Language of document :

Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 19 december 2019 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesverwaltungsgericht Steiermark - Oostenrijk) – NE/Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld

(Zaak C-645/18) 1

(Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Vrij verrichten van diensten – Terbeschikkingstelling van werknemers –Artikel 56 VWEU – Richtlijn 2014/67/EU – Artikelen 9 en 20 – Aanmelding van de werknemers – Bewaring van de loonadministratie – Sancties – Evenredigheid – Geldboeten waarvan het minimumbedrag vooraf is bepaald – Cumulatie – Geen maximum – Gerechtskosten)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Landesverwaltungsgericht Steiermark

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: NE

Verwerende partij: Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld

in tegenwoordigheid van: Finanzpolizei

Dictum

Artikel 20 van richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt („de IMI-verordening”), moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die bij niet-nakoming van arbeidsrechtelijke verplichtingen inzake aanmelding van werknemers en de bewaring van loonadministratie voorziet in het opleggen van hoge geldboeten:

–    die niet lager mogen zijn dan een vooraf bepaald minimumbedrag;

–    die cumulatief per betrokken werknemer en zonder maximum worden opgelegd, en

–    met daarbovenop een bijdrage in de proceskosten van 20 % van de opgelegde geldboeten indien het beroep tegen het besluit houdende oplegging van de geldboeten wordt verworpen.

____________

1 PB C 122 van 1.4.2019.