Language of document : ECLI:EU:C:2020:138

Zaak C125/18

Marc Gómez del Moral Guasch

tegen

Bankia SA

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 38 de Barcelona)

 Arrest van het Hof (Grote kamer) van 3 maart 2020

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Hypotheekovereenkomst – Variabele rentevoet – Referentie-index die is gebaseerd op de hypothecaire leningen van de spaarbanken – Index die is geregeld in een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling – Eenzijdige toevoeging van een dergelijk beding door de kredietverstrekker – Toetsing van het transparantievereiste door de nationale rechter – Gevolgen van de vaststelling van het oneerlijke karakter van het beding”

1.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Werkingssfeer – Uitsluiting van contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen – Beding waarin een variabele rentevoet wordt vastgesteld op basis van een referentie-index die is opgenomen in een niet-dwingende bepaling van nationaal recht – Toepassing van de richtlijn

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 1, lid 2)

(zie punten 33‑37, dictum 1)

2.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Verplichting van de nationale rechter om na te gaan of een contractueel beding dat betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst duidelijk en begrijpelijk is –Omvang

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 4, lid 2, en art. 8)

(zie punten 44‑47, dictum 2)

3.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Beding waarin een variabele rentevoet wordt vastgesteld – Transparantievereiste – Draagwijdte – Beoordelingscriteria

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 4, lid 2, en art. 5)

(zie punten 52‑54, 56, dictum 3)

4.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Vaststelling dat een beding oneerlijk is – Draagwijdte – Herziening van de inhoud van een oneerlijk beding door de nationale rechter – Ontoelaatbaarheid – Vervanging door de nationale rechter van een oneerlijk beding door een nationale bepaling van aanvullend recht – Toelaatbaarheid

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 6, lid 1, en art. 7, lid 1)

(zie punten 59‑64, 67, dictum 4)

Samenvatting

De Spaanse rechters moeten nagaan of een beding in een hypotheekovereenkomst dat voorziet in de toepassing van een op de index van de Spaanse spaarbanken gebaseerde variabele rentevoet, duidelijk en begrijpelijk is. Indien zij tot de slotsom komen dat dit beding oneerlijk is, kunnen zij – om de consument te beschermen tegenuiterst nadelige consequenties die uit de nietigheid van een leningsovereenkomst kunnen voortvloeien – die index vervangen door een aanvullende index waarin de Spaanse wet voorziet

In het arrest Gómez del Moral Guasch (C‑125/18) van 3 maart 2020 heeft de Grote kamer van het Hof geoordeeld dat het beding in een tussen een consument en een kredietverstrekker gesloten hypotheekovereenkomst volgens hetwelk de door de consument te betalen rentevoet varieert naargelang van de op hypothecaire leningen van de Spaanse spaarbanken gebaseerde referentie-index (hierna: „referentie-index”), waarin het Spaanse recht voorziet, binnen de werkingssfeer van de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen(1) valt. In dit beding zijn namelijk geen dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen overgenomen in de zin van artikel 1, lid 2, van die richtlijn. Het Hof heeft tevens verduidelijkt dat de Spaanse rechters moeten nagaan of een dergelijk beding duidelijk en begrijpelijk is, ongeacht of het Spaanse recht gebruik heeft gemaakt van de in artikel 4, lid 2, van de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen aan de lidstaten geboden mogelijkheid om te bepalen dat de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding met name geen betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Indien die rechters tot de slotsom komen dat dit beding oneerlijk is, kunnen zij – om de consument te beschermen tegen uiterst nadelige consequenties die uit de nietigheid van de leningsovereenkomst kunnen voortvloeien – die index vervangen door de aanvullende index waarin het Spaanse recht voorziet.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van een verzoek om een prejudiciële beslissing van de Juzgado de Primera Instancia no 38 de Barcelona (rechter in eerste aanleg nr. 38 Barcelona, Spanje). Marc Gómez del Moral Guasch heeft bij die rechter beroep ingesteld, waarbij hij aanvoert dat een beding betreffende de over het kapitaal verschuldigde variabele rentevoet dat was opgenomen in de hypotheekovereenkomst die hij met de bank Bankia SA had gesloten, oneerlijk was. Volgens dit beding varieert de door de consument te betalen rentevoet naargelang van de referentie-index. Deze referentie-index is vastgelegd in de nationale regeling en kan door de kredietinstellingen worden toegepast op hypothecaire leningen. De Spaanse rechter wijst er echter op dat de indexering van de variabele rente die wordt berekend op basis van de referentie-index minder gunstig is dan die welke wordt berekend op basis van de gemiddelde rentevoet van de Europese interbancaire markt (Euribor-index), die wordt gebruikt in 90 % van de in Spanje aangegane hypothecaire leningen, en extra kosten van 18 000 tot 21 000 EUR per lening met zich meebrengt.

In de eerste plaats heeft het Hof in herinnering gebracht dat bedingen waarin wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen, van de werkingssfeer van de richtlijn zijn uitgesloten.(2) Het Hof merkt echter op dat, onder voorbehoud van verificatie door de Spaanse rechter, de in casu toepasselijke nationale regeling niet verplichtte om voor leningen met een variabele rentevoet een officiële referentie-index te gebruiken, maar enkel de voorwaarden vaststelde waaraan „referentie-indices of ‑rentevoeten” moesten voldoen om door kredietinstellingen te kunnen worden gebruikt. Bijgevolg heeft het Hof geoordeeld dat een beding in een hypotheekovereenkomst waarin is bepaald dat de op de lening toepasselijke rentevoet gebaseerd is op een van de officiële referentie-indices waarin de nationale regeling voorziet en die door de kredietinstellingen op hypothecaire leningen kunnen worden toegepast, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, wanneer die regeling noch voorziet in de dwingende toepassing van die index, los van de keuze van de overeenkomstsluitende partijen, noch in de aanvullende toepassing ervan wanneer die partijen geen andere regeling zijn overeengekomen.

In de tweede plaats heeft het Hof zich gebogen over de bevoegdheden van de nationale rechter tot toetsing van de transparantie van een beding dat betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Artikel 4, lid 2, van de richtlijn bepaalt namelijk dat de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen met name geen betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.(3) De Spaanse rechter vroeg zich af of een nationale rechter, zelfs wanneer deze bepaling van de richtlijn niet in nationaal recht is omgezet, kan nagaan of een beding als het onderhavige voldoet aan het in de richtlijn gestelde vereiste van transparantie. In dat verband heeft het Hof benadrukt dat contractuele bedingen steeds duidelijk en begrijpelijk opgesteld moeten zijn.(4) Dit vereiste is volgens het Hof van toepassing, ook wanneer een beding binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 2, van de richtlijn valt en zelfs wanneer de betrokken lidstaat, in casu Spanje, die bepaling niet in zijn rechtsorde heeft omgezet. Hieruit volgt dat een rechter van een lidstaat steeds dient na te gaan of een contractueel beding dat betrekking heeft op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst duidelijk en begrijpelijk is.

In de derde plaats is het Hof van oordeel dat een in een hypotheekovereenkomst opgenomen beding waarin een variabele rentevoet wordt vastgesteld slechts kan voldoen aan het vereiste van transparantie in de zin van de richtlijn(5), wanneer het niet alleen formeel en grammaticaal begrijpelijk is, maar tevens een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stelt om te begrijpen hoe die rentevoet concreet wordt berekend en om aldus op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de – mogelijk aanzienlijke – economische gevolgen van een dergelijk beding voor zijn financiële verplichtingen in te schatten. In dit verband is het bijzonder van belang dat de voornaamste gegevens met betrekking tot de berekening van de rentevoet gemakkelijk toegankelijk zijn voor eenieder die een hypothecaire lening wil aangaan, doordat de berekeningswijze van die rentevoet wordt gepubliceerd in het publicatieblad van de betrokken lidstaat, en dat de kredietverstrekker aan de consument informatie verstrekt over de evolutie in het verleden van de index op basis waarvan die rentevoet wordt berekend.

Wat in de vierde en laatste plaats de bevoegdheden betreft van de nationale rechter die vaststelt dat een contractueel beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn, wijst het Hof erop dat de richtlijn(6) zich er niet tegen verzet dat de nationale rechter een oneerlijk beding in een tussen een kredietverstrekker en een consument gesloten overeenkomst op grond van de beginselen van het overeenkomstenrecht schrapt en door een nationale bepaling van aanvullend recht vervangt in gevallen waarin de rechter ten gevolge van de ongeldigverklaring van een dergelijk beding verplicht zou zijn om de overeenkomst in haar geheel nietig te verklaren, waardoor de consument zou worden geconfronteerd met uiterst nadelige consequenties. Een dergelijke nietigverklaring van de overeenkomst zou in beginsel immers tot gevolg kunnen hebben dat het gehele nog verschuldigde bedrag van de lening onmiddellijk opeisbaar wordt, hetgeen de financiële mogelijkheden van de consument zou kunnen overstijgen. Daardoor zouden eerder de belangen van de consument worden geschaad dan die van de kredietverstrekker, die er bijgevolg niet van zou worden weerhouden dergelijke bedingen op te nemen in de door hem voorgestelde overeenkomsten. In casu heeft de Spaanse wetgever sinds de sluiting van de litigieuze leningsovereenkomst een „nieuwe” index ingevoerd die, onder voorbehoud van verificatie door de nationale rechter, een aanvullend karakter heeft. Derhalve heeft het Hof geoordeeld dat de richtlijn(7) er niet aan in de weg staat dat de nationale rechter in geval van nietigheid van een oneerlijk contractueel beding waarin een referentie-index voor de berekening van de variabele rente van een lening wordt vastgesteld, deze index vervangt door die nieuwe index, die van toepassing is wanneer de partijen bij de overeenkomst niet anders zijn overeengekomen, voor zover de betrokken hypotheekovereenkomst in geval van schrapping van dat oneerlijke beding niet kan voortbestaan en de nietigverklaring van die overeenkomst in haar geheel de consument zou blootstellen aan uiterst nadelige consequenties.


1      Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).


2      Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13.


3      Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, dat ziet op bedingen die betrekking hebben op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst of op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten.


4      Artikel 5 van richtlijn 93/13.


5      Artikel 4, lid 2, en artikel 5 van richtlijn 93/13.


6      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13.


7      Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13.