Language of document : ECLI:EU:C:2018:538

Zaak C213/17

X

tegen

Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam)

„Prejudiciële verwijzing – Verordening (EU) nr. 604/2013 – Bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een derdelander bij een van de lidstaten wordt ingediend – Artikelen 17, 18, 23, en 24 – Eerder ingeleide, nog lopende procedure voor internationale bescherming in een lidstaat – Nieuw verzoek in een andere lidstaat – Geen terugnameverzoek binnen de gestelde termijnen – Overlevering van de betrokken persoon met het oog op strafrechtelijke vervolging”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Derde kamer) van 5 juli 2018

1.        Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming – Verordening nr. 604/2013 – Over- en terugnameprocedures – Termijnen voor het indienen van een terugnameverzoek – Gevolg van de niet-inachtneming van die termijnen – Overdracht van de verantwoordelijkheid voor het onderzoek van een nieuw verzoek om internationale bescherming aan de lidstaat die dit verzoek niet tijdig heeft ingediend – Beroep hangende in een andere lidstaat tegen het afwijzende besluit op een van de verzoeken om internationale bescherming die eerder in die lidstaat waren ingediend – Geen invloed

[Verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad, art. 18, lid 1, d), en 23, leden 1‑3]

2.        Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming – Verordening nr. 604/2013 – Over- en terugnameprocedures – Indiening van een terugnameverzoek – Beroep hangende in de verzoekende lidstaat tegen het afwijzende besluit op een verzoek om internationale bescherming dat eerder in die lidstaat was ingediend – Verplichting om de behandeling van het beroep te schorsen en vervolgens stop te zetten als dit verzoek wordt ingewilligd – Geen

(Verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad, art. 18, lid 2)

3.        Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming – Verordening nr. 604/2013 – Over- en terugnameprocedures – Gegevens die moeten voorkomen in het terugnameverzoek – Gegevens over een beroep hangende in de verzoekende lidstaat tegen het afwijzende besluit op een verzoek om internationale bescherming dat eerder in die lidstaat was ingediend – Daarvan uitgesloten

(Verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad, art. 22, lid 3, 23, lid 2, en 24, lid 5)

4.        Grenscontroles, asiel en immigratie – Asielbeleid – Criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming – Verordening nr. 604/2013 – Over- en terugnameprocedures – Verzoeker om internationale bescherming jegens wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en die zich op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat bevindt zonder daar een nieuw verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend – Indiening door die lidstaat van een verzoek tot terugname door de uitvoerende lidstaat – Toelaatbaarheid – Mogelijkheid voor de uitvaardigende lidstaat om het in de uitvoerende lidstaat ingediende verzoek om internationale bescherming te behandelen – Geen

[Verordening nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad, art. 17, lid 1, 18, lid 1, d), en 24, lid 1]

1.      Artikel 23, lid 3, van verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaat waar een nieuw verzoek om internationale bescherming is ingediend, verantwoordelijk is voor de behandeling ervan indien die lidstaat niet binnen de in artikel 23, lid 2, van die verordening gestelde termijnen om terugname heeft verzocht, terwijl een andere lidstaat verantwoordelijk was voor de behandeling van eerder ingediende verzoeken om internationale bescherming en het beroep tegen de afwijzing van een van deze verzoeken bij het verstrijken van die termijnen nog aanhangig was voor een rechterlijke instantie van die lidstaat.

De werkingssfeer van de procedure van terugname wordt gedefinieerd in de artikelen 23 en 24 van de Dublin III-verordening. Uit artikel 23, lid 1, van die verordening volgt dat die procedure van toepassing is op personen als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), van die verordening (zie in die zin beschikking van 5 april 2017, Ahmed, C‑36/17, EU:C:2017:273, punten 26 en 27, en arrest van 25 januari 2018, Hasan, C‑360/16, EU:C:2018:35, punten 42 en 43). Deze laatste bepaling ziet met name op een derdelander of een staatloze wiens verzoek is afgewezen en die een nieuw verzoek heeft ingediend in een andere lidstaat. De terugnameprocedure in artikel 23 van de Dublin III-verordening is dus van toepassing op een derdelander die een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in een lidstaat nadat een eerder in een andere lidstaat ingediend verzoek om internationale bescherming door de verantwoordelijke autoriteit is afgewezen, zelfs als deze beslissing nog niet onherroepelijk is geworden na instelling van een beroep dat aanhangig is voor een rechterlijke instantie van die laatste lidstaat.

In een situatie als in het hoofdgeding beschikten de autoriteiten van de lidstaat waar dit nieuwe verzoek was ingediend, derhalve uit hoofde van artikel 23, lid 1, van die verordening over de mogelijkheid om een verzoek om terugname van de betrokken persoon in te dienen. Niettemin moesten zij dit verzoek overeenkomstig artikel 23, lid 2, van deze verordening zo snel mogelijk indienen en in elk geval binnen de in die bepaling gestelde termijn. Een dergelijk verzoek kan namelijk niet geldig worden ingediend na het verstrijken van de termijn (zie naar analogie arrest van 26 juli 2017, Mengesteab, C‑670/16, EU:C:2017:587, punt 67). Zowel uit de bewoordingen van artikel 23, lid 3, van de Dublin III-verordening als uit de algemene opzet en de doelstellingen ervan vloeit voort dat de verantwoordelijkheid na het verstrijken van de termijnen van rechtswege overgaat op de lidstaat waar het nieuwe verzoek om internationale bescherming is ingediend (zie naar analogie arresten van 26 juli 2017, Mengesteab, C‑670/16, EU:C:2017:587, punt 61, en 25 oktober 2017, Shiri, C‑201/16, EU:C:2017:805, punt 30).

(zie punten 27, 28, 32‑35, 40, dictum 1)

2.      Artikel 18, lid 2, van verordening nr. 604/2013 moet aldus worden uitgelegd dat de indiening, door een lidstaat, van een verzoek tot terugname van een derdelander die zich zonder verblijfstitel op zijn grondgebied bevindt, deze lidstaat niet verplicht de behandeling van een beroep tegen de afwijzing van een eerder ingediend verzoek om internationale bescherming te schorsen en die behandeling vervolgens stop te zetten als dit verzoek door de aangezochte lidstaat wordt ingewilligd.

Hoewel artikel 18, lid 2, van de Dublin III-verordening verschillende verplichtingen noemt met betrekking tot het aan een verzoek om internationale bescherming te geven gevolg, afhankelijk van het stadium waarin de betrokken procedure van internationale bescherming zich bevindt, strekken deze verplichtingen er alle toe te waarborgen dat de procedure van internationale bescherming wordt voortgezet en houden zij niet in dat deze in welke lidstaat dan ook moet worden opgeschort of onderbroken.

(zie punten 42, 44, dictum 2)

3.      Artikel 24, lid 5, van verordening nr. 604/2013 moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die, in een situatie als in het hoofdgeding, na het verstrijken van de in artikel 23, lid 2, van deze verordening gestelde termijnen in de aangezochte lidstaat een terugnameverzoek krachtens artikel 24 van die verordening indient, niet gehouden is de autoriteiten van deze lidstaat ervan in kennis te stellen dat een beroep tegen de afwijzing van een eerder ingediend verzoek om internationale bescherming aanhangig is voor een rechterlijke instantie van de verzoekende lidstaat.

Artikel 24, lid 5, van de Dublin III-verordening bepaalt dat het verzoek tot terugname wordt ingediend met behulp van een standaardformulier en wordt gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen, als omschreven in de in artikel 22, lid 3, van die verordening vermelde lijsten, of relevante elementen uit de verklaringen van de betrokkene, op grond waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk is. Uit de bewoordingen van artikel 24, lid 5, van die verordening vloeit dus voort dat de verplichting informatie te verstrekken, die op de verzoekende lidstaat rust, beperkt is tot de elementen aan de hand waarvan de aangezochte lidstaat zijn verantwoordelijkheid kan beoordelen.

(zie punten 47, 48, 53, dictum 3)

4.      Artikel 17, lid 1, en artikel 24 van verordening nr. 604/2013 moeten aldus worden uitgelegd dat een lidstaat waaraan, ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, een verzoeker om internationale bescherming is overgeleverd, welke verzoeker zich dan op zijn grondgebied bevindt zonder daar een nieuw verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend, in een situatie als in het hoofdgeding op de datum van het overdrachtsbesluit, de lidstaat die de verzoeker heeft overgeleverd om terugname van die persoon kan verzoeken en niet is gehouden het door die verzoeker ingediende verzoek te behandelen.

Artikel 24, lid 1, van de Dublin III-verordening bepaalt dat een lidstaat een andere lidstaat onder andere kan verzoeken om terugname van een persoon als bedoeld in artikel 18, lid 1, onder d), van die verordening die zich zonder verblijfstitel op zijn grondgebied ophoudt zonder dat daar een nieuw verzoek om internationale bescherming is ingediend, indien hij van oordeel is dat die andere lidstaat overeenkomstig die laatste bepaling verantwoordelijk is. Aangezien deze bepaling geen enkel vereiste bevat voor de wijze waarop de betrokken persoon het grondgebied van de verzoekende lidstaat is binnengekomen, moet worden vastgesteld dat de Uniewetgever de mogelijkheid om een terugnameverzoek in te dienen op dat punt aan geen enkele voorwaarde heeft verbonden.

In die context en gelet op de procedurele autonomie waarin is voorzien in de Dublin III-verordening en in kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), die verschillende doelstellingen nastreven en elkaar niet vervangen, kan de omstandigheid dat de betrokken persoon het grondgebied van de verzoekende lidstaat is binnengekomen na een overlevering ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel als zodanig niet uitsluiten dat een terugnameverzoek wordt ingediend.

Uit de bewoordingen van artikel 17, lid 1, van de Dublin III-verordening blijkt voorts dat deze bepaling elke lidstaat toestaat, „een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming” te behandelen, hetgeen impliceert dat deze bepaling er niet toe strekt of tot gevolg heeft een lidstaat de mogelijkheid te bieden, een verzoek om internationale bescherming te behandelen dat niet bij hem is ingediend.

(zie punten 56‑58, 60, 63, dictum 4)