Language of document : ECLI:EU:C:2012:766

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. JÄÄSKINEN

van 29 november 2012 (1)

Zaak C‑228/11

Melzer

tegen

MF Global UK Ltd

[verzoek van het Landgericht Düsseldorf (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]

„Rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken – Uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 – Bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad – Deelneming van verschillende personen in verschillende landen aan het plegen van dezelfde vermeende onrechtmatige daad – Eventuele mogelijkheid om de bevoegdheid van een rechterlijke instantie van een lidstaat ten aanzien van een in een andere lidstaat wonende verweerder te bepalen op basis van de plaats waar de onrechtmatige handeling door een niet tot schadevergoeding aangesproken mededader of hulpersoon zou zijn gepleegd”





I –    Inleiding

1.        Het onderhavige prejudiciële verzoek van het Landgericht Düsseldorf (Duitsland) heeft betrekking op de uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2), en meer in het bijzonder van de definitie van „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in de zin van de in deze bepaling neergelegde competentieregel ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, wanneer de bestanddelen van een dergelijk feit zich in twee verschillende lidstaten alsmede binnen de grenzen van een van die twee zouden hebben voorgedaan.

2.        De verwijzende rechter, bij wie een grensoverschrijdende onrechtmatigedaadsvordering aanhangig is, stelt zich in verband met de bepaling van zijn bevoegdheid ratione loci om in deze zaak te beslissen, de vraag of een persoon die behoort tot degenen die verantwoordelijk zouden zijn voor het gestelde nadeel, en woonplaats heeft in een lidstaat(3), kan worden opgeroepen voor een rechter in een andere lidstaat uit hoofde van de plaats waar een hulppersoon of medepleger, hoewel niet als verweerder in deze schadevergoedingsactie optredend, een schadebrengende handeling zou hebben verricht.

3.        In zijn verwijzingsbeslissing geeft het Landgericht Düsseldorf het Hof in overweging een nieuwe bevoegdheidsgrond te formuleren die de eiser een aanvullende keuze(4) biedt ten opzichte van het hoofdalternatief resulterend uit het reeds lange tijd in de rechtspraak gemaakt onderscheid – ingeval de bestanddelen van de gestelde onrechtmatige daad ruimtelijk zijn gespreid – tussen de plaats van intreding van de schade en de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis(5), namelijk een bevoegdheid ontleend aan de plaats van de handeling, verricht door een andere pleger van het schadebrengende feit dan de verweerder, zulks overeenkomstig een in het Duitse recht bestaande regel.(6)

4.        De onderhavige zaak getuigt opnieuw van de neiging van sommige rechterlijke instanties van de lidstaten om te denken dat verordening nr. 44/2001 kan worden uitgelegd met inaanmerkingneming van nationale bijzonderheden waaraan het Hof wordt verzocht grensoverschrijdende werking toe te kennen(7), in weerwil van het in deze Unierechtelijke regeling tot uitdrukking gebrachte fundamentele eenvormigheidsstreven. Afgezien van het uit theoretisch oogpunt niet geringe belang lijkt deze zaak, gelet op de door de deelnemers aan de procedure aan het Hof ter kennis gebrachte informatie, ook aanzienlijke praktische gevolgen te sorteren.(8)

II – Rechtskader

5.        Volgens punt 2 van de considerans van verordening nr. 44/2001 heeft deze verordening tot doel om in het belang van de goede werking van de interne markt „[b]epalingen [vast te stellen] die de eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken mogelijk maken [...]”.

6.        In punt 11 van de considerans van verordening nr. 44/2001 wordt gesteld dat „[d]e bevoegdheidsregels [...] in hoge mate voorspelbaar [moeten] zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder; de bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt”.

7.        Volgens punt 12 van de considerans van deze verordening moeten „[n]aast de woonplaats van de verweerder [...] alternatieve bevoegdheidsgronden mogelijk zijn, gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken”.

8.        In punt 15 van de considerans van verordening nr. 44/2001 valt te lezen dat „[m]et het oog op een harmonische rechtsbedeling in de Gemeenschap [...] parallel lopende processen zo veel mogelijk [moeten] worden beperkt en moet worden voorkomen dat in twee lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven”.

9.        De bevoegdheidsregels zijn opgenomen in hoofdstuk II van verordening nr. 44/2001.

10.      Artikel 2, lid 1, van de verordening, dat deel uitmaakt van afdeling 1 van hoofdstuk II, getiteld „Algemene bepalingen”, luidt als volgt:

„Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.”

11.      Artikel 3, lid 1, van de verordening, dat in diezelfde afdeling staat, bepaalt dat „[d]egenen die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats hebben, [...] slechts voor het gerecht van een andere lidstaat [kunnen] worden opgeroepen krachtens de in de afdelingen 2 tot en met 7 van dit hoofdstuk gegeven regels”.

12.      Artikel 5, punten 1 en 3, van verordening nr. 44/2001, dat staat in afdeling 2 van hoofdstuk II („Bijzondere bevoegdheid”), bepaalt het volgende:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

1.      a)     ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst: voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;

b)      voor de toepassing van deze bepaling en tenzij anders is overeengekomen, is de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:

–        voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;

–        voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;

c)      sub a is van toepassing indien sub b niet van toepassing is;

[...]

3.      ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen;

[...]”

13.      Artikel 6, punt 1, van de verordening, dat eveneens deel uitmaakt van deze afdeling, bepaalt dat „[d]eze persoon [...] ook [kan] worden opgeroepen [...] indien er meer dan één verweerder is: voor het gerecht van de woonplaats van een hunner, op voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven”.

III – Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure voor het Hof

14.      Melzer, die in Berlijn (Duitsland) woont, is telefonisch als klant geworven en begeleid door de in Düsseldorf gevestigde vennootschap Weise Wertpapier Handelsunternehmen (hierna: „W.W.H.”). Deze vennootschap opende op de naam van Melzer een rekening bij de vennootschap MF Global UK, een beursmakelaar gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk), waarop deze tegen betaling beurstermijntransacties uitvoerde voor Melzer.

15.      Van 2002 tot en met 2003 stortte Melzer in totaal een bedrag van 172 000 EUR op deze rekening. Op 9 juli 2003 betaalde MF Global UK hiervan een bedrag van 924,88 EUR aan hem terug. Zij bracht hem een commissie van 120 USD in rekening, waarvan zij 25 USD heeft ingehouden en het verschil van 95 USD aan W.W.H. heeft overgemaakt.

16.      Melzer heeft bij het Landgericht Düsseldorf een vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van MF Global UK tot betaling aan hem van een schadevergoeding ter hoogte van het verschil tussen het door hem in het kader van deze transacties ingelegde en ontvangen bedrag, 171 075,12 EUR, vermeerderd met rente.(9)

17.      Tot staving van zijn vordering betoogt Melzer dat hij noch van W.W.H. noch van MF Global UK voldoende informatie had gekregen over de risico’s van termijntransacties wat optiecontracten betreft. De documentatie die hij van W.W.H.(10) had ontvangen, voldeed zijns inziens niet aan de eisen van de rechtspraak met betrekking tot het verschaffen van voldoende informatie aan een klant over die risico’s. Hij zou eveneens geen objectieve informatie hebben ontvangen over de tussen MF Global UK en W.W.H. overeengekomen verborgen commissies, de zogenoemde „kick-back”‑overeenkomst, en het daaruit voortvloeiende belangenconflict. Verder is Melzer van mening dat de door MF Global UK berekende commissie te hoog is geweest. Bijgevolg zou MF Global UK aan hem schadevergoeding, vermeerderd met rente, verschuldigd zijn wegens deelneming aan de door W.W.H. opzettelijk en onrechtmatig toegebrachte schade.

18.      MF Global UK betwist de bevoegdheid ratione loci van het Landgericht Düsseldorf en concludeert tot afwijzing van de vordering ten gronde.

19.      Volgens de verwijzende rechter is verordening nr. 44/2001 van toepassing op het hoofdgeding, aangezien verweerster een rechtspersoon met statutaire zetel in een lidstaat is. Onder verwijzing naar het ontbreken van een forumkeuzebeding(11), merkt hij op dat aangezien de schade in Duitsland is ontstaan, de Duitse rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 5, punt 3, van deze verordening internationaal bevoegd zijn. De verwijzende rechter zet uiteen dat volgens de verklaringen van Melzer de vermogensschade waarvan hij vergoeding eist in Duitsland is ingetreden, daar hij vanuit Duitsland stortingen op de rekening in Londen heeft verricht en de schade aan het tegoed op zijn in die lidstaat beheerde bankrekening is ontstaan.

20.      De verwijzende rechter twijfelt evenwel aan zijn territoriale bevoegdheid uit hoofde van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001. Hij herinnert eraan dat ingevolge deze bepaling een verweerder kan worden opgeroepen, naar keuze van de eiser, voor de rechter van hetzij de „plaats waar de schade is ingetreden” (Erfolgsort), hetzij de „plaats van de veroorzakende gebeurtenis” (Handlungsort), wanneer deze plaatsen niet dezelfde zijn. De verwijzende rechter is van mening dat de schade is ingetreden in Berlijn, de woonplaats van Melzer, en niet in Düsseldorf, de plaats waar de rechtbank zelf is gevestigd. Gelet op deze lokalisatie van de „plaats waar de schade is ingetreden” zou in casu de „plaats van de veroorzakende gebeurtenis” doorslaggevend zijn. Aangezien MF Global UK uitsluitend in Londen opereerde, zou de territoriale bevoegdheid enkel op de activiteit van W.W.H. in Düsseldorf kunnen worden gegrond.

21.      Volgens de verwijzende rechter kent het Duitse recht een dergelijke aanknopingsfactor, aangezien hierin wordt aangenomen dat wanneer verschillende personen hebben deelgenomen aan een onrechtmatige daad, aan elke deelnemer de bijdrage van een andere deelnemer aan de onrechtmatige daad kan worden toegerekend. Gezien Melzers stelling dat MF Global UK op zijn minst met voorwaardelijk opzet bijstand heeft verleend aan W.W.H. bij het plegen van de onrechtmatige handelingen die laatstgenoemde in Duitsland en meer bepaald in Düsseldorf zou hebben gepleegd, zou de verwijzende rechter zijn bevoegdheid mogelijk kunnen ontlenen aan de plaats waar een dergelijke medepleger of hulppersoon zijn handelingen heeft verricht.(12)

22.      Aangezien verordening nr. 44/2001 niet voorziet in een dergelijke toerekeningsnorm voor de daden van een derde teneinde een internationale of territoriale bevoegdheid te funderen, zou de vraag rijzen of artikel 5, punt 3, van deze verordening aldus kan worden uitgelegd dat een onrechtmatige daad van een hoofd- of mededader eveneens een internationale of territoriale bevoegdheid ten aanzien van de gedaagde kan scheppen. De verwijzende rechter merkt op dat zowel in de nationale rechtspraak als in de rechtsleer de meningen hierover verschillen.

23.      In die omstandigheden heeft het Landgericht Düsseldorf bij beschikking, ingeschreven op 16 mei 2011, besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:

„Wanneer verschillende personen in verschillende landen hebben deelgenomen aan het plegen van een onrechtmatige daad, kan dan ter bepaling van de plaats van het intreden van de schade, een alternatieve aanknoping aan de plaats van het schadeveroorzakende feit worden aanvaard voor de bevoegdheid ratione loci bij onrechtmatige daad uit hoofde van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001?”

24.      Melzer, MF Global UK, de Duitse, de Portugese, de Tsjechische en de Zwitserse regering, alsmede de Europese Commissie hebben bij het Hof schriftelijke opmerkingen ingediend.

25.      Melzer, MF Global UK, de Duitse regering en de Commissie waren ter terechtzitting van 5 juli 2012 vertegenwoordigd.

IV – Analyse

26.      Gelet op de enigszins vage bewoordingen waarin de prejudiciële vraag is gesteld, lijkt het mij noodzakelijk om allereerst het voorwerp en de reikwijdte van deze vraag af te bakenen, alvorens een mogelijke beantwoording ervan in overweging te geven.

A –    Strekking van de prejudiciële vraag

27.      De onderhavige zaak heeft betrekking op een vordering uit onrechtmatige daad. Ingevolge de artikelen 2 juncto 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 kan ter zake van dergelijke vorderingen een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, worden opgeroepen, naar keuze van de eiser, voor hetzij de gerechten van die lidstaat, hetzij de gerechten van een andere lidstaat, namelijk de rechter „van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan”, dan wel „zich kan voordoen”.

28.      Deze laatste mogelijkheid, die de bevoegdheid van de rechter van de plaats van de onrechtmatige daad verruimt tot preventieve vorderingen, vormt de enige uitbreiding van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 ten opzichte van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag(13), waarvoor deze verordening in de plaats is gekomen. Ondanks deze aanvulling(14) – die in de onderhavige zaak overigens geen rol speelt – zijn, zoals het Hof heeft verklaard, deze bepalingen in wezen gelijkwaardig, hetgeen betekent dat de rechtspraak inzake de uitlegging bevoegdheidsregeling van het Executieverdrag ook kan worden toegepast op de bevoegdheidsregeling van de verordening.(15)

29.      Gelet op het feit dat Melzer in het hoofdgeding zonder enige twijfel contractueel met zowel MF Global UK als W.W.H. is verbonden, kan het op het eerste gezicht wellicht verbazing wekken dat de verwijzende rechter in casu niet punt 1 van artikel 5 van verordening nr. 44/2001, dat betrekking heeft op de bevoegdheid ter zake van verbintenissen uit overeenkomst, in aanmerking heeft genomen dat evenzeer toepasselijk zou kunnen zijn als punt 3 van dit artikel, ter zake van de bevoegdheid in geval van onrechtmatige daad.(16) MF Global UK gaat met haar inleidende opmerkingen in die richting, door te betogen dat het nuttig zou zijn om te onderscheiden tussen de respectieve werkingssfeer van de punten 1 en 3 van artikel 5 van deze verordening. Evengoed volgt hoe dan ook uit de vaste rechtspraak van het Hof dat uitsluitend de verwijzende rechter het voorwerp van zijn prejudiciële vraag bepaalt, en dat wanneer de prejudiciële vraag door deze verwijzende rechter niet in die zin is geformuleerd, het Hof zich niet behoeft te buigen over een door een van de partijen in het hoofdgeding aangesneden kwestie.(17)

30.      De verwijzende rechter merkt om te beginnen op dat de internationale bevoegdheid van de Duitse rechterlijke instanties als geheel hem niet voor problemen plaatst. Deze bevoegdheid staat naar zijn oordeel buiten kijf, aangezien de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 bedoelde plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, Berlijn is, de stad waar Melzer zijn woonplaats heeft en waar hij een bankrekening had geopend waarover financiering van de litigieuze transacties liep.

31.      De Commissie neemt evenwel het tegenovergestelde standpunt in. Het arrest Kronhofer(18) zou verbieden om de rechter van de woonplaats van de eiser, waar zich het „centrum van zijn vermogen” bevindt, reeds als bevoegd te beschouwen omdat de eiser aldaar financiële schade heeft geleden voortvloeiend uit het verlies van vermogensbestanddelen in een andere lidstaat, terwijl alle voor aansprakelijkheid noodzakelijke bestanddelen zijn gesitueerd op het grondgebied van de laatstgenoemde lidstaat.(19)

32.      Ik ben met de Commissie van mening dat de vermogensschade waarvan Melzer vergoeding vordert en die bestaat in het verlies van een deel van het door hem geïnvesteerde kapitaal, in Londen is ingetreden en niet in Berlijn. De litigieuze gelden zijn immers overgemaakt naar een bij de Londens beursmakelaar geopende rekening en zijn in die plaats verloren gegaan, aangezien de uitvoering van het optiecontract, of de afloop van de optietermijn, ertoe heeft geleid dat de naar deze rekening teruggeboekte bedragen lager waren dan de ingelegde gelden.

33.      Uit zijn verwijzingsbeslissing blijkt dat de nationale rechter zich enkel buigt over zijn eigen „territoriale” of, anders gezegd, zijn nationale bevoegdheid, in die zin dat hij zich de vraag stelt of hij de Duitse rechter is die uit hoofde van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 vonnis moet wijzen.

34.      Dienaangaande wil ik wijzen op de verschillen in de formulering van de bepalingen van deze verordening, zoals enerzijds artikel 2, lid 1, waarin de bevoegdheid van alle gerechtelijke instanties van een lidstaat is bepaald(20), en anderzijds de punten 1 en 3 van artikel 5, die een specifieke rechterlijke instantie aanwijzen, die wordt bepaald aan de hand van de plaats waarmee het geding in het bijzonder is verbonden.(21) De bepaling waarvan de uitlegging wordt verzocht, maakt het derhalve inderdaad mogelijk om, zoals de verwijzende rechter zou willen, de bevoegdheid ratione loci van een bepaald gerecht onder alle gerechten van een lidstaat die ratione materiae bevoegd zouden zijn, vast te stellen, en wel rechtstreeks. Bijgevolg lijkt het mij niet nuttig, ja zelfs verkeerd, om, zoals de verwijzende rechter heeft gedaan, als voorfase van het onderzoek naar de toepasselijkheid van deze bepaling, het concept van de internationale bevoegdheid te bezien.

35.      Concreet ziet deze rechter zich geplaatst voor de vraag of het in het aan hem voorgelegde geschil dat zich uitstrekt over verschillende landen, mogelijk is om in Düsseldorf, als de plaats waar een van de twee vermeende veroorzakers van de schade heeft gehandeld – zijnde de plaats waar W.W.H. is gevestigd – een bevoegdheid te funderen ten aanzien van de andere pleger van het schadebrengende feit – MF Global UK –, die enkel vanuit het Verenigd Koninkrijk actief lijkt te zijn geweest.

36.      Dienaangaande herinner ik eraan dat iemand die schadevergoeding wenst op grond van het onrechtmatigedaadsrecht twee hoofdmogelijkheden heeft: hij kan zich krachtens artikel 2 van verordening nr. 44/2001 wenden tot de rechter van de woonplaats van de verweerder, dan wel gebruikmaken van de in artikel 5, punt 3, van deze verordening opgenomen bijzondere bevoegdheid.

37.      Laatstgenoemde bevoegdheidsgrond kan op zijn beurt worden onderverdeeld in twee hoofdtakken, ja zelfs meer wanneer rekening wordt gehouden met de specifieke zaken waarin het Hof aanvullende aanknopingspunten heeft geformuleerd(22), voor het geval dat de voor de onrechtmatige daad noodzakelijke bestanddelen, en dus de aanknopingspunten, over verschillende lidstaten verspreid zijn. Het Hof heeft namelijk herhaaldelijk verklaard dat de uitdrukking „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden, dat wil zeggen de lidstaat waar het schadebrengende feit rechtstreeks zijn nadelige gevolgen voor het slachtoffer heeft gesorteerd, als op de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis, dat wil zeggen de lidstaat waar het schadebrengende feit zijn oorsprong had als gevolg van de door de pleger van de onrechtmatige daad begane handelingen(23), zodat de verweerder, naar keuze van de eiser, voor de rechter van de ene dan wel van de andere plaats kan worden opgeroepen.

38.      In de onderhavige zaak wordt het hoofdgeding gekenmerkt door de navolgende omstandigheden: volgens de verwijzende rechter is de plaats waar de schade is ingetreden, die overeenkomt met de eerste van de bovengenoemde takken, gelegen in Duitsland. De gestelde schade zou meer bepaald in Berlijn zijn ingetreden, aangezien Melzer hier zijn woonplaats en gedebiteerde bankrekening heeft(24), en niet in Düsseldorf. Ter bepaling van zijn eigen bevoegdheid gaat het Landgericht Düsseldorf daarom na of er in casu sprake is van een bevoegdheidsgrond die zou kunnen worden gebaseerd op de tweede van de bovengenoemde hoofdtakken, gezien de aan de beweerde veroorzakers van de schade verweten onrechtmatigheden. Dienaangaande zou de plaats van de schadebrengende feiten ofwel Londen kunnen zijn, aangezien in die plaats de makelaarsdiensten door MF Global UK zijn uitgevoerd, ofwel Düsseldorf, de plaats van vestiging van W.W.H., welke vennootschap niet is gedagvaard maar wel met de enige verweerder heeft samengewerkt.

39.      Nagegaan moet worden of het handelen van de in Düsseldorf gevestigde vennootschap, dat wil zeggen de werving en begeleiding van de klant, of ook het feit dat deze vennootschap hem heeft aangezet tot te riskant handelen, zou kunnen worden gerekend tot de omstandigheden die de door de klant geleden schade hebben veroorzaakt. Het Hof wordt vooral verzocht zich uit te spreken over de vraag of de plaats van deze handelingen als zodanig kan dienen als grondslag voor het Landgericht Düsseldorf om te kunnen beslissen over de aansprakelijkheid uit hoofde van onrechtmatige daad van de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, die als enige voor de rechter is gedagvaard, op grond van een toerekening aan laatstgenoemde van het handelen van de Duitse vennootschap, de andere beweerde veroorzaker van de schade.

40.      De prejudiciële vraag is dus beperkt tot de uitlegging van de uitdrukking „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan”, wanneer drie complexe factoren samenkomen: ten eerste zijn de plaatsen van de handelingen die de schade zouden hebben veroorzaakt, verspreid over verschillende lidstaten; ten tweede is er sprake van een samenloop van verantwoordelijkheden, dat wil zeggen een situatie waarin dergelijke handelingen niet door een enkele persoon zijn gepleegd maar door verschillende personen als medeplegers of hulppersonen, en ten derde heeft de eiser slechts één van de beweerde veroorzakers van de schade gedagvaard, en wel in de lidstaat waar een andere van deze veroorzakers zijn activiteiten heeft uitgeoefend. Het Hof mag zich in zijn rechtspraak dan wel eerder al vanuit verschillende invalshoeken over de eerste twee van deze factoren hebben gebogen, de combinatie ervan met de derde is evenwel volkomen nieuw.

41.      Gelet op het dossier wijs ik op een bijzonder probleem met betrekking tot de afbakening van de respectieve rechtspositie van MF Global UK en W.W.H., aangezien in de bij het Hof ingediende opmerkingen vaak de hoofdpleger en de hulppersoon of medepleger van de litigieuze onrechtmatige daad met elkaar worden verward. Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat, hoewel Melzer enkel van MF Global UK schadevergoeding vordert, die dus in zijn ogen een doorslaggevende rol lijkt te hebben gespeeld bij het ontstaan van de schade, veeleer W.W.H. de hoofdpleger was, terwijl, volgens de beweringen van de eiser, MF Global UK op zijn minst hulppersoon was. Hoe het ook zij, de prejudiciële vraag is voldoende ruim geformuleerd om beide mogelijkheden te omvatten, dat wil zeggen het handelen van de niet-gedagvaarde persoon als hulppersoon of medepleger. Bijgevolg zal ik bij het door mij in overweging te geven antwoord rekening houden met dit dubbele aspect.

42.      De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of het mogelijk is een vordering in te stellen bij de rechter in wiens ressort een hulppersoon of medepleger zijn onrechtmatige handelingen heeft begaan, wanneer er sprake is van meerdere schadebrengende feiten die in verschillende lidstaten zijn gepleegd. Dit komt meer bepaald erop neer dat wordt uitgegaan van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis die haar oorsprong vindt bij een van de schadeveroorzakers, en zulks zonder dat het beweerde slachtoffer gehouden is om deze hulppersoon of medepleger te dagvaarden, zoals het geval is in het hoofdgeding.

43.      Met andere woorden, de verwijzende rechter zou graag zien dat het Hof een aanvullende mogelijkheid aanvaardt om een rechterlijke instantie te kiezen in die gevallen waarin in verschillende lidstaten woonachtige verweerders samen verantwoordelijk zijn voor een onrechtmatige daad, door de erkenning van een – in de bewoordingen van de verwijzingsbeslissing – „wederkerige toerekening van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis”. De hier voorgestelde nieuwe bevoegdheidsgrond zou neerkomen op een uitbreiding van de tot nu toe door het Hof in zijn rechtspraak aan de verweerder geboden keuzemogelijkheden. Mijns inziens veronderstelt dit niet echt de invoering van een nieuwe hoofdtak naast de „plaats van het intreden van de schade” en de „plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis”. Wat de verwijzende rechter in overweging geeft, is veeleer een ruime uitlegging van de tweede van deze takken, inhoudend dat wanneer er sprake is van grensoverschrijdende deelneming van verschillende plegers aan een onrechtmatige daad, de plaats van de door een van hen begane schadebrengende handelingen mogelijk de grondslag kan vormen voor de bevoegdheid van een rechter jegens een andere van deze plegers.

B –    Beantwoording van de prejudiciële vraag

1.      De verschillende standpunten

44.      Uit de bij het Hof ingediende opmerkingen blijkt dat twee standpunten tegenover elkaar staan: Melzer, de Duitse, de Tsjechische, de Portugese, en de Zwitserse regering geven in overweging om de door de verwijzende rechter beoogde nieuwe bevoegdheidsgrond te erkennen. MF Global UK en de Commissie daarentegen zijn van mening dat de prejudiciële vraag ontkennend moet worden beantwoord.

45.      Uit de motivering van zijn beslissing blijkt dat de verwijzende rechter zelf een voorkeur heeft voor de – door hem als „wederkerige toerekening” gekwalificeerde – mogelijkheid om de internationale bevoegdheid te koppelen aan de plaats waar het schadebrengende feit zou zijn gepleegd door een beweerde medepleger of hulppersoon, ook al treedt deze ter zake niet op als verweerder.

46.      Het antwoord op de vraag waarom de verwijzende rechter hiervoor kiest en wat de eigenlijke grond van de prejudiciële vraag is, blijkt uit de gegevens die het Landgericht Düsseldorf met betrekking tot de inhoud van het nationale recht heeft verstrekt. § 830 van het Duitse burgerlijk wetboek (Bürgerliches Gesetzbuch) bepaalt namelijk dat wanneer meerdere personen gezamenlijk deelnemen aan een onrechtmatige daad, elke medepleger of hulppersoon geacht wordt verantwoordelijk te zijn voor de bijdrage van een andere van die personen. Bovendien preciseert de verwijzende rechter dat krachtens § 32 van het Duitse wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Zivilprozessordnung) de bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad kan worden gebaseerd op de onrechtmatige handelingen van elk van de afzonderlijke medeplegers, aangezien deze handelingen hun over en weer kunnen worden toegerekend.

47.      Zou het hoofdgeding een zuiver nationaal karakter hebben gehad, dan had, gelet op hetgeen de eiser, Melzer, tegen de verweerster, MF Global UK, en tegen haar beweerde medepleger of hulppersoon, W.W.H.(25), aanvoert, de rechter van de plaats waar een van de plegers van de beweerde onrechtmatige daad heeft gehandeld, zich op die grondslag bevoegd kunnen verklaren ten aanzien van de jegens een van de medeplegers ingestelde vordering uit hoofde van onrechtmatige daad.(26)

48.      De oplossing is evenwel aanzienlijk minder duidelijk wanneer, zoals in casu, de situatie zich niet beperkt tot het grondgebied van Duitsland maar zich uitstrekt tot verschillende lidstaten. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk dat zowel in de Duitse rechtspraak als in de rechtsleer verschillend over dit onderwerp wordt gedacht. De verwijzende rechter zet uiteen dat een aantal rechterlijke instanties heeft verklaard dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 toestaat om in het geval van een grensoverschrijdend geschil uit te gaan van de plaats waar een medepleger of hulppersoon het veroorzakende feit heeft gepleegd, omdat daar het zwaartepunt van het onrechtmatige handelen of nalaten is gelegen.(27) Deze rechtspraak zou een aantal gelijkgestemde aanhangers in de rechtsleer kennen, terwijl een groot aantal andere auteurs deze zienswijze betwist op grond van een argumentatie die ik deel en waarop ik later terugkom.

49.      De redenering die aan het prejudiciële verzoek ten grondslag ligt, moet dus in deze zeer specifieke context worden geplaatst. Het Hof wordt evenwel geenszins gebonden door de benadering waaraan de nationale rechter de voorkeur geeft. Volgens vaste rechtspraak moet immers aan de begrippen van verordening nr. 44/2001 een autonome uitlegging worden gegeven, teneinde de uniforme toepassing daarvan in alle lidstaten te verzekeren.(28)

2.      Voorgestelde uitlegging

a)      Richtsnoeren voor de uitlegging

50.      Het staat vast dat de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 gebruikte uitdrukking „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” los van de inhoud van het nationale recht van de lidstaten moet worden uitgelegd, aangezien de implementatie van de in deze verordening opgenomen bevoegdheidsregels niet kan afhangen van nationale bijzonderheden dan met verlies van het nuttige effect van de met deze regels nagestreefde eenmaking.(29)

51.      Volgens de rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een bepaling van verordening nr. 44/2001 niet alleen worden gelet op de bewoordingen van die bepaling, maar ook op het systeem van die verordening en de doelstellingen die zij nastreeft.(30)

52.      Ik wijs er reeds nu op dat ik geen voorstander ben van een uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 die, zoals het Landgericht Düsseldorf voor ogen staat, meebrengt dat de eiser zich mag wenden tot dit gerecht als het gerecht van de plaats waar een niet‑gedagvaarde hulppersoon of medepleger zou hebben deelgenomen aan het begaan van de beweerde schadebrengende handeling, en niet enkel kan kiezen voor het gerecht van de woonplaats van de verweerder, het gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden, of het gerecht van de plaats van het schadeveroorzakende feit, zoals de regel is in de rechtspraak. Een dergelijke uitlegging zou, gelet op de vanuit systematisch en teleologisch oogpunt hierna te analyseren aspecten, mijns inziens te ruim zijn.(31)

b)      Uitlegging in het licht van de systematiek van verordening nr. 44/2001

53.      Vooraf wijs ik erop dat verordening nr. 44/2001 een regeling bevat, te weten die van artikel 6, lid 1, die uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om een verweerder op te roepen voor een gerecht waarvan de band met het betrokken geschil via een andere persoon loopt, maar voor deze afgeleide bevoegdheid moet er sprake zijn van meer dan één verweerder en gevaar van onverenigbare beslissingen(32), hetgeen in het hoofdgeding niet aan de orde is. Melzer heeft – om in de verwijzingsbeslissing onopgehelderde redenen(33) – alleen het in Londen gevestigde MF Global UK voor het Landgericht Düsseldorf opgeroepen en niet W.W.H. die in Düsseldorf is gevestigd, zulks terwijl hij de Londense beursmakelaar slechts medeplichtigheid lijkt te verwijten. Door deze keuze, waarvan hij de mogelijk nadelige consequenties dient te aanvaarden, heeft de eiser de door voornoemd artikel 6 geboden mogelijkheid verloren om een beroep te doen op de uitbreiding van de bevoegdheid die is gegrond op de woonplaats van een derde, en derhalve in de praktijk op de aldaar door laatstgenoemde gepleegde handelingen.

54.      Verder bepaalt de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 44/2001 opgenomen algemene bevoegdheidsregel, die dient ter waarborging van de belangen van de partij die niet het initiatief tot de grensoverschrijdende actie heeft genomen, dat de bevoegdheid in beginsel berust bij de rechterlijke instanties van de lidstaat waar de verweerder woonplaats heeft. Volgens vaste rechtspraak moet, wanneer een bepaling als artikel 5, punt 3, van die verordening een bevoegdheidsregel vastlegt die, door de eiser een keuze van de plaats van oproeping te bieden, een verwijdering van dit algemene uitgangspunt toelaat, hieraan een strikte, ja zelfs restrictieve uitlegging worden gegeven.(34) Bijgevolg mag de reikwijdte van laatstgenoemd artikel, op straffe van een evenredig verlies van het nuttige effect van artikel 2 en miskenning van de bedoeling van de Uniewetgever, niet zodanig worden opgerekt dat deze verder gaat dan de door verordening nr. 44/2001(35) uitdrukkelijk beoogde gevallen. Het door het Hof geformuleerde uitgangspunt dat wat de aanknoping aan de plaats van het intreden van de schade betreft(36), het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet te ruim mag worden uitgelegd, dient mijns inziens ook te gelden voor de aanknoping aan de plaats van het schadeveroorzakende feit, hetgeen zou betekenen dat de toerekening aan een verweerder van handelingen die in een andere lidstaat door een derde persoon zijn gepleegd, geen grondslag kan vormen voor de bevoegdheid van een rechter inzake onrechtmatige daad.

55.      Bovendien biedt, zoals gezegd, de in artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 opgenomen regel, in tegenstelling tot artikel 2 van deze verordening, de mogelijkheid om onder alle ratione materiae bevoegde gerechten van een lidstaat één specifiek gerecht te bepalen. Uit punt 12 van de considerans van de verordening blijkt dat artikel 5 met deze aanpak beoogt dat gerecht aan te wijzen, dat geografisch nauw is verbonden met de vordering en dus het best in staat is om in de zaak te beslissen.

56.      Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat deze bevoegdheidsregel berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting – met name in termen van een geringere afstand en gemakkelijkere bewijsvoering – de bevoegdheid van deze laatste gerechtvaardigd is.(37)

57.      Zou nu deze door de verwijzende rechter voorgestelde nieuwe bevoegdheidsgrond worden aanvaard, dan zou deze redenering ertoe leiden dat in een situatie als in het hoofdgeding het gerecht dat zijn bevoegdheid ontleent aan het handelen van een niet-gedagvaarde derde, in casu een derde met woonplaats in Duitsland, zich zou moeten uitspreken over de aansprakelijkheid van een verweerder, in casu gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, waarvan de beweerde onrechtmatige handelingen – niet wordt betwist dat MF Global UK uitsluitend op Brits grondgebied actief is geweest – geen nauw maar juist een ver verwijderd verband met het ressort van dat gerecht hebben. Zonder een voldoende significant verband met het geschil zou dat gerecht objectief niet het best in staat zijn om in zulke omstandigheden te beslissen.

58.      Mijns inziens druist het bijgevolg in tegen de systematiek van verordening nr. 44/2001 om de bevoegdheid te erkennen van het gerecht van de plaats waar enige hulppersoon of medepleger van de hoofddader van de onrechtmatige handeling is gevestigd, als subsidiaire plaats van het schadebrengende feit, en zulks ook wanneer de hoofdplaats van het schadebrengende feit in een andere lidstaat is gelegen. Deze zienswijze vindt steun in andere overwegingen betreffende het doel van verordening nr. 44/2001.

c)      Uitlegging in het licht van de doelstellingen van verordening nr. 44/2001

59.      Wat om te beginnen de procedurele argumenten betreft die zijn ontleend aan de doelstelling van een goede rechtsbedeling, genoemd in punt 12 in fine van de considerans van verordening nr. 44/2001, kan ik niet inzien in hoeverre een extensieve toekenning van bevoegdheid op de grondslag van het handelen van een andere dader die bewust niet is gedagvaard, rechtstreeks aan deze doelstelling zou beantwoorden, wanneer er – zoals in casu – slechts sprake is van één enkele verweerder. Uiteraard zou het anders zijn, wanneer het erom zou gaan verschillende, tegen diverse verweerders gerichte procedures zo veel mogelijk voor één en dezelfde rechter te brengen. In de onderhavige zaak speelt een dergelijke bundeling echter in het geheel geen rol.(38)

60.      Ik deel de zienswijze van de Duitse regering dat een aanvullende keuzemogelijkheid, onder de in de prejudiciële verwijzingsbeslissing voorgestelde voorwaarden, tegemoet zou kunnen komen aan het op zichzelf lovenswaardige streven om degene die het slachtoffer van een onrechtmatige daad meent te zijn, een ruimere keuze te geven, zodat hij geen vordering hoeft in te stellen in een plaats die voor hem meer kosten en onzekerheid met zich brengt, met name wat de bewijsvoering betreft. Het streven om het slachtoffer te bevoordelen vormt evenwel niet de grondslag van de bevoegdheidsregel van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001. Het Hof heeft immers verklaard dat artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001, in tegenstelling tot andere bepalingen van die verordening, niet de bescherming van de zwakste partij beoogt.(39)

61.      De eis om de toegang te vergemakkelijken tot die rechter die de meest nauwe band heeft met de feiten van het geschil, zoals uitdrukkelijk vermeld in punt 12 in limine van de considerans van de verordening, zou eerder tot een ontkennende beantwoording van de in casu gestelde prejudiciële vraag leiden. Mijns inziens moet namelijk het aantal mogelijkheden van de eiser om een bevoegde rechter te kiezen, ook als het gaat om een partij die beweert te zijn benadeeld, worden ingeperkt teneinde het gevaar van forum shopping te verkleinen.(40)

62.      Verder is het van wezenlijk belang dat het beginsel van rechtszekerheid wordt geëerbiedigd, dat de leidraad van de opstellers van verordening nr. 44/2001 vormde.(41) Zo wordt in punt 11 van de considerans van deze verordening gezegd dat de bevoegdheidsregels „in hoge mate voorspelbaar” moeten zijn. Het Hof heeft dienaangaande verklaard „dat het beginsel van rechtszekerheid onder meer vereist dat bevoegdheidsregels die van de algemene regel van artikel 2 [van verordening nr. 44/2001] afwijken, aldus worden uitgelegd, dat een gemiddeld oordeelkundig verweerder op grond daarvan redelijkerwijs kan voorzien, voor welke andere rechter dan die van de staat van zijn woonplaats hij zou kunnen worden opgeroepen”.(42)

63.      Voorts was de intentie om eenvormige regels vast te stellen teneinde „een redelijk evenwicht [te] garanderen tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en die van de persoon die schade lijdt”(43), een belangrijke drijfveer voor de opstellers van verordening nr. 44/2001.(44) Het zoeken naar dit evenwicht zou mijns inziens ook voor het Hof leidend moeten zijn bij zijn uitlegging van artikel 5, punt 3, van deze verordening.

64.      Voor degene die schade zou hebben veroorzaakt, is het noodzakelijk om met enige zekerheid te kunnen voorspellen welke rechter voor verbintenissen uit onrechtmatige daad bevoegd is. Zo niet, zouden marktdeelnemers ontmoedigd kunnen worden om over de grenzen heen actief te worden. Gelet op de beginselen van de rechtszekerheid en het evenwicht tussen de belangen van partijen gaat het mij echter te ver een eiser toe te staan zich te wenden tot elke rechter van een lidstaat van de plaats waar deze of gene medepleger of hulppersoon, zonder zelf te zijn gedagvaard, heeft deelgenomen aan een onrechtmatige daad.

65.      Een nagenoeg oneindige verveelvoudiging van de mogelijke bevoegdheidsgronden bij onrechtmatige daad zou, zoals is uiteengezet in het rapport betreffende de concrete toepassing van verordening nr. 44/2001(45), ertoe kunnen leiden dat een aansprakelijk gestelde partij zich dient te verweren voor de rechterlijke instanties van verschillende lidstaten, en dus op basis van een waaier aan rechtsstelsels, waarvan waarschijnlijk het meest strikte zou prevaleren.

66.      Artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 is reeds met een zekere mate van flexibiliteit uitgelegd. De erkenning van steeds weer nieuwe aanknopingspunten bergt evenwel het gevaar in zich dat de rechtspraak van het Hof door haar vele vertakkingen niet alleen lastig te overzien blijft, maar ook via deze achterdeur artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 herschrijft. Zou een dergelijke tendens om voor een ruime uitlegging van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 te kiezen zich ongebreideld voortzetten, dan zou, doordat het fundamentele beginsel dat personen met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat normaliter worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat, naar het tweede plan wordt verwezen, het centrale mechanisme van die verordening volledig op zijn kop worden gezet.(46) Derhalve zou het Hof mijns inziens ervoor moeten waken om bij zijn uitlegging van dit artikel te ver op deze weg door te gaan.

67.      Ik ben bijgevolg van mening dat een ontkennende beantwoording van de prejudiciële vraag het meest recht doet aan zowel de uit de systematiek als de doelstellingen van verordening nr. 44/2001 voortvloeiende vereisten.

V –    Conclusie

68.      Gelet op het voorafgaande geef ik het Hof in overweging, de door het Landgericht Düsseldorf gestelde prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:

„Artikel 5, punt 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling opgenomen bijzondere bevoegdheidsregel ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad niet van toepassing is wanneer, in het geval van schadebrengende handelingen die door verschillende personen in verschillende lidstaten zouden zijn gepleegd, de tegen een van hen ingestelde vordering enkel een aanknoping met de aangezochte rechter heeft op basis van de plaats van het aan een hulppersoon of medepleger, die zelf niet voor die rechter is gedagvaard, toegerekende schadeveroorzakende feit.”


1 – Oorspronkelijke taal: Frans.


2–      PB 2001, L 12, blz. 1.


3 – Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van verordening nr. 44/2001 wordt in deze conclusie onder „lidstaat” verstaan alle lidstaten behalve het Koninkrijk Denemarken.


4 – Door de verwijzende rechter aangeduid als „wechselseitige Handlungsortzurechnung”.


5 – Het Hof heeft in zijn arrest van 30 november 1976, Bier (21/76, Jurispr. blz. 1735, punt 19), een onderscheid geïntroduceerd tussen de „plaats[...] van het intreden van de schade” en de „plaats[...] van de veroorzakende gebeurtenis” die aan deze schade ten grondslag ligt, aan welk onderscheid recentelijk is herinnerd in het arrest van 25 oktober 2012, Folien Fischer en Fofitec (C‑133/11, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


6 – De verwijzende rechter gebruikt de uitdrukking „wechselseitige Handlungsortzurechnung”, hetgeen, vrij vertaald in het Frans, overeenkomt met „imputation réciproque du lieu de l’acte dommageable” (in het Nederlands: wederkerige toerekening van de plaats van de schadebrengende handeling).


7 – Zo heeft het Bundesgerichtshof het Hof in overweging gegeven te verklaren dat de in het Duitse recht bestaande figuur van de „negative Feststellungsklage” (een negatieve verklaring voor recht) onder de werkingssfeer van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 valt, terwijl de Franse Cour de cassation zich tot het Hof heeft gewend met de vraag of „in het geval van een communautaire keten van overeenkomsten een forumkeuzebeding dat tussen de fabrikant van een zaak en een koper is overeengekomen in overeenstemming met artikel 23 van verordening [nr. 44/2001], werking [heeft] tegenover de latere verkrijger van die zaak”, hetgeen naar Frans recht mogelijk zou zijn. Zie met betrekking tot deze vragen mijn conclusie in de zaak Folien Fischer en Fofitec, die is uitgemond in het in voetnoot 5 aangehaalde arrest, en de aanhangige zaak Refcomp (C‑543/10).


8 – Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van MF Global UK Ltd (hierna: „MF Global UK”) namelijk opgemerkt dat reikhalzend wordt uitgezien naar het antwoord van het Hof, aangezien een groot aantal beursmakelaars in dit soort zaken is betrokken. Naar zijn zeggen behandelt zijn eigen kantoor ongeveer 150 met het hoofdgeding overeenkomende procedures.


9 – Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van Melzer verklaard W.W.H. niet te hebben gedagvaard, omdat deze vennootschap ten tijde van het instellen van de vordering in staat van insolventie verkeerde (de verwijzingsbeslissing vermeldt niet de datum waarop de vordering bij het Landgericht Düsseldorf is ingesteld, maar gegeven het feit dat de verwijzing is gedateerd op 29 april 2011 is het waarschijnlijk dat de zaak omstreeks die tijd aanhangig is gemaakt), terwijl volgens de schriftelijke opmerkingen van de genoemde vertegenwoordiger MF Global UK sinds 31 december 2011 in liquidatie is.


10 – De verwijzingsbeslissing vermeldt dienaangaande de „Overeenkomst tot de verlening van bemiddeling bij het afsluiten van beurstransacties”, de brochure met de titel „Een overzicht van de risico’s van termijntransacties”, en de toelichting „Belangrijke informatie over verliesrisico bij beurstermijntransacties”.


11 – Bekend met het feit dat een van de contracten een forumkeuzebeding bevatte, schuift de verwijzende rechter aldus indirect een contractuele grondslag voor de beweerde aansprakelijkheid terzijde.


12 – Ik merk in dit stadium op dat bij lezing van de verwijzingsbeslissing onduidelijkheid blijft bestaan met betrekking tot de respectieve rol die MF Global UK en W.W.H. bij de schadebrengende handeling als hoofddader of hulppersoon hebben gespeeld.


13 – Executieverdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: „Executieverdrag”).


14 – De nieuwigheid ervan is betrekkelijk, aangezien dit uitgangspunt reeds was aanvaard in de rechtspraak van het Hof met betrekking tot het Executieverdrag, al was er volgens de Commissie dienaangaande enige onduidelijkheid blijven bestaan [zie voorstel voor een verordening (EG) van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – COM(1999) 348 def., blz. 15].


15 – Zie arrest Folien Fischer en Fofitec (aangehaald in voetnoot 5, punten 31 en 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


16 – De door Melzer aangevoerde dolus of culpa in contrahendo moet namelijk in casu worden geplaatst in een kader waarin de onderhandelingen tussen partijen zijn uitgemond in het sluiten van een overeenkomst. Met betrekking tot de tegenovergestelde figuur heeft het Hof in zijn arrest van 17 september 2002, Tacconi (C‑334/00, Jurispr. blz. I‑7357) verklaard dat in omstandigheden waarin geen sprake is van een uit onderhandelingen voortgekomen overeenkomst, een vordering ter zake van precontractuele aansprakelijkheid tegen de verweerder niet van contractuele aard is, maar een vordering uit onrechtmatige daad.


17 – Zie onder andere arresten van 20 maart 1997, Phytheron International (C‑352/95, Jurispr. blz. I‑1729, punt 14), en 16 september 1999, WWF e.a. (C‑435/97, Jurispr. blz. I‑5613, punt 29).


18–      Arrest van 10 juni 2004, Kronhofer (C‑168/02, Jurispr. blz. I‑6009, punten 18 e.v.).


19 – De Commissie preciseert dat – ook al hebben de nadelige gevolgen van de schadebrengende handelingen, te weten de met een groot risico verbonden beurstransacties die door MF Global UK in het Verenigd Koninkrijk zijn doorgevoerd, voor Melzer hun weerslag in Duitsland – dit feit volgens de rechtspraak van het Hof geen aanknopingspunt kan bieden waarop de bevoegdheid van de Duitse rechterlijke instanties uit hoofde van artikel 5, punt 3, kan worden gebaseerd, wanneer zowel het schadeveroorzakende feit als het intreden van de schade zich op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk heeft voltrokken.


20 – Uit de in deze bepaling gebruikte bewoordingen, te weten „de gerechten van die lidstaat”, blijkt dat een competentieregel van algemene aard wordt gegeven, aangezien hiermee het gerechtelijk systeem van een lidstaat als geheel wordt aangeduid, terwijl de bevoegdheid op plaatselijk niveau moet worden bepaald volgens de nationale procedureregels die het begrip „woonplaats” definiëren, aldus artikel 59 van verordening nr. 44/2001.


21 – Door aan te geven dat de eiser zijn vordering kan instellen „voor het gerecht” van de plaats van uitvoering van de verbintenis en respectievelijk de plaats van het schadebrengende feit, leggen deze bepalingen een bijzondere bevoegdheidsregel vast.


22–      Deze rechtspraak vindt, in de lijn van het arrest van 7 maart 1995, Shevill e.a. (C‑68/93, Jurispr. blz. I‑415), haar oorsprong in specifieke vragen bij de grensoverschrijdende lokalisering van de plaats waar langs de weg van pers en telecommunicatie (radio, televisie of internet) onrechtmatigheden zijn begaan. Zo heeft het Hof in een zaak waarin sprake was van aantasting van persoonlijkheidsrechten door publicatie van informatie op internet verklaard dat ook de rechter van de plaats waar een persoon het centrum van zijn belangen heeft, bevoegd kan zijn (zie arrest van 25 oktober 2011, eDate Advertising e.a., C‑509/09 en C‑161/10, Jurispr. blz. I-10269, punten 47 e.v.).


23 – Een keuze tussen twee mogelijkheden die aanvaard is sinds het arrest Bier (aangehaald in voetnoot 5, punt 19) ter zake van de uitlegging van artikel 5, lid 3, van het Executieverdrag, en die sindsdien veelvuldig is bevestigd, onder andere in het arrest Folien Fischer en Fofitec (aangehaald in voetnoot 5, punten 39 en 40).


24 – Om de in de punten 31 en 32 hierboven uiteengezette redenen kan het aanhouden van een bankrekening door het beweerde slachtoffer in een lidstaat geen voldoende aanknopingspunt zijn voor de bevoegdheid van een rechter van die lidstaat. Het gaat hierbij immers om een criterium dat door een hoge mate van toevalligheid wordt gekenmerkt.


25 – Volgens de verwijzingsbeslissing beweert Melzer dat W.W.H. door de bemiddeling in kansloze opties hem, in de zin van § 826 van het Duitse burgerlijk wetboek, opzettelijk en onrechtmatig schade heeft berokkend en haar informatieverplichting niet is nagekomen en dat MF Global UK op zijn minst voorwaardelijk opzettelijk aan deze in Duitsland gepleegde onrechtmatige daad heeft deelgenomen.


26 – Het Landgericht Düsseldorf meent dat het bij toepassing van het interne Duitse recht ratione loci bevoegd zou zijn voor de bij hem ingestelde vordering, gegeven het feit dat W.W.H. haar schadebrengende handeling, te weten de aanwerving van Melzer als klant, in Düsseldorf heeft gepleegd.


27 – Preciezer gezegd: de nationale rechter merkt in zijn verwijzingsbeslissing op dat in een situatie als die in het hoofdgeding de beslissende horde van aanwerving van het beweerde slachtoffer als klant en het op zijn verzoek openen van een individuele effectenrekening bij de buitenlandse beursmakelaar, optiecontracten naar deze rekening te laten overboeken en geldsommen ter beschikking te stellen voor beleggingen met opties, zonder hem de waarde van geboekte posities te laten uitbetalen, in Duitsland had moeten overwonnen.


28 – Zie arrest van 6 september 2012, Mühlleitner (C‑190/11, punt 28), en arrest Folien Fischer en Fofitec (aangehaald in voetnoot 5, punt 30) en de in deze arresten aangehaalde rechtspraak.


29 – Zie punt 2 van de considerans van verordening nr. 44/2001.


30–      Zie onder andere arrest van 6 september 2012, Trade Agency (C‑619/10, punt 27).


31 – Bij mijn weten kunnen uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001 geen voor de beantwoording van de prejudiciële vraag nuttige aanwijzingen worden afgeleid, waarbij ik er tegelijk op wijs dat deze tekst in zijn huidige vorm nogal beknopt is. Zie dienaangaande het toelichtend rapport, opgesteld door professor F. Pocar, met betrekking tot het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Lugano op 30 oktober 2007 (PB 2009, C 319, blz. 1, punten 58 e.v.).


32 – Krachtens deze bepaling is, wanneer er verschillende verweerders zijn, de rechtbank van de woonplaats van een van hen bevoegd om zich uit te spreken over de vorderingen die door dezelfde eiser tegen meerdere verweerders zijn ingesteld, mits een zodanige samenhang hiertussen bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen worden gegeven, zelfs wanneer deze vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben (arrest van 11 oktober 2007, Freeport, C‑98/06, Jurispr. blz. I‑8319, punten 38 e.v.).


33 – Zie voetnoot 9 hierboven met betrekking tot de uitleg van de vertegenwoordiger van Melzer dienaangaande.


34–       Zie onder andere arrest van 16 juli 2009, Zuid-Chemie (C‑189/08, Jurispr. blz. I‑6917, punt 22).


35 – Zie naar analogie arresten van 17 september 2009, Vorarlberger Gebietskrankenkasse (C‑347/08, Jurispr. blz. I‑8661, punt 39), en 12 mei 2011, BVG (C‑144/10, Jurispr. blz. I-3961, punt 30).


36 – In het arrest Kronhofer (aangehaald in voetnoot 18, punt 19) heeft het Hof eraan herinnerd dat het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet zo ruim mag worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt.


37 – Zie onder andere arrest van 19 april 2012, Wintersteiger (C‑523/10, punt 18), en arrest Folien Fischer en Fofitec (aangehaald in voetnoot 5, punten 37 en 38).


38 – Zie naar analogie arrest Kronhofer (aangehaald in voetnoot 18, punt 18) waarin het Hof heeft verklaard dat de verlening van bevoegdheid aan de gerechten van een andere verdragsluitende staat dan die op het grondgebied waarvan de veroorzakende gebeurtenis en het intreden van de schade hebben plaatsgevonden, noch voor de bewijslevering noch voor de procesinrichting objectief noodzakelijk is.


39 – Zie arrest Folien Fischer en Fofitec (aangehaald in voetnoot 5, punten 45 en 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


40 – Dit probleem is aangesneden door het Europees Parlement, dat in zijn resolutie van 7 september 2010 over de uitvoering en herziening van verordening nr. 44/2001 heeft voorgesteld het vereiste van „voldoende, wezenlijke of betekenisvolle bindingen” in te voeren teneinde „de mogelijkheid van forumkeuze volgens de gunstigste verwachtingen (‚forum shopping’)” op het gebied van onrechtmatige daad te beperken [2009/2140(INI). P7_TA(2010)0304, overweging Q en punt 25].


41 – Zo heeft de Commissie in haar bovengenoemde voorstel dat heeft geleid tot de vaststelling van verordening nr. 44/2001, verwezen naar de „[r]echtszekerheid op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid” en de doelstelling van de opstelling van „duidelijke regels inzake de rechterlijke bevoegdheid” [COM(1999) 348 def., punt 1.1].


42–      Zie bijvoorbeeld arrest van 1 maart 2005, Owusu (C‑281/02, Jurispr. blz. I‑1383, punt 40). De doelstelling van rechtszekerheid kan namelijk niet in die zin worden verstaan dat uitsluitend de eiser in staat dient te worden gesteld om te bepalen welk gerecht hij kan aanzoeken, zoals het Hof heeft verklaard in onder andere de arresten Kronhofer (aangehaald in voetnoot 18, punt 20), en Folien Fischer en Fofitec (aangehaald in voetnoot 5, punt 33).


43 – Volgens de formulering in punt 16 van de considerans van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet‑contractuele verbintenissen („Rome II”) (PB L 199, blz. 40).


44 – In het voorstel van de Commissie dat heeft geresulteerd in verordening nr. 44/2001 „is [...] de kern van het akkoord dat in de Raad was bereikt over het vereiste evenwicht tussen de belangen van partijen die bij een geschil zouden kunnen worden betrokken, overgenomen” [COM(1999) 348 def., punt 2.1].


45 – Zie de bezwaren die zijn aangevoerd tegen de door het Hof met zijn arrest Shevill e.a. (aangehaald in voetnoot 22) ingevoerde „mozaïekregel”, Hess, B., Pfeiffer, T., en Schlosser, P., Report on the Application of Regulation Brussels I in the Member States, Study JLS/C4/2005/03, definitieve versie van september 2007, punt 214.


46 – Zie naar analogie arrest van 22 mei 2008, Glaxosmithkline en Laboratoires Glaxosmithkline (C‑462/06, Jurispr. blz. I‑3965, punt 32), waarin het Hof heeft verklaard dat „[d]e ombuiging door de gemeenschapsrechter van de bijzondere bevoegdheidsregels die zijn bedoeld om een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, in eenzijdige bevoegdheidsregels ter bescherming van de meest zwak geachte partij, [...] het evenwicht tussen de belangen zoals de gemeenschapswetgever dat bij de huidige stand van het recht tot stand heeft gebracht, [zou] verstoren”.