Language of document : ECLI:EU:C:2021:800

Zaak C882/19

Sumal SL

tegen

Mercedes Benz Trucks España SL

[verzoek van de Audiencia Provincial de Barcelona (provinciale rechter Barcelona, Spanje) om een prejudiciële beslissing]

 Arrest van het Hof (Grote kamer) van 6 oktober 2021

„Prejudiciële verwijzing – Mededinging – Vergoeding van de schade die is veroorzaakt door een bij artikel 101, lid 1, VWEU verboden feitelijke gedraging – Vaststelling van de entiteiten die de schade moeten vergoeden – Schadevordering tegen de dochteronderneming nadat bij besluit is vastgesteld dat alleen de moedermaatschappij aan een mededingingsregeling heeft deelgenomen – Begrip ,onderneming’ – Begrip ,economische eenheid’”

1.        Gerechtelijke procedure – Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling – Verzoek om opmerkingen te mogen indienen over de conclusie van de advocaat-generaal – Voorwaarden voor heropening

(Art. 252, tweede alinea, VWEU; Reglement voor de procesvoering van het Hof, art. 83)

(zie punten 16‑22)

2.        Prejudiciële vragen – Ontvankelijkheid – Noodzaak van een prejudiciële beslissing en relevantie van de gestelde vragen – Beoordeling door de nationale rechter – Vermoeden van relevantie van de gestelde vragen

(Art. 267 VWEU)

(zie punten 26‑29)

3.        Mededingingsregelingen – Verbod – Rechtstreekse werking – Recht van particulieren om vergoeding van de geleden schade te vorderen – Vaststelling van de entiteit die de geleden schade moet vergoeden – Onderneming – Begrip – Economische eenheid – Onderneming die uit verschillende natuurlijke of rechtspersonen bestaat – Hoofdelijke aansprakelijkheid van de entiteiten waaruit de onderneming op het moment van de mededingingsregeling bestaat

(Art. 101, lid 1, VWEU)

(zie punten 32‑44)

4.        Mededingingsregelingen – Verbod – Rechtstreekse werking – Recht van particulieren om vergoeding van de geleden schade te vorderen – Vaststelling van de entiteit die de geleden schade moet vergoeden – Besluit van de Commissie waarbij een inbreuk van een moedermaatschappij wordt bestraft – Schadevordering tegen een dochteronderneming waartegen dat besluit niet is gericht – Toelaatbaarheid – Voorwaarden

(Art. 101, lid 1, VWEU)

(zie punten 45‑55, dictum 1)

5.        Mededingingsregelingen – Verbod – Rechtstreekse werking – Recht van particulieren om vergoeding van de geleden schade te vorderen – Uitoefeningsvoorwaarden – Besluit van de Commissie waarbij een inbreuk van een moedermaatschappij wordt bestraft – Schadevordering tegen een dochteronderneming waartegen dat besluit niet is gericht – Functionele opvatting van het begrip „onderneming” – Eerbiediging van de rechten van verdediging van de dochteronderneming – Omvang

(Art. 101, lid 1, VWEU)

(zie punten 53‑60, dictum 1)

6.        Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken – Verordening nr. 1215/2012 – Bijzondere bevoegdheden – Bevoegdheid inzake verbintenissen uit onrechtmatige daad – Plaats waar het schadeveroorzakende feit zich heeft voorgedaan – Vordering tot vergoeding van schade die het gevolg is van vermeende schendingen van het mededingingsrecht van de Unie – Plaats waar de schade is ingetreden – Ligging van de markt die ongunstig is beïnvloed door de mededingingsverstorende gedragingen

(Art. 101 VWEU; verordening nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, punt 2)

(zie punten 64‑66)

7.        Mededingingsregelingen – Verbod – Rechtstreekse werking – Recht van particulieren om vergoeding van de geleden schade te vorderen – Vaststelling van de entiteit die de geleden schade moet vergoeden – Nationale regeling die de mogelijkheid om het inbreukmakende gedrag van een vennootschap toe te rekenen aan een andere vennootschap beperkt tot gevallen waarin de tweede vennootschap zeggenschap heeft over de eerste – Ontoelaatbaarheid

(Art. 101, lid 1, VWEU)

(zie punten 69, 75, dictum 2)

Samenvatting

Slachtoffers van een inbreuk op het mededingingsrecht van de Unie die door een moedermaatschappij is begaan, kunnen de daardoor geleden schade verhalen op haar dochteronderneming mits zij aantonen dat de twee vennootschappen ten tijde van de inbreuk een economische eenheid vormden

Tussen 1997 en 1999 heeft de vennootschap Sumal SL twee vrachtwagens gekocht bij Mercedes-Benz Trucks España SL (hierna: „MBTE”), een dochteronderneming van de Daimler-groep, waarvan de moedermaatschappij Daimler AG is.

Bij besluit van 19 juli 2016(1) heeft de Europese Commissie vastgesteld dat Daimler AG inbreuk heeft gemaakt op het Unierechtelijke kartelverbod(2) aangezien zij tussen januari 1997 en januari 2011 met veertien andere Europese vrachtwagenfabrikanten afspraken heeft gemaakt over de prijsstelling en de verhoging van de brutoadviesprijs voor vrachtwagens in de Europese Economische Ruimte (EER).

Naar aanleiding van dit besluit heeft Sumal een vordering ingesteld tegen MBTE, waarvan zij een vergoeding van 22 204,35 EUR eiste voor de schade die door dat kartel was veroorzaakt. De Juzgado de lo Mercantil no 7 de Barcelona (handelsrechtbank nr. 7 Barcelona, Spanje) heeft de vordering van Sumal echter afgewezen op grond van de overweging dat het besluit van de Commissie niet tegen MBTE was gericht.

Sumal heeft tegen die afwijzing hoger beroep ingesteld bij de Audiencia Provincial de Barcelona (provinciale rechter Barcelona, Spanje). Deze rechter vraagt zich af of – en, zo ja, onder welke voorwaarden – een schadevordering kan worden ingesteld tegen een dochteronderneming wanneer bij besluit van de Commissie is vastgesteld dat haar moedermaatschappij zich schuldig heeft gemaakt aan mededingingsverstorende gedragingen. Hij heeft de behandeling van de zaak geschorst en zijn vragen langs prejudiciële weg aan het Hof voorgelegd.

In haar arrest verduidelijkt de Grote kamer van het Hof de voorwaarden waaronder slachtoffers van een mededingingsverstorende gedraging waarvoor de Commissie een vennootschap heeft bestraft, bij de nationale rechter een schadevordering kunnen indienen om haar dochterondernemingen civielrechtelijk aansprakelijk te stellen voor die gedraging, ook al is het besluit van de Commissie niet tegen hen gericht.

Beoordeling door het Hof

Volgens vaste rechtspraak heeft eenieder het recht om van „ondernemingen” die hebben deelgenomen aan krachtens artikel 101 VWEU verboden mededingingsregelingen of gedragingen, een vergoeding te vorderen voor de schade die als gevolg daarvan is ontstaan. Dergelijke schadevorderingen worden weliswaar bij de nationale rechter ingesteld, maar de aanwijzing van de entiteit die de veroorzaakte schade moet vergoeden, wordt rechtstreeks door het Unierecht geregeld.

Aangezien deze schadevorderingen, net zo goed als de uitvoering die de openbare autoriteiten aan de Unierechtelijke mededingingsregels geven, onlosmakelijk deel uitmaken van het stelsel tot uitvoering van deze regels, mag de betekenis van het begrip „onderneming” in artikel 101 VWEU niet verschillen naargelang het gaat om boetes die aan „ondernemingen” worden opgelegd door de Commissie („public enforcement”) dan wel om schadevorderingen die tegen deze „ondernemingen” worden ingesteld bij de nationale rechter („private enforcement”).

Volgens de rechtspraak van het Hof strekt het begrip „onderneming” in de zin van artikel 101 VWEU zich uit tot elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd. Dit begrip verwijst dus naar een economische eenheid, ook al bestaat deze in juridisch opzicht uit verschillende natuurlijke of rechtspersonen.

Wanneer komt vast te staan dat een tot een dergelijke economische eenheid behorende vennootschap inbreuk heeft gemaakt op artikel 101, lid 1, VWEU, zodat de inbreuk op die bepaling is gemaakt door de „onderneming” waar zij deel van uitmaakt, leidt het begrip „onderneming”, en dus het begrip „economische eenheid”, van rechtswege tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de entiteiten waaruit de economische eenheid op het moment van de inbreuk bestaat.

In dit verband merkt het Hof verder op dat het in artikel 101 VWEU gebruikte begrip „onderneming” een functioneel begrip is, zodat de economische eenheid die de onderneming vormt, moet worden bepaald vanuit het oogpunt van het voorwerp van de betrokken mededingingsverstorende overeenkomst.

Wanneer is aangetoond dat een moedermaatschappij artikel 101, lid 1, VWEU heeft geschonden, kunnen slachtoffers van die inbreuk dus een dochteronderneming daarvan civiel aansprakelijk stellen mits zij bewijzen dat die dochteronderneming en haar moedermaatschappij een economische eenheid vormden, gezien de economische, organisatorische en juridische banden tussen die twee rechtspersonen en het bestaan van een concreet verband tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld.

Om in omstandigheden als die van het hoofdgeding met succes een schadevordering te kunnen instellen tegen MBTE als dochteronderneming van Daimler AG, moet Sumal dus in beginsel aantonen dat de mededingingsverstorende overeenkomst die door Daimler AG is gesloten dezelfde producten betreft als die welke MBTE verkoopt. Daarmee zou Sumal bewijzen dat de onderneming die de door de Commissie vastgestelde inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU heeft begaan, de economische eenheid is waartoe MBTE en haar moedermaatschappij samen behoren.

In het kader van een dergelijke schadevordering tegen de dochteronderneming van een moedermaatschappij waarvan is vastgesteld dat zij inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU, moet die dochteronderneming bij de betrokken nationale rechter alle middelen kunnen aanwenden die nodig zijn om haar rechten van verdediging op een zinvolle wijze uit te oefenen, met name om aan te vechten dat zij tot dezelfde onderneming behoort als haar moedermaatschappij.

Wanneer een schadevordering, zoals in het onderhavige geval, berust op het feit dat de Commissie een inbreuk op artikel 101, lid 1, VWEU heeft vastgesteld in een besluit dat zij heeft gericht aan de moedermaatschappij van de verwerende dochteronderneming, kan deze laatste de aldus door de Commissie vastgestelde inbreuk echter niet betwisten voor de nationale rechter. Volgens artikel 16, lid 1, van verordening nr. 1/2003(3) kan de nationale rechter namelijk geen beslissingen nemen die in strijd zijn met het door de Commissie gegeven besluit.

Wanneer de Commissie in een besluit op grond van artikel 101 VWEU niet heeft vastgesteld dat de moedermaatschappij door haar gedrag een inbreuk heeft begaan, heeft de dochteronderneming daarentegen vanzelfsprekend het recht om niet alleen te betwisten dat zij tot dezelfde „onderneming” behoort als haar moedermaatschappij, maar ook om te weerleggen dat de aan deze laatste verweten inbreuk werkelijk is begaan.

In dit verband licht het Hof verder toe dat de mogelijkheid voor de nationale rechter om vast te stellen dat de dochteronderneming aansprakelijk is voor de veroorzaakte schade niet is uitgesloten door het enkele feit dat de Commissie in voorkomend geval geen besluit heeft genomen of in het besluit waarbij de inbreuk is vastgesteld geen administratieve sanctie aan haar heeft opgelegd.

Bijgevolg verzet artikel 101, lid 1, VWEU zich tegen een nationale regeling op grond waarvan een vennootschap uitsluitend aansprakelijk kan worden gesteld voor de gedragingen van een andere vennootschap indien zij zeggenschap heeft over deze laatste.


1      Besluit C(2016) 4673 final inzake een procedure op grond van artikel 101 [VWEU] en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak AT.39824 – vrachtwagens). Een samenvatting van dit besluit is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie van 6 april 2017 (PB 2017, C 108, blz. 6).


2      Artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst.


3      Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).