Language of document :

Beroep ingesteld op 24 mei 2011 - ZZ / BHIM

(Zaak F-59/11)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: R. Adam en P. Ketter, advocaten)

Verwerende partij: BHIM

Voorwerp en beschrijving van het geding

Nietigverklaring van, ten eerste, het besluit houdende weigering om verzoeker een tweede verlenging te geven van zijn oorspronkelijke overeenkomst van tijdelijk functionaris en, ten tweede, zijn nieuwe overeenkomst van tijdelijk functionaris alsmede vordering tot schadevergoeding

Conclusies van de verzoekende partij

het besluit van de voorzitter van het BHIM van 29 september 2010 houdende weigering om verzoekers overeenkomst van tijdelijk functionaris, die aanvankelijk op 16 juli 2005 is gesloten, voor een tweede keer te verlengen, nietig verklaren;

de op 1 augustus 2010 gesloten overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd nietig verklaren, aangezien die overeenkomst in feite een tweede verlenging van eerdergenoemde oorspronkelijke overeenkomst vormt;

het besluit van de voorzitter van het BHIM van 18 februari 2011 nietig verklaren;

vaststellen dat er sprake is van een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd;

zo niet, de juridische kwalificatie nietig verklaren van de op 16 juli 2005 gesloten oorspronkelijke overeenkomst alsmede van de afloopdatum ervan die na verlenging op 16 juli 2010 is bepaald, en deze herkwalificeren als aanstelling voor onbepaalde tijd, zo niet, vaststellen dat er sprake is van een dergelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;

zo niet, de juridische kwalificatie nietig verklaren van de op 1 augustus 2010 gesloten overeenkomst alsmede van de afloopdatum ervan die op 1 augustus 2013 is vastgesteld en deze herkwalificeren als aanstelling voor onbepaalde tijd, zo niet, vaststellen dat er sprake is van een dergelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;

de verwerende partij veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker door de handelwijze van het BHIM heeft geleden, welke voorlopig, zonder enige erkenning en onder alle voorbehoud, met name dat van een vermeerdering van het gevorderde bedrag in de loop van het geding, op 6 113,79 EUR voor de materiële en op 30 000 EUR voor de immateriële schade wordt vastgesteld;

subsidiair en voor het geval het Gerecht toch tot het oordeel mocht komen dat de arbeidsverhouding ondanks het ontstaan van een aanstelling voor onbepaalde tijd op 16 juli 2010 was beëindigd, quod non, een schadevergoeding toekennen voor de onrechtmatige beëindiging van de overeenkomst;

nog meer subsidiair en voor het geval het Gerecht tot het oordeel mocht komen dat een herkwalificatie of de vaststelling van een aanstelling voor onbepaalde tijd niet mogelijk was, quod non, een vergoeding toekennen voor de schade die de verzoekende partij door de onrechtmatige gedraging van het BHIM heeft geleden;

de verzoekende partij alle rechten, rechtsmiddelen en vorderingen voorbehouden, en met name het BHIM tot vergoeding van de geleden schade veroordelen;

de verzoekende partij het recht voorbehouden de in casu uiteengezette feiten te bewijzen en met name door het horen van getuigen;

het BHIM verwijzen in de kosten van de procedure.

____________