Language of document : ECLI:EU:C:2022:361

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

5 mei 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Deeltijdarbeid – Richtlijn 97/81/EG – Raamovereenkomst EVV, Unice en CEEP inzake deeltijdarbeid – Clausule 4, punt 1 – Beginsel van gelijke behandeling – Deeltijds academisch personeel – Automatische vaste benoeming voorbehouden aan leden van het academisch personeel met een voltijdse onderwijsopdracht – Berekening van het percentage van een voltijdse opdracht dat een deeltijdse opdracht vertegenwoordigt – Geen vereisten”

In zaak C‑265/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het hof van beroep Antwerpen (België) bij beslissing van 24 maart 2020, ingekomen bij het Hof op 15 juni 2020, in de procedure

FN

tegen

Universiteit Antwerpen e.a.,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: I. Ziemele, president van de Zesde kamer, waarnemend voor de president van de Zevende kamer, T. von Danwitz en A. Kumin (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        FN, vertegenwoordigd door P. Flamey en L. Cornelis, advocaten,

–        de Universiteit Antwerpen e.a., vertegenwoordigd door H. Buyssens en J. Deridder, advocaten,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Van Regemorter, L. Van den Broeck en C. Pochet als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Haasbeek, D. Recchia en C. Valero als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van clausule 4, punt 1, van de op 6 juni 1997 gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (hierna: „raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid (PB 1998, L 14, blz. 9), zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23/EG van de Raad van 7 april 1998 (PB 1998, L 131, blz. 10), en van clausule 4, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd”), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB 1999, L 175, blz. 43).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen FN enerzijds en de Universiteit Antwerpen (hierna: „UA”), een voormalige vicerector, een voormalige rector en voormalige decanen van deze universiteit, de Vlaamse Autonome Hogeschool Hogere Zeevaartschool (hierna: „Hogeschool”) en een voormalige directeur van deze instelling anderzijds wegens de beweerde onrechtmatige beëindiging van de aanstelling van FN als hoogleraar van de UA.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

 Raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid

3        Clausule 3, punt 1, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid definieert het begrip „deeltijdwerker” als „een werknemer wiens normale arbeidsduur, berekend op weekbasis of als gemiddelde over een werkperiode van maximaal één jaar, minder is dan die van een vergelijkbare voltijdwerker”.

4        Clausule 4 van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, met als opschrift „Het beginsel van gelijke behandeling”, bepaalt:

„1.      Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden deeltijdwerkers niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare voltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werkzaam zijn, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.

2.      Wanneer zulks passend is, wordt het ‚pro rata temporis’-beginsel toegepast.

3.      De wijze waarop deze clausule wordt toegepast, wordt door de lidstaten en/of de sociale partners bepaald met inachtneming van de Europese wetgeving en de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken.

4.      Indien zulks om objectieve redenen gerechtvaardigd is, kunnen de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, en/of de sociale partners eventueel de toegang tot bepaalde arbeidsvoorwaarden afhankelijk stellen van een bepaalde diensttijd, arbeidsduur of beloning. Drempelbepalingen voor deeltijdwerkers moeten op gezette tijden opnieuw worden bezien met inachtneming van het beginsel van non-discriminatie als bedoeld in clausule 4, punt 1.”

 Raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd

5        Clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, met als opschrift „Non-discriminatiebeginsel”, bepaalt in de punten 1 en 2:

„1.      Met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden worden werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd louter op grond van het feit dat zij voor bepaalde tijd werken, niet minder gunstig behandeld dan vergelijkbare werknemers in vaste dienst, tenzij het verschil in behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is.

2.      Wanneer zulks passend is, wordt het ‚pro rata temporis’-beginsel toegepast.”

6        Clausule 5 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, met als opschrift „Maatregelen ter voorkoming van misbruik”, bepaalt:

„1.      Teneinde misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd te voorkomen, voeren de lidstaten, na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig de nationale wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken, en/of de sociale partners, wanneer er geen gelijkwaardige wettelijke maatregelen ter voorkoming van misbruik bestaan, op een wijze die rekening houdt met de behoeften van bepaalde sectoren en/of categorieën werknemers, een of meer van de volgende maatregelen in:

a)      vaststelling van objectieve redenen die een vernieuwing van dergelijke overeenkomsten of verhoudingen rechtvaardigen;

b)      vaststelling van de maximale totale duur van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd;

c)      vaststelling van het aantal malen dat dergelijke overeenkomsten of verhoudingen mogen worden vernieuwd.

2.      De lidstaten, na raadpleging van de sociale partners, en/of, waar nodig, de sociale partners bepalen onder welke voorwaarden arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd:

a)      als ‚opeenvolgend’ worden beschouwd;

b)      geacht worden voor onbepaalde tijd te gelden.”

 Belgisch recht

7        Artikel 72, eerste alinea, van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap (Belgisch Staatsblad, 4 juli 1991, blz. 14907), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie (hierna: „universiteitendecreet”), bepaalde:

„Het universiteitsbestuur bepaalt voor elk lid van het academisch personeel het voltijds of deeltijds karakter van zijn opdracht. Het wijst tevens de organen aan waaraan die opdracht verbonden is.”

8        Artikel 73, eerste alinea, van het universiteitendecreet luidde als volgt:

„Het universiteitsbestuur bepaalt bij de vacantverklaring van een opdracht of die opdracht voltijds of deeltijds is dan wel tot een voltijdse [en/of] deeltijdse benoeming of aanstelling aanleiding kan geven.”

9        Volgens artikel 76 van dit decreet kon de opdracht van een lid van het zelfstandig academisch personeel in een deeltijds dienstverband ofwel uitsluitend onderwijsactiviteiten, ofwel uitsluitend onderzoeksactiviteiten of een combinatie van beide bevatten.

10      Artikel 91, eerste en tweede alinea, van dat decreet bepaalde:

„Een lid van het zelfstandig academisch personeel met een voltijdse opdracht wordt benoemd.

Een lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijdse opdracht kan ofwel benoemd worden, ofwel tijdelijk worden aangesteld voor hernieuwbare termijnen van ten hoogste zes jaar.”

11      Artikel 7 van het statuut zelfstandig academisch personeel van de Universiteit Antwerpen (hierna: „ZAP-statuut”) bepaalt dat er vanaf een tewerkstelling van 50 % of meer een vaste benoeming mogelijk is.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing komt naar voren dat FN gedurende een periode van ongeveer twintig jaar, tussen 1990 en 2009, binnen de faculteiten rechten en economische wetenschappen van de UA en de onderwijsinstellingen die haar in rechte zijn voorafgegaan opeenvolgende deeltijdse aanstellingen heeft gehad als assistent, doctor-assistent, docent, navorser, hoofddocent en hoogleraar. Blijkens het dossier waarover het Hof beschikt, behoorde FN uit dien hoofde tot het „zelfstandig” academisch personeel van de UA in de zin van het universiteitendecreet.

13      Voor elke benoeming zijn aan FN overeenkomsten voor bepaalde tijd van één tot drie jaar aangeboden. Deze overeenkomsten waren eveneens steeds deeltijds, en hadden betrekking op een onderwijsopdracht van, naargelang van het geval, tussen 10 en 75 % van een voltijdse functie. FN werd nooit vast benoemd.

14      Bij de laatste hernieuwing van zijn aanstelling voor het academiejaar 2009 werd hem een onderwijsopdracht aangeboden van 15 % van een voltijdse opdracht voor de faculteit toegepaste economische wetenschappen en van 5 % voor de rechtenfaculteit, terwijl zijn onderwijsopdrachten voordien respectievelijk 50 % en 10 % van een voltijdse opdracht bedroegen, en het aantal lesuren zou gedaald zijn van 165 uren naar 135 uren.

15      Na dit aanbod heeft FN bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen (België) een schadevordering ingesteld tegen verweerders in het hoofdgeding, primair op grond van hun buitencontractuele aansprakelijkheid en subsidiair wegens onrechtmatig ontslag hunnerzijds. Volgens FN werden sommige van zijn collega’s die zich in een vergelijkbare situatie bevonden namelijk voltijds vast benoemd en dit voor onbepaalde tijd. Bovendien stelt FN dat hij is tewerkgesteld binnen het kader van een „nepstatuut”, dat ook nog eens onverenigbaar is met het Unierecht.

16      Bij vonnis van 24 januari 2018 heeft de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen de vordering tegen de UA en de Hogeschool ontvankelijk maar ongegrond verklaard, en de vordering tegen de andere verwerende partijen in het hoofdgeding niet-ontvankelijk verklaard. FN heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, het hof van beroep Antwerpen (België).

17      Daarop heeft het hof van beroep Antwerpen de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moeten Clausule 4, punt 1, van de [raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd] en Clausule 4,1, van de [raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid] aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen het feit dat het aan een universiteit is toegelaten, op basis van een nationale regeling (artikel 91 Universiteitendecreet) luidens welke zelfstandig academisch personeel met een voltijdse opdracht vast wordt benoemd en personeel met een deeltijdse opdracht ofwel kan worden benoemd ofwel tijdelijk kan worden aangesteld voor hernieuwbare termijnen van ten hoogste zes jaar,

a)      een hoogleraar op basis van beleidsvrijheid gedurende twintig jaar tewerk te stellen op grond van een twintigtal opeenvolgende, kortlopende en deeltijdse arbeidsovereenkomsten en statutaire aanstellingen van één tot drie jaar, zonder enige beperking in het totaal aantal verlengingen, terwijl andere collega’s met vergelijkbare opdrachten een vaste en voltijdse benoeming genoten?

b)      in haar personeelsstatuut slechts een algemene minimumlimiet van een tewerkstellingspercentage van 50 procent te bepalen om in aanmerking te komen voor een vaste benoeming, maar geen enkel criterium vast te leggen op basis waarvan de voor 50 procent of meer tewerkgestelde deeltijdse personeelsleden vast benoemd dan wel tijdelijk aangesteld worden?

c)      aan een deeltijdse hoogleraar aanstellingspercentages toe te kennen op grond van onbeperkte ‚beleidsvrijheid’, zonder objectieve criteria vast te leggen, en zonder enige objectieve werklastmeting toe te passen?

d)      een tijdelijk en deeltijds hoogleraar, wanneer zijn tewerkstelling op basis van de ‚beleidsvrijheid’ van de universiteit niet meer wordt hernieuwd, het recht te ontzeggen zich op het beweerdelijke abusieve karakter van tewerkstellingsvoorwaarden uit het verleden te beroepen, omdat hij die voorwaarden zogezegd telkens zou hebben aanvaard door het opgelegde werk uit te voeren, zodat hij de bescherming van het Unierecht verbeurt?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

 Ontvankelijkheid

18      In hun schriftelijke opmerkingen betogen verweerders in het hoofdgeding om te beginnen dat het verzoek om een prejudiciële beslissing in zijn geheel niet-ontvankelijk is, aangezien dit verzoek niet relevant en niet noodzakelijk is. In dit verband zijn zij van mening dat de verwijzende rechter niet heeft aangegeven waarom de uitlegging van sommige bepalingen van het Unierecht noodzakelijk is en dat de prejudiciële vraag onduidelijk en te feitelijk is en een subjectieve voorstelling van de feiten bevat die gunstig is voor de door FN in zijn schriftelijke opmerkingen aangevoerde argumenten.

19      Voorts stellen verweerders in het hoofdgeding dat de prejudiciële vraag geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding. De verwijzende rechter geeft onvoldoende uitleg over de relevantie van deze vraag voor het voorwerp van het hoofdgeding, met name van de vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen. Evenzo zijn de feiten van het hoofdgeding slechts summier beschreven in de verwijzingsbeslissing, omdat zij reeds zijn uiteengezet in het vonnis van 24 januari 2018 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, terwijl de prejudiciële vraag vooral betrekking heeft op deze feiten.

20      Ten slotte voeren verweerders aan dat, wat de gestelde discriminatie betreft, in de verwijzingsbeslissing geen vergelijking wordt gemaakt tussen de arbeidsvoorwaarden van tijdelijke deeltijdwerknemers en die van vaste deeltijdwerknemers. Derhalve is noch clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, noch clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid van toepassing op het hoofdgeding.

21      In dit verband zij eraan herinnerd dat de procedure van artikel 267 VWEU volgens vaste rechtspraak van het Hof een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die zij voor de beslechting van de hun voorgelegde geschillen nodig hebben (zie met name arrest van 1 oktober 2020, Úrad špeciálnej prokuratúry, C‑603/19, EU:C:2020:774, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      In het kader van deze samenwerking is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om – rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak – zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 1 oktober 2020, Úrad špeciálnej prokuratúry, C‑603/19, EU:C:2020:774, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen inzake de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, waarvan het Hof de juistheid niet hoeft na te gaan. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter enkel afwijzen wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en voorts wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 1 oktober 2020, Úrad špeciálnej prokuratúry, C‑603/19, EU:C:2020:774, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      Aangezien de verwijzingsbeslissing ten grondslag ligt aan de bij het Hof gevoerde procedure, is het dus onontbeerlijk dat de nationale rechter in die beslissing het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding uiteenzet en een minimum aan uitleg geeft over de redenen voor de keuze van de bepalingen van het Unierecht waarvan hij om uitlegging verzoekt en over het verband tussen die bepalingen en de nationale regeling die van toepassing is op het bij hem aanhangige geding (arrest van 1 oktober 2020, Úrad špeciálnej prokuratúry, C‑603/19, EU:C:2020:774, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Deze cumulatieve vereisten voor de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, en worden in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking geacht bekend te zijn bij de verwijzende rechter en nauwgezet door deze te worden nageleefd. Die vereisten zijn met name overgenomen in de Aanbevelingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie aan de nationale rechterlijke instanties over het aanhangig maken van prejudiciële procedures (PB 2019, C 380, blz. 1), waarvan punt 15 in elk van de drie streepjes de vereisten van artikel 94, onder a) tot en met c), van het Reglement voor de procesvoering weergeeft. Bovendien staat in punt 16 van deze aanbevelingen dat „de verwijzende rechterlijke instantie [...] in haar verzoek om een prejudiciële beslissing nauwkeurige verwijzingen [moet] opnemen naar de nationale bepalingen die op de feiten van het hoofdgeding van toepassing zijn en naar de bepalingen van het Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht of waarvan de geldigheid aan de orde wordt gesteld” (zie in die zin beschikking van 21 februari 2022, Leonardo, C‑550/21, niet gepubliceerd, EU:C:2022:139, punt 13 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Er zij eveneens aan herinnerd dat de in verwijzingsbeslissingen verstrekte gegevens niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbende partijen de mogelijkheid te bieden opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat ingevolge die bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen, samen met een vertaling in de officiële taal van elke lidstaat, ter kennis van de betrokken partijen worden gebracht, en niet het eventueel door de verwijzende rechter aan het Hof gezonden nationale dossier (zie met name arrest van 27 november 2012, Pringle, C‑370/12, EU:C:2012:756, punt 85).

27      Wat in casu de specifieke vragen in de onderdelen a en d van de prejudiciële vraag betreft, voldoet de verwijzingsbeslissing niet aan alle in de punten 21 tot en met 26 van het onderhavige arrest vermelde vereisten.

28      Wat onderdeel a van de prejudiciële vraag betreft, kan uit de verwijzingsbeslissing namelijk niet worden opgemaakt waarom clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, te weten de twee bepalingen van deze raamovereenkomsten die betrekking hebben op het non-discriminatiebeginsel, zich zouden verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan een lid van het academisch personeel met een deeltijdse onderwijsopdracht, zoals FN, vast kan worden benoemd of tijdelijk kan worden aangesteld voor hernieuwbare termijnen van ten hoogste zes jaar, terwijl een dergelijk personeelslid met een voltijdse onderwijsopdracht vast wordt benoemd.

29      Uit de verwijzingsbeslissing blijkt hoogstens dat FN op grond van deze regeling gedurende twintig jaar een functie heeft vervuld op basis van een twintigtal opeenvolgende, kortlopende en deeltijdse arbeidsovereenkomsten en statutaire benoemingen van één tot drie jaar, zonder beperking van het totale aantal verlengingen, terwijl sommige van zijn collega’s die vergelijkbare opdrachten hadden vervuld, een vaste en voltijdse benoeming hebben gekregen.

30      Vastgesteld moet worden dat uit de weergave van het juridische en feitelijke kader in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing geen conclusies kunnen worden getrokken over de verenigbaarheid van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling met het in de respectieve clausules 4, punt 1, van die raamovereenkomsten bedoelde non-discriminatiebeginsel. De verwijzende rechter merkt namelijk enkel op dat de vraag rijst of artikel 91 van het universiteitendecreet verenigbaar is met deze Unierechtelijke bepalingen. Bovendien bevat de verwijzingsbeslissing geen informatie over de situatie van leden van het academisch personeel die een voltijdse onderwijsopdracht hebben en/of in vaste dienst werkzaam zijn waarmee een vergelijking kan worden gemaakt tussen deze groep werknemers en die waartoe FN behoort.

31      Met betrekking tot onderdeel d van de prejudiciële vraag, waarin nog steeds enkel wordt verwezen naar de respectieve clausules 4, punt 1, van de raamovereenkomsten inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en inzake deeltijdarbeid, kan uit de verwijzingsbeslissing niet worden opgemaakt waarom de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling zich verzet tegen deze bepalingen, die betrekking hebben op het non-discriminatiebeginsel. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt namelijk geenszins dat een nationale regeling of een praktijk van verweerders in het hoofdgeding tot gevolg zou hebben dat een lid van het academisch personeel dat zich in een situatie als die van FN bevindt, niet met succes kan aanvoeren dat de vroegere arbeidsvoorwaarden oneerlijk zijn, op grond dat hij deze voorwaarden telkens heeft „aanvaard” door het overeengekomen werk uit te voeren, zodat hij stilzwijgend afstand heeft gedaan van deze aan het Unierecht ontleende bescherming.

32      Aangezien het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de onderdelen a en d van de prejudiciële vraag, moeten deze onderdelen niet-ontvankelijk worden verklaard, terwijl voor de onderdelen b en c van de prejudiciële vraag het in punt 23 van het onderhavige arrest bedoelde vermoeden van relevantie geldt.

 Onderdeel b van de vraag

33      Vooraf zij eraan herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak de taak is van het Hof om – in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde procedure van samenwerking met de nationale rechterlijke instanties – de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan beslechten, en dat het Hof indien nodig daartoe de voorgelegde vragen dient te herformuleren [arrest van 10 februari 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Verjaringstermijn), C‑219/20, EU:C:2022:89, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34      Onderdeel b van de prejudiciële vraag betreft de verenigbaarheid van artikel 91 van het universiteitendecreet met de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, voor zover deze nationale regeling bepaalt dat een lid van het zelfstandig academisch personeel met een voltijdse onderwijsopdracht automatisch vast wordt benoemd en dat een lid van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijdse onderwijsopdracht ofwel vast kan worden benoemd, ofwel tijdelijk kan worden aangesteld voor hernieuwbare termijnen van ten hoogste zes jaar. Het ZAP-statuut, dat artikel 91 van het universiteitendecreet lijkt aan te vullen, bepaalt dat er vanaf een tewerkstelling van 50 % of meer een vaste benoeming mogelijk is.

35      Uit dit onderdeel b van de prejudiciële vraag blijkt eveneens dat geen enkel criterium is vastgelegd om te bepalen onder welke voorwaarden een voor 50 % of meer tewerkgesteld deeltijds personeelslid niet vast wordt benoemd maar tijdelijk wordt aangesteld, zodat de verwijzende rechter blijkbaar twijfels heeft over het eventuele bestaan van discriminatie tussen verschillende groepen deeltijdwerkers.

36      Artikel 91 van het universiteitendecreet doet echter de vraag rijzen of er mogelijk een verschil in behandeling bestaat tussen leden van het academisch personeel met een voltijdse onderwijsopdracht, die automatisch vast worden benoemd, en leden van het academisch personeel met een deeltijdse onderwijsopdracht, die ofwel vast kunnen worden benoemd ofwel tijdelijk kunnen worden aangesteld, zonder dat hiervoor beoordelingscriteria bestaan.

37      Aangezien er in de nationale regeling sprake is van een dergelijk verschil in behandeling tussen voltijd- en deeltijdwerkers met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden, blijkt de uitlegging van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid voor de verwijzende rechter nuttig voor de beslechting van het hoofdgeding.

38      In die omstandigheden moet worden begrepen dat de verwijzende rechter met onderdeel b van zijn vraag in wezen wenst te vernemen of clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan een nationale regeling en een nationale praktijk volgens welke een lid van het academisch personeel met een voltijdse onderwijsopdracht automatisch vast wordt benoemd, terwijl een lid van het academisch personeel met een deeltijdse onderwijsopdracht ofwel vast wordt benoemd ofwel tijdelijk wordt aangesteld.

39      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat, nu de bewoordingen van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst het niet mogelijk maken om de exacte draagwijdte van het begrip „arbeidsvoorwaarden” vast te stellen, overeenkomstig vaste rechtspraak rekening moet worden gehouden met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan deze clausule deel uitmaakt (arrest van 15 april 2008, Impact, C‑268/06, EU:C:2008:223, punt 110).

40      Wat in de eerste plaats de vraag betreft of de bepalingen inzake de benoeming van leden van het zelfstandig academisch personeel in casu „arbeidsvoorwaarden” in de zin van clausule 4 van deze raamovereenkomst vormen, zij eraan herinnerd dat deze clausule moet worden opgevat als de uitdrukking van een beginsel van sociaal recht van de Unie dat niet restrictief mag worden uitgelegd [beschikking van 15 oktober 2019, AEAT (Berekening van de anciënniteit voor werknemers in verticale cyclische deeltijdarbeid), C‑439/18 en C‑472/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:858, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

41      In dit verband zij eraan herinnerd dat de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid beoogt deeltijdarbeid te bevorderen en discriminatie tussen deeltijdwerkers en voltijdwerkers op te heffen [beschikking van 15 oktober 2019, AEAT (Berekening van de anciënniteit voor werknemers in verticale cyclische deeltijdarbeid), C‑439/18 en C‑472/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:858, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

42      Het discriminatieverbod van clausule 4, punt 1, van die raamovereenkomst is slechts de specifieke uitdrukking van het algemene gelijkheidsbeginsel, dat deel uitmaakt van de grondbeginselen van het Unierecht [beschikking van 15 oktober 2019, AEAT (Berekening van de anciënniteit voor werknemers in verticale cyclische deeltijdarbeid), C‑439/18 en C‑472/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:858, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

43      In dit verband zij eraan herinnerd dat deze clausule, wat de arbeidsvoorwaarden betreft, zich verzet tegen het feit dat deeltijdwerkers louter op grond van het feit dat zij in deeltijd werken minder gunstige arbeidsvoorwaarden genieten dan vergelijkbare voltijdwerkers, tenzij een verschillende behandeling om objectieve redenen gerechtvaardigd is (arrest van 10 juni 2010, Bruno e.a., C‑395/08 en C‑396/08, EU:C:2010:329, punt 25).

44      Een uitlegging van deze clausule volgens welke de mogelijkheid van een vaste benoeming wordt uitgesloten van het begrip „arbeidsvoorwaarden” in de zin van deze clausule, zou neerkomen op een met het doel van deze clausule strijdige vermindering van de omvang van de aan de betrokken werknemers geboden bescherming tegen discriminatie, doordat een onderscheid naar de aard van de arbeidsvoorwaarden zou worden ingevoerd dat niet uit de bewoordingen van deze clausule volgt [zie in die zin beschikking van 15 oktober 2019, AEAT (Berekening van de anciënniteit voor werknemers in verticale cyclische deeltijdarbeid), C‑439/18 en C‑472/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:858, punt 31].

45      In de tweede plaats moet worden onderzocht of het feit dat leden van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijdse onderwijsopdracht worden uitgesloten van de mogelijkheid om vast te worden benoemd op de enkele grond dat zij in deeltijd werken, ertoe leidt dat zij minder gunstig worden behandeld dan voltijdwerkers die zich in een vergelijkbare situatie bevinden.

46      In dit verband definieert clausule 3, punt 2, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid een „vergelijkbare voltijdwerker” als een „voltijdwerker in dezelfde vestiging, die werkzaam is uit hoofde van dezelfde soort arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding en hetzelfde of soortgelijk werk verricht of dezelfde of een soortgelijke functie uitoefent, waarbij rekening wordt gehouden met andere overwegingen, die betrekking kunnen hebben op anciënniteit en kwalificaties/bekwaamheden”.

47      Om te beoordelen of werknemers hetzelfde of soortgelijk werk verrichten in de zin van deze raamovereenkomst, moet rekening worden gehouden met een reeks van factoren, zoals de aard van hun werk, hun kwalificaties en bekwaamheden, de opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden [beschikking van 15 oktober 2019, AEAT (Berekening van de anciënniteit voor werknemers in verticale cyclische deeltijdarbeid), C‑439/18 en C‑472/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:858, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

48      In casu kan aan de hand van de feitelijke en juridische gegevens van het aan het Hof overgelegde dossier niet worden vastgesteld of de deeltijdse leden van het zelfstandig academisch personeel en de voltijdse leden van het zelfstandig academisch personeel van de UA zich al dan niet in vergelijkbare situaties bevinden, hetgeen hoe dan ook door de verwijzende rechter moet worden nagegaan.

49      Volgens de enige aanwijzingen in het verzoek om een prejudiciële beslissing bepaalt artikel 7 van het ZAP-statuut dat er vanaf een tewerkstelling van 50 % of meer een vaste benoeming mogelijk is, zonder dat er volgens de verwijzende rechter enig ander criterium is vastgelegd.

50      Hieruit volgt dat werknemers met een voltijdse onderwijsopdracht automatisch vast worden benoemd, terwijl werknemers met een deeltijdse onderwijsopdracht, onder voorwaarden die niet door dat statuut worden geregeld, enkel in aanmerking kunnen komen voor een vaste benoeming. Het gaat dus om een verschil in behandeling op de enkele grond dat de betrokken werknemer zijn arbeid in deeltijd verricht.

51      In die omstandigheden lijkt, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, duidelijk uit de bewoordingen van artikel 91 van het universiteitendecreet, gelezen in samenhang met artikel 7 van het ZAP-statuut, naar voren te komen dat de leden van het zelfstandig academisch personeel met een voltijdse onderwijsopdracht en de leden van het zelfstandig academisch personeel met een deeltijdse onderwijsopdracht verschillend worden behandeld wat de mogelijkheid van een vaste benoeming betreft.

52      Uit de bewoordingen van clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid komt echter naar voren dat een dergelijk verschil in behandeling in overeenstemming met het non-discriminatiebeginsel kan zijn indien het om objectieve redenen gerechtvaardigd is.

53      In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof het begrip „objectieve redenen” aldus moet worden begrepen dat het niet toestaat een verschil in behandeling tussen deeltijd- en voltijdwerkers te rechtvaardigen met het feit dat dit verschil is vastgelegd in een algemene, abstracte nationale regeling, zoals een wet of een collectieve arbeidsovereenkomst [beschikking van 15 oktober 2019, AEAT (Berekening van de anciënniteit voor werknemers in verticale cyclische deeltijdarbeid), C‑439/18 en C‑472/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:858, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

54      Dat begrip verlangt dat de geconstateerde ongelijke behandeling wordt gerechtvaardigd door precieze en concrete gegevens, die kenmerkend zijn voor de betreffende arbeidsvoorwaarde, in de bijzondere context waarin deze voorwaarde is gesteld en op grond van objectieve en transparante criteria, zodat kan worden nagegaan of deze ongelijkheid voorziet in een werkelijke behoefte, geschikt is om de nagestreefde doelstelling te bereiken en daartoe noodzakelijk is. Dergelijke gegevens kunnen met name voortvloeien uit de bijzondere aard van de taken waarvoor deeltijdovereenkomsten zijn gesloten en uit de daaraan inherente kenmerken, of eventueel uit het nastreven van een legitieme doelstelling van sociaal beleid van een lidstaat [beschikking van 15 oktober 2019, AEAT (Berekening van de anciënniteit voor werknemers in verticale cyclische deeltijdarbeid), C‑439/18 en C‑472/18, niet gepubliceerd, EU:C:2019:858, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

55      In casu lijkt noch artikel 91 van het universiteitendecreet, noch artikel 7 van het ZAP-statuut, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, een objectieve rechtvaardiging te bevatten. Evenmin blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de UA de vaste benoeming van leden van het academisch personeel rechtvaardigt op grond van andere objectieve redenen dan het feit dat de betrokken werknemer voltijds werkzaam is.

56      Gelet op een en ander moet op onderdeel b van de gestelde vraag worden geantwoord dat clausule 4, punt 1, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling en een nationale praktijk volgens welke een lid van het academisch personeel met een voltijdse onderwijsopdracht automatisch vast wordt benoemd, zonder andere objectieve reden dan het feit dat hij die opdracht voltijds uitoefent, terwijl een lid van het academisch personeel met een deeltijdse onderwijsopdracht ofwel vast wordt benoemd ofwel tijdelijk wordt aangesteld.

 Onderdeel c van de vraag

57      Met onderdeel c van zijn vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid aldus moet worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke de betrokken academische autoriteiten bij de benoeming van een lid van het academisch personeel voor een deeltijdse onderwijsopdracht, gelet op de autonomie die hun door het nationale recht op het gebied van het personeelsbeheer wordt toegekend, niet verplicht zijn objectieve criteria te hanteren bij de vaststelling van het percentage dat een deeltijdse onderwijsopdracht vertegenwoordigt ten opzichte van een voltijdse opdracht.

58      In casu komt uit de verwijzingsbeslissing naar voren dat dit aspect van de prejudiciële vraag verband lijkt te houden met het feit dat de deeltijdse onderwijsopdracht van FN in 2008 bestond uit 165 lesuren, verdeeld over twee faculteiten van de UA, hetgeen overeenkwam met respectievelijk 50 % en 10 % van een voltijdse onderwijsopdracht, terwijl het aanstellingsaanbod voor 2009 bestond uit 135 lesuren, hetgeen overeenkwam met 15 % van een voltijdse onderwijsopdracht bij de eerste faculteit en 5 % bij de tweede faculteit. Daaruit volgt dat 165 lesuren voor het jaar 2008 een onderwijsopdracht van 60 % van een voltijdse onderwijsopdracht vertegenwoordigde, terwijl 135 lesuren voor het jaar 2009 slechts 20 % van een voltijdse onderwijsopdracht vertegenwoordigde, zonder dat de aanzienlijke daling van dit percentage ten opzichte van de relatief kleinere daling van het aantal lesuren op objectieve criteria was gebaseerd.

59      Onderdeel c van de vraag moet dus aldus worden geherformuleerd dat daarmee in wezen wordt beoogd te vernemen of de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid aldus moet worden uitgelegd dat zij voor de werkgever die een deeltijdwerker in dienst neemt, eisen stelt aan de berekeningswijze van het percentage dat deze deeltijdse onderwijsopdracht vertegenwoordigt ten opzichte van een vergelijkbare voltijdse onderwijsopdracht.

60      In dit verband zij eraan herinnerd dat clausule 3, punt 1, van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid een „deeltijdwerker” definieert als een „werknemer wiens normale arbeidsduur, berekend op weekbasis of als gemiddelde over een werkperiode van maximaal één jaar, minder is dan die van een vergelijkbare voltijdwerker”.

61      Evenwel stelt deze bepaling, noch enige andere bepaling van de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid eisen aan de berekening van het percentage dat de opdracht van een deeltijdwerker vertegenwoordigt ten opzichte van de opdracht van een voltijdwerker die zich in een vergelijkbare situatie bevindt.

62      Hieruit volgt dat de berekeningswijze van het percentage van een deeltijdse opdracht ten opzichte van een voltijdse opdracht niet wordt geregeld door de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid.

63      Gelet op een en ander moet op onderdeel c van de gestelde vraag worden geantwoord dat de raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid aldus moet worden uitgelegd dat zij voor de werkgever die een deeltijdwerker in dienst neemt, geen enkele eis stelt aan de berekeningswijze van het percentage dat deze deeltijdse opdracht vertegenwoordigt ten opzichte van een vergelijkbare voltijdse opdracht.

 Kosten

64      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

1)      Clausule 4, punt 1, van de op 6 juni 1997 gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 december 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23/EG van de Raad van 7 april 1998, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling en een nationale praktijk volgens welke een lid van het academisch personeel met een voltijdse onderwijsopdracht automatisch vast wordt benoemd, zonder andere objectieve reden dan het feit dat hij die opdracht voltijds uitoefent, terwijl een lid van het academisch personeel met een deeltijdse onderwijsopdracht ofwel vast wordt benoemd ofwel tijdelijk wordt aangesteld.

2)      De op 6 juni 1997 gesloten raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 97/81, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/23, moet aldus worden uitgelegd dat zij voor de werkgever die een deeltijdwerker in dienst neemt, geen enkele eis stelt aan de berekeningswijze van het percentage dat deze deeltijdse opdracht vertegenwoordigt ten opzichte van een vergelijkbare voltijdse opdracht.

ondertekeningen


Bijlage

Lijst van verweerders

Universiteit Antwerpen, gevestigd te Antwerpen (België),

Vlaamse Autonome Hogeschool Hogere Zeevaartschool, gevestigd te Antwerpen,

PB, wonende te Antwerpen,

ZK, wonende te Antwerpen,

NG, wonende te Antwerpen,

ZN, wonende te Haacht (België),

UM, wonende te Duffel (België).


*      Procestaal: Nederlands.