Language of document : ECLI:EU:C:2021:798

Zaak C487/19

W.Ż.

[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Sąd Najwyższy (Izba Cywilna)]

 Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 oktober 2021

„Prejudiciële verwijzing – Rechtsstaat – Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters – Onvrijwillige overplaatsing van een rechter bij een gewone rechterlijke instantie – Beroep – Niet-ontvankelijkheidsbeschikking van een rechter bij de Sąd Najwyższy (Izba Kontroli Nadzwyczajnej i Spraw Publicznych) [hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke zaken en strafzaken (kamer voor bijzondere controle en publieke zaken), Polen] – Rechter benoemd door de president van de Republiek Polen op basis van een besluit van de nationale raad voor de rechtspraak ondanks een rechterlijke beslissing tot opschorting van de tenuitvoerlegging van dat besluit in afwachting van een prejudiciële beslissing van het Hof – Rechter die geen vooraf bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt – Voorrang van het Unierecht – Mogelijkheid om een dergelijke niet-ontvankelijkheidsbeschikking non-existent te verklaren”

1.        Lidstaten – Verplichtingen – Voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren – Inachtneming van de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters – Toepasselijke regeling voor onvrijwillige overplaatsingen van rechters – Overplaatsingsmaatregelen die slechts om gegronde redenen mogen worden genomen, zoals de verdeling van de beschikbare middelen – Daadwerkelijke mogelijkheid om in rechte op te komen tegen die maatregelen

(Art. 2 en art. 19, lid 1, tweede alinea, VEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, art. 48 en art. 51, lid 1)

(zie punten 102‑118)

2.        Grondrechten – Recht op daadwerkelijke rechtsbescherming – Erkenning van dit recht in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens – Identieke inhoud en reikwijdte – Door het Handvest gewaarborgd niveau van bescherming dat niet in strijd is met de bescherming die door dat verdrag wordt geboden

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, tweede alinea, en art. 52, lid 3)

(zie punt 123)

3.        Recht van de Europese Unie – Beginselen – Recht op daadwerkelijke rechtsbescherming – Recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld – Reikwijdte

(Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47, tweede alinea)

(zie punten 126‑130, 147, 148)

4.        Lidstaten – Verplichtingen – Voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren – Inachtneming van het beginsel van onafhankelijkheid van rechters – Voorrang – Verplichtingen van de nationale rechterlijke instanties – Beroep dat een rechter die zitting houdt in een rechterlijke instantie die het Unierecht kan uitleggen en toepassen, instelt tegen een besluit waarbij hij zonder zijn instemming is overgeplaatst – Wrakingsverzoek in verband met een dergelijk beroep – Beschikking van een instantie die als alleensprekende rechter in laatste aanleg uitspraak doet, waarbij dat beroep wordt verworpen – Benoeming van de alleensprekende rechter onder kennelijke schending van de fundamentele regels betreffende het betrokken gerechtelijke systeem – Omstandigheden van de benoeming, waardoor er bij de justitiabelen legitieme twijfel is ontstaan over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de betrokken alleensprekende rechter – Beschikking die als non-existent wordt beschouwd

(Art. 19, lid 1, tweede alinea, VEU; art. 267 VWEU)

(zie punten 138‑146, 149‑161 en dictum)

Samenvatting

In augustus 2018 is rechter W.Ż., die zitting houdt in een Sąd Okręgowy (Poolse regionale rechterlijke instantie), zonder zijn instemming overgeplaatst van de afdeling van de rechterlijke instantie waaraan hij was toegevoegd naar een andere afdeling van die rechterlijke instantie. Hij heeft bij de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen; hierna: „KRS”) bezwaar gemaakt tegen deze overplaatsing, wat heeft geleid tot een besluit houdende afdoening zonder beslissing. In november 2018 is W.Ż. tegen dit besluit opgekomen bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechter in burgerlijke zaken en strafzaken, Polen), waarbij hij tevens alle rechters heeft gewraakt die zitting hebben in de kamer die zijn beroep moet behandelen, te weten de Izba Kontroli Nadzyczajnej i Spraw Publicznych (kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, Polen) (hierna: „kamer voor bijzondere controle en publieke zaken”). Hij was van mening dat de leden van deze kamer, gelet op de wijze waarop zij waren benoemd, niet de vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid boden.

In dit verband wijst de Sąd Najwyższy (Izba Cywilna) [civiele kamer van de hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke zaken en strafzaken, Polen], die uitspraak moet doen op dat wrakingsverzoek, er in zijn verwijzingsbeslissing op dat besluit nr. 331/2018 van de KRS over de voordracht van de nieuwe rechters in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken aan de Poolse president is aangevochten bij de Naczelny Sąd Administracyjny (hoogste bestuursrechter, Polen). Ondanks het feit dat de Naczelny Sąd Administracyjny de opschorting van de tenuitvoerlegging van dit besluit heeft gelast, heeft de Poolse president een aantal in dat besluit voorgedragen kandidaten benoemd tot rechter in deze kamer.

In maart 2019 is op basis van besluit nr. 331/2018 een nieuwe rechter in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken (hierna: „rechter in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken”) benoemd, hoewel op dat ogenblik de procedure bij de Naczelny Sąd Administracyjny nog niet was afgesloten en deze rechterlijke instantie het Hof had verzocht om een prejudiciële beslissing over een ander besluit van de KRS met betrekking tot de voordracht aan de Poolse president van een aantal kandidaten voor het ambt van rechter in de Sąd Najwyższy(1). De nieuwe rechter heeft als alleensprekende rechter, zonder te beschikken over het dossier en zonder W.Ż. te horen, een beschikking gegeven (hierna: „litigieuze beschikking”) waarbij hij het beroep van W.Ż. tegen het besluit van de KRS houdende afdoening zonder beslissing niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De verwijzende rechter heeft het Hof gevraagd of een in dergelijke omstandigheden benoemde rechter een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van met name artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU(2) vormt, en heeft het Hof verzocht om de gevolgen te verduidelijken die de vaststelling dat er van een dergelijk gerecht geen sprake is, zou kunnen hebben voor de litigieuze beschikking.

In zijn arrest doet de Grote kamer van het Hof uitspraak over de omstandigheden waarmee een nationale rechterlijke instantie rekening moet houden om tot de slotsom te komen dat er zich in de procedure voor de benoeming van een rechter onregelmatigheden hebben voorgedaan die eraan in de weg staan dat die rechter kan worden beschouwd als een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, alsook over de gevolgen die het beginsel van voorrang van het Unierecht in een dergelijke situatie heeft voor een beslissing als de litigieuze beschikking van die rechter.

Beoordeling van het Hof

Het Hof stelt allereerst vast dat een gewone rechterlijke instantie, zoals een Sąd Okręgowy, deel uitmaakt van het Poolse stelsel van beroepsmogelijkheden op de „onder het recht van de Unie vallende gebieden” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea VEU. Wil een dergelijke rechterlijke instantie de door deze bepaling vereiste daadwerkelijke rechtsbescherming kunnen bieden, dan is het van het grootste belang dat haar onafhankelijkheid in stand wordt gehouden. Een onvrijwillige overplaatsing van een rechter zou de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters kunnen aantasten. Zo’n overplaatsing kan namelijk niet alleen invloed hebben op de bevoegdheden van de betrokken rechter en de behandeling van de hem toevertrouwde dossiers, maar kan ook aanzienlijke gevolgen voor zijn leven en loopbaan hebben. Overplaatsing kan dus worden gebruikt als middel om toezicht uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen en kan gevolgen hebben die vergelijkbaar zijn met die van een tuchtmaatregel. Het vereiste van onafhankelijkheid van rechters gebiedt dan ook dat de toepasselijke regels voor onvrijwillige overplaatsingen van rechters de noodzakelijke waarborgen bieden om te voorkomen dat deze onafhankelijkheid in gevaar wordt gebracht door directe of indirecte invloed van buitenaf. Dergelijke overplaatsingsmaatregelen, die slechts kunnen worden genomen om gegronde redenen die in het bijzonder verband houden met de verdeling van de beschikbare middelen, moeten derhalve in rechte kunnen worden aangevochten overeenkomstig een procedure waarmee de rechten van de verdediging volledig worden gewaarborgd.

Het Hof stelt vervolgens vast dat de benoeming van de rechter in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken in weerwil van de definitieve beslissing van de Naczelny Sąd Administracyjny waarbij de opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit nr. 331/2018 van de KRS was gelast en zonder dat het arrest van het Hof in de zaak A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy - Beroep) (C‑824/18) werd afgewacht, afbreuk heeft gedaan aan de doeltreffendheid van het stelsel van prejudiciële verwijzing in artikel 267 VWEU. Ten tijde van deze benoeming kon het in die zaak verwachte antwoord van het Hof voor de Naczelny Sąd Administracyjny immers de verplichting meebrengen om besluit nr. 331/2018 van de KRS eventueel in zijn geheel nietig te verklaren.

Met betrekking tot de andere omstandigheden waaronder de rechter in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken is benoemd, brengt het Hof tevens in herinnering dat het onlangs heeft geoordeeld dat bepaalde door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden in verband met recente wijzigingen van de samenstelling van de KRS legitieme twijfel konden wekken over met name de onafhankelijkheid van de KRS.(3) Voorts heeft die benoeming plaatsgevonden en is de litigieuze beschikking gegeven ofschoon bij de verwijzende rechter een verzoek houdende wraking van alle destijds in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken aangestelde rechters was ingediend.

In hun onderling verband beschouwd kunnen deze omstandigheden, onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten eindbeoordeling, leiden tot de conclusie dat de benoeming van de rechter in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken kennelijk in strijd was met de fundamentele regels van de procedure voor de benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy. Die omstandigheden kunnen er ook toe leiden dat de verwijzende rechter tot het oordeel komt dat de omstandigheden waaronder die benoeming heeft plaatsgevonden, afbreuk hebben gedaan aan de eerlijkheid van het resultaat van die benoemingsprocedure en ertoe hebben bijgedragen dat bij de justitiabelen legitieme twijfel is ontstaan over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter in de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken en dat een schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid ontbreekt, wat het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken.

Het Hof is derhalve van oordeel dat een nationale rechterlijke instantie die uitspraak moet doen op een wrakingsverzoek als dat in het hoofdgeding, op grond van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht een beschikking als de litigieuze beschikking non-existent moet verklaren mits een dergelijke conclusie in het licht van de betrokken procedurele situatie onontbeerlijk is om de voorrang van het Unierecht te waarborgen – indien uit de voorwaarden en omstandigheden waaronder de procedure ter benoeming van de rechter die deze beschikking heeft gegeven is verlopen, blijkt dat die rechter geen onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is.


1      Te weten de zaak die heeft geleid tot het arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy - Beroep) (C‑824/18, EU:C:2021:153). In die in november 2018 ingeleide zaak vroeg de Naczelny Sąd Administracyjny zich in wezen af of het Unierecht zich verzet tegen bepaalde wijzigingen van de bepalingen van de wet inzake de KRS met betrekking tot de mogelijkheden om op te komen tegen besluiten van de KRS inzake de benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy.


2      Krachtens deze bepaling „[v]oorzien de lidstaten in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren”.


3      Zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punten 104‑108.