Language of document : ECLI:EU:C:2009:41

ARREST VAN HET HOF (Vierde kamer)

29 januari 2009 (*)

„Asielrecht – Verordening (EG) nr. 343/2003 – Terugname door lidstaat van asielzoeker wiens verzoek is afgewezen en die zich bevindt in andere lidstaat, waar hij nieuw asielverzoek heeft ingediend – Aanvangstijdstip van termijn voor overdracht van asielzoeker – Overdrachtsprocedure waarin beroep met opschortende werking is ingesteld”

In zaak C‑19/08,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens de artikelen 68, lid 1, EG en 234 EG, ingediend door Kammarrätten i Stockholm, Migrationsöverdomstolen (Zweden), bij beslissing van 17 januari 2008, ingekomen bij het Hof op 21 januari 2008, in de procedure

Migrationsverket

tegen

Edgar Petrosian,

Nelli Petrosian,

Svetlana Petrosian,

David Petrosian,

Maxime Petrosian,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Vierde kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, E. Juhász, G. Arestis en J. Malenovský (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek als gemachtigde,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door M. Michelogiannaki als gemachtigde,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door R. Somssich, J. Fazekas en K. Borvölgyi als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door C. Wissels als gemachtigde,

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door E. Riedl als gemachtigde,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz als gemachtigde,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door A. Guimaraes-Purokoski als gemachtigde,

–        de Noorse regering, vertegenwoordigd door M. Emberland en S. Gudbrandsen als gemachtigden,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Condou-Durande en J. Enegren als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, lid 1, sub d, en lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 50, blz. 1).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds E. en N. Petrosian en hun drie kinderen (hierna tezamen: „de leden van het gezin Petrosian”), die de Armeense nationaliteit bezitten (met uitzondering van N. Petrosian, die de Oekraïense nationaliteit bezit), en anderzijds Migrationsverket (vreemdelingendienst), de instantie die verantwoordelijk is voor immigratiezaken en belast met de behandeling van het asielverzoek van de betrokkenen, over de beslissing van deze autoriteit om hun over te dragen aan een andere lidstaat, waar hun eerdere asielverzoek was afgewezen.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3        Punt 4 van de considerans van verordening nr. 343/2003 luidt:

„[Een duidelijke en hanteerbare methode om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek] moet zijn gebaseerd op objectieve en zowel voor de lidstaten als voor de betrokken asielzoekers eerlijke criteria. Met de methode moet met name snel kunnen worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is, teneinde de daadwerkelijke toegang tot de procedures voor het toekennen van de vluchtelingenstatus te waarborgen en de doelstelling om asielverzoeken snel te behandelen, niet te ondermijnen.”

4        Punt 15 van de considerans van deze verordening is als volgt geformuleerd:

„Deze verordening is opgesteld met inachtneming van de grondrechten en de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [afgekondigd te Nice op 7 december 2000 (PB C 364, blz. 1)] worden erkend. Zij is er met name op gericht het recht op asiel dat in artikel 18 van het Handvest wordt gegarandeerd, volledig te waarborgen.”

5        Artikel 1 van verordening nr. 343/2003 bepaalt:

„In deze verordening worden de criteria en instrumenten vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend.”

6        Artikel 3, lid 1, van deze verordening bepaalt het volgende:

„De lidstaten behandelen elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.”

7        Artikel 4 van de verordening luidt:

„1.      De procedure waarbij wordt vastgesteld welke lidstaat overeenkomstig deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, vangt aan zodra het asielverzoek voor de eerste maal bij een lidstaat wordt ingediend.

[...]

5.      De lidstaat waarbij het asielverzoek is ingediend, is verplicht om, op de in artikel 20 bepaalde voorwaarden en met het oog op afronding van de procedure tot vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, over te gaan tot terugname van de asielzoeker die zich in een andere lidstaat ophoudt en daar opnieuw een asielverzoek heeft ingediend na zijn verzoek te hebben ingetrokken tijdens de procedure tot vaststelling van de staat die verantwoordelijk is.

[...]”

8        Artikel 16, in hoofdstuk V van verordening nr. 343/2003, dat de overname en terugname van de asielzoeker betreft, is geformuleerd als volgt:

„1.      De lidstaat die krachtens deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, is verplicht:

[...]

e)      een onderdaan van een derde land wiens verzoek is afgewezen en die zich ophoudt in een andere lidstaat zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen, volgens de in artikel 20 bepaalde voorwaarden terug te nemen.

[...]”

9        Artikel 20 van verordening nr. 343/2003 bepaalt:

„1.      De in artikel 4, lid 5, en artikel 16, lid 1, sub c, d en e, bedoelde terugname van asielzoekers geschiedt overeenkomstig de volgende bepalingen:

a)      Het terugnameverzoek dient gegevens te bevatten op grond waarvan de aangezochte lidstaat kan nagaan of hij verantwoordelijk is.

b)      De voor terugname aangezochte lidstaat is verplicht de gegevens te verifiëren en op het verzoek te antwoorden, en wel zo spoedig mogelijk en onder geen beding later dan één maand nadat het aan hem is voorgelegd. Wanneer het verzoek is gebaseerd op uit het Eurodac-systeem verkregen gegevens, wordt deze termijn teruggebracht tot twee weken.

c)      Indien de om terugname verzochte lidstaat niet reageert binnen de sub b genoemde termijn van één maand of twee weken, wordt hij geacht in te stemmen met terugname van de asielzoeker.

d)      Een lidstaat die instemt met een terugnameverzoek, is verplicht de asielzoeker weer tot zijn grondgebied toe te laten. De overdracht gebeurt overeenkomstig de nationale wetgeving van de verzoekende lidstaat, na overleg tussen de betrokken lidstaten, zodra dat praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zes maanden na de aanvaarding van het verzoek om overname door een andere lidstaat of de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening wanneer dit opschortende werking heeft.

e)      De verzoekende lidstaat stelt de asielzoeker in kennis van de beslissing betreffende de terugname door de verantwoordelijke lidstaat. Deze beslissing wordt gemotiveerd. In de kennisgeving wordt vermeld op welke termijn de overdracht zal plaatsvinden en, indien de asielzoeker zich op eigen gelegenheid naar de verantwoordelijke lidstaat begeeft, waar en wanneer hij zich in die lidstaat moet melden. Tegen deze beslissing kan beroep of bezwaar worden aangetekend. Dit heeft geen opschortende werking voor de overdracht, tenzij het gerecht of de bevoegde instantie, indien de nationale wetgeving daarin voorziet, naargelang van het geval een andersluidende beslissing neemt.

         De verzoekende lidstaat verstrekt de asielzoeker zo nodig een doorlaatbewijs overeenkomstig het volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde procedure goedgekeurde model.

         De verantwoordelijke lidstaat laat de verzoekende lidstaat weten dat de asielzoeker is aangekomen of dat hij zich niet binnen de gestelde termijn heeft gemeld.

2.      Indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, berust de verantwoordelijkheid bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend. Indien de overdracht of de behandeling van het asielverzoek wegens detentie van de asielzoeker niet kon worden uitgevoerd, kan deze termijn tot maximaal één jaar worden verlengd of tot maximaal 18 maanden indien de asielzoeker onderduikt.

[...]”

 Nationale regeling

10      In § 9 van hoofdstuk 1 van wet 2005:716 inzake vreemdelingen [utlänningslagen (2005:716)] wordt het in deze wet bepaalde betreffende de verwijdering van asielzoekers mutatis mutandis eveneens van toepassing verklaard op overdrachtsbeslissingen ingevolge verordening nr. 343/2003.

11      In § 6 van hoofdstuk 4, alsook in de §§ 4 en 7 van hoofdstuk 8 van deze wet is bepaald dat beslissingen inzake de erkenning als politiek vluchteling en de verwijdering van asielzoekers worden genomen door Migrationsverket.

12      Volgens § 3 van hoofdstuk 14 van deze wet kan tegen de beslissing van Migrationsverket in eerste instantie beroep worden ingesteld bij een migrationsdomstol (regionale administratieve rechter in immigratiezaken), met name indien de beslissing verwijdering van de asielzoeker inhoudt.

13      Ingevolge § 9, leden 1 en 3, van hoofdstuk 16 van deze wet kan van de uitspraak van een migrationsdomstol hoger beroep worden ingesteld bij het Migrationsöverdomstol (in hoger beroep rechtsprekende administratieve rechter in immigratiezaken), terwijl de uitspraken van deze laatste niet voor beroep vatbaar zijn.

14      Volgens § 28 van wet 1971:291 inzake het bestuursprocesrecht [förvaltningsprocesslagen (1971:291)] kan de rechter bij wie een beroep aanhangig is, in de eerste plaats gelasten dat de bestreden beslissing, wanneer deze onmiddellijk uitvoerbaar is, tot nader order niet geldt, en in de tweede plaats andere voorlopige maatregelen in de zaak gelasten.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15      De leden van het gezin Petrosian hebben op 22 maart 2006 asielverzoeken ingediend in Zweden, waar zij zich op dat tijdstip bevonden.

16      Bij de behandeling van de verzoeken bleek dat zij reeds andere verzoeken hadden ingediend, met name in Frankrijk. Migrationsverket verzocht de Franse autoriteiten dan ook ingevolge artikel 16, lid 1, sub e, van verordening nr. 343/2003, de leden van het gezin Petrosian terug te nemen.

17      De Franse autoriteiten reageerden niet binnen de in artikel 20, lid 1, sub b, van verordening nr. 343/2003 gestelde termijn op het verzoek van Migrationsverket. Migrationsverket wees hun er vervolgens op dat de Franse Republiek overeenkomstig artikel 20, lid 1, sub c, van deze verordening werd geacht, te hebben ingestemd met terugname van de leden van het gezin Petrosian.

18      Uiteindelijk bevestigden de Franse autoriteiten aan Migrationsverket dat zij de betrokkenen zouden terugnemen. Daarop besloot Migrationsverket op 1 augustus 2006 tot overdracht van de leden van het gezin Petrosian aan Frankrijk op basis van artikel 20, lid 1, sub d en e, van verordening nr. 343/2003.

19      De leden van het gezin Petrosian stelden tegen de overdrachtsbeslissing van 1 augustus 2006 beroep in bij länsrätten i Skåne län, migrationsdomstolen (administratieve rechter voor de regio Skåne op het gebied van immigratie), en verzochten behandeling van hun asielverzoeken in Zweden.

20      Op 23 augustus 2006 besloot deze rechter de overdracht van de leden van het gezin Petrosian aan Frankrijk op te schorten in afwachting van een onherroepelijke uitspraak ten gronde of tot andersluidende beslissing door deze rechter. Op 8 mei 2007 verwierp genoemde rechter bij vonnis ten gronde het beroep van de leden van het gezin Petrosian, waarmee hij tevens de opschorting van hun overdracht aan Frankrijk beëindigde.

21      De leden van het gezin Petrosian stelden van het vonnis van länsrätten i Skåne län, migrationsdomstolen, hoger beroep in bij Kammarrätten i Stockholm, Migrationsöverdomstolen (administratieve appèlrechter te Stockholm op het gebied van immigratie), wegens een procedurefout, en vorderden nietigverklaring van de beslissing tot overdracht aan Frankrijk, subsidiair terugverwijzing van de zaak naar länsrätten i Skåne län.

22      Op 10 mei 2007 besloot Kammarrätten i Stockholm, Migrationsöverdomstolen, tot opschorting van de overdracht van de leden van het gezin Petrosian aan Frankrijk in afwachting van een onherroepelijke uitspraak ten gronde of tot andersluidende beslissing door deze rechter.

23      Op 16 mei 2007 vernietigde deze rechter bij onherroepelijk arrest het vonnis van länsrätten i Skåne län, migrationsdomstolen, en verwees hij de zaak terug naar deze laatste op grond van een vormfout verband houdend met de samenstelling van de rechtsprekende kamer die de zaak had beoordeeld. Kammarrätten i Stockholm, Migrationsöverdomstolen, gelastte eveneens de opschorting van de tenuitvoerlegging van de beslissing tot overdracht van de leden van het gezin Petrosian aan Frankrijk totdat länsrätten i Skåne län, migrationsdomstolen, zijn vonnis ten gronde zou uitspreken of een andersluidende beslissing zou nemen.

24      Laatstgenoemde rechter beoordeelde de zaak opnieuw op 29 juni 2007 en vernietigde de beslissing van Migrationsverket tot overdracht van de leden van het gezin Petrosian aan Frankrijk. Hij verwees de zaak terug naar Migrationsverket voor herbeoordeling. In de overwegingen van zijn vonnis verwees länsrätten i Skåne län, migrationsdomstolen, naar een principe-uitspraak van Kammarrätten i Stockholm, Migrationsöverdomstolen, van 14 mei 2007, waarin deze had verklaard dat artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003, op grond waarvan de overdracht moet plaatsvinden uiterlijk zes maanden na de aanvaarding van het verzoek om terugname door een andere lidstaat of de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening wanneer dit opschortende werking heeft, aldus moet worden uitgelegd dat de termijn voor de overdracht moet ingaan met de voorlopige beslissing waarbij het in gang zetten van de overdracht wordt opgeschort.

25      Daar länsrätten i Skåne län, migrationsdomstolen, tot opschorting had besloten op 23 augustus 2006, was de termijn voor de overdracht dus volgens deze rechter verstreken op 24 februari 2007, zodat met ingang van deze datum in de eerste plaats de bevoegdheid voor behandeling van de asielverzoeken van de leden van het gezin Petrosian krachtens artikel 20, lid 2, van verordening nr. 343/2003 toekwam aan het Koninkrijk Zweden, en in de tweede plaats de betrokkenen niet meer aan Frankrijk konden worden overgedragen.

26      Migrationsverket kwam van het vonnis van länsrätten i Skåne län, migrationsdomstolen, in beroep bij Kammarrätten i Stockholm, Migrationsöverdomstolen, op 9 juli 2007. Het stelde daar dat na het nemen van een opschortende beslissing de overdrachtstermijn aldus was opgeschort dat deze loopt gedurende zes maanden na de dag dat de opgeschorte beslissing weer uitvoerbaar is.

27      Kammarrätten i Stockholm, Migrationsöverdomstolen, heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet artikel 20, lid 1, sub d, en lid 2, van verordening [...] nr. 343/2003 [...] aldus worden uitgelegd dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek overgaat op de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend, wanneer de overdracht niet gebeurt binnen zes maanden na de vaststelling van een voorlopige beslissing tot opschorting van de overdracht en ongeacht wanneer definitief wordt beslist of tot overdracht wordt overgegaan?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

28      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 20, lid 1, sub d, en lid 2, van verordening nr. 343/2003 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer de wettelijke regeling van de verzoekende lidstaat in het kader van de procedure tot overdracht van de asielzoeker voorziet in opschortende werking van een beroep, de termijn voor de overdracht reeds aanvangt met de voorlopige beslissing van de rechter om het in gang zetten van de overdrachtsprocedure op te schorten, dan wel pas met de beslissing van de rechter over de gegrondheid van de procedure, die aan het in gang zetten van de overdracht niet meer in de weg kan staan.

 Bij het Hof ingediende opmerkingen

29      De acht regeringen die in deze zaak schriftelijke opmerkingen hebben ingediend, alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen, zijn van mening dat artikel 20, lid 1, sub d, en lid 2, van verordening nr. 343/2003 aldus moet worden uitgelegd dat, in geval van opschortende werking van het beroep tegen de overdrachtsbeslissing, de termijn van zes maanden waarbinnen de overdracht moet plaatsvinden pas aanvangt met de beslissing ten gronde op dat beroep en niet met de beslissing tot opschorting van de overdracht.

30      Volgens deze regeringen en de Commissie blijkt uit de voorgeschiedenis van verordening nr. 343/2003 dat de communautaire wetgever een regeling heeft willen treffen waarin er geen overdracht dient plaats te vinden voordat ten gronde op het beroep is beslist. Het tegendeel zou immers neerkomen op het stellen van een maximumtermijn aan de rechter en aan de bevoegde autoriteiten voor een uitspraak op beroepen betreffende overdrachtsbeslissingen, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de communautaire wetgever behoort, terwijl bij het onderzoek van de onder deze verordening vallende individuele situaties gecompliceerde afwegingen moeten worden gemaakt, die maar moeilijk binnen zes maanden kunnen worden afgerond.

31      Enkele regeringen stellen voorts dat wanneer de nationale rechters zouden worden verplicht om binnen zes maanden uitspraak te doen, dit in de praktijk aanleiding zou geven tot het instellen van vexatoir beroep door asielzoekers, aangezien deze termijn in lidstaten waar de rechterlijke instanties overbelast zijn veelvuldig zou worden overschreden, zodat de verzoekende lidstaat stelselmatig de voor behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat zou worden.

 Antwoord van het Hof

32      Ingevolge artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003 vindt de overdracht van een asielzoeker naar de lidstaat die verplicht is hem weer toe te laten, plaats zodra dat praktisch mogelijk is en uiterlijk binnen zes maanden na de aanvaarding van het verzoek om terugname door een andere lidstaat of de beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening wanneer dit opschortende werking heeft. Volgens artikel 20, lid 2, berust de verantwoordelijkheid, indien de overdracht niet plaatsvindt binnen deze termijn van zes maanden, bij de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend.

33      Op grond van de bewoordingen van deze bepalingen op zich kan niet worden vastgesteld of de termijn voor de overdracht reeds aanvangt met een voorlopige beslissing van de rechter waarbij het in gang zetten van een overdrachtsprocedure wordt opgeschort, of pas met een beslissing van de rechter waarbij over de gegrondheid van die procedure wordt beslist.

34      Volgens vaste rechtspraak echter moet voor de uitlegging van een gemeenschapsrechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie met name arresten van 18 mei 2000, KVS International, C‑301/98, Jurispr. blz. I‑3583, punt 21, en 23 november 2006, ZVK, C-300/05, Jurispr. blz. I‑11169, punt 15).

35      Krachtens artikel 20, lid 1, sub d, gelezen in samenhang met artikel 20, lid 1, sub c, van verordening nr. 343/2003, zijn er drie gebeurtenissen die, naargelang van de omstandigheden, aanleiding kunnen geven tot aanvang van de termijn van zes maanden waarover de verzoekende lidstaat voor het overdragen van de asielzoeker beschikt. In de eerste plaats is dat de beslissing van de aangezochte lidstaat om de terugname van de asielzoeker te aanvaarden, in de tweede plaats het ongebruikt verstrijken van de termijn van een maand waarbinnen de aangezochte lidstaat zich dient uit te laten over het verzoek van de verzoekende lidstaat om terugname van de asielzoeker, en in de derde plaats de beslissing op het beroep of de herziening indien dit in de verzoekende lidstaat opschortende werking heeft.

36      Deze drie gebeurtenissen moeten worden bezien aan de hand van de vraag of de wettelijke regeling van de verzoekende lidstaat al dan niet voorziet in een beroepsmogelijkheid waaraan opschortende werking verbonden kan zijn, rekening houdend met de reden waarom verordening nr. 343/2003 een termijn stelt waarbinnen de overdracht moet plaatsvinden.

37      Daarbij dienen twee situaties te worden onderscheiden.

38      Zoals uit de formulering van artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003 blijkt, vangt in de eerste situatie, wanneer niet is voorzien in een beroepsmogelijkheid waaraan opschortende werking kan worden verbonden, de termijn voor overdracht aan met de uitdrukkelijke of stilzwijgende beslissing waarbij de aangezochte lidstaat terugname van de betrokkene aanvaardt, ongeacht de ongewisheden die zijn verbonden aan het beroep dat de asielzoeker wellicht tegen de overdrachtsbeslissing bij de rechterlijke instanties van de verzoekende lidstaat heeft ingesteld.

39      In dat geval behoeft alleen nog de wijze waarop de overdracht zal plaatsvinden, met name de overdrachtsdatum, te worden vastgesteld.

40      Dit is de context waarin artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003 de verzoekende lidstaat een termijn van zes maanden stelt voor de uitvoering van de overdracht. Het doel van deze termijn is dus, in verband met de aan de overdracht verbonden praktische complicaties en organisatorische problemen, de beide betrokken lidstaten in staat te stellen overleg te plegen over de totstandbrenging van de overdracht, en meer in het bijzonder de verzoekende lidstaat in staat te stellen de wijze waarop de overdracht zal plaatsvinden te regelen, daar deze geschiedt volgens de nationale wetgeving van deze laatste lidstaat.

41      Overigens blijkt uit de toelichting op het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, door de Commissie ingediend op 26 juli 2001 [COM(2001) 447 def., blz. 5, 19 en 20; hierna: „verordeningsvoorstel”], dat de Commissie juist om rekening te houden met de praktische problemen die zich voor de lidstaten bij de uitvoering van de overdracht voordoen, voorstelde om de termijn voor de overdracht te verlengen. Deze termijn, die op een maand was gesteld in de Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend, ondertekend te Dublin op 15 juni 1990 (PB 1997, C 254, blz. 1), waarvoor verordening nr. 343/2003 in de plaats is gekomen, is vervolgens overeenkomstig dit verordeningsvoorstel op zes maanden bepaald in artikel 20, lid 1, sub d, van deze verordening.

42      In de tweede situatie, wanneer de verzoekende lidstaat voorziet in een beroepsmogelijkheid waaraan opschortende werking kan worden verbonden en de rechter van die lidstaat aan zijn beslissing opschortende werking verleent, bepaalt artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003 dat de termijn voor tenuitvoerlegging van de overdracht aanvangt met de „beslissing op het beroep of op het verzoek tot herziening”.

43      In deze tweede situatie verschilt weliswaar het aanvangstijdstip van de termijn voor de tenuitvoerlegging van de overdracht van hetgeen is vastgelegd in de hiervóór genoemde eerste situatie, maar beide betrokken lidstaten zullen zich geconfronteerd zien met dezelfde praktische problemen bij de organisatie van de overdracht, en vervolgens over dezelfde termijn van zes maanden moeten beschikken voor de totstandbrenging hiervan. De formulering van artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003 geeft immers geen aanleiding om te menen dat de communautaire wetgever deze twee situaties verschillend heeft willen behandelen.

44      Hieruit volgt dat in deze tweede situatie, gelet op het met het stellen van een termijn aan de lidstaten beoogde doel, het aanvangsmoment daarvan dusdanig moet worden bepaald dat de lidstaten evenals in de eerste situatie beschikken over een termijn van zes maanden, die zij worden geacht volledig te benutten voor het regelen van de technische afhandeling van de overdracht.

45      De termijn voor de tenuitvoerlegging van de overdracht mag dus pas aanvangen wanneer de toekomstige uitvoering van de overdracht in principe is overeengekomen en zeker is, en alleen de uitvoeringswijze nog moet worden geregeld. Deze uitvoering kan echter niet als zeker worden beschouwd wanneer een rechter van de verzoekende lidstaat bij wie beroep is ingesteld, nog niet ten gronde over de zaak heeft beslist maar zich slechts heeft uitgesproken over een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.

46      Bijgevolg dient in de tweede uiteengezette situatie, teneinde de effectiviteit van de bepalingen van artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003 waarin de termijn voor tenuitvoerlegging van de overdracht is vastgelegd, te behouden, deze termijn niet reeds aan te vangen met de voorlopige beslissing van de rechter om de tenuitvoerlegging van de overdrachtsprocedure op te schorten, maar pas met de beslissing van de rechter over de gegrondheid van de procedure, die aan die tenuitvoerlegging niet meer in de weg kan staan.

47      Deze conclusie vindt steun in twee andere groepen van overwegingen, de eerste verband houdend met de eerbiediging van de door een lidstaat gegarandeerde rechtsbescherming, en de tweede met de eerbiediging van het beginsel van de procesautonomie van de lidstaten.

48      Om te beginnen moet ervan worden uitgegaan dat het niet de bedoeling van de communautaire wetgever is geweest, de rechtsbescherming die wordt gegarandeerd door lidstaten waarvan de rechters de tenuitvoerlegging van een overdrachtsbeslissing kunnen opschorten en zo de asielzoeker in staat stellen om de te zijnen aanzien gegeven beslissingen aan te vechten, op te offeren aan het vereiste dat asielverzoeken snel worden afgehandeld.

49      De lidstaten die beroepsmogelijkheden hebben willen bieden die kunnen leiden tot beslissingen met opschortende werking in het kader van de overdrachtsprocedure, mogen immers niet onder het mom van inachtneming van het vereiste van snelheid in een minder gunstige positie worden gebracht dan lidstaten die dit niet noodzakelijk hebben gevonden.

50      De lidstaat die in het kader van de overdrachtsprocedure heeft besloten, te voorzien in beroepsmogelijkheden met eventueel opschortende werking, en die daardoor de termijn waarover hij beschikt om tot verwijdering van de asielzoeker over te gaan, ingekort ziet met de tijd die de nationale rechters nodig hebben om de zaak ten gronde te beslissen, zou namelijk in een ongemakkelijke positie komen te verkeren doordat hij, wanneer hij er niet in slaagt de overdracht van de asielzoeker te organiseren in de zeer korte periode tussen de uitspraak van de rechter ten gronde en het verstrijken van de termijn voor tenuitvoerlegging van de overdracht, ingevolge artikel 20, lid 2, van verordening nr. 343/2003 (op grond waarvan, wanneer de termijn voor tenuitvoerlegging van de overdracht eenmaal is verstreken, de aanvaarding van verantwoordelijkheid door de aangezochte lidstaat komt te vervallen) het risico zou lopen om definitief te worden aangewezen als verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.

51      Derhalve mag de uitlegging van artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003, waarin het aanvangstijdstip voor de aan de verzoekende lidstaat gegeven termijn om over te gaan tot de overdracht van de asielzoeker is bepaald, niet leiden tot de conclusie dat de verzoekende lidstaat, onder het mom van eerbiediging van het gemeenschapsrecht, de opschortende werking van de voorlopige beslissing van de rechter in het kader van een beroep waaraan deze opschortende werking verbonden kan zijn, zou moeten negeren, terwijl hij deze werking juist in zijn nationale recht heeft willen opnemen.

52      Wat in de tweede plaats de eerbiediging van het beginsel van de procesautonomie van de lidstaten betreft, moet worden opgemerkt dat, zou artikel 20, lid 1, sub d, van verordening nr. 343/2003 aldus worden uitgelegd dat de termijn voor tenuitvoerlegging van de overdracht reeds aanvangt met de voorlopige beslissing waaraan opschortende werking verbonden is, de nationale rechter die de eerbiediging van deze termijn wil verenigen met de eerbiediging van de voorlopige beslissing waaraan opschortende werking verbonden is, zich genoodzaakt zou zien om over de gegrondheid van de overdrachtsprocedure uitspraak te doen voordat deze termijn verstrijkt, door een beslissing te nemen waarin mogelijkerwijs, doordat de rechters niet de benodigde tijd hebben gekregen, de complexiteit van het geschil niet voldoende tot zijn recht is kunnen komen. Zoals door enkele regeringen en de Commissie in hun bij het Hof ingediende opmerkingen is benadrukt, zou een dergelijke uitlegging ingaan tegen genoemd beginsel, zoals dit in het gemeenschapsrecht is aanvaard (zie in die zin arresten van 11 september 2003, Safalero, C‑13/01, Jurispr. blz. I‑8679, punt 49, en 13 maart 2007, Unibet, C-432/05, Jurispr. blz. I-2271, punt 39).

53      Gelet op alle voorgaande overwegingen moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 20, lid 1, sub d, en lid 2, van verordening nr. 343/2003 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer de wettelijke regeling van de verzoekende lidstaat voorziet in opschortende werking van een beroep, de termijn voor tenuitvoerlegging van de overdracht niet reeds aanvangt met de voorlopige beslissing van de rechter om het in gang zetten van de overdrachtsprocedure op te schorten, maar pas met de beslissing van de rechter over de gegrondheid van de procedure, die aan het in gang zetten van de overdracht niet meer in de weg kan staan.

 Kosten

54      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Vierde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 20, lid 1, sub d, en lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer de wettelijke regeling van de verzoekende lidstaat voorziet in opschortende werking van een beroep, de termijn voor tenuitvoerlegging van de overdracht niet reeds aanvangt met de voorlopige beslissing van de rechter om het in gang zetten van de overdrachtsprocedure op te schorten, maar pas met de beslissing van de rechter over de gegrondheid van de procedure, die aan het in gang zetten van de overdracht niet meer in de weg kan staan.

ondertekeningen


* Procestaal: Zweeds.