Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam (Nederland) op 25 april 2017 – X tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

(Zaak C-213/17)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam

Partijen in het hoofdgeding

Verzoeker: X

Verweerder: Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

Prejudiciële vragen

Moet artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening1 in die zin worden gelezen dat Italië verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van het op 23 oktober 2014 door eiser in dat land ingediende verzoek om internationale bescherming, ondanks het feit dat Nederland de primair verantwoordelijke lidstaat was op grond van de in dit land eerder ingediende verzoeken om internationale bescherming in de zin van artikel 2, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, waarvan de laatste op dat moment in Nederland nog in behandeling was, omdat de Afdeling [bestuursrechtspraak van de Raad van State] nog geen uitspraak had gedaan op het door eiser ingestelde hoger beroep tegen de […] uitspraak [AWB 14/13866] van de rechtbank [Den Haag, zittingsplaats Middelburg] van 7 juli 2014?

Volgt uit artikel 18, tweede lid, van de Dublinverordening dat het tijdens de indiening van het claimverzoek op 5 maart 2015 in Nederland nog in behandeling zijnde verzoek om internationale bescherming door de Nederlandse autoriteiten onverwijld na indiening van het claimverzoek diende te worden opgeschort en na het verstrijken van de termijn van artikel 24 te worden stopgezet door intrekking of wijziging van het eerder genomen besluit van 11 juni 2014 tot afwijzing van de asielaanvraag van 4 juni 2014?

Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt, is de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming niet op Italië overgegaan, maar bij de Nederlandse autoriteiten blijven berusten, omdat verweerder het besluit van 11 juni 2014 niet heeft ingetrokken of gewijzigd?

Zijn de Nederlandse autoriteiten, door geen melding te maken van het in Nederland bij de Afdeling aanhangige hoger beroep in de tweede asielprocedure, tekort geschoten in de op hen op grond van artikel 24, vijfde lid, van de Dublinverordening rustende verplichting de Italiaanse autoriteiten van informatie te voorzien aan de hand waarvan zij konden nagaan of deze lidstaat op grond van deze verordening verantwoordelijk is?

Als het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, leidt deze tekortkoming tot de conclusie dat daardoor de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek van eiser om internationale bescherming niet op Italië is overgegaan, maar bij de Nederlandse autoriteiten is blijven berusten?

Indien de verantwoordelijkheid niet bij Nederland is blijven berusten, hadden de Nederlandse autoriteiten dan in verband met de overlevering van eiser uit Italië aan Nederland in het kader van zijn strafzaak, op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening het door hem in Italië ingediende verzoek om internationale bescherming behoren te behandelen, en hadden zij, in het verlengde daarvan, in redelijkheid geen gebruik mogen maken van de in artikel 24, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid de Italiaanse autoriteiten om eisers terugname te verzoeken?

____________

1     Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB 2013, L 180, blz. 31).