Language of document : ECLI:EU:C:2020:945

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

19 november 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Asielbeleid – Richtlijn 2011/95/EU – Voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus – Weigering militaire dienst te vervullen – Artikel 9, lid 2, onder e) – Recht van het land van herkomst waarin niet is voorzien in het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren – Bescherming van personen die hun land van herkomst zijn ontvlucht na het verstrijken van de termijn voor uitstel van militaire dienst – Artikel 9, lid 3 – Verband tussen de in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde vervolging en bestraffing – Bewijs”

In zaak C‑238/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Hannover (bestuursrechter in eerste aanleg Hannover, Duitsland) bij beslissing van 7 maart 2019, ingekomen bij het Hof op 20 maart 2019, in de procedure

EZ

tegen

Bundesrepublik Deutschland,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot (rapporteur), president van de Eerste kamer, waarnemend voor de kamerpresident, C. Toader en M. Safjan, rechters,

advocaat-generaal: E. Sharpston,

griffier: R. Schiano, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 maart 2020,

gelet op de opmerkingen van:

–        EZ, vertegenwoordigd door S. Schröder, Rechtsanwältin,

–        de Bundesrepublik Deutschland, vertegenwoordigd door A. Horlamus als gemachtigde,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door R. Kanitz als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en M. Condou-Durande als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 mei 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 9, lid 2, onder e), en lid 3, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen EZ, onderdaan van Syrië, en de Bundesrepublik Deutschland (Bondsrepubliek Duitsland) over het besluit van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (federaal bureau voor migratie en vluchtelingen) om EZ niet als vluchteling te erkennen.

 Toepasselijke bepalingen

 Verdrag van Genève

3        Het op 22 april 1954 in werking getreden Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], zoals aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen dat op 31 januari 1967 te New York is gesloten en op 4 oktober 1967 in werking is getreden (hierna: „Verdrag van Genève”), bepaalt in artikel 1, onder A, het volgende:

„Voor de toepassing van dit verdrag geldt als ‚vluchteling’ elke persoon:

[...]

(2)      die, [...] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren.

[...]”

 Richtlijn 2011/95

4        De overwegingen 2, 4, 12, 24 en 29 van richtlijn 2011/95 luiden:

„(2)      Een gemeenschappelijk asielbeleid, met inbegrip van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel, behoort tot de doelstelling van de Europese Unie geleidelijk een ruimte van vrijheid, veiligheid en [recht] tot stand te brengen die openstaat voor degenen die onder druk van de omstandigheden op legale wijze om bescherming in de Unie verzoeken.

[...]

(4)      Het Verdrag van Genève [...] [vormt] de hoeksteen van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen.

[...]

(12)      Het hoofddoel van deze richtlijn is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk [internationale] bescherming behoeven en anderzijds ervoor te zorgen dat deze personen in alle lidstaten over bepaalde minimumvoordelen kunnen beschikken.

[...]

(24)      Het is nodig gemeenschappelijke begrippen in te voeren van de criteria op grond waarvan asielzoekers als vluchtelingen in de zin van artikel 1 van het Verdrag van Genève worden aangemerkt.

[...]

(29)      Een van de voorwaarden om te worden erkend als vluchteling in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève is het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de redenen voor vervolging, namelijk ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep en de daden van vervolging of de afwezigheid van bescherming tegen dergelijke daden.”

5        Volgens artikel 2, onder d), van deze richtlijn wordt hierin onder „vluchteling” verstaan „een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen [...]”.

6        Artikel 4 van deze richtlijn is opgenomen in hoofdstuk II, met als opschrift „Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming”, en bepaalt:

„1.      De lidstaten mogen van de verzoeker verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

2.      De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoeker en alle documentatie in het bezit van de verzoeker over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.

3.      De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:

a)      alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;

b)      de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;

c)      de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;

d)      de vraag of zijn activiteiten, sedert hij zijn land heeft verlaten, uitsluitend ten doel hadden de nodige voorwaarden te scheppen om een verzoek om internationale bescherming te kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld;

e)      de vraag of in redelijkheid kan worden verwacht dat de verzoeker zich onder de bescherming kan stellen van een ander land waar hij zich op zijn staatsburgerschap kan beroepen.

4.      Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.

5.      Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoeker is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoeker, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:

a)      de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;

b)      alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen;

c)      de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;

d)      de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en

e)      vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.”

7        Artikel 9 („Daden van vervolging”) luidt als volgt:

„1.      Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:

a)      zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het [op 4 november 1950 te Rome ondertekende] Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of

b)      een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).

2.      Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:

[...]

e)      vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder het toepassingsgebied van de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, vallen;

[...]

3.      Overeenkomstig artikel 2, onder d), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.”

8        Artikel 10 van richtlijn 2011/95 is als volgt verwoord:

„1.      Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen:

[...]

e)      het begrip ‚politieke overtuiging’ houdt met name in dat de betrokkene een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 6 genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

2.      Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.”

9        Artikel 12 van deze richtlijn heeft als opschrift „Uitsluiting” en bepaalt in lid 2 het volgende:

„Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat:

a)      hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;

[...]”

 Duits recht

10      Het Asylgesetz (asielwet), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „AsylG”), bepaalt in § 3, met als opschrift „Toekenning van de vluchtelingenstatus”, het volgende:

„(1)      Een vreemdeling is een vluchteling in de zin van het [Verdrag van Genève] wanneer hij zich

1.      wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep,

2.      bevindt buiten het land (land van oorsprong)

a)      waarvan hij de nationaliteit bezit en waarvan hij geen bescherming kan of, wegens deze vrees, wil inroepen,

[...]

(2)      Een vreemdeling is geen vluchteling in de zin van lid 1 wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij:

1.      een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven,

2.      vóór zijn toelating als vluchteling buiten het bondsgebied een ernstig, niet-politiek misdrijf, in het bijzonder een wrede daad, heeft begaan, zelfs indien daarmee een beweerd politiek doel werd nagestreefd, of

3.      in strijd met de doelstellingen en de beginselen van de Verenigde Naties heeft gehandeld.

[...]”

11      § 3a („Daden van vervolging”) luidt als volgt:

„(1)      Als vervolging in de zin van § 3, lid 1, worden daden aangemerkt die

1.      zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [...], of

2.      een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt 1.

(2)      Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:

[...]

5.      vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van § 3, lid 2, van deze wet vallen,

[...]

(3)      Er moet een verband zijn tussen de in § 3, lid 1, punt 1, gelezen in samenhang met de in § 3b genoemde gronden van vervolging, en de daden die in de leden 1 en 2 als vervolging worden aangemerkt of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.”

12      § 3b van de AsylG, met als opschrift „Gronden van vervolging”, luidt als volgt:

„(1)      Bij de beoordeling van de gronden van vervolging overeenkomstig § 3, lid 1, punt 1, moet rekening worden gehouden met de volgende elementen:

[...]

5.      het begrip ‚politieke overtuiging’ houdt met name in dat de vreemdeling een opvatting, gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in § 3c genoemde potentiële actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of hij zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden.

(2)      Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13      EZ heeft de Syrische nationaliteit en heeft zijn land op 6 november 2014 verlaten. Hij is op 5 september 2015 in Duitsland aangekomen en heeft op 28 januari 2016 een asielverzoek ingediend.

14      Hij heeft verklaard dat hij in november 2014 uit Syrië is gevlucht om zijn militaire dienst te ontlopen. Hij vreesde namelijk deel te moeten nemen aan de burgeroorlog. Tot februari 2015 had hij uitstel van militaire dienst gekregen om zijn universitaire opleiding af te ronden.

15      Op 11 april 2017 heeft het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge hem subsidiaire bescherming toegekend, maar zijn asielverzoek afgewezen omdat hij zelf geen vervolging had ondergaan die hem ertoe aanzette te vertrekken. Volgens deze autoriteit hoeft de betrokkene, die enkel de burgeroorlog is ontvlucht, bij terugkeer naar Syrië niet te vrezen voor vervolging. Hoe dan ook bestaat er geen verband tussen de door hem gevreesde vervolging en de redenen voor vervolging die recht kunnen geven op erkenning als vluchteling.

16      EZ heeft op 1 mei 2017 tegen dit besluit beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, het Verwaltungsgericht Hannover (bestuursrechter in eerste aanleg Hannover, Duitsland). Hij is in essentie van mening dat hij, door zijn land van herkomst te ontvluchten teneinde de militaire dienstplicht te ontlopen en in Duitsland asiel aan te vragen, is blootgesteld aan een vervolgingsrisico op grond waarvan het gerechtvaardigd is hem de vluchtelingenstatus toe te kennen.

17      De verwijzende rechter stelt vast dat de nationale rechtspraak betreffende asielverzoeken van Syriërs die hun land zijn ontvlucht om de militaire dienst te ontlopen en om die reden bij terugkeer naar hun land zijn blootgesteld aan vervolging en bestraffing, niet eenduidig is.

18      Daarop heeft het Verwaltungsgericht Hannover de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Dient artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn [2011/95] aldus te worden uitgelegd dat een ‚weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict’ niet vereist dat de betrokkene de militaire dienst in het kader van een geformaliseerde procedure heeft geweigerd, indien het recht van het land van herkomst niet voorziet in een recht om militaire dienst te weigeren?

2)      Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: Ziet de uit hoofde van artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn [2011/95] verleende bescherming wegens ‚de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict’ ook op personen die zich na afloop van de periode van uitstel van de militaire dienst niet ter beschikking stellen van de militaire administratie van het land van herkomst en zich aan de verplichte rekrutering onttrekken door te vluchten?

3)      Indien de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord: Dient artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn [2011/95] aldus te worden uitgelegd dat voor een dienstplichtige die niet weet hoe en waar hij als militair zal worden ingezet, de militaire dienst direct of indirect ‚strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder het toepassingsgebied van de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, vallen’ louter op grond van het feit dat de strijdkrachten van zijn land van herkomst keer op keer en stelselmatig met inzet van dienstplichtigen dergelijke strafbare feiten of handelingen begaan?

4)      Dient artikel 9, lid 3, van richtlijn [2011/95] aldus te worden uitgelegd dat ook in het geval van vervolging in de zin van artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn [2011/95] overeenkomstig artikel 2, onder d), van richtlijn [2011/95] een verband moet bestaan tussen de in artikel 10 van richtlijn [2011/95] genoemde gronden van vervolging en de in artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn [2011/95] genoemde daden van vervolging dan wel het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden?

5)      Indien de vierde vraag bevestigend moet worden beantwoord: is er reeds dan sprake van een verband tussen de vervolging in de vorm van vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen en de grond van vervolging in de zin van artikel 9, lid 3, juncto artikel 2, onder d), van richtlijn [2011/95] wanneer de vervolging of bestraffing voortvloeit uit de weigering?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Opmerkingen vooraf

19      In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat uit de overwegingen 4 en 12 van richtlijn 2011/95 blijkt dat het Verdrag van Genève de hoeksteen vormt van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen en dat deze richtlijn met name is vastgesteld om ervoor te zorgen dat alle lidstaten op grond van dezelfde criteria bepalen welke personen daadwerkelijk internationale bescherming behoeven.

20      De bepalingen van richtlijn 2011/95 moeten dus worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene opzet en de doelstelling van die richtlijn, met inachtneming van het Verdrag van Genève en de andere relevante verdragen als bedoeld in artikel 78, lid 1, VWEU. Deze uitlegging moet blijkens overweging 16 van die richtlijn eveneens geschieden met eerbiediging van de rechten die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21      In de tweede plaats moet in herinnering worden gebracht dat volgens artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 onder „vluchteling” met name moet worden verstaan een onderdaan van een derde land die zich „wegens een gegronde vrees voor vervolging” om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de „bescherming” van dat land niet kan of, „wegens deze vrees”, niet wil inroepen. De betrokken onderdaan moet zich dus vanwege in zijn land van herkomst bestaande omstandigheden geconfronteerd zien met een gegronde vrees voor vervolging van zijn persoon, op ten minste een van de vijf in die richtlijn en het Verdrag van Genève genoemde gronden (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      In de derde plaats zij benadrukt dat artikel 9 van richtlijn 2011/95 bepaalt op grond van welke elementen daden beschouwd kunnen worden als vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève. In dit verband preciseert artikel 9, lid 1, onder a), van deze richtlijn dat de relevante daden zo ernstig van aard moeten zijn of zo vaak moeten voorkomen dat zij een ernstige schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de absolute rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voorts preciseert artikel 9, lid 1, onder b), van die richtlijn dat een samenstel van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, dat voldoende ernstig is om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in artikel 9, lid 1, onder a), van de richtlijn, eveneens moet worden beschouwd als vervolging. Uit deze bepalingen volgt dat schendingen van grondrechten slechts vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève vormen indien zij een bepaalde mate van ernst bereiken (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      In de vierde plaats zij erop gewezen dat bij de individuele beoordeling van een verzoek om internationale bescherming, krachtens artikel 4, lid 3, onder a) tot en met c), van richtlijn 2011/95 rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten die verband houden met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten en diens individuele situatie en persoonlijke omstandigheden.

24      Tegen de achtergrond van die overwegingen moet een uitlegging worden gegeven van artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95, waarin wordt bepaald dat daden van vervolging in de zin van lid 1 van dat artikel met name de vorm kunnen aannemen van vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, van deze richtlijn vallen.

25      Bovendien blijkt, wat het hoofdgeding betreft, uit de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens dat EZ als dienstplichtige gedwongen zou kunnen worden om in het kader van de Syrische burgeroorlog misdrijven te plegen die „oorlogsmisdrijven” of „misdrijven tegen de menselijkheid” vormen in de zin van artikel 12, lid 2, onder a), van richtlijn 2011/95.

 Eerste en tweede vraag

26      Met zijn eerste twee vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling, wanneer het recht van de staat van herkomst geen mogelijkheid biedt om de militaire dienst te weigeren, eraan in de weg staat dat deze weigering wordt vastgesteld in een situatie waarin de betrokkene zijn weigering niet volgens een bepaalde procedure heeft geformaliseerd en zijn land van herkomst is ontvlucht zonder zich bij de militaire autoriteiten te melden.

27      De daden van vervolging waaraan de persoon die verzoekt om de vluchtelingenstatus in de zin van deze bepaling beweert te worden blootgesteld, moeten volgens artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 voortvloeien uit zijn weigering om de militaire dienst te vervullen. Bijgevolg moet deze weigering het enige middel zijn waarmee de betrokkene kan voorkomen dat hij deelneemt aan de in artikel 12, lid 2, onder a), van deze richtlijn bedoelde misdrijven (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 44).

28      Hieruit volgt dat de omstandigheid dat de persoon die om de vluchtelingenstatus verzoekt, geen gebruik heeft gemaakt van een procedure tot het verkrijgen van de status van gewetensbezwaarde, elke bescherming op grond van artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 uitsluit, tenzij deze verzoeker aantoont dat hem in zijn concrete situatie geen zodanige procedure ter beschikking stond (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 45).

29      In het bijzonder wanneer het recht van de staat van herkomst niet voorziet in de mogelijkheid om te weigeren de militaire dienst te vervullen en er dus geen procedure daartoe bestaat, kan van de dienstweigeraar niet worden verlangd dat hij zijn weigering door middel van een bepaalde procedure formaliseert.

30      Bovendien kan in dit geval, gelet op het feit dat die weigering volgens het recht van de staat van herkomst onrechtmatig is en de dienstweigeraar daardoor wordt blootgesteld aan vervolging en bestraffing, van die laatste redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij zijn weigering voor de militaire autoriteiten tot uitdrukking brengt.

31      Deze omstandigheden volstaan echter niet om aan te tonen dat de betrokkene werkelijk heeft geweigerd zijn militaire dienst te vervullen. Overeenkomstig artikel 4, lid 3, onder a) tot en met c), van richtlijn 2011/95 moet getoetst worden of die weigering werkelijk heeft plaatsgevonden, net zoals de andere ter ondersteuning van het verzoek om internationale bescherming aangevoerde gegevens getoetst moeten worden, waarbij rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten en diens individuele situatie en persoonlijke omstandigheden, zoals in herinnering gebracht in punt 23 van dit arrest.

32      Bijgevolg moet artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling, wanneer het recht van de staat van herkomst geen mogelijkheid biedt om de militaire dienst te weigeren, er niet aan in de weg staat dat deze weigering wordt vastgesteld indien de betrokkene zijn weigering niet volgens een bepaalde procedure heeft geformaliseerd en zijn land van herkomst is ontvlucht zonder zich bij de militaire autoriteiten te melden.

 Derde vraag

33      Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat voor een dienstplichtige die weigert om zijn militaire dienst te vervullen tijdens een conflict maar niet weet hoe en waar hij als militair zal worden ingezet, de vervulling van zijn militaire dienst inhoudt dat hij misdrijven begaat of handelingen verricht zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn, louter op grond van het feit dat de strijdkrachten van zijn land van herkomst keer op keer en stelselmatig met inzet van dienstplichtigen dergelijke strafbare feiten of handelingen begaan.

34      Het staat uitsluitend aan de nationale autoriteiten om onder rechterlijk toezicht te beoordelen of het vervullen van de militaire dienst door de persoon die op grond van artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 om toekenning van de vluchtelingenstatus verzoekt, noodzakelijkerwijs – of althans zeer waarschijnlijk – tot gevolg zou hebben dat hij de in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn bedoelde misdrijven begaat (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 40).

35      Deze beoordeling van de feiten moet gebaseerd zijn op een reeks aanwijzingen waarmee – gelet op alle omstandigheden van het geval, met name die betreffende de relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, en de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker – kan worden aangetoond dat de omstandigheden in hun geheel het begaan van de gestelde oorlogsmisdrijven aannemelijk maken (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 46).

36      Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat situaties waarin de aanvrager slechts indirect aan dergelijke misdrijven deelneemt, met name omdat hij niet tot de gevechtstroepen behoort maar bijvoorbeeld bij een logistieke of ondersteunende eenheid is ingedeeld, niet principieel uitgesloten zijn (zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 37).

37      In de context van de algemene burgeroorlog die in Syrië woedde op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek van de betrokkene werd genomen, dat wil zeggen in april 2017, en in het bijzonder gelet op het feit dat het Syrische leger – met inbegrip van de uit dienstplichtigen bestaande eenheden – herhaaldelijk en stelselmatig oorlogsmisdrijven heeft gepleegd die volgens de verwijzende rechter goed zijn gedocumenteerd, lijkt het zeer waarschijnlijk dat een dienstplichtige, ongeacht waar hij wordt ingezet, ertoe wordt gedwongen direct of indirect deel te nemen aan het plegen van de betrokken misdrijven, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

38      Bijgevolg moet artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 aldus worden uitgelegd dat voor een dienstplichtige die weigert om zijn militaire dienst te vervullen tijdens een conflict maar niet weet hoe en waar hij als militair zal worden ingezet, de vervulling van zijn militaire dienst in de context van een algemene burgeroorlog waarin het leger herhaaldelijk en systematisch misdrijven begaat of daden pleegt zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn en waarbij dit leger gebruikmaakt van dienstplichtigen, inhoudt dat deze dienstplichtige direct of indirect deelneemt aan het plegen van dergelijke misdrijven of daden, ongeacht waar hij wordt ingezet.

 Vierde vraag

39      Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat er een verband moet bestaan tussen de in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de vervolging en bestraffing bedoeld in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn.

40      Deze vraag moet niet alleen in het licht van de bewoordingen van dit artikel 9 worden beantwoord, maar ook in het licht van de context ervan en de bedoeling van de Uniewetgever.

41      In de eerste plaats volgt uit de bewoordingen van artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 dat er een verband moet zijn tussen de in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de daden van vervolging in de zin van artikel 9, lid 1, ervan of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden. Artikel 9, lid 2, van deze richtlijn bevat een illustratieve lijst met daden van vervolging in de zin van artikel 9, lid 1. Het vereiste van een verband tussen de in artikel 10 genoemde gronden en de daden van vervolging in de zin van artikel 9, lid 1, geldt dus met name voor de in artikel 9, lid 2, opgesomde daden van vervolging, daaronder begrepen die bedoeld onder e) van die bepaling.

42      In de tweede plaats is deze uitlegging in overeenstemming met de definitie van het begrip „vluchteling” in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95, namelijk een onderdaan van een derde land of een staatloze die op goede gronden vreest voor vervolging om een van de vijf in deze bepaling genoemde en in artikel 10 van deze richtlijn nader uitgewerkte redenen, en die de bescherming van het land waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen.

43      In de derde plaats strekt richtlijn 2011/95 ertoe, zoals blijkt uit overweging 24, gemeenschappelijke criteria vast te stellen voor de erkenning als vluchteling in de zin van het Verdrag van Genève. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1, onder A, punt 2, van dit Verdrag beperkt deze richtlijn het recht op asiel dus tot personen die op goede gronden vrezen voor vervolging wegens hun ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of hun politieke overtuiging, zoals ook blijkt uit overweging 29 van de richtlijn.

44      Gelet op een en ander moet artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling vereist dat er een verband bestaat tussen de in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de vervolging en bestraffing bedoeld in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn.

 Vijfde vraag

45      Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 9, lid 2, onder e), juncto artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95, aldus moet worden uitgelegd dat het als vaststaand gegeven geldt dat er een verband bestaat tussen de in artikel 2, onder d), alsook in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde vervolging en bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, louter omdat de vervolging en bestraffing verband houden met die weigering.

46      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95, doordat deze bepaling verwijst naar vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen tijdens een conflict, wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van artikel 12, lid 2, van die richtlijn vallen, een aantal daden van vervolging definieert aan de hand van hun grond, en dat deze grond verschilt van de gronden die in artikel 2, onder d), en artikel 10 van deze richtlijn limitatief worden opgesomd, te weten ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

47      In veel gevallen is de weigering om de militaire dienst te vervullen zeker een uiting van politieke overtuigingen – of die nu bestaan in de afwijzing van elk gebruik van militair geweld dan wel in het verzet tegen de politiek of de handelwijze van de autoriteiten in het land van herkomst –, geloofsovertuigingen of het behoren tot een bepaalde sociale groep. In die gevallen kunnen de daden van vervolging waartoe deze weigering aanleiding kan geven, eveneens met dezelfde gronden in verband worden gebracht.

48      Zoals de advocaat-generaal in punt 67 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan de militaire dienst echter ook op andere gronden worden geweigerd dan de vijf bovengenoemde vervolgingsgronden. Deze weigering kan onder meer gegrond zijn op de vrees om te worden blootgesteld aan de gevaren die verbonden zijn aan het vervullen van de militaire dienst tijdens een gewapend conflict.

49      De aanname dat de weigering om in de in artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 genoemde omstandigheden de militaire dienst te vervullen, hoe dan ook verband houdt met één van de vijf in het Verdrag van Genève bedoelde vervolgingsgronden, zou er dus in werkelijkheid op neerkomen dat aan die gronden andere vervolgingsgronden worden toegevoegd en dat de werkingssfeer van die richtlijn, ten opzichte van die van het Verdrag van Genève, dus wordt uitgebreid. Een dergelijke uitlegging is onverenigbaar met de in overweging 24 van die richtlijn uiteengezette duidelijke bedoeling van de Uniewetgever om te komen tot harmonisatie van de wijze waarop binnen de Unie de vluchtelingenstatus in de zin van het Verdrag van Genève wordt toegepast.

50      Daarom kan het bestaan van een band tussen ten minste één van de in artikel 10 van deze richtlijn genoemde vervolgingsgronden en de vervolging en bestraffing als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder e), ervan, niet worden geacht vast te staan en bijgevolg te zijn onttrokken aan een onderzoek door de nationale autoriteiten die met de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming zijn belast.

51      Deze conclusie wordt bevestigd door de wijze waarop verzoeken om internationale bescherming volgens richtlijn 2011/95 moeten worden beoordeeld.

52      Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt namelijk dat de lidstaten van de verzoeker mogen verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De verklaringen van een persoon die om internationale bescherming verzoekt, vormen echter slechts het uitgangspunt van de procedure die de bevoegde autoriteiten voeren ter beoordeling van de feiten en omstandigheden (zie in die zin arrest van 25 januari 2018, F, C‑473/16, EU:C:2018:36, punt 28). Volgens deze bepaling heeft de lidstaat immers tot taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen.

53      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 2011/95 noemt als één van de relevante elementen die de bevoegde nationale autoriteiten moeten beoordelen, „redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient”. Daartoe behoren noodzakelijkerwijs ook de daden van vervolging waaraan de verzoeker stelt te worden blootgesteld. Het zonder onderzoek aannemen dat de vervolging en bestraffing wegens de weigering om in de in artikel 9, lid 2, onder e), van die richtlijn bedoelde omstandigheden militaire dienst te vervullen, verband houdt met één van de vijf in het Verdrag van Genève genoemde vervolgingsgronden, komt er dus op neer dat een wezenlijk element van de „redenen waarom [de verzoeker] het verzoek om internationale bescherming indient” aan de beoordeling door de bevoegde autoriteiten wordt onttrokken, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 4, lid 2, van die richtlijn.

54      Toch kan niet worden geoordeeld dat de persoon die om internationale bescherming verzoekt, moet bewijzen dat er een verband bestaat tussen de in artikel 2, onder d), alsook in artikel 10 van richtlijn 2011/95 genoemde gronden en de vervolging en bestraffing die hij riskeert door te weigeren om in de omstandigheden van artikel 9, lid 2, onder e), van die richtlijn zijn militaire dienst te vervullen.

55      Een dergelijke bewijslast zou namelijk in strijd zijn met de wijze waarop verzoeken om internationale bescherming volgens artikel 4 van richtlijn 2011/95 moeten worden beoordeeld. Ten eerste mogen de lidstaten, zoals in punt 52 van dit arrest in herinnering is gebracht, volgens artikel 4, lid 1, van deze richtlijn de verzoeker enkel ertoe verplichten dat hij „alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient”, en moet de lidstaat waar het verzoek is ingediend volgens dit artikel de relevante elementen van dat verzoek beoordelen. Ten tweede wordt, zoals de advocaat-generaal in punt 70 van haar conclusie heeft opgemerkt, in artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 erkend dat een verzoeker zijn verzoek niet altijd met schriftelijke of andere bewijzen zal kunnen staven, en bevat dit artikel een opsomming van de cumulatieve voorwaarden waaronder dergelijke bewijzen niet vereist zijn. In dit verband zijn de gronden voor de weigering om militaire dienst te vervullen en dus de vervolging die daardoor dreigt, subjectieve elementen van het verzoek die bijzonder moeilijk rechtstreeks zijn te bewijzen.

56      In die omstandigheden staat het aan de bevoegde nationale autoriteiten om, gelet op alle omstandigheden waar de persoon die om internationale bescherming verzoekt melding van maakt, te beoordelen of het aannemelijk is dat er een verband bestaat tussen de in artikel 2, onder d), alsook in artikel 10 van richtlijn 2011/95 genoemde gronden en de vervolging en bestraffing die dreigt bij weigering om in de omstandigheden van artikel 9, lid 2, onder e), van die richtlijn de militaire dienst te vervullen.

57      In dit verband moet worden benadrukt dat er een sterk vermoeden bestaat dat de weigering om onder de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde omstandigheden de militaire dienst te vervullen, verband houdt met één van de vijf in artikel 10 van die richtlijn genoemde gronden.

58      In de eerste plaats is het door de verduidelijking van de in artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 vermelde daden van vervolging evident dat de Uniewetgever dienstweigeraars het verkrijgen van de vluchtelingenstatus niet heeft willen bemoeilijken door een aanvullende voorwaarde te stellen voor het verkrijgen van die status, maar juist heeft geoordeeld dat deze vervolgingsgrond over het algemeen verband houdt met ten minste één van de vijf vervolgingsgronden die recht geven op de vluchtelingenstatus. Het feit dat gewetensbezwaarde dienstweigeraars die in de situatie verkeren dat het vervullen van de militaire dienst hen zou verplichten misdrijven tegen de vrede, oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid te begaan, in deze richtlijn apart worden vermeld, strookt immers volledig met de uitsluiting van de vluchtelingenstatus die volgens artikel 12 van deze richtlijn voor de daders van de bovengenoemde misdrijven geldt.

59      In de tweede plaats doet, zoals de advocaat-generaal in punt 75 van haar conclusie uiteenzet, de weigering om militaire dienst te vervullen, in het bijzonder wanneer daar zware straffen op staan, veronderstellen dat de waarden en politieke of religieuze overtuigingen van de betrokkene sterk conflicteren met die van de autoriteiten van het land van herkomst.

60      In de derde plaats is het in een gewapend conflict – met name bij een burgeroorlog – en wanneer er geen wettelijke mogelijkheid is om zich aan militaire verplichtingen te onttrekken, zeer waarschijnlijk dat de weigering om de militaire dienst te vervullen door de autoriteiten wordt uitgelegd als een daad van politiek verzet, ongeacht de mogelijkerwijs ingewikkeldere persoonlijke motieven van de betrokkene. Artikel 10, lid 2, van richtlijn 2011/95 bepaalt immers dat „[b]ij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, [...] het niet ter zake [doet] of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven”.

61      Uit een en ander volgt dat artikel 9, lid 2, onder e), juncto artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het niet als vaststaand gegeven geldt dat er een verband bestaat tussen de in artikel 2, onder d), alsook in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde vervolging en bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, louter omdat deze vervolging en bestraffing verband houden met die weigering. Niettemin bestaat er een sterk vermoeden dat de weigering om onder de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde omstandigheden de militaire dienst te vervullen, verband houdt met één van de vijf in artikel 10 ervan genoemde gronden. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten om, gelet op alle omstandigheden van het geval, na te gaan of dit verband aannemelijk is.

 Kosten

62      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling, wanneer het recht van de staat van herkomst geen mogelijkheid biedt om de militaire dienst te weigeren, er niet aan in de weg staat dat deze weigering wordt vastgesteld indien de betrokkene zijn weigering niet volgens een bepaalde procedure heeft geformaliseerd en zijn land van herkomst is ontvlucht zonder zich bij de militaire autoriteiten te melden.

2)      Artikel 9, lid 2, onder e), van richtlijn 2011/95 moet aldus worden uitgelegd dat voor een dienstplichtige die weigert om zijn militaire dienst te vervullen tijdens een conflict maar niet weet hoe en waar hij als militair zal worden ingezet, de vervulling van zijn militaire dienst in de context van een algemene burgeroorlog waarin het leger herhaaldelijk en systematisch misdrijven begaat of daden pleegt zoals bedoeld in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn en waarbij dit leger gebruikmaakt van dienstplichtigen, inhoudt dat deze dienstplichtige direct of indirect deelneemt aan het plegen van dergelijke misdrijven of daden, ongeacht waar hij wordt ingezet.

3)      Artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling vereist dat er een verband bestaat tussen de in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de vervolging en bestraffing bedoeld in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn.

4)      Artikel 9, lid 2, onder e), juncto artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 moet aldus worden uitgelegd dat het niet als vaststaand gegeven geldt dat er een verband bestaat tussen de in artikel 2, onder d), alsook in artikel 10 van deze richtlijn genoemde gronden en de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde vervolging en bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, louter omdat deze vervolging en bestraffing verband houden met die weigering. Niettemin bestaat er een sterk vermoeden dat de weigering om onder de in artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn bedoelde omstandigheden de militaire dienst te vervullen, verband houdt met één van de vijf in artikel 10 ervan genoemde gronden. Het staat aan de bevoegde nationale autoriteiten om, gelet op alle omstandigheden van het geval, na te gaan of dit verband aannemelijk is.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.