Language of document : ECLI:EU:T:2021:445

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid)

14 juli 2021 (*)

„Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Geharmoniseerde normen – Documenten betreffende vier door het CEN goedgekeurde geharmoniseerde normen – Weigering van toegang – Uitzondering inzake de bescherming van de commerciële belangen van een derde – Bescherming op grond van het auteursrecht”

In zaak T‑185/19,

Public.Resource.Org, Inc., gevestigd te Sebastopol, Californië (Verenigde Staten),

Right to Know CLG, gevestigd te Dublin (Ierland),

vertegenwoordigd door F. Logue, solicitor, A. Grünwald, J. Hackl en C. Nüßing, advocaten,

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Gattinara, F. Thiran en S. Delaude als gemachtigden,

verweerster,

ondersteund door

Europees Comité voor Normalisatie (CEN), en de overige interveniënten waarvan de namen zijn opgenomen in de bijlage(1), vertegenwoordigd door U. Karpenstein, K. Dingemann en M. Kottmann, advocaten,

interveniënten,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van besluit C(2019) 639 final van de Commissie van 22 januari 2019 tot afwijzing van het verzoek om toegang tot vier door het CEN vastgestelde geharmoniseerde normen,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, D. Spielmann, U. Öberg, O. Spineanu‑Matei (rapporteur) en R. Norkus, rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 november 2020,

het navolgende

Arrest

I.      Aan het geding ten grondslag liggende feiten

1        Op 25 september 2018 hebben verzoeksters, Public.Resource.Org, Inc. en Right to Know CLG, organisaties zonder winstoogmerk die als voornaamste taak hebben om het recht vrij toegankelijk te maken voor alle burgers, het directoraat-generaal Interne markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf op grond van verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43) en verordening (EG) nr. 1367/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen (PB 2006, L 264, blz. 13), verzocht om toegang tot documenten in het bezit van de Commissie (hierna: „verzoek om toegang”).

2        Het verzoek om toegang betrof vier geharmoniseerde normen die het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) heeft vastgesteld overeenkomstig verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van beschikking 87/95/EEG van de Raad en besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2012, L 316, blz. 12), te weten de norm EN 71‑5:2015, met als opschrift „Veiligheid van speelgoed – Deel 5: Chemisch speelgoed (sets) anders dan scheikundedozen”, de norm EN 71‑4:2013, „Veiligheid van speelgoed – Deel 4: Scheikundedozen en gerelateerde sets”, de norm EN 71‑12:2013, „Veiligheid van speelgoed – Deel 12: N-nitrosamines en N-nitroseerbare stoffen” en de norm EN 12472:2005+A 1:2009, „Methode voor de simulatie van slijtage en corrosie voor het aantonen van de afgifte van nikkel uit voorwerpen die van een deklaag zijn voorzien” (hierna: „opgevraagde geharmoniseerde normen”).

3        Bij brief van 15 november 2018 heeft de Commissie het verzoek om toegang afgewezen op grond van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 (hierna: „oorspronkelijk weigeringsbesluit”).

4        Op 30 november 2018 hebben verzoeksters bij de Commissie een confirmatief verzoek ingediend krachtens artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1049/2001. Bij besluit van 22 januari 2019 heeft de Commissie de weigering van toegang tot de opgevraagde geharmoniseerde normen bevestigd (hierna: „confirmatief besluit”).

II.    Procedure en conclusies van partijen

5        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 maart 2019, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

6        Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 10 juli 2019, hebben het CEN en veertien nationale normalisatie-instellingen, te weten de Asociación Española de Normalización (UNE), de Asociaţie de Standardizare din România (ASRO), de Association française de normalisation (AFNOR), Austrian Standards International (ASI), de British Standards Institution (BSI), het Bureau de normalisation/Bureau voor Normalisatie (NBN), Dansk Standard (DS), het Deutsche Institut für Normung eV (DIN), het Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN), de Schweizerische Normen-Vereinigung (SNV), Standard Norge (SN), de Suomen Standardisoimisliitto ry (SFS), het Svenska institut för standarder (SIS) en het Institut za standardizaciju Srbije (ISS), verzocht om toelating tot interventie in de onderhavige procedure aan de zijde van de Commissie.

7        Bij beschikking van 20 november 2019, Public.Resource.Org en Right to Know/Commissie (T‑185/19, niet gepubliceerd, EU:T:2019:828), heeft de president van de Vijfde kamer van het Gerecht het verzoek tot interventie ingewilligd. Interveniënten hebben hun memorie in interventie ingediend en de hoofdpartijen hebben binnen de gestelde termijnen hun opmerkingen hierover ingediend.

8        Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer) besloten tot mondelinge behandeling over te gaan.

9        Bij beschikking van 17 juni 2020 heeft het Gerecht (Vijfde kamer) de Commissie op grond van artikel 91, onder c), artikel 92, lid 1, en artikel 104 van zijn Reglement voor de procesvoering gelast de opgevraagde geharmoniseerde normen over te leggen en beslist dat deze niet aan verzoeksters zouden worden meegedeeld. De Commissie heeft binnen de gestelde termijn aan deze maatregel van instructie voldaan.

10      Op voorstel van de Vijfde kamer van het Gerecht heeft het Gerecht op grond van artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering besloten de zaak naar de Vijfde kamer (uitgebreid) te verwijzen.

11      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Vijfde kamer – uitgebreid) in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering bedoelde maatregelen tot organisatie, partijen schriftelijke vragen gesteld en hun verzocht deze zowel vóór als ter terechtzitting te beantwoorden. Partijen hebben bepaalde vragen binnen de gestelde termijn schriftelijk beantwoord en hebben ter terechtzitting van 10 november 2020 pleidooi gehouden en geantwoord op de andere vragen van het Gerecht. Tijdens die terechtzitting hebben verzoeksters het Gerecht erop gewezen dat zij met hun beroep enkel nietigverklaring van het bevestigende besluit vorderen, waarvan akte is genomen in het proces-verbaal van de terechtzitting.

12      Naar aanleiding van de in punt 11 hierboven genoemde verduidelijkingen, verzoeken verzoeksters het Gerecht:

–        het bevestigende besluit nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

13      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoeksters te verwijzen in de kosten.

14      Interveniënten verzoeken het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoeksters te verwijzen in de kosten.

III. In rechte

A.      Ontvankelijkheid

15      Interveniënten betogen dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat verzoeksters geen procesbelang hebben. Volgens hen hebben verzoeksters er geen enkel belang bij om de onderhavige procedure in te leiden, aangezien zij, ten eerste, de opgevraagde geharmoniseerde normen voor niet-commerciële doeleinden kosteloos kunnen raadplegen via bibliotheken, ten tweede deze normen voor elk doel kunnen raadplegen en gebruiken tegen betaling van een „redelijke” vergoeding, en, ten derde, sinds 2015 (dat wil zeggen ruim vóór hun verzoek om toegang tot documenten van 2019) daadwerkelijk in het bezit zijn van een kopie van ten minste drie van de vier opgevraagde geharmoniseerde normen.

16      Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat elke natuurlijke of rechtspersoon die een beroep tot nietigverklaring instelt, van een procesbelang moet doen blijken (zie in die zin beschikking van 24 september 1987, Vlachou/Rekenkamer, 134/87, EU:C:1987:388, punt 8) en dat de niet‑naleving van deze wezenlijke voorwaarde – ten aanzien waarvan voornoemde natuurlijke of rechtspersoon moet aantonen dat daaraan is voldaan – een middel van niet-ontvankelijkheid van openbare orde vormt, dat in elke stand van het geding ambtshalve door de rechter van de Europese Unie kan worden opgeworpen (zie in die zin beschikkingen van 7 oktober 1987, D. M./Raad en ESC, 108/86, EU:C:1987:426, punt 10, en 21 juli 2020, Abaco Energy e.a./Commissie, C‑436/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:606, punt 80).

17      Dienaangaande is het vaste rechtspraak dat een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk is wanneer de verzoeker belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Van een dergelijk belang is slechts sprake wanneer de nietigverklaring van de bestreden handeling als zodanig rechtsgevolgen kan hebben en het beroep dus naargelang van de uitkomst ervan een voordeel kan verschaffen aan de partij die het heeft ingesteld. Het procesbelang moet reëel en actueel zijn en moet worden beoordeeld naar de dag waarop het beroep is ingesteld. Het moet, op straffe van afdoening zonder beslissing, blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing (zie arrest van 19 december 2019, XG/Commissie, T‑504/18, EU:T:2019:883, punten 30 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

18      In de specifieke context van geschillen betreffende de toegang tot documenten op grond van verordening nr. 1049/2001 heeft een persoon aan wie de toegang tot een document of een gedeelte van een document wordt geweigerd, alleen al op die grond belang bij nietigverklaring van het besluit tot afwijzing (zie arrest van 5 december 2018, Falcon Technologies International/Commissie, T‑875/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:877, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19      In casu staat vast dat de Commissie verzoeksters geen toegang tot de opgevraagde geharmoniseerde normen heeft verleend.

20      In die omstandigheden hebben verzoeksters, gelet op de in punt 18 hierboven aangehaalde rechtspraak, een belang bij openbaarmaking van de op grond van verordening nr. 1049/2001 opgevraagde geharmoniseerde normen en dus bij nietigverklaring van het confirmatieve besluit. In casu hebben verzoeksters immers, ondanks de mogelijkheid om de opgevraagde geharmoniseerde normen ter plaatse in openbare bibliotheken te raadplegen, een procesbelang, aangezien een dergelijke raadpleging niet volledig zou voldoen aan de doelen van hun verzoek om toegang (zie in die zin arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie, C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 47), en behouden zij dus een reëel belang bij het verkrijgen van toegang tot die geharmoniseerde normen op basis van verordening nr. 1049/2001.

21      Dit is temeer het geval daar, zoals verzoeksters stellen zonder op dit punt door de Commissie of interveniënten te zijn tegengesproken, de opgevraagde geharmoniseerde normen slechts in een zeer beperkt aantal bibliotheken beschikbaar zijn, soms slechts in één bibliotheek van een lidstaat of in bibliotheken die niet zijn opengesteld voor het publiek, en het in de praktijk uiterst moeilijk is om toegang tot die normen te verkrijgen.

22      Met betrekking tot de betaalde toegang tot de opgevraagde geharmoniseerde normen via door de nationale normalisatie-instellingen beheerde verkooppunten, moet worden vastgesteld dat een dergelijke toegang geenszins beantwoordt aan het door verzoeksters nagestreefde doel om vrije en kosteloze toegang tot die normen te verkrijgen, en er geenszins op duidt dat er geen procesbelang bestaat of dat dit verloren is gegaan (zie in die zin en naar analogie arrest van 4 september 2018, ClientEarth/Commissie, C‑57/16 P, EU:C:2018:660, punt 47).

23      Gelet op het voorgaande moeten de argumenten van interveniënten volgens welke verzoeksters geen procesbelang hebben, worden afgewezen, zonder dat de ontvankelijkheid ervan hoeft te worden onderzocht.

B.      Ten gronde

24      Ter ondersteuning van het beroep voeren verzoeksters twee middelen aan: ten eerste, schending van het recht en beoordelingsfouten bij de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, die strekt tot bescherming van de commerciële belangen, en, ten tweede, onjuiste toepassing van het recht met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van deze verordening en niet-nakoming van de motiveringsplicht.

1.      Eerste middel: schending van het recht en beoordelingsfouten bij de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, die strekttot bescherming van de commerciële belangen

25      Verzoeksters komen in essentie op tegen de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 op het onderhavige geval, op grond dat, ten eerste, voor de opgevraagde geharmoniseerde normen geen auteursrechtelijke bescherming kan gelden, en, ten tweede, niet is aangetoond dat de commerciële belangen van het CEN en zijn nationale leden door openbaarmaking zouden worden ondermijnd.

26      Het eerste middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste en het tweede onderdeel betreffen schending van het recht bij de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001. Het derde betreft een onjuiste beoordeling inzake het schaden van commerciële belangen.

a)      Eerste onderdeel: schending van het recht bestaande in de onterechte toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001

27      Verzoeksters betogen dat, aangezien de opgevraagde geharmoniseerde normen deel uitmaken van het „Unierecht”, zij vrij en kosteloos toegankelijk moeten zijn, zodat er voor die normen geen uitzondering op het recht van toegang kan gelden. Volgens hen kunnen aan een „wettekst” – die voor eenieder vrij toegankelijk moet zijn – geen privaatrechtelijke rechten worden toegeschreven en kunnen deze normen derhalve niet auteursrechtelijk worden beschermd. Ter ondersteuning van hun betoog beroepen zij zich op het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821).

28      De Commissie, ondersteund door interveniënten, wijst het betoog van verzoeksters van de hand.

29      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat verordening nr. 1049/2001, die is vastgesteld op grondslag van artikel 255, lid 2, EG [thans artikel 15, lid 3, VWEU], blijkens overweging 4 en artikel 1 ervan beoogt aan het publiek een zo ruim mogelijke toegang tot documenten van de instellingen van de Unie te verlenen. Volgens artikel 2, lid 3, van deze verordening geldt dit recht zowel voor documenten die deze instellingen zelf hebben opgesteld als voor documenten die zij hebben ontvangen van derden, waaronder natuurlijke of rechtspersonen, zoals uitdrukkelijk aangegeven in artikel 3, onder b), van die verordening.

30      Aan het recht op toegang tot bij de instellingen van de Unie berustende documenten zijn evenwel bepaalde beperkingen gesteld om redenen van openbaar of particulier belang. Meer in het bijzonder bevat artikel 4 van verordening nr. 1049/2001, in overeenstemming met overweging 11 ervan, een uitzonderingsregeling op grond waarvan de instellingen de toegang tot een document mogen weigeren wanneer de openbaarmaking ervan een van de door dat artikel beschermde belangen zou ondermijnen.

31      Een van de uitzonderingen op het recht op toegang is vervat in artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, dat bepaalt dat „[d]e instellingen van de Unie [...] de toegang tot een document [weigeren] wanneer de openbaarmaking ervan zou leiden tot ondermijning van de bescherming van [...] de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van intellectuele eigendom, [...] tenzij een hoger openbaar belang openbaarmaking gebiedt”.

32      Wat van derden afkomstige documenten betreft, preciseert artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 dat de derde door de instelling van de Unie wordt geraadpleegd om te kunnen beoordelen of mogelijk een van de in artikel 4, lid 1 of lid 2, opgenomen uitzonderingen van toepassing is, tenzij het duidelijk is dat het document wel of niet openbaar moet worden gemaakt. Indien het volgens de betrokken instelling duidelijk is dat de toegang tot een van een derde afkomstig document moet worden geweigerd op grond van de uitzonderingen in lid 1 of lid 2 van dit artikel, weigert zij de indiener van het verzoek toegang zonder de derde waarvan het document afkomstig is te hoeven raadplegen, ongeacht of deze derde zich vooraf heeft verzet tegen een op basis van die verordening ingediend verzoek om toegang tot deze documenten.

33      Wat ten slotte de beoordelingsmarge van de instellingen van de Unie bij de behandeling van verzoeken om toegang tot van derden afkomstige documenten betreft, moet worden gepreciseerd dat de bepalingen van verordening nr. 1049/2001 die onder voorbehoud van de erin vermelde uitzonderingen voorzien in het recht op toegang tot de bij een instelling berustende documenten, daadwerkelijk ten uitvoer moeten worden gelegd door de instelling waartoe het verzoek om toegang is gericht.

34      Derhalve berust de eindverantwoordelijkheid voor de juiste toepassing van deze verordening volgens artikel 8 bij de instelling van de Unie, en staat het ook aan deze instelling om de geldigheid van het besluit tot weigering van toegang tot van een derde afkomstige documenten te verdedigen voor de rechterlijke instanties van de Unie of de Europese ombudsman. Indien de instelling, wanneer het gaat om van derden afkomstige documenten, de door de derde aangevoerde motivering automatisch zou moeten volgen, zou zij verplicht zijn om ten overstaan van de indiener van het verzoek om toegang en, in voorkomend geval, ten overstaan van die met toetsing belaste instanties standpunten te verdedigen die zij zelf niet kan onderschrijven (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 februari 2012, Duitsland/Commissie, T‑59/09, EU:T:2012:75, punt 47).

35      In casu blijkt uit de door partijen aangevoerde argumenten dat zij het in de eerste plaats niet eens zijn over de omvang en de intensiteit van de toetsing die de betrokken instelling van de Unie, in casu de Commissie, in het kader van de procedure van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1049/2001, met het oog op de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van deze verordening moet verrichten ten aanzien van het bestaan en de gevolgen van een gestelde auteursrechtelijke bescherming van de van een derde afkomstige gevraagde documenten.

36      De Commissie, ondersteund door interveniënten, meent dat zij in het kader van het onderzoek van een krachtens verordening nr. 1049/2001 ingediend verzoek om toegang tot documenten niet het recht heeft om het bestaan van de door de „toepasselijke nationale wetgeving” aan een derde toegekende auteursrechtelijke bescherming van de gevraagde documenten in twijfel te trekken.

37      Verzoeksters verwijten de Commissie op hun beurt dat zij niet is nagegaan of was voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van een aan het CEN toebehorend auteursrecht op de opgevraagde geharmoniseerde normen. Daarmee erkennen zij impliciet maar noodzakelijkerwijs dat de Commissie bevoegd is om het bestaan en de gevolgen van een gestelde auteursrechtelijke bescherming van de van een derde afkomstige gevraagde documenten uitputtend te controleren.

38      In de tweede plaats verschillen partijen van mening over de vraag of de opgevraagde geharmoniseerde normen auteursrechtelijk kunnen worden beschermd, aangezien zij deel uitmaken van het Unierecht en dus onder de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 vallen.

39      Bijgevolg dienen de argumenten van verzoeksters te worden onderzocht voor zover zij betrekking hebben op, ten eerste, schending van het recht bij de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, voor zover de Commissie heeft vastgesteld dat de commerciële belangen die voortvloeien uit de auteursrechtelijke bescherming van de opgevraagde geharmoniseerde normen, zouden worden geschaad (zie punt 35 hierboven), en, ten tweede, een onjuiste toepassing van het recht ten aanzien van de vraag of die geharmoniseerde normen auteursrechtelijk kunnen worden beschermd, aangezien zij deel uitmaken van het Unierecht (zie punt 38 hierboven).

40      In de eerste plaats moet worden benadrukt dat het auteursrecht een intellectueel eigendomsrecht is dat de auteur van een oorspronkelijk werk rechtsbescherming biedt en dat, ondanks een steeds verdergaande harmonisatie, grotendeels door het nationale recht wordt beheerst. De voorwaarden voor het bestaan van een auteursrecht alsmede de omvang van de bescherming ervan, en meer in het bijzonder de uitzonderingen op die bescherming, waarop noch harmonisatiebepalingen van de Unie noch internationale bepalingen waaraan de Unie of haar lidstaten zijn gebonden, van toepassing zijn, worden immers nog steeds bepaald in de wetgeving van de lidstaten (zie in die zin conclusie van advocaat‑generaal Jääskinen in de zaak Donner, C‑5/11, EU:C:2012:195, punten 24 en 27).

41      Voorts bepaalt artikel 5, lid 2, van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, ondertekend te Bern op 9 september 1886 (Akte van Parijs van 24 juli 1971), zoals gewijzigd op 28 september 1979 (hierna: „Berner Conventie”), dat het genot en de uitoefening van de auteursrechten aan geen enkele formaliteit onderworpen zijn (beginsel van „automatische bescherming”).

42      Bovendien kan de omvang van de auteursrechtelijke bescherming van eenzelfde werk verschillen naargelang van de plaats waar aanspraak op die bescherming wordt gemaakt. Zo wordt volgens artikel 5, lid 3, van de Berner Conventie de bescherming in het land van herkomst geregeld door de nationale wetgeving. Wanneer de auteur geen onderdaan is van het land van oorsprong van het werk waarvoor hij door dat verdrag wordt beschermd, heeft hij in dat land niettemin dezelfde rechten als de auteurs die onderdaan van dat land zijn. Volgens lid 2 van datzelfde artikel worden de omvang van de bescherming en de rechtsmiddelen die de auteur worden gewaarborgd om zijn rechten te handhaven, daarentegen uitsluitend beheerst door de wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen (het beginsel van de „onafhankelijkheid” van de bescherming).

43      Tegen deze achtergrond moet worden overwogen dat het aan de autoriteit waarbij een verzoek om toegang tot van derden afkomstige documenten is ingediend, staat om, wanneer aanspraak wordt gemaakt op auteursrechtelijke bescherming van die documenten, met name objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen te verschaffen die het bestaan van het door de betrokken derde gestelde auteursrecht kunnen bevestigen. Een dergelijke controle beantwoordt immers aan de vereisten die inherent zijn aan de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten op het gebied van het auteursrecht.

44      In het licht van deze overwegingen moet worden onderzocht of de Commissie de omvang van de controle die zij bij de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 diende te verrichten, in acht heeft genomen (zie punt 35 hierboven).

45      In dit verband moet ten eerste worden benadrukt dat de Commissie in het oorspronkelijke weigeringsbesluit, ter rechtvaardiging van de toepasselijkheid van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001, verwijst naar het auteursrecht op de opgevraagde geharmoniseerde normen dat toebehoort aan het CEN, als Europese privaatrechtelijke organisatie die een eigendomsrecht heeft op al haar publicaties, met inbegrip van de Europese normen. Zo heeft zij vastgesteld dat de openbaarmaking van die geharmoniseerde normen „de bescherming van de commerciële belangen van een rechtspersoon, met inbegrip van de intellectuele eigendom, in gevaar [had kunnen] brengen [...] omdat het CEN houder [was] van alle door zijn respectieve technische comités voortgebrachte werken” en dat „[h]et auteursrecht en de exploitatierechten (distributie en verkoop) op elke publicatie van het CEN (met inbegrip van ontwerpen van Europese normen) uitsluitend [toebehoorden] aan het CEN en zijn nationale leden, bij wie de (ontwerpen van) normen [konden] worden verkregen”.

46      In het confirmatieve besluit verwerpt de Commissie de kritiek van verzoeksters volgens welke de opgevraagde geharmoniseerde normen niet auteursrechtelijk worden beschermd, onder aanvoering dat „anders dan [zij beweerden], de [genoemde geharmoniseerde normen] auteursrechtelijk [werden] beschermd [ondanks het feit dat zij] gegevens bevatten die als feitelijk [konden] worden beschouwd of die betrekking [hadden] op procedures”. In antwoord op de kritiek van verzoeksters over het feit dat de uitgever van deze geharmoniseerde normen niet was geraadpleegd, heeft de Commissie voorts verwezen naar het document van het CEN en het Cenelec van 17 mei 2017 waarin zij een gemeenschappelijk standpunt hebben ingenomen over de gevolgen van het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), en waarin zij „op basis van dat arrest en in hun hoedanigheid van houders van auteursrechten op de Europese normen, [uitdrukkelijk hebben gesteld] dat er geen enkele grond [was] om hun auteursrechten of hun beleid inzake de openbaarmaking van geharmoniseerde normen in twijfel te trekken”. De Commissie „achtte het derhalve niet nodig om de in artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1049/2001 bedoelde raadpleging te verrichten, aangezien het standpunt van de uitgever van de documenten, de houder van de betrokken auteursrechten, reeds openbaar was gemaakt door middel van bovengenoemd document”.

47      Hieruit volgt dat de Commissie haar conclusie betreffende het bestaan van auteursrechtelijke bescherming van de opgevraagde geharmoniseerde normen heeft gebaseerd op objectieve en onderling overeenstemmende aanwijzingen die het bestaan van het door het CEN gestelde auteursrecht op die normen konden aantonen.

48      Ten tweede benadrukt de Commissie in het confirmatieve besluit dat „hoewel bij de formulering van de [opgevraagde geharmoniseerde] normen rekening is gehouden met de specifieke overwegingen van de regeling waarvan zij de tenuitvoerlegging ondersteunen, de auteurs van deze normen bij de opstelling ervan voldoende creatief zijn geweest om in aanmerking te komen voor auteursrechtelijke bescherming”, dat „[d]e lengte van de teksten impliceert dat de auteurs bepaalde keuzen hebben gemaakt (onder meer over de structuur van het document), hetgeen een auteursrechtelijke bescherming met zich meebrengt”, en dat „[h]ieruit volgt dat [voornoemde geharmoniseerde normen] in [hun] geheel moeten worden beschouwd als een oorspronkelijk werk van de auteur dat bescherming geniet uit hoofde van de regels inzake auteursrecht”. Door een dergelijke analyse te verrichten heeft zij dus beoordeeld of deze geharmoniseerde normen auteursrechtelijke bescherming kunnen genieten vanuit het oogpunt van de oorspronkelijkheidsdrempel die een product moet bereiken om een „werk” in de zin van de rechtspraak te vormen. Hoewel de voorwaarde inzake de oorspronkelijkheid, waaraan moet zijn voldaan opdat een product voor die bescherming in aanmerking komt, geregeld blijft door de wetgeving van de lidstaten, volgt immers uit de vaste rechtspraak van het Hof inzake de uitlegging van het autonome begrip „werk” dat het, om een voorwerp als oorspronkelijk te kunnen beschouwen, zowel noodzakelijk als voldoende is dat dit voorwerp de persoonlijkheid van deze laatste weerspiegelt door de vrije creatieve keuzen van die auteur tot uiting te brengen (zie arrest van 11 juni 2020, Brompton Bicycle, C‑833/18, EU:C:2020:461, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In het licht van deze rechtspraak heeft de Commissie, zonder daarbij een fout te begaan, kunnen oordelen dat in casu de betrokken geharmoniseerde normen voldeden aan de oorspronkelijkheidsdrempel.

49      Uit al het voorgaande volgt dat de Commissie niet kan worden verweten dat zij het recht verkeerd heeft toegepast met betrekking tot de omvang van het toezicht dat zij bij de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 diende te verrichten om vast te stellen dat de commerciële belangen die voortvloeien uit een auteursrechtelijke bescherming van de opgevraagde geharmoniseerde normen zouden worden geschaad.

50      In de tweede plaats beroepen verzoeksters zich ter ondersteuning van hun betoog inzake een onjuiste toepassing van het recht met betrekking tot de vraag of de opgevraagde geharmoniseerde normen van dien aard zijn dat zij auteursrechtelijke bescherming kunnen genieten, aangezien zij deel uitmaken van het Unierecht, op het feit dat het om „wetteksten” gaat en op het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821).

51      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat „geharmoniseerde norm” in artikel 2, punt 1, onder c), van verordening nr. 1025/2012 wordt gedefinieerd als een technische specificatie die op verzoek van de Commissie door een Europese normalisatieorganisatie is vastgesteld met het oog op de toepassing van de harmonisatiewetgeving van de Unie, waarvan de naleving niet verplicht is.

52      In het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), heeft het Hof met name geoordeeld dat een geharmoniseerde norm als die in het hoofdgeding, die krachtens het afgeleide recht is vastgesteld en waarvan de referentiegegevens zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, deel uitmaakt van het Unierecht (punt 40).

53      In navolging van de Commissie moet worden vastgesteld dat uit het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), geenszins blijkt dat het Hof de in artikel 10, lid 6, van verordening nr. 1025/2012 vastgestelde regeling voor de bekendmaking van geharmoniseerde normen, volgens welke alleen de referentiegegevens van die normen bekend worden gemaakt, ongeldig heeft verklaard. Integendeel, het Hof heeft de keuze van de Uniewetgever om de rechtsgevolgen van een geharmoniseerde norm afhankelijk te stellen van de voorafgaande bekendmaking van de referentiegegevens ervan in de C-reeks van het Publicatieblad, in acht genomen (arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction, C‑613/14, EU:C:2016:821, punten 37, 40 en 43).

54      Tegen deze achtergrond betogen verzoeksters ten onrechte dat, aangezien het Hof in het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), heeft vastgesteld dat de opgevraagde geharmoniseerde normen deel uitmaakten van het „Unierecht”, zij vrij en kosteloos toegankelijk moeten zijn, zodat op die normen geen uitzondering op het recht van toegang kan worden toegepast.

55      Gelet op alle voorgaande overwegingen moet het eerste onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

b)      Tweede onderdeel: schending van het recht bij de toepassing van de uitzondering van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001

56      Volgens verzoeksters kon, zelfs indien het theoretisch mogelijk was dat de opgevraagde geharmoniseerde normen auteursrechtelijke bescherming genoten, die bescherming niet van toepassing zijn op deze geharmoniseerde normen, aangezien zij geen „persoonlijke intellectuele schepping” in de zin van de rechtspraak van het Hof vormen, hetgeen noodzakelijk is om voor een dergelijke bescherming in aanmerking te komen.

57      In dit verband blijven, zoals in punt 40 hierboven is opgemerkt, de voorwaarden voor het genot van het auteursrecht en de omvang van de bescherming van dat recht, en meer in het bijzonder de uitzonderingen op die bescherming, onderworpen aan de wettelijke regelingen van de lidstaten, die vrij zijn om te bepalen welke bescherming moet worden verleend aan officiële wettelijke, bestuurlijke of gerechtelijke teksten en kunnen deze voorwaarden, zoals blijkt uit de rechtspraak, alleen worden aangevochten bij de rechterlijke instanties van de lidstaten (zie in die zin en naar analogie advies 1/09 van 8 maart 2011, EU:C:2011:123, punt 80, en beschikking van 5 september 2007, Document Security Systems/ECB, T‑295/05, EU:T:2007:243, punt 56). Derhalve was de Commissie, anders dan verzoeksters aanvoeren, niet gemachtigd om een onderzoek te verrichten van de in de toepasselijke nationale wetgeving gestelde voorwaarden teneinde na te gaan of de opgevraagde geharmoniseerde normen daadwerkelijk werden beschermd door het auteursrecht, aangezien een dergelijk onderzoek de omvang van de toetsing die zij in het kader van een procedure voor toegang tot documenten dient te verrichten, te buiten gaat.

58      Voorts is het argument van verzoeksters dat het CEN bij het opstellen van de opgevraagde geharmoniseerde normen geen vrije en creatieve keuzen heeft gemaakt, geenszins onderbouwd.

59      Verzoeksters betogen namelijk, ten eerste, dat de opgevraagde geharmoniseerde normen „louter lijsten van technische kenmerken en/of testprocedures zijn en dat de persoon die met de opstelling ervan is belast derhalve niet beschikt over een daadwerkelijke creatieve keuze die kan worden beschouwd als een uitdrukking van zijn persoonlijkheid of als zijn eigen intellectuele schepping”, en, ten tweede, dat „de vormgeving [van deze geharmoniseerde normen] het evenmin mogelijk maakt om vrije of creatieve keuzen te maken op het gebied van, bijvoorbeeld, de lay-out, de structuur, de taal of enig ander belangrijk kenmerk, [aangezien d]eze aspecten van de normalisering worden geregeld door een geheel aan eigen normen die elke mogelijke creativiteit van de kant van de normalisatie-instellingen aanzienlijk inperken”. Verzoeksters beperken zich echter tot beweringen, zonder hun stellingen met enige analyse te staven of de argumenten te weerleggen die de Commissie in het confirmatieve besluit heeft uiteengezet (zie punt 48 hierboven) betreffende de mate van oorspronkelijkheid van deze geharmoniseerde normen, die blijkt uit de lengte van de betrokken teksten, die impliceert dat de auteurs ervan keuzen hebben gemaakt, onder meer met betrekking tot de structuur ervan. Bovendien preciseren zij niet in welk opzicht de uit de wetgeving op het gebied van normalisatie voortvloeiende beperkingen van de creativiteit van dien aard zijn dat de opgevraagde geharmoniseerde normen niet de op Unieniveau geldende oorspronkelijkheidsdrempel zouden kunnen bereiken.

60      Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel worden afgewezen.

c)      Derde onderdeel: onjuiste beoordeling inzake het schaden van commerciële belangen

61      Verzoeksters betogen dat de Commissie niet heeft aangetoond hoe de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen de commerciële belangen van het CEN en zijn nationale leden zou ondermijnen. Zij voeren aan dat, zelfs al zou het theoretisch mogelijk zijn dat deze geharmoniseerde normen worden beschermd door een auteursrecht en zelfs indien die geharmoniseerde normen als een persoonlijke intellectuele schepping worden beschouwd, het confirmatieve besluit toch nietig moet worden verklaard, aangezien de Commissie niet heeft aangetoond dat de commerciële belangen van het CEN, als auteur van die geharmoniseerde normen, zijn ondermijnd.

62      De Commissie, ondersteund door interveniënten, betwist de argumenten van verzoeksters.

63      In dit verband dient te worden opgemerkt dat het ter rechtvaardiging van de weigering om toegang te verlenen tot een document in beginsel niet volstaat dat het document een in artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 genoemde activiteit of aldaar genoemd belang betreft. De betrokken instelling moet tevens aantonen in welk opzicht de toegang tot dat document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou vormen van het belang dat wordt beschermd door een van de in dat artikel geformuleerde uitzonderingen en dat het gevaar van ondermijning van dit belang redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch is. Dit geldt ook voor een derde in het geval waarin hij wordt geraadpleegd in het kader van de raadplegingsprocedure van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 1049/2001, daar het doel van dit artikel erin bestaat de instelling in staat te stellen te beoordelen of een in lid 1 of lid 2 van dat artikel genoemde uitzondering toepassing vindt (arrest van 5 februari 2018, Pari Pharma/EMA, T‑235/15, EU:T:2018:65, punt 69).

64      In casu blijkt duidelijk uit het confirmatieve besluit dat de Commissie haar weigering om de opgevraagde geharmoniseerde normen openbaar te maken, heeft gebaseerd op twee met elkaar verband houdende maar onderscheiden aantastingen van de commerciële belangen van het CEN en zijn nationale leden, namelijk, ten eerste, de auteursrechtelijke bescherming van deze geharmoniseerde normen en, ten tweede, het risico dat het CEN en zijn nationale leden aanzienlijk minder vergoedingen zullen ontvangen voor het verlenen van toegang tot die geharmoniseerde normen indien die toegang kosteloos bij de Commissie zou kunnen worden verkregen.

65      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals de Commissie stelt, de verkoop van normen een wezenlijk bestanddeel is van het bedrijfsmodel van alle normalisatie-instellingen. Een vrije en kosteloze toegang van het publiek tot deze normen zou dit model in gevaar brengen en deze organisaties ertoe dwingen om hun organisatievorm volledig te herzien, waardoor de productie van nieuwe normen en de mogelijkheid om te beschikken over een uniforme methode aan de hand waarvan kan worden aangetoond dat een product voldoet aan de vereisten van de Uniewetgeving, aan grote risico’s zouden worden blootgesteld.

66      Hieruit volgt dat – aangezien de Commissie, zoals uiteengezet in het kader van het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel (zie punt 47 hierboven), terecht heeft vastgesteld dat de opgevraagde geharmoniseerde normen auteursrechtelijke bescherming genoten, op grond waarvan zij pas na betaling van bepaalde vergoedingen toegankelijk waren voor geïnteresseerden (zie punt 19 hierboven) – kosteloze openbaarmaking van die normen op basis van verordening nr. 1049/2001, de commerciële belangen van het CEN en zijn nationale leden concreet en daadwerkelijk kon schaden in de zin van de in punt 63 hierboven aangehaalde rechtspraak.

67      Hoe dan ook zou vrije toegang van het publiek tot normen – zoals de Commissie, ondersteund door interveniënten, terecht aanvoert – in de context van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 ontegenzeglijk afbreuk doen aan de bescherming van de intellectuele eigendom van het CEN, aangezien deze normen onderworpen zijn aan de licentievoorwaarden die aan de kopers worden opgelegd. Het ontbreken van enigerlei controle bij de openbaarmaking van normen zou duidelijk van invloed zijn op de commerciële belangen van het CEN.

68      Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het argument van verzoeksters dat het CEN bij het opstellen van geharmoniseerde normen optreedt als overheidsinstantie door openbare functies uit te oefenen waarbij geen enkel commercieel belang bestaat.

69      In dit verband worden de geharmoniseerde normen overeenkomstig artikel 10 van verordening nr. 1025/2012 opgesteld of, in voorkomend geval, herzien door een van de drie Europese normalisatieorganisaties op initiatief, onder leiding en onder toezicht van de Commissie. Daartoe erkent deze verordening drie Europese normalisatieorganisaties, te weten het CEN, het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (Cenelec) en het Europees Instituut voor Telecommunicatienormen (ETSI). Deze organisaties zijn verenigingen zonder winstoogmerk naar, in het geval van het CEN en het Cenelec, Belgisch privaatrecht, en, in het geval van het ETSI, Frans recht.

70      Anders dan verzoeksters stellen, blijkt uit de bepalingen betreffende het Europese normalisatiestelsel geenszins dat het CEN bij de opstelling van geharmoniseerde normen optreedt als overheidsinstantie door openbare functies uit te oefenen waarbij geen enkel commercieel belang bestaat.

71      Het feit dat de Europese normalisatieorganisaties, waaronder het CEN, bijdragen tot de vervulling van taken van algemeen belang door certificeringsdiensten op het gebied van de naleving van de toepasselijke wetgeving te verrichten, doet niet af aan hun status van particuliere entiteiten die een economische activiteit uitoefenen (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 december 2018, Falcon Technologies International/Commissie, T‑875/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:877, punt 47).

72      In dit verband moet in navolging van de Commissie worden vastgesteld dat, indien een overheidsonderneming commerciële belangen kan hebben, dit a fortiori ook moet gelden voor een particuliere entiteit, ook als deze bijdraagt tot de vervulling van taken van algemeen belang (zie in die zin en naar analogie arrest van 5 december 2018, Falcon Technologies International/Commissie, T‑875/16, niet gepubliceerd, EU:T:2018:877, punt 49).

73      Uit al het voorgaande volgt dat de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 heeft aangetoond dat de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen de commerciële belangen van het CEN of zijn nationale leden concreet en daadwerkelijk kon ondermijnen en dat het risico van aantasting van die belangen redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch was in de zin van de in punt 63 hierboven aangehaalde rechtspraak.

74      Bijgevolg dient het derde onderdeel van het eerste middel, alsook dit middel in zijn geheel, te worden afgewezen.

2.      Tweede middel: onjuiste toepassing van het recht met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 en niet-nakoming van de motiveringsplicht

75      Verzoeksters verwijten de Commissie dat zij het recht verkeerd heeft toegepast door te oordelen dat er geen enkel hoger openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001 was dat de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood, en dat zij haar weigering om het bestaan van een hoger openbaar belang te erkennen onvoldoende heeft gemotiveerd.

76      Het onderhavige middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste betreft een onjuiste toepassing van het recht met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang dat vrije toegang tot de wet gebiedt. Het tweede betreft een onjuiste toepassing van het recht met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang als gevolg van de transparantieverplichting op het gebied van milieu. Het derde betreft een ontoereikende motivering van de weigering van de Commissie om het bestaan van een hoger openbaar belang te erkennen.

77      Eerst zal het derde onderdeel van het tweede middel worden onderzocht.

a)      Derde onderdeel: ontoereikende motivering van de weigering van de Commissie om het bestaan van een hoger openbaar belang te erkennen

78      Verzoeksters betogen dat de Commissie in het confirmatieve besluit ontoereikend heeft gemotiveerd waarom zij de in het confirmatieve verzoek aangevoerde argumenten betreffende het bestaan van een hoger openbaar belang dat toegang tot de opgevraagde geharmoniseerde normen gebiedt, heeft afgewezen.

79      In dit verband voeren verzoeksters aan dat de Commissie heeft gezwegen over de belangrijkste argumenten die zij in hun confirmatieve verzoek naar voren hadden gebracht met betrekking tot de gevolgen van het feit dat de opgevraagde geharmoniseerde normen in het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), als „Unierecht” zijn aangemerkt. Meer in het bijzonder zijn zij van mening dat de Commissie met name niet uitlegt waarom hun argument dat toegang tot het recht onontbeerlijk is in een rechtstaat, niet moet worden geacht een hoger openbaar belang op te leveren.

80      Voorts heeft de Commissie volgens verzoeksters haar redenering betreffende de afweging van de in casu tegengestelde belangen niet gemotiveerd in de zin van de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 1 juli 2008, Zweden en Turco/Raad (C‑39/05 P en C‑52/05 P, EU:C:2008:374), en heeft zij hen zodoende tot de overtuiging gebracht dat een dergelijke afweging niet heeft plaatsgevonden.

81      De Commissie weerlegt de argumenten van verzoeksters en betoogt dat zij haar weigering om het bestaan van een hoger openbaar belang te erkennen rechtens genoegzaam heeft gemotiveerd.

82      Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat de motiveringsplicht een in artikel 296, tweede alinea, VWEU en in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verankerd algemeen Unierechtelijk beginsel is volgens hetwelk elke rechtshandeling van de instellingen van de Unie met redenen moet worden omkleed (zie arrest van 6 februari 2020, Compañía de Tranvías de la Coruña/Commissie, T‑485/18, EU:T:2020:35, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze op de instellingen van de Unie rustende verplichting om hun handelingen te motiveren, beantwoordt niet alleen aan een formele doelstelling, maar strekt ertoe de Unierechter in staat te stellen zijn wettigheidstoetsing te verrichten en de betrokkenen de gelegenheid te geven de gronden van de genomen maatregel te kennen, zodat zij hun rechten kunnen verdedigen en kunnen nagaan of de beslissing al dan niet gegrond is. Zo kunnen de betrokkenen pas werkelijk met vrucht van hun beroepsrecht gebruikmaken indien zij kennis krijgen van de exacte inhoud en van de motivering van de betrokken handeling (zie arrest van 28 november 2019, Mélin/Parlement, T‑726/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:816, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83      In verband met de toepassing van de bepalingen van verordening nr. 1049/2001 is geoordeeld dat de verplichting voor de instelling om haar besluit tot weigering van toegang tot een document te motiveren ertoe strekt om de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen teneinde na te gaan of het besluit gegrond is dan wel mogelijkerwijs een gebrek vertoont op basis waarvan de rechtmatigheid ervan kan worden betwist, en om de Unierechter in staat te stellen de rechtmatigheid van het besluit te toetsen. De omvang van deze verplichting is afhankelijk van de aard van de betrokken handeling en van de omstandigheden waaronder deze is vastgesteld (zie arrest van 6 februari 2020, Compañía de Tranvías de la Coruña/Commissie, T‑485/18, EU:T:2020:35, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84      Volgens de rechtspraak brengt de motiveringsplicht niet mee dat de betrokken instelling elk van de argumenten die zijn aangevoerd in de procedure voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden eindbesluit, moet beantwoorden (zie arrest van 25 september 2018, Psara e.a./Commissie, T‑639/15–T‑666/15 en T‑94/16, EU:T:2018:602, punt 134 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85      In casu moet worden opgemerkt dat de Commissie in punt 4 van het confirmatieve besluit, met als opschrift „Geen hoger openbaar belang dat openbaarmaking gebiedt”, haar antwoorden heeft uiteengezet op de argumenten die verzoeksters in het confirmatieve verzoek hadden aangevoerd met betrekking tot het gestelde bestaan van hogere openbare belangen die voortvloeien uit de uitlegging die het Hof heeft gegeven in het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), en uit de gestelde transparantieverplichtingen op het gebied van milieu.

86      In dit verband heeft de Commissie er ten eerste op gewezen dat, zoals zij had uiteengezet in punt 2.1 van het confirmatieve besluit, dat was gewijd aan het onderzoek van de voorwaarde inzake de bescherming van de commerciële belangen van een natuurlijke of rechtspersoon, de gevolgen van het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), moesten worden beoordeeld in het licht van de context waarin dat arrest was gewezen. Zo schiep dit arrest volgens haar „geen verplichting om geharmoniseerde normen proactief bekend te maken in het Publicatieblad en [stelde het] evenmin vast dat er automatisch een hoger openbaar belang is dat openbaarmaking van die normen gebiedt”.

87      Ten tweede heeft de Commissie de stellingen van verzoeksters betreffende de transparantieverplichtingen op het gebied van milieu, die een hoger openbaar belang zouden vormen dan het belang van de bescherming van de commerciële belangen van een bepaalde natuurlijke of rechtspersoon, weerlegd door in wezen te stellen dat zij in casu niet van toepassing zijn.

88      De Commissie heeft daar ten derde nog aan toegevoegd dat zij bovendien niet in staat was om enig hoger openbaar belang aan te wijzen dat een dergelijke openbaarmaking zou gebieden.

89      Hieruit volgt dat in het confirmatieve besluit weliswaar beknopt, maar duidelijk is uiteengezet dat verzoeksters geen enkel argument hadden aangevoerd waaruit bleek dat er een hoger openbaar belang bestond dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood. De Commissie heeft daar nog aan toegevoegd dat zij niet in staat was om enig hoger openbaar belang aan te wijzen dat een dergelijke openbaarmaking zou gebieden.

90      Voor zover verzoeksters met sommige van hun argumenten in werkelijkheid de gegrondheid betwisten van de motivering in het confirmatieve besluit betreffende het ontbreken van een hoger openbaar belang dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebiedt, zijn dergelijke argumenten in het kader van het onderhavige onderdeel niet ter zake dienend.

91      Ten slotte dient in herinnering te worden gebracht dat de Commissie weliswaar verplicht is om de redenen te vermelden die rechtvaardigen dat in de onderhavige zaak een van de in verordening nr. 1049/2001 vastgestelde uitzonderingen op het recht op toegang wordt toegepast, maar dat zij er niet toe gehouden is inlichtingen te verstrekken die verder gaan dan nodig is om degene die om toegang verzoekt, in staat te stellen de redenen voor haar besluit te begrijpen en om het Gerecht in staat te stellen de rechtmatigheid van dat besluit te toetsen (zie in die zin arrest van 26 maart 2020, Bonnafous/Commissie, T‑646/18, EU:T:2020:120, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

92      Tegen deze achtergrond moet het derde onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

b)      Eerste onderdeel: onjuiste toepassing van het recht met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang dat vrije toegang tot de wet verlangt

93      Verzoeksters betogen dat, gesteld dat de opgevraagde geharmoniseerde normen onder de uitzondering betreffende het schaden van commerciële belangen kunnen vallen, er sprake was van een hoger openbaar belang bij openbaarmaking van die geharmoniseerde normen in de zin van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001, bestaande in het waarborgen van vrije toegang tot de wet. Meer in het bijzonder brengt het feit dat deze geharmoniseerde normen tot het Unierecht behoren, „de grondwettelijke verplichting met zich mee om vrije toegang tot die normen te verlenen”.

94      Volgens verzoeksters bestond er een „automatisch hoger openbaar belang” dat openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebiedt, omdat deze normen, zoals het Hof heeft geoordeeld in zijn arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), deel uitmaken van het Unierecht. Zij beroepen zich met name op het rechtszekerheidsbeginsel, dat alleen kan worden gewaarborgd door een naar behoren verrichte bekendmaking van het recht in de officiële taal van de adressaat ervan. Zij verwijzen ook naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake de toegankelijkheid van het recht. Zij benadrukken bovendien het verband tussen de toegankelijkheid van normen en de goede werking van de interne markt. Ten slotte zijn zij van mening dat het in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten verankerde beginsel van behoorlijk bestuur, alsmede het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten, zoals gewaarborgd door de artikelen 34 en 56 VWEU, een vrije toegang tot normen vereisen.

95      Voorts betogen verzoeksters dat het confirmatieve besluit in strijd is met artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001, aangezien de Commissie niet heeft onderzocht of er een openbaar belang bestaat bij openbaarmaking en, meer in het algemeen, de belangen die door openbaarmaking worden gediend, en de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten, niet tegen elkaar heeft afgewogen. In dit verband betwisten zij de stelling dat zij alleen algemene overwegingen hebben aangevoerd die op zichzelf niet konden aantonen dat aan het transparantiebeginsel in casu een bijzonder gewicht toekwam. De verwijzing naar de bijzondere aard van de opgevraagde geharmoniseerde normen was in casu namelijk voldoende om het bestaan van een bijzonder openbaar belang bij openbaarmaking in de zin van voornoemde bepaling te rechtvaardigen.

96      De Commissie, ondersteund door interveniënten, wijst het betoog van verzoeksters van de hand.

97      Vooraf moet worden opgemerkt dat, zelfs wanneer de Commissie, zoals in casu, zich baseert op een algemene aanname om op grond van artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 de toegang tot de gevraagde documenten te weigeren, niet is uitgesloten dat kan worden aangetoond dat een hoger openbaar belang krachtens de laatste zinsnede van die bepaling de openbaarmaking van die documenten gebiedt (zie in die zin arrest van 25 september 2014, Spirlea/Commissie, T‑306/12, EU:T:2014:816, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

98      Daarentegen moet degene die aanvoert dat er een hoger openbaar belang bestaat, concrete omstandigheden aanvoeren waaruit blijkt dat de betrokken documenten openbaar moeten worden gemaakt, en volstaan louter algemene overwegingen niet als bewijs van een hoger openbaar belang dat zwaarder weegt dan de redenen voor weigering van openbaarmaking van de betrokken documenten (zie arrest van 11 mei 2017, Zweden/Commissie, C‑562/14 P, EU:C:2017:356, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

99      In casu trachten verzoeksters in werkelijkheid de categorie van geharmoniseerde normen volledig uit te sluiten van de toepasselijkheid van het bij verordening nr. 1049/2001 ingevoerde stelsel van materiële uitzonderingen, op de algemene grond dat zij deel uitmaken van het „Unierecht”, dat vrij en kosteloos toegankelijk moet zijn voor het publiek.

100    In de eerste plaats volstaat, gelet op de in punt 98 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak, een uiteenzetting van dergelijke overwegingen van algemene aard niet om aan te tonen dat het hoger belang van het publiek om vrij en kosteloos toegang te hebben tot het Unierecht, de geharmoniseerde normen daaronder begrepen, zelfs als dit belang reëel blijkt te zijn, voorrang heeft op de redenen die rechtvaardigen dat openbaarmaking van die normen wordt geweigerd.

101    Ten eerste voeren verzoeksters, naast algemene beweringen over de noodzaak om de „Uniewetgeving” toegankelijk te maken, geen concrete redenen aan die in casu de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen zouden rechtvaardigen. In het bijzonder leggen zij niet uit in hoeverre de openbaarmaking van deze geharmoniseerde normen voorrang moet krijgen boven de bescherming van de commerciële belangen van het CEN of zijn nationale leden. In dat verband moet worden benadrukt dat, zoals blijkt uit de in de punt 98 hierboven aangehaalde rechtspraak, ofschoon de instelling van de Unie die zich op de in artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 bedoelde uitzondering beroept, daarvan het bewijs moet leveren, de bewijslast wat artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van die verordening betreft, daarentegen rust op degenen die aanvoeren dat er een hoger openbaar belang bestaat in de zin van die laatste zinsnede van die bepaling.

102    Ten tweede, zelfs indien de algemene stellingen dat er een algemeen belang van waarborging van vrije en kosteloze toegang tot geharmoniseerde normen bestaat, zouden moeten worden aanvaard, kan niet worden aangenomen dat de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen in casu een dergelijk belang dient. De toegang tot geharmoniseerde normen blijft immers, ongeacht de aard van het recht dat door het opstellen van die normen ontstaat ten gunste van de auteurs ervan, onderworpen aan beperkingen, zoals de betaling van vergoedingen die de nationale normalisatie‑instellingen op basis van het Europese normalisatiestelsel hebben vastgesteld of het feit dat deze normen slechts in bepaalde bibliotheken (kosteloos) kunnen worden geraadpleegd. Om die reden moet worden ingestemd met de beoordeling van de Commissie dat het algemeen belang om de functionaliteit van het Europese normalisatiestelsel te waarborgen, dat tot doel heeft om het vrije verkeer van goederen te bevorderen en tegelijkertijd in alle Europese landen een gelijkwaardig minimumveiligheidsniveau te garanderen, zwaarder weegt dan de garantie van vrije en kosteloze toegang tot geharmoniseerde normen.

103    In de tweede plaats kan de door verzoeksters gekozen weg, die vereist dat de vrije en kosteloze toegang tot geharmoniseerde normen via het bij verordening nr. 1049/2001 ingevoerde mechanisme, wordt verankerd in de rechtspraak zonder evenwel het Europese normalisatiestelsel in twijfel te trekken, niet als adequaat worden beschouwd. Zoals in punt 53 hierboven in herinnering is gebracht, stelt verordening nr. 1025/2012 immers uitdrukkelijk een regeling vast waarbij openbaarmaking is beperkt tot enkel de referentiegegevens van de geharmoniseerde normen en maakt deze verordening het mogelijk, zoals in punt 19 hierboven is uiteengezet, dat personen die willen profiteren van het aan deze normen verbonden vermoeden van overeenstemming, tegen betaling toegang hebben tot die normen.

104    In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie in het confirmatieve besluit heeft geoordeeld dat er geen enkel hoger openbaar belang was dat de openbaarmaking van de opgevraagde geharmoniseerde normen gebood uit hoofde van artikel 4, lid 2, laatste zinsnede, van verordening nr. 1049/2001. Volgens de Commissie schept het arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), waarop verzoeksters zich beroepen ter ondersteuning van hun stelling dat er sprake is van een hoger openbaar belang om de toegankelijkheid van het recht te verzekeren, geen verplichting om geharmoniseerde normen proactief bekend te maken in het Publicatieblad en stelt het evenmin een hoger openbaar belang vast dat automatisch openbaarmaking van die normen gebiedt.

105    Die beoordeling van de Commissie geeft geen blijk van onjuistheden.

106    De stelling van verzoeksters is namelijk gebaseerd op de gevolgen die zij zelf trekken uit het feit dat het Hof in zijn arrest van 27 oktober 2016, James Elliott Construction (C‑613/14, EU:C:2016:821), geharmoniseerde normen heeft aangemerkt als „Unierecht”. Zo betogen zij in wezen dat het feit dat geharmoniseerde normen deel uitmaken van het Unierecht „de grondwettelijke verplichting met zich meebrengt om vrije toegang tot die normen te verlenen”.

107    Naast het feit dat verzoeksters niet vermelden wat exact de bron is voor het bestaan van een „constitutioneel beginsel” dat een vrije en kosteloze toegang tot geharmoniseerde normen vereist, rechtvaardigen zij geenszins waarom voor deze normen het vereiste inzake de openbaarmaking en toegankelijkheid van een „wet” zou moeten gelden terwijl die normen niet verplicht van toepassing zijn, alleen rechtsgevolgen hebben voor betrokkenen en kosteloos kunnen worden geraadpleegd in bepaalde bibliotheken van de lidstaten.

108    Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden afgewezen.

c)      Tweede onderdeel: onjuiste toepassing van het recht met betrekking tot het bestaan van een hoger openbaar belang als gevolg van de transparantieverplichting op het gebied van milieu

109    Verzoeksters betogen dat de opgevraagde geharmoniseerde normen ten eerste milieu-informatie bevatten, hetgeen overeenkomstig artikel 5, lid 3, onder b), van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB 2005, L 124, blz. 1; hierna: „Verdrag van Aarhus”), zoals ten uitvoer gelegd bij artikel 4, lid 2, onder a), van verordening nr. 1367/2006, met zich meebrengt dat er sprake is van een hoger openbaar belang dat openbaarmaking van die normen gebiedt. Ten tweede hebben zij betrekking op uitstoot in het milieu, zodat openbaarmaking ervan een hoger openbaar belang dient in de zin van artikel 6, lid 1, van die verordening.

110    De Commissie, ondersteund door interveniënten, wijst het betoog van verzoeksters van de hand.

111    In dit verband moet worden opgemerkt dat verordening nr. 1367/2006, net als verordening nr. 1049/2001, tot doel heeft om, zoals artikel 1 ervan aangeeft, ervoor te zorgen dat milieu-informatie waarover de instellingen en organen van de Unie beschikken op de breedst mogelijke basis systematisch ter beschikking komt en wordt verspreid.

112    Bij het onderzoek van het betoog van verzoeksters dat er sprake is van een hoger openbaar belang dat voortvloeit uit de transparantieverplichting op het gebied van milieu, moet worden nagegaan, ervan uitgaande dat de opgevraagde geharmoniseerde normen milieu-informatie bevatten, of dit had volstaan voor de conclusie dat er sprake was van een hoger openbaar belang bij openbaarmaking ervan. Vervolgens is het in voorkomend geval van belang om te onderzoeken of die geharmoniseerde normen betrekking hebben op milieu-uitstoot, zodat overeenkomstig artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1367/2006, de openbaarmaking ervan wordt geacht een hoger openbaar belang te dienen.

1)      Bestaan van een hoger openbaar belang bij verzoeken om milieuinformatie

113    Verzoeksters betogen in wezen dat de Commissie krachtens artikel 5, lid 3, onder b), van het Verdrag van Aarhus, zoals ten uitvoer gelegd bij artikel 4, lid 2, onder a), van verordening nr. 1367/2006, gehouden was de opgevraagde geharmoniseerde normen actief te verspreiden.

114    In dit verband moet worden vastgesteld dat zowel artikel 5, lid 3, onder b), van het Verdrag van Aarhus als artikel 4, lid 2, onder a), van verordening nr. 1367/2006 de verplichting tot actieve verspreiding van milieu-informatie regelt, zonder op dat gebied een „hoger openbaar belang” vast te leggen.

115    In navolging van de Commissie moet namelijk worden benadrukt dat artikel 6, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1367/2006 de enige bepaling van deze verordening is die een duidelijke en specifieke verwijzing naar een „hoger openbaar belang” bevat en dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op situaties waarin de gevraagde informatie betrekking heeft op uitstoot in het milieu.

116    Voorts verwijst artikel 6, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 1367/2006 alleen naar een „openbaar belang” bij openbaarmaking en niet naar een „hoger” openbaar belang in de zin van artikel 4, lid 2, in fine, van verordening nr. 1049/2001. Uit artikel 6, lid 1, tweede volzin, van verordening nr. 1367/2006 vloeit dus niet voort dat de openbaarmaking van milieu-informatie altijd een hoger openbaar belang dient (zie in die zin en naar analogie arrest van 23 september 2015, ClientEarth en International Chemical Secretariat/ECHA, T‑245/11, EU:T:2015:675, punt 189).

117    Uit voorgaande overwegingen volgt dat uit het enkele feit – gesteld dat het wordt aangetoond – dat de opgevraagde geharmoniseerde normen milieu-informatie bevatten, niet voortvloeit dat er een hoger openbaar belang bij openbaarmaking ervan bestaat.

118    Blijkens artikel 5, lid 3, onder b), van het Verdrag van Aarhus, zoals ten uitvoer gelegd bij artikel 4, lid 2, onder a), van verordening nr. 1367/2006, is de verplichting om milieu-informatie actief te verspreiden hoe dan ook beperkt tot de teksten van de Uniewetgeving die betrekking hebben op het milieu of daarmee verband houden, en van beleidsmaatregelen, plannen en programma’s betreffende het milieu. De opgevraagde geharmoniseerde normen maken weliswaar deel uit van het Unierecht, maar vallen niet onder de Uniewetgeving, die strikt is afgebakend door de Verdragen en waarvoor de instellingen van de Unie die ter zake over bepaalde bevoegdheden beschikken, exclusief bevoegd zijn. Hieruit volgt dat de stelling van verzoeksters dat de Commissie verplicht was om de opgevraagde geharmoniseerde normen actief te verspreiden, is gebaseerd op de onjuiste premisse dat deze geharmoniseerde normen behoren tot de categorie van „Uniewetgeving inzake of in verband met het milieu”.

119    Voorts bepaalt zowel het Verdrag van Aarhus als verordening nr. 1367/2006 dat het publiek toegang heeft tot milieu-informatie, hetzij op verzoek hetzij door de actieve verspreiding van informatie door de betrokken autoriteiten en instellingen. Aangezien de autoriteiten en instellingen kunnen weigeren een verzoek om toegang tot informatie in te willigen wanneer deze informatie binnen de werkingssfeer van bepaalde uitzonderingen valt, geldt des te meer dat zij die informatie niet actief hoeven te verspreiden. Anders zouden de betrokken uitzonderingen immers elk nuttig effect verliezen, wat kennelijk onverenigbaar is met zowel de geest als de bewoordingen van het Verdrag van Aarhus en voornoemde verordening (zie in die zin en naar analogie arrest van 13 september 2013, ClientEarth/Commissie, T‑111/11, EU:T:2013:482, punt 128).

2)      Bestaan van informatie die betrekking heeft op uitstoot in het milieu in de zin van artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1367/2006

120    Uit artikel 1, lid 1, onder b), juncto artikel 2, lid 1, onder d), van verordening nr. 1367/2006 volgt in wezen dat deze verordening tot doel heeft om het recht te waarborgen op toegang tot informatie over factoren, zoals emissies, die de in artikel 2, lid 1, onder d), i), bedoelde elementen van het milieu, met name de lucht, het water of de bodem, aantasten of waarschijnlijk aantasten.

121    In dit verband legt artikel 6, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1367/2006 een wettelijk vermoeden vast, volgens hetwelk de openbaarmaking van „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu”, met uitzondering van informatie betreffende onderzoeken, wordt geacht van hoger openbaar belang te zijn dan het belang dat bestaat bij de bescherming van de commerciële belangen van een bepaalde natuurlijke of rechtspersoon, zodat de bescherming van die commerciële belangen niet kan worden ingeroepen om de openbaarmaking van die informatie te weigeren. Door een dergelijk vermoeden in te voeren, maakt dit artikel enkel een concrete toepassing mogelijk van het beginsel van de ruimst mogelijke toegang tot de informatie waarover de instellingen en organen van de Unie beschikken (zie in die zin arrest van 23 november 2016, Commissie/Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe, C‑673/13 P, EU:C:2016:889, punt 54).

122    Uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1367/2006 blijkt echter dat die bepaling informatie betreft die „betrekking heeft op uitstoot in het milieu”, dat wil zeggen informatie die dergelijke emissies betreft of die informatie over dergelijke emissies vormt, en niet informatie die een of ander – direct of indirect – verband vertoont met emissies in het milieu. Deze uitlegging wordt bevestigd door artikel 4, lid 4, eerste alinea, onder d), van het Verdrag van Aarhus, waarin wordt verwezen naar „informatie over emissies” (arrest van 23 november 2016, Commissie/Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe, C‑673/13 P, EU:C:2016:889, punt 78).

123    Gelet op de door artikel 6, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1367/2006 nagestreefde doelstelling om principieel toegang te bieden tot „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu”, moet dat begrip aldus worden opgevat dat het met name de gegevens omvat die het publiek in staat stellen te weten wat daadwerkelijk in het milieu wordt uitgestoten, dan wel voorzienbaar in het milieu zal worden uitgestoten bij normaal of realistisch gebruik van het betrokken product, of de betrokken stof, in overeenstemming met de toelating voor het op de markt brengen die voor het product of de stof in kwestie is afgegeven en overeenkomstig de omstandigheden in het gebied waarvoor het product of de stof is bestemd. Bijgevolg moet dat begrip aldus worden uitgelegd dat het met name de inlichtingen omvat betreffende de aard, de samenstelling, de hoeveelheid, de datum en de plaats van de daadwerkelijke of voorzienbare emissies in dergelijke omstandigheden, van het product of de stof in kwestie (arrest van 23 november 2016, Commissie/Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe, C‑673/13 P, EU:C:2016:889, punt 79).

124    Onder het begrip „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu” dient ook de informatie te vallen die het publiek in staat stelt te controleren of de beoordeling van daadwerkelijke of voorzienbare emissies, op basis waarvan de bevoegde autoriteit het betrokken product of de betrokken stof heeft toegelaten, juist is, alsook de gegevens over de invloeden van die emissies op het milieu. Uit overweging 2 van verordening nr. 1367/2006 blijkt immers in wezen dat de door die verordening gewaarborgde toegang tot milieu-informatie er met name tot strekt een meer doeltreffende deelname van het publiek aan de besluitvorming te bevorderen, zodat de verantwoordingsplicht van de bevoegde instanties voor de besluitvorming wordt vergroot en een bijdrage wordt geleverd tot de bewustmaking van het publiek en de verkrijging van steun van het publiek voor de genomen besluiten. Teneinde zich ervan te kunnen vergewissen dat de beslissingen van de op milieugebied bevoegde autoriteiten gerechtvaardigd zijn en om doeltreffend deel te nemen aan het besluitvormingsproces inzake milieuaangelegenheden, dient het publiek toegang te hebben tot de informatie aan de hand waarvan het kan nagaan of de emissies correct zijn beoordeeld, en dient het in staat te worden gesteld redelijkerwijs te begrijpen hoe bedoelde emissies het milieu negatief kunnen beïnvloeden (arrest van 23 november 2016, Commissie/Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe, C‑673/13 P, EU:C:2016:889, punt 80).

125    Hoewel het begrip „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu” niet restrictief moet worden uitgelegd, valt daarom echter nog niet alle informatie die om het even welk – zelfs direct – verband met emissies in het milieu vertoont, onder dat begrip. Zou dat begrip aldus worden opgevat dat het betrekking heeft op dergelijke informatie, zou het immers het begrip „milieu-informatie” in de zin van artikel 2, lid 1, onder d), van verordening nr. 1367/2006 grotendeels uithollen. Een dergelijke uitlegging zou aldus de in artikel 4, lid 2, eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 vastgestelde mogelijkheid voor de instellingen om te weigeren milieu-informatie openbaar te maken omdat een dergelijke openbaarmaking zou leiden tot de ondermijning van de bescherming van commerciële belangen van een bepaalde natuurlijke of rechtspersoon, elke nuttige werking ontnemen en een bedreiging vormen voor het evenwicht dat de Uniewetgever heeft willen verzekeren tussen de doelstelling van transparantie en de bescherming van die belangen. Zij zou ook op onevenredige wijze afbreuk doen aan de bescherming van de door artikel 339 VWEU gewaarborgde geheimhoudingsplicht (zie in die zin arrest van 23 november 2016, Commissie/Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe, C‑673/13 P, EU:C:2016:889, punt 81).

126    Voorts kan het begrip „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu” in de zin van artikel 6, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1367/2006 weliswaar niet worden beperkt tot uitsluitend informatie betreffende de emissies die daadwerkelijk vrijkomen in het milieu, maar heeft dit begrip geen betrekking op informatie betreffende hypothetische emissies (zie in die zin arrest van 23 november 2016, Commissie/Stichting Greenpeace Nederland en PAN Europe, C‑673/13 P, EU:C:2016:889, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak en punt 73).

127    Volgens de Commissie, die op dit punt niet is tegengesproken door verzoeksters, beschrijven in casu de opgevraagde geharmoniseerde normen enkel proeven en methoden die bedoeld zijn om te verzekeren dat bepaalde waren aan de veiligheidseisen voldoen voordat zij in de handel worden gebracht. Zij bevatten geen informatie die van invloed is of kan zijn op de in artikel 2, lid 1, onder d), i), van verordening nr. 1367/2006 bedoelde elementen van het milieu, maar informatie over de beste manieren om speelgoed veiliger te maken en bepaalde gevolgen van langdurig contact van nikkel met de huid te voorkomen.

128    Zoals de Commissie terecht betoogt, toont het enkele feit dat de opgevraagde geharmoniseerde normen deels betrekking hebben op stoffen en dat zij bepaalde informatie over maximumgehalten aan mengsels en chemische stoffen bevatten, zeker niet aan dat deze normen voldoende verband houden met daadwerkelijke of voorzienbare emissies in de zin van de in de punten 123 en 124 hierboven genoemde rechtspraak.

129    Uit het voorgaande volgt dat de opgevraagde geharmoniseerde normen niet beperkt zijn tot „informatie [die] betrekking heeft op uitstoot in het milieu” en dus niet onder het vermoeden van artikel 6, lid 1, eerste volzin, van verordening nr. 1367/2006 kunnen vallen.

130    Het tweede onderdeel van het tweede middel moet dus worden afgewezen, en daarmee dit middel in zijn geheel, alsook het beroep.

IV.    Kosten

131    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.

132    Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de Commissie worden verwezen in hun eigen kosten en in die van de Commissie.

133    Tot slot kan het Gerecht volgens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bepalen dat andere interveniënten dan de in de leden 1 en 2 van dat artikel bedoelde, hun eigen kosten zullen dragen. In casu zullen het CEN, de UNE, de ASRO, de AFNOR, ASI, de BSI, het NBN, DS, het DIN, het NEN, de SNV, SN, de SFS, het SIS en het ISS hun eigen kosten dragen.

HET GERECHT (Vijfde kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Public.Resource.Org, Inc. en Right to Know CLG dragen hun eigen kosten en die van de Europese Commissie.

3)      Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN), de Asociación Española de Normalización (UNE), de Asociaţie de Standardizare din România (ASRO), de Association française de normalisation (AFNOR), Austrian Standards International (ASI), de British Standards Institution (BSI), het Bureau de normalisation/Bureau voor Normalisatie (NBN), Dansk Standard (DS), het Deutsche Institut für Normung eV (DIN), het Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut (NEN), de Schweizerische Normen-Vereinigung (SNV), Standard Norge (SN), de Suomen Standardisoimisliitto ry (SFS), het Svenska institut för standarder (SIS) en het Institut za standardizaciju Srbije (ISS) dragen hun eigen kosten.

Papasavvas

Spielmann

Öberg

Spineanu-Matei

 

      Norkus

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 juli 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.


1      De bijlage met de lijst van de overige interveniënten is alleen bij de aan partijen betekende versie gevoegd.