zonder de formele onderzoeksprocedure te openen.

12      De Commissie en interveniënte betwisten niet dat het beroep ontvankelijk is.

13      In dit verband zij eraan herinnerd dat wanneer de Commissie een besluit om geen bezwaar te maken vaststelt op grond van artikel 4, lid 3, van verordening 2015/1589, zoals in casu, zij de betrokken maatregelen niet enkel verenigbaar met de interne markt verklaart maar impliciet ook weigert om de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 6, lid 1, van die verordening in te leiden (zie naar analogie arrest van 27 oktober 2011, Oostenrijk/Scheucher-Fleisch e.a., C‑47/10 P, EU:C:2011:698, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien de Commissie na het inleidend onderzoek tot de bevinding komt dat er twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de aangemelde maatregel met de interne markt, is zij op basis van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 2015/1589 verplicht een besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 6, lid 1, van deze verordening te nemen. Volgens laatstgenoemde bepaling worden de betrokken lidstaat en de andere belanghebbenden in een dergelijk besluit uitgenodigd om hun opmerkingen mede te delen binnen een vastgestelde termijn die normalerwijs niet langer dan een maand mag zijn (zie naar analogie arrest van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex, C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punt 46).

14      Wordt de formele onderzoeksprocedure niet ingeleid, zoals in casu, dan hebben de belanghebbenden, die in deze tweede fase hun opmerkingen hadden kunnen indienen, deze mogelijkheid niet. Om daaraan tegemoet te komen hebben zij het recht om bij de Unierechter op te komen tegen het besluit van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure niet in te leiden. Derhalve is een door een belanghebbende in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring van een op artikel 108, lid 3, VWEU gebaseerd besluit ontvankelijk wanneer degene die het beroep instelt, daarmee de procedurele rechten veilig wil stellen die hij aan eerstgenoemde bepaling ontleent (zie arrest van 18 november 2010, NDSHT/Commissie, C‑322/09 P, EU:C:2010:701, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

15      Gelet op artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 is een onderneming die met de steunbegunstigde concurreert bovendien ontegenzeglijk een van de „belanghebbenden” in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU (zie arrest van 3 september 2020, Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland e.a./Commissie, C‑817/18 P, EU:C:2020:637, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

16      In casu lijdt het geen enkele twijfel dat er sprake is van een concurrentieverhouding tussen verzoekster en interveniënte. Verzoekster heeft immers zonder te worden weersproken betoogd dat zij sinds meer dan twintig jaar luchtvervoerdiensten verleent in Duitsland, dat zij in 2019 meer dan 19 miljoen passagiers van of naar Duitsland heeft vervoerd en dat zij een marktaandeel van ongeveer 9 % van de Duitse markt voor luchtvervoer van passagiers heeft, wat van haar de tweede grootste luchtvaartmaatschappij van Duitsland maakte. Verzoekster heeft tevens benadrukt dat haar vluchtprogramma voor de zomer van 2020, dat vóór de uitbraak van de COVID-19-pandemie was opgesteld, 265 routes vanaf 14 Duitse luchthavens omvatte. Bovendien heeft de Commissie in punt 7 van het bestreden besluit vastgesteld dat bepaalde door interveniënte onderhouden bestemmingen ook door verzoekster werden onderhouden en dat beide luchtvaartmaatschappijen concurrenten waren voor wat betreft de rechtstreekse verkoop van stoelen aan individuele klanten. Hoewel de verkoop van deze stoelen slechts een minderheid van de verkopen van interveniënte vertegenwoordigt, wordt de concurrentieverhouding tussen haar en verzoekster met betrekking tot deze verkopen dus niet betwist.

17      Verzoekster is dus een partij die er belang bij heeft om de procedurele rechten veilig te stellen die zij aan artikel 108, lid 2, VWEU ontleent.

18      Het beroep is dan ook ontvankelijk voor zover verzoekster zich beroept op schending van haar procedurele rechten.

19      Het vierde middel, dat uitdrukkelijk strekt tot eerbiediging van verzoeksters procedurele rechten, is dus ontvankelijk.

20      Om aan te tonen dat er sprake is van schending van haar procedurele rechten omdat er twijfel had moeten bestaan over de verenigbaarheid van de litigieuze maatregel met de interne markt, mag verzoekster bovendien argumenten aanvoeren die aantonen dat de vaststelling van de Commissie over de verenigbaarheid van die maatregel met de interne markt onjuist was en waaruit a fortiori blijkt dat bij de Commissie twijfel had moeten bestaan bij de beoordeling van de verenigbaarheid van die maatregel met de interne markt. Bijgevolg mag het Gerecht de inhoudelijke argumenten die verzoekster in het kader van haar eerste, tweede en derde middel heeft aangevoerd en waarnaar zij in het kader van haar vierde middel verwijst, onderzoeken teneinde na te gaan of deze steun kunnen bieden aan haar uitdrukkelijke middel betreffende het bestaan van twijfel dat de inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU rechtvaardigde (zie in die zin arresten van 13 juni 2013, Ryanair/Commissie, C‑287/12 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:395, punten 57‑60, en 6 mei 2019, Scor/Commissie, T‑135/17, niet gepubliceerd, EU:T:2019:287, punt 77).

21      Wat betreft het vijfde middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, moet worden beklemtoond dat de niet-nakoming van de motiveringsplicht een schending van wezenlijke vormvoorschriften vormt en een middel van openbare orde is, dat de Unierechter ambtshalve aan de orde kan stellen en dat geen verband houdt met de inhoudelijke rechtmatigheid van het bestreden besluit (zie in die zin arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67).

B.      Ten gronde

22      Allereerst moet het vierde middel worden onderzocht.

1.      Vierde middel: schending van de procedurele rechten van verzoekster

23      In het kader van haar vierde middel voert verzoekster aan dat drie aanwijzingen die betrekking hebben op de inhoud van het bestreden besluit en die overeenkomen met haar eerste drie middelen, aantonen dat bij de Commissie twijfel had moeten bestaan tijdens het inleidend onderzoek van de betrokken maatregel.

24      Voorafgaand aan het onderzoek van de door verzoekster aangevoerde bewijselementen dient te worden herinnerd aan de beginselen die ten grondslag liggen aan de op grond van artikel 263 VWEU te verrichten wettigheidstoetsing van een besluit om geen bezwaar te maken.

a)      Toepasselijke beginselen

25      Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de Commissie verplicht de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden, zonder dienaangaande over enige beoordelingsvrijheid te beschikken, wanneer zij na een inleidend onderzoek in het kader van de procedure van artikel 108, lid 3, VWEU niet tot de overtuiging komt dat een steunmaatregel hetzij geen „steun” vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, hetzij, wanneer deze als steun wordt aangemerkt, verenigbaar is met het VWEU, of wanneer zij in het kader van laatstgenoemde procedure de ernstige moeilijkheden die eraan in de weg staan te concluderen dat die maatregel verenigbaar is met de interne markt, niet uit de weg heeft kunnen ruimen (zie in die zin arrest van 10 mei 2005, Italië/Commissie, C‑400/99, EU:C:2005:275, punt 47). Deze verplichting wordt overigens uitdrukkelijk bevestigd door artikel 4, lid 4, juncto artikel 15, lid 1, van verordening 2015/1589 (zie naar analogie arrest van 22 december 2008, British Aggregates/Commissie, C‑487/06 P, EU:C:2008:757, punt 113).

26      In dit verband bepaalt artikel 4 van verordening nr. 2015/1589 dat, voor zover de door de betrokken lidstaat aangemelde maatregel inderdaad steun vormt, de Commissie na afloop van haar inleidend onderzoek, al naargelang er wel of geen „twijfel” bestaat over de verenigbaarheid van de voorgenomen maatregel met de interne markt, besluit om al dan niet de formele onderzoeksprocedure in te leiden.

27      Het in artikel 4, leden 3 en 4, van verordening 2015/1589 vermelde begrip „twijfel” is een objectief begrip. Het bestaan van dergelijke twijfel moet zowel aan de hand van de omstandigheden waarin de bestreden handeling is vastgesteld, als aan de hand van de inhoud ervan objectief worden beoordeeld, waarbij de motivering van het besluit moet worden gerelateerd aan de gegevens waarover de Commissie kon beschikken toen zij zich uitsprak over de verenigbaarheid van de litigieuze steunmaatregelen met de interne markt. Hieruit volgt dat de wettigheidstoetsing door het Gerecht inzake het bestaan van twijfel per definitie verder gaat dan het vaststellen van een kennelijke beoordelingsfout (zie in die zin arresten van 2 april 2009, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie, C‑431/07 P, EU:C:2009:223, punt 63, en 10 juli 2012, Smurfit Kappa Group/Commissie, T‑304/08, EU:T:2012:351, punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De gegevens waarover de Commissie „kon beschikken” omvatten de gegevens die van belang zijn voor de te verrichten beoordeling en die zij in het kader van de inleidende onderzoeksfase op verzoek had kunnen laten overleggen (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C‑300/16 P, EU:C:2017:706, punt 71). Hoewel de Commissie in voorkomend geval dus ook andere dan de haar ter kennis gebrachte feitelijke en juridische elementen moet onderzoeken, is zij evenwel niet verplicht om uit eigen beweging en bij gebreke van aanwijzingen daartoe alle inlichtingen in te winnen die voor de bij haar ingediende zaak relevant kunnen zijn, ook al zijn deze inlichtingen openbaar (zie in die zin arresten van 29 april 2021, Achemos Grupė en Achema/Commissie, C‑847/19 P, EU:C:2021:343, punten 49 en 50, en 2 september 2021, Commissie/Tempus Energy en Tempus Energy Technology, C‑57/19 P, EU:C:2021:663, punt 45).

28      Het staat aan de verzoekende partij om het bestaan van twijfel te bewijzen, welk bewijs zij aan de hand van onderling overeenstemmende aanwijzingen kan leveren (zie in die zin arrest van 19 september 2018, HH Ferries e.a./Commissie, T‑68/15, EU:C:2018:563, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Het betoog van verzoekster dat er twijfel bestond waardoor de Commissie de formele onderzoeksprocedure had moeten inleiden, moet in het licht van deze rechtspraak worden onderzocht.

b)      Aanwijzing inzake schending van punt 22 van de richtsnoeren

30      Verzoekster stelt in wezen dat de Commissie punt 22 van de richtsnoeren heeft geschonden, wat wijst op het bestaan van twijfel over de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met de interne markt.

31      Punt 22 van de richtsnoeren luidt als volgt:

„Een onderneming die deel uitmaakt van of die wordt overgenomen door een ondernemingsgroep, komt in beginsel niet voor steun op grond van deze richtsnoeren in aanmerking, tenzij kan worden aangetoond dat de moeilijkheden ondernemingsspecifiek zijn en niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep, en dat deze moeilijkheden van de onderneming te groot zijn om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost. [...]”

32      Volgens verzoekster voorziet punt 22 van de richtsnoeren in drie onderscheiden en cumulatieve voorwaarden voor de toekenning van reddingssteun aan een onderneming die deel uitmaakt van een ondernemingsgroep, te weten, ten eerste, dat de moeilijkheden ondernemingsspecifiek zijn, ten tweede, dat zij niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep en, ten derde, dat die moeilijkheden te groot zijn om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost. Verzoekster is van mening dat de Commissie dit punt rechtens onjuist heeft uitgelegd door van mening te zijn dat de eerste twee voormelde voorwaarden slechts een en dezelfde voorwaarde vormen die aldus moet worden opgevat dat de moeilijkheden van de begunstigde ondernemingsspecifiek zijn wanneer zij niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep.

33      Bovendien is volgens verzoekster in casu aan geen van de in punt 22 van de richtsnoeren genoemde voorwaarden voldaan.

34      De Commissie en interveniënte betwisten verzoeksters argumenten.

35      Vooraf zij opgemerkt dat niet wordt betwist dat interveniënte, de begunstigde van de betrokken maatregel, op de datum van het bestreden besluit deel uitmaakte van een ondernemingsgroep in de zin van punt 22 van de richtsnoeren. Derhalve moet worden onderzocht of bij de Commissie twijfel had moeten bestaan inzake de vraag of aan de andere voorwaarden van punt 22 was voldaan.

1)      Vraag of interveniëntes moeilijkheden ondernemingsspecifiek zijn en niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep

36      Zoals blijkt uit de punten 32 tot en met 34 hierboven, zijn partijen het oneens over zowel de uitlegging van punt 22 van de richtsnoeren als de toepassing ervan in het onderhavige geval.

37      Die twee vragen moeten dus achtereenvolgens worden onderzocht.

i)      Uitlegging van punt 22 van de richtsnoeren

38      Volgens verzoekster bevat punt 22 van de richtsnoeren met name twee onderscheiden en van elkaar losstaande voorwaarden, namelijk dat de moeilijkheden van de begunstigde van de steun ondernemingsspecifiek zijn, en dat zij niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep. Volgens de Commissie en interveniënte gaat het daarentegen slechts om een en dezelfde voorwaarde die aldus moet worden opgevat dat de moeilijkheden van de begunstigde als ondernemingsspecifiek moeten worden beschouwd indien zij niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep.

39      Volgens vaste rechtspraak moet voor de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arrest van 7 juni 2005, VEMW e.a., C‑17/03, EU:C:2005:362, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Wat in de eerste plaats punt 22 van de richtsnoeren betreft, zij eraan herinnerd dat de teksten van Unierecht in verscheidene talen zijn opgesteld en dat de verschillende taalversies gelijkelijk authentiek zijn, zodat de uitlegging van een bepaling van Unierecht een vergelijking van de verschillende taalversies vereist (arresten van 6 oktober 1982, Cilfit e.a., 283/81, EU:C:1982:335, punt 18, en 6 oktober 2005, Sumitomo Chemical en Sumika Fine Chemicals/Commissie, T‑22/02 en T‑23/02, EU:T:2005:349, punt 42).

41      In dit verband moet om te beginnen worden opgemerkt dat in tal van taalversies de ondergeschikte zin „tenzij kan worden aangetoond dat de moeilijkheden ondernemingsspecifiek zijn en niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep, en dat deze moeilijkheden van de onderneming te groot zijn om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost” in twee fasen is opgebouwd, soms door een komma gescheiden, en wel als volgt: „tenzij kan worden aangetoond dat [eerste voorwaarde], en dat [tweede voorwaarde]”. De herhaling van het nevenschikkend voegwoord „dat” geeft aan dat het om twee voorwaarden gaat, waarvan de eerste, die volgt na de eerste „dat”, betrekking heeft op het feit dat de moeilijkheden van de begunstigde ondernemingsspecifiek zijn en niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep, en de tweede, die volgt na de tweede „dat”, betrekking heeft op het feit dat de genoemde moeilijkheden te groot zijn om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost. De eerste voorwaarde blijkt dus een en dezelfde voorwaarde te zijn. Deze syntactische structuur wordt met name waargenomen in de Tsjechische, de Engelse, de Franse, de Kroatische, de Italiaanse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Slowaakse en de Sloveense taalversie.

42      Vervolgens moet worden opgemerkt dat de Duitse taalversie uitdrukkelijk vermeldt dat als „specifiek” worden beschouwd de moeilijkheden die niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep („wenn es sich bei den Schwierigkeiten des betreffenden Unternehmens nachweislich um Schwierigkeiten des Unternehmens Selbst handelt, die nicht auf eine willkürliche Kostenverteilung innerhalb der Gruppe zurückzuführen sind”). Ook de Griekse en de Bulgaarse taalversie wijzen in die richting.

43      Deze voorbeelden wijzen erop dat volgens de bewoordingen van punt 22 van de richtsnoeren in tal van taalversies de moeilijkheden van een begunstigde als ondernemingsspecifiek moeten worden beschouwd indien zij niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep.

44      Aangezien sommige andere taalversies minder expliciet zijn, zij er ten slotte aan herinnerd dat in geval van verschil tussen de verschillende taalversies van een tekst van Unierecht, de betrokken bepaling moet worden uitgelegd in het licht van de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt (zie in die zin arresten van 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a., C‑72/95, EU:C:1996:404, punt 28; 24 februari 2000, Commissie/Frankrijk, C‑434/97, EU:C:2000:98, punt 22, en 7 december 2000, Italië/Commissie, C‑482/98, EU:C:2000:672, punt 49).

45      In de tweede plaats zij er, wat de context en de doelstellingen betreft van de regeling waarvan punt 22 van de richtsnoeren deel uitmaakt, aan herinnerd dat de in dat punt vervatte regel met name beoogt te verhinderen dat een ondernemingsgroep de staat laat opdraaien voor de kosten van een plan tot redding of herstructurering van een van de ondernemingen die er deel van uitmaken, wanneer deze onderneming zich in moeilijkheden bevindt en de groep zelf de oorzaak is van deze moeilijkheden als gevolg van een arbitraire kostenallocatie binnen deze groep (zie in die zin arrest van 13 mei 2015, Niki Luftfahrt/Commissie,T‑511/09, EU:C:2015:284, punt 159).

46      Punt 22 heeft dus tot doel te voorkomen dat een ondernemingsgroep haar kosten, schulden of passiva afwentelt op een entiteit van de groep, waardoor deze in aanmerking komt voor reddingssteun terwijl dat anders niet het geval zou zijn. Met andere woorden, punt 22 is bedoeld om te voorkomen dat de staatssteunregels worden omzeild door middel van kunstmatig gecreëerde mechanismen binnen een ondernemingsgroep. Dit punt heeft daarentegen niet tot doel om een tot een ondernemingsgroep behorende onderneming van de werkingssfeer van de reddingssteun uit te sluiten op de enkele grond dat haar moeilijkheden het gevolg zijn van de moeilijkheden van de rest van de groep of van een andere onderneming van de groep, voor zover die moeilijkheden niet kunstmatig zijn gecreëerd of op willekeurige wijze binnen die groep zijn verdeeld.

47      Verzoeksters betoog zou tot gevolg hebben dat er binnen ondernemingsgroepen geen onderlinge financiële steun meer wordt verleend doordat een efficiëntere onderneming binnen een groep wordt ontmoedigd om steun te verlenen aan een andere onderneming van dezelfde groep die in financiële moeilijkheden verkeert, omdat zij anders zelf, precies door de bijstand die is verleend, niet meer voor reddingssteun in aanmerking komt ingeval die moeilijkheden zich ook naar haar uitbreiden.

48      Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het zinsdeel „tenzij kan worden aangetoond dat de moeilijkheden ondernemingsspecifiek zijn en niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep” in punt 22 van de richtsnoeren een en dezelfde voorwaarde bevat die aldus moet worden uitgelegd dat de moeilijkheden van een tot een ondernemingsgroep behorende onderneming als ondernemingsspecifiek moeten worden beschouwd indien zij niet het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen deze groep.

ii)    Toepassing op het onderhavige geval

49      Verzoekster betoogt ten eerste, onder verwijzing naar de punten 19 en 57 van het bestreden besluit, dat de moeilijkheden van interveniënte haar niet eigen maar extrinsiek zijn, in die zin dat zij volledig zijn toe te schrijven aan oorzaken die hun oorsprong vinden in de interne organisatie van Thomas Cook Group. Ondanks de moeilijkheden van laatstgenoemde heeft interveniënte immers winst vóór rente en belastingen gemaakt op haar activiteiten in de periode van 2017 tot 2019. Interveniënte is dus een winstgevende en competitieve luchtvaartmaatschappij, die door haar moedermaatschappij ten gronde is gericht. Ten tweede voert verzoekster aan dat de moeilijkheden van interveniënte het gevolg zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de groep. Volgens de punten 15 en 57 van het bestreden besluit is een aanzienlijk deel van de liquide middelen die interveniënte de laatste jaren heeft ontvangen, naar haar moedermaatschappij gesluisd via de samenvoeging van kasmiddelen (cash pool) van de groep, een stelsel dat verzoekster als kunstmatig en dwingend aanmerkt.

50      Blijkens de punten 15 tot en met 17, 80 en 109 van het bestreden besluit waren de moeilijkheden van interveniënte hoofdzakelijk het gevolg van de liquidatie van Thomas Cook Group, die onder meer heeft geleid tot de doorhaling van aanzienlijke vorderingen van interveniënte op deze groep in het kader van de samenvoeging van de kasmiddelen ervan, de stopzetting van intragroepsfinanciering en het verlies van haar voornaamste klant, namelijk de touroperatoren van Thomas Cook Group.

51      Ten eerste zij er in dit verband op gewezen, zoals de Commissie en interveniënte ter terechtzitting hebben aangegeven zonder door verzoekster te zijn tegengesproken, dat de samenvoeging van kasmiddelen binnen een groep een gangbare en wijdverbreide praktijk is binnen ondernemingsgroepen. Deze samenvoeging functioneert als een intragroepsbank, in die zin dat de verschillende ondernemingen van de groep intragroepsleningen vanuit de cash pool krijgen in geval van liquiditeitsbehoeften en middelen in de gemeenschappelijke cash pool storten in geval van liquiditeitsoverschotten, in ruil voor een vordering op deze cash-pool met bijbehorende rente. De cash pool, die wordt beheerd door een daartoe opgerichte entiteit binnen de groep, is bedoeld om de financiering van de groep te vergemakkelijken door de ondernemingen van de groep in staat te stellen te besparen op financieringskosten. Aldus kan elke onderneming van de groep in de regel op een bepaald moment gebruikmaken van de cash pool en rechtstreeks toegang krijgen tot de liquiditeit van de groep, waarbij zij dient bij te dragen aan die cash pool ingeval zij een overschot aan liquide middelen heeft.

52      Wat ten tweede in het bijzonder de cash pool van Thomas Cook Group betreft, moet erop worden gewezen dat, zoals interveniënte stelt zonder op dit punt door verzoekster te zijn weersproken, deze cash pool al meerdere jaren bestond en dus lang vóór het ontstaan van de problemen van de groep operationeel was, zodat de invoering ervan geen verband hield met deze problemen. Zo heeft interveniënte bijvoorbeeld in 2016 gebruikgemaakt van deze cash pool als gevolg van een gebrek aan liquide middelen dat resulteerde uit een daling van de vraag naar vluchten naar Turkije.

53      Ten derde blijkt uit punt 12 van het bestreden besluit, waarin de oorzaken van de problemen van Thomas Cook Group zijn opgesomd, dat deze cash pool niet aan deze problemen ten grondslag lag. De moeilijkheden waren namelijk onder meer het gevolg van een zeer hoge schuldenlast in verband met overnamen en exploitatieverliezen, de geringe activiteit op de Britse markt die nog werd versterkt door de Brexit-besprekingen, de negatieve berichtgeving in de media over de herstructurering van de groep en structurele tekortkomingen in de organisatie ervan.

54      Verzoekster stelt weliswaar dat de samenvoeging van kasmiddelen van Thomas Cook Group „kunstmatig, schadelijk of dwingend” was, maar zij voert geen enkel concreet element aan dat dit argument kan staven.

55      Ten vierde verwijt verzoekster de Commissie dat zij niet heeft onderzocht of de overeenkomst tot samenvoeging van kasmiddelen tussen interveniënte en Thomas Cook Group onder eerlijke voorwaarden was gesloten en of de risico’s gelijkelijk over de verschillende ondernemingen van de groep werden verdeeld.

56      In het licht van de punten 117 tot en met 120 van het bestreden besluit, waarin de argumenten zijn samengevat die verzoekster heeft aangevoerd in het kader van de klacht die zij met betrekking tot de betrokken maatregel bij de Commissie had ingediend, moet evenwel worden opgemerkt dat zij in die klacht geen bezwaar had gemaakt tegen een oneerlijke toepassing van de samenvoeging van kasmiddelen binnen de groep. Uit de in punt 27 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak volgt dat de Commissie niet verplicht is om uit eigen beweging en bij gebreke van aanwijzingen daartoe alle inlichtingen in te winnen die voor de bij haar ingediende zaak relevant kunnen zijn, ook al zijn deze inlichtingen openbaar. In omstandigheden als die van de onderhavige zaak, die in de punten 52 tot en met 55 hierboven zijn samengevat, moet bij gebreke van concrete aanwijzingen in tegengestelde zin derhalve worden geoordeeld dat de Commissie niet verplicht was om op eigen initiatief de „eerlijkheid” van het stelsel van samenvoeging van kasmiddelen nader te onderzoeken.

57      Ten vijfde betoogt verzoekster dat volgens punt 57 van het bestreden besluit de liquiditeit van interveniënte „kunstmatig is uitgeput”, aangezien zij gedwongen was grote sommen geld over te dragen aan haar verliesgevende moedermaatschappij. De genoemde passage uit punt 57 van het bestreden besluit is evenwel slechts een samenvatting van de opmerkingen van Duitsland over de bij de Commissie ingediende klacht en bevat dus niet de juridische beoordeling van de Commissie. Die beoordeling is met name opgenomen in punt 80 van het bestreden besluit. Uit dit punt, gelezen in samenhang met de punten 15 tot en met 17 van het bestreden besluit, volgt dat de Commissie van mening is dat interveniënte een fundamenteel gezonde en levensvatbare vennootschap was en dat haar financiële moeilijkheden het gevolg waren van die van haar moedermaatschappij, en niet van het feit dat de groep een kunstmatige constructie zou hebben opgezet om interveniënte te verzwakken.

58      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat er twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met de in punt 22 van de richtsnoeren genoemde voorwaarde dat de moeilijkheden van interveniënte ondernemingsspecifiek moeten zijn en niet het gevolg mogen zijn van een arbitraire kostenallocatie binnen de ondernemingsgroep.

2)      Vraag of de moeilijkheden van interveniënte te groot waren om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost

59      Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie in het bestreden besluit niet heeft onderzocht of Thomas Cook Group niet in staat was om de moeilijkheden van interveniënte op te lossen, zoals in punt 22 van de richtsnoeren wordt geëist. Volgens verzoekster betekent het feit dat Thomas Cook Group in liquidatie is gegaan, niet noodzakelijkerwijs dat zij niet in staat was om de moeilijkheden van haar dochteronderneming op te lossen, aangezien zij verschillende maatregelen had kunnen nemen, zoals de verkoop van interveniënte of de beëindiging van het stelsel van samenvoeging van kasmiddelen.

60      Ten eerste zij erop gewezen dat uit de punten 10 tot en met 13 van het bestreden besluit blijkt dat de financiële toestand van Thomas Cook Group, de enige aandeelhouder van interveniënte, ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit zeer slecht was. Thomas Cook Group heeft haar activiteiten namelijk met onmiddellijke ingang stopgezet op 23 september 2019 en is vervolgens in liquidatie gegaan met een schuld van ongeveer 1,7 miljard pond sterling (GBP) (ongeveer 1,91 miljard EUR).

61      Met de Commissie moet dus worden vastgesteld dat Thomas Cook Group niet in staat was de moeilijkheden van haar dochtermaatschappij op te lossen, aangezien zij zelf in liquidatie verkeerde en al haar activiteiten had gestaakt.

62      Ten tweede blijkt uit punt 26 van het bestreden besluit dat de Commissie rekening heeft gehouden met een eventuele verkoop van interveniënte. Daarover werden sinds februari 2019 besprekingen gevoerd met verschillende geïnteresseerde investeerders en die verkoop had in de komende drie tot zes maanden kunnen worden afgerond. Verzoekster kan de Commissie dus niet verwijten dat zij niet heeft onderzocht of Thomas Cook Group de moeilijkheden van interveniënte kon oplossen, met name door haar over te dragen. Aangezien deze besprekingen ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit echter nog geen resultaat hadden opgeleverd, kon de Commissie haar beoordeling niet baseren op een toekomstige maar onzekere oplossing. Gezien het spoedeisende karakter van reddingssteun is er ook geen aanwijzing dat de Commissie de uitkomst van deze besprekingen moest afwachten alvorens de steun goed te keuren. Elke lopende commerciële onderhandeling gaat immers gepaard met onzekerheid.

63      Wat ten derde verzoeksters stelling betreft dat Thomas Cook Group of de curator verschillende andere maatregelen had kunnen treffen, zoals de stopzetting van het stelsel van samenvoeging van kasmiddelen, om de moeilijkheden van interveniënte op te lossen, volstaat het te vermelden, zoals interveniënte ter terechtzitting heeft verklaard zonder op dat punt door verzoekster te zijn tegengesproken, dat zij na kennis te hebben gekregen van de financiële moeilijkheden van haar moedermaatschappij, op 5 februari 2019 op eigen initiatief haar bijdrage aan dat stelsel had stopgezet.

64      Uit het voorgaande volgt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat het door de Commissie verrichte onderzoek van de in punt 22 van de richtsnoeren gestelde voorwaarde dat de moeilijkheden van een onderneming die deel uitmaakt van een ondernemingsgroep, te groot moeten zijn om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost, twijfel heeft doen rijzen.

65      Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat verzoekster er niet in is geslaagd aan te tonen dat er twijfel is gerezen bij het onderzoek van de vereisten van punt 22 van de richtsnoeren en dat die twijfel de Commissie ertoe had moeten brengen de formele onderzoeksprocedure in te leiden.

c)      Aanwijzing inzake schending van punt 44, onder b), van de richtsnoeren

66      Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie had moeten betwijfelen of de betrokken maatregel voldeed aan de vereisten van punt 44, onder b), van de richtsnoeren. Volgens haar heeft de Commissie niet aangetoond dat interveniënte een belangrijke dienst in de zin van dat punt verrichtte en evenmin dat deze dienst niet gemakkelijk door een concurrent kon worden verzorgd.

67      De Commissie en interveniënte betwisten dit betoog.

68      Om te beginnen acht het Gerecht het, gelet op het arrest van 22 september 2020, Oostenrijk/Commissie (C‑594/18 P, EU:C:2020:742), noodzakelijk erop te wijzen dat uit punt 43 van de richtsnoeren blijkt dat een staatssteunmaatregel een doelstelling van algemeen belang moet nastreven om op grond van de richtsnoeren verenigbaar met de interne markt te worden verklaard. Volgens datzelfde punt komt dit vereiste tot uiting in de voorwaarde dat een dergelijke maatregel „het voorkomen van sociale tegenspoed of het aanpakken van marktfalen” tot doel moet hebben. Dit wordt bevestigd in punt 44 van deze richtsnoeren, volgens hetwelk de lidstaten moeten aantonen dat het verdwijnen van de begunstigde het risico op ernstige sociale tegenspoed of zwaar marktfalen inhoudt. De strekking van dit vereiste hangt dus samen met de in artikel 107, lid 3, onder c), VWEU neergelegde voorwaarde dat de steunmaatregel bedoeld moet zijn om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, zoals partijen ter terechtzitting ook hebben betoogd.

69      Hieruit volgt dat de inhoud van de in de punten 43 en 44 van de richtsnoeren neergelegde vereisten niet in strijd is met artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, hetgeen overigens door geen van de partijen wordt gesteld, en dat de richtsnoeren, door dit vereiste op te leggen, de draagwijdte van deze bepaling niet onnodig hebben beperkt wat betreft het onderzoek van de verenigbaarheid van een staatssteunmaatregel in de zin van het arrest van 22 september 2020, Oostenrijk/Commissie (C‑594/18 P, EU:C:2020:742). Voorts volgt uit de punten 66 en 67 van dat arrest dat de omstandigheid dat de voorgenomen steun het mogelijk maakt een marktfalen te verhelpen, relevant kan zijn bij de beoordeling van de verenigbaarheid van die steun uit hoofde van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.

70      Punt 44, onder b), van die richtsnoeren bepaalt dat de lidstaten moeten aantonen dat het verdwijnen van de begunstigde het risico inhoudt op ernstige sociale tegenspoed of zwaar marktfalen doordat „er een risico bestaat op verstoring van een belangrijke dienst die moeilijk te dupliceren is en [...] het voor concurrenten moeilijk zou zijn om zomaar in te stappen (bijvoorbeeld een landelijke aanbieder van infrastructuur)”.

71      In casu moet worden onderzocht of de Commissie zonder twijfel tot de conclusie kon komen dat de betrokken dienst „belangrijk” was en dat het moeilijk was om deze te dupliceren in de zin van punt 44, onder b), van de richtsnoeren.

72      In de punten 81 tot en met 97 van het bestreden besluit is de Commissie tot deze conclusie gekomen op basis van in wezen twee factoren, namelijk de moeilijkheid om de repatriëring van in het buitenland gestrande passagiers van interveniënte door andere luchtvaartmaatschappijen te organiseren en voorts de onmogelijkheid voor die luchtvaartmaatschappijen om op korte termijn de door interveniënte aan onafhankelijke touroperatoren en reisbureaus in Duitsland verleende dienst te dupliceren.

73      De eerste factor waarmee de Commissie rekening heeft gehouden, namelijk het risico dat de door interveniënte verrichte passagiersvervoerdiensten worden onderbroken en in het buitenland gestrande passagiers moeten worden gerepatrieerd, moet als eerste worden onderzocht.

74      In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat de richtsnoeren geen definitie bevatten van het begrip „belangrijke dienst”.

75      Punt 44 van de richtsnoeren bevat echter een niet-uitputtende lijst van omstandigheden waarin de Commissie van mening is dat het verdwijnen van de begunstigde het risico inhoudt op ernstige sociale tegenspoed of zwaar marktfalen. Sommige van deze voorbeelden hebben betrekking op het risico van „ernstige sociale tegenspoed”, met name punt a), waarin rekening wordt gehouden met het werkloosheidspercentage, en punt g), waarin er sprake is van „vergelijkbare situaties van ernstige problemen die de betrokken lidstaat afdoende kan staven”. De andere voorbeelden hebben veeleer betrekking op het risico van zwaar marktfalen. Dit is het geval voor punt b), dat in deze zaak aan de orde is, alsook voor punt c), dat betrekking heeft op het verdwijnen van „een onderneming met aanzienlijke systemische relevantie voor een bepaalde regio of sector”, en punt d), dat betrekking heeft op het risico dat de continuïteit in het beheer van een dienst van algemeen economisch belang (DAEB) wordt verstoord. Hieruit volgt dat om de dienst als „belangrijk” aan te merken niet is vereist dat de onderneming die deze dienst verleent een aanzienlijke systemische relevantie voor de economie van een regio van de betrokken lidstaat heeft, of dat zij belast is met een DAEB. Deze laatste twee gevallen komen namelijk respectievelijk aan bod in punt 44, onder c), en punt 44, onder d), van de richtsnoeren.

76      Anders dan verzoekster betoogt, betekent het enkele feit dat punt 44, onder b), „bijvoorbeeld” verwijst naar „een landelijke aanbieder van infrastructuur” bovendien geenszins dat de werkingssfeer van dit punt beperkt is tot diensten die op nationaal niveau van belang zijn.

77      Bijgevolg moet verzoeksters argument dat een dienst slechts „belangrijk” is wanneer deze van belang is voor de gehele economie van een lidstaat, worden afgewezen.

78      Voorts moet ook verzoeksters argument dat het luchtvervoer naar toeristische bestemmingen geen „belangrijke dienst” in de zin van punt 44, onder b), van de richtsnoeren is, als niet ter zake dienend worden afgewezen. De Commissie heeft immers geenszins geoordeeld dat de betrokken dienst „belangrijk” was omdat er sprake was van toeristische bestemmingen.

79      Wat in de tweede plaats de vraag betreft of de door interveniënte verrichte diensten moeilijk te dupliceren waren in de zin van punt 44, onder b), van de richtsnoeren, blijkt uit de punten 82 en 85 van het bestreden besluit dat de onmiddellijke repatriëring van de in het buitenland gestrande passagiers van interveniënte niet op korte termijn door andere concurrerende luchtvaartmaatschappijen had kunnen worden verricht wegens het samenvallen van een aantal factoren, waaronder het feit dat in totaal 669 Boeing 737 MAX-vliegtuigen aan de grond moesten blijven, waardoor er minder gecharterde vliegtuigen met bemanning op de markt beschikbaar waren, en de op hetzelfde moment uitgevoerde repatriëring van 140 000 passagiers van Thomas Cook Group naar het Verenigd Koninkrijk, waarbij niet minder dan 50 luchtvaartmaatschappijen betrokken waren voor in totaal 746 vluchten naar 55 verschillende vakantieoorden gedurende een periode van twee weken. In vergelijking daarmee was de repatriëring van interveniëntes passagiers aanzienlijk omvangrijker en ingewikkelder, aangezien het ongeveer 200 000 tot 300 000 passagiers betrof, verdeeld over 50 tot 150 verschillende vakantieoorden, onder wie ongeveer 20 000 tot 30 000 passagiers in een dertigtal verre vakantieoorden, hetgeen ongeveer 1 000 tot 1 500 vluchten had vereist. Volgens punt 88 van het bestreden besluit vormde ook de capaciteit van de vier Duitse luchthavens die door interveniënte werden aangedaan, een beperking voor een eventuele repatriëringsoperatie, waarbij ter vergelijking werd aangegeven dat voor de repatriëring van de passagiers van Thomas Cook Group naar het Verenigd Koninkrijk alleen al tien thuisluchthavens van Thomas Cook Group moesten worden gebruikt.

80      Op dit punt is het Gerecht van oordeel dat de Commissie zonder enige twijfel tot de conclusie kon komen dat er een risico van onderbreking van een belangrijke dienst bestond, die moeilijk kon worden gedupliceerd op grond van het feit dat door de terugtrekking van interveniënte uit de markt een groot aantal passagiers in het buitenland zou zijn gestrand, van wie sommigen in verre vakantieoorden, en dat hun repatriëring door andere luchtvaartmaatschappijen ingewikkeld zou zijn geweest wegens alle factoren die concreet en nauwkeurig in het bestreden besluit zijn onderbouwd. Door dit risico kon het van de markt verdwijnen van interveniënte tot een zwaar marktfalen leiden.

81      Geen van verzoeksters argumenten kan afdoen aan deze conclusie.

82      Ten eerste kan verzoeksters argument dat er tijdens het „winterseizoen” een overcapaciteit in de luchtvaart bestaat, niet slagen. Allereerst staat vast dat in de luchtvaartsector het winterseizoen van eind oktober tot eind maart loopt en dat de eventuele repatriëringsoperaties, die op 23 september moesten aanvangen, niet in dat seizoen zouden plaatsvinden. Verder neemt dit hoe dan ook niet weg dat de beschikbaarheid van vliegtuigen op dat moment aanzienlijk onder druk stond, met name door twee buitengewone gebeurtenissen die zich tegelijkertijd voordeden, met name het aan de grond houden van en de leveringsproblemen met enkele honderden Boeing 737 MAX-vliegtuigen, en de grootschalige repatriëring van passagiers van Thomas Cook Group. In dit verband moet in navolging van de Commissie worden benadrukt dat de repatriëring die had moeten worden georganiseerd om de passagiers van interveniënte te repatriëren, nog omvangrijker zou zijn geweest dan die van de passagiers van Thomas Cook Group, welke werd omschreven als „de grootste repatriëring in vredestijd”. De in punt 79 hierboven genoemde gegevens die niet zijn betwist, getuigen daarvan.

83      Bijgevolg zouden eventuele repatriëringsoperaties, die tegelijkertijd en met spoed door andere luchtvaartmaatschappijen hadden moeten worden uitgevoerd, aanzienlijk bemoeilijkt zijn geweest door de gevolgen die deze twee buitengewone en gelijktijdige gebeurtenissen hadden voor de beschikbaarheid van vliegtuigen.

84      In dit verband moet worden benadrukt dat punt 44, onder b), van de richtsnoeren niet vereist dat het onmogelijk is om een belangrijke dienst te dupliceren; het volstaat dat het „moeilijk” is om dit te doen.

85      Wat ten tweede verzoeksters argument betreft dat de Commissie zich ten onrechte alleen heeft gebaseerd op de capaciteit van de vier Duitse luchthavens die door interveniënte worden aangedaan, zij erop gewezen dat de Commissie niet heeft ontkend dat voor een eventuele repatriëring gebruik kon worden gemaakt van de capaciteit van andere, eventueel minder verzadigde luchthavens. De beperkingen inzake capaciteit van de vier Duitse luchthavens die door interveniënte worden aangedaan, zijn door de Commissie in punt 88 van het bestreden besluit slechts vermeld ter vergelijking met de tien thuisluchthavens van Thomas Cook Group die voor de repatriëring van haar passagiers zijn gebruikt. Daaruit bleek dat de repatriëring van de passagiers van interveniënte moeilijker zou zijn geweest dan die van de passagiers van Thomas Cook Group.

86      Ten derde moet, wat betreft verzoeksters stelling dat de Commissie niet heeft gemotiveerd waarom een termijn van zes maanden nodig was om de passagiers van interveniënte te repatriëren, worden benadrukt dat de Commissie op geen enkel moment heeft geoordeeld dat een dergelijk lange periode voor die repatriëring noodzakelijk zou zijn geweest. De periode van zes maanden komt in werkelijkheid overeen met de duur van de betrokken maatregel. Zoals de Commissie terecht opmerkt, hangt de duur van de betrokken maatregel echter geenszins samen met de tijd die nodig zou zijn geweest voor een eventuele repatriëring. Zoals uit punt 60 van de richtsnoeren blijkt, is de duur van zes maanden overigens bedoeld om de begunstigde in staat te stellen zijn liquiditeit te herstellen.

87      In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de omvang, de complexiteit en de spoedeisendheid van de repatriëring die had moeten worden verricht in omstandigheden die werden gekenmerkt door het gelijktijdig plaatsvinden van buitengewone gebeurtenissen, op zich de conclusie rechtvaardigen dat het van de markt verdwijnen van interveniënte een risico inhield op onderbreking van een belangrijke dienst die in de bijzondere omstandigheden van het concrete geval moeilijk te dupliceren was.

88      Verzoeksters argumenten ter betwisting van de tweede door de Commissie in aanmerking genomen factor, te weten het risico dat de door interveniënte aan onafhankelijke touroperatoren en reisbureaus in Duitsland verleende diensten werden onderbroken, treffen derhalve geen doel.

89      Gelet op het voorgaande dient te worden geoordeeld dat ook de tweede aanwijzing niet wijst op twijfel.

d)      Aanwijzing inzake schending van punt 74 van de richtsnoeren

90      Verzoekster betoogt in wezen dat de Commissie de in punt 74 van de richtsnoeren gestelde voorwaarde van eenmaligheid van de steun onvolledig en ontoereikend heeft onderzocht, voor zover zij zich ertoe heeft beperkt te vermelden dat interveniënte en de entiteiten onder haar controle de laatste tien jaar geen reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun hebben ontvangen, terwijl zij ook had moeten nagaan of Thomas Cook Group zelf geen dergelijke steun had ontvangen.

91      De Commissie en interveniënte betwisten dit betoog.

92      Punt 74 van de richtsnoeren bepaalt dat „[w]anneer een ondernemingsgroep reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun heeft ontvangen, [...] de Commissie normaal gesproken alleen verdere reddings- of herstructureringssteun voor de ondernemingsgroep zelf of een van de onderdelen van de ondernemingsgroep [zal] toestaan indien tien jaar is verstreken sinds de toekenning van de steun, het aflopen van de herstructureringsperiode of de beëindiging van de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan (naargelang welke van deze gebeurtenissen het meest recent is)”.

93      In casu volstaat het vast te stellen dat verzoekster geen enkel bewijs aanvoert, zoals zij ter terechtzitting uitdrukkelijk heeft erkend, waaruit blijkt dat Thomas Cook Group de laatste tien jaar reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun heeft ontvangen.

94      Bijgevolg kan de Commissie in de omstandigheden van het onderhavige geval, bij gebreke van een aanwijzing in die zin en in het licht van de in punt 27 hierboven aangehaalde rechtspraak, niet worden verweten dat zij de in punt 74 van de richtsnoeren gestelde voorwaarde van eenmaligheid van de steun onvolledig en ontoereikend heeft onderzocht.

95      Verzoekster is er dus niet in geslaagd aan te tonen dat de aanwijzing betreffende een inbreuk op punt 74 van de richtsnoeren bij de Commissie twijfel had moeten doen rijzen over de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met de interne markt.

96      Gelet op een en ander moet worden geoordeeld dat verzoekster niet heeft aangetoond dat er twijfel bestond die de inleiding van de formele onderzoeksprocedure rechtvaardigde.

97      Het vierde middel moet derhalve worden afgewezen.

2.      Vijfde middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht

98      Met haar vijfde middel betoogt verzoekster in wezen dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd of dat de motivering tegenstrijdig is.

99      De Commissie en interveniënte betwisten dit betoog.

100    Volgens vaste rechtspraak moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering beantwoorden aan de aard van de betrokken handeling en de redenering van de instelling die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en de bevoegde rechter zijn toezicht kan uitoefenen. De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de redengeving en het belang dat de adressaten of andere personen die door de handeling rechtstreeks en individueel worden geraakt, bij een verklaring kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante feitelijke en juridische gegevens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de beoordeling van de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van voormeld artikel 296 voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie arrest van 8 september 2011, Commissie/Nederland, C‑279/08 P, EU:C:2011:551, punt 125 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

101    Ten eerste betoogt verzoekster dat de motivering in punt 80 van het bestreden besluit tegenstrijdig is, aangezien de Commissie enerzijds heeft verklaard dat de dringende liquiditeitsbehoefte van interveniënte onder meer voortvloeit uit de financiële mechanismen die voorheen binnen Thomas Cook Group van toepassing waren, en anderzijds heeft geconcludeerd dat de moeilijkheden van interveniënte niet het gevolg waren van een arbitraire kostenallocatie binnen Thomas Cook Group.

102    Uit de punten 12, 15 tot en met 17, 80 en 109 van het bestreden besluit kan evenwel worden opgemaakt waarom de Commissie in het bijzonder van mening was dat het samenvoegen van de kasmiddelen van Thomas Cook Group geen dergelijke arbitraire allocatie vormde. Zoals blijkt uit de punten 52 tot en met 57 hierboven, is de motivering van het bestreden besluit op dit punt niet tegenstrijdig.

103    Ten tweede is het bestreden besluit volgens verzoekster ontoereikend gemotiveerd omdat niet is nagegaan of de moeilijkheden van interveniënte te groot waren om door de ondernemingsgroep zelf te kunnen worden opgelost, zoals punt 22 van de richtsnoeren vereist.

104    In dit verband blijkt, zoals in de punten 60 tot en met 63 hierboven is opgemerkt, uit de punten 12 en 13 van het bestreden besluit dat Thomas Cook Group op 23 september 2019 haar activiteiten met onmiddellijke ingang had gestaakt en in liquidatie was gegaan. Bovendien heeft de Commissie in punt 17 van dat besluit benadrukt dat de moedermaatschappij kennelijk niet in staat was om interveniënte te steunen en veeleer een last voor deze laatste was. Deze punten van het bestreden besluit geven dus duidelijk en ondubbelzinnig aan waarom de Commissie van mening was dat aan bovengenoemde voorwaarde van punt 22 van de richtsnoeren was voldaan.

105    Ten derde stelt verzoekster dat in het bestreden besluit niet is aangegeven waarom de diensten van interveniënte als belangrijk moesten worden beschouwd en niet door andere luchtvaartmaatschappijen konden worden gedupliceerd in de zin van punt 44, onder b), van de richtsnoeren.

106    Evenwel moet worden vastgesteld dat de punten 81 tot en met 95 van het bestreden besluit een gedetailleerde uiteenzetting bevatten van de redenen waarom de Commissie van mening was dat aan de voorwaarden van punt 44, onder b), van de richtsnoeren was voldaan. De Commissie baseerde deze conclusie met name op de omvang en de complexiteit van eventuele repatriëringsoperaties in omstandigheden die werden gekenmerkt door buitengewone en gelijktijdige gebeurtenissen, hetgeen de organisatie van dergelijke operaties door andere luchtvaartmaatschappijen zou hebben bemoeilijkt. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de motivering van het bestreden besluit op dit punt toereikend is.

107    Ten vierde heeft de Commissie volgens verzoekster niet aangegeven waarom zij van mening was dat in casu was voldaan aan de in punt 74 van de richtsnoeren gestelde voorwaarde van eenmaligheid van de steun.

108    In dit verband zij om te beginnen opgemerkt dat de Commissie in punt 112 van het bestreden besluit heeft aangegeven dat noch interveniënte noch een door haar gecontroleerde entiteit in de afgelopen tien jaar reddingssteun, herstructureringssteun of tijdelijke flankerende herstructureringssteun had ontvangen. Voorts hoefde de Commissie, bij gebreke van enige aanwijzing dat Thomas Cook Group tijdens de tien jaar voorafgaand aan de toekenning van de betrokken maatregel steun zou hebben genoten, dit punt niet nader te motiveren. In die omstandigheden heeft de Commissie afdoende uiteengezet waarom zij van mening was dat in casu aan de voorwaarde van eenmaligheid van de steun was voldaan.

109    Bijgevolg moet het vijfde middel van het beroep ongegrond worden verklaard.

110    Gelet op een en ander moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.

IV.    Kosten

111    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van de Commissie.

Krachtens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering zal interveniënte haar eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Ryanair DAC wordt verwezen in haar eigen kosten en in die van de Europese Commissie.

3)      Condor Flugdienst GmbH zal haar eigen kosten dragen.

Kornezov

Buttigieg

Kowalik-Bańczyk

Hesse

 

      Petrlík

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 mei 2022.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.