Language of document : ECLI:EU:C:2021:269

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

15 april 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming – Richtlijn 2000/43/EG – Artikel 7 – Verdediging van rechten – Artikel 15 – Sancties – Beroep tot schadevergoeding wegens vermeende discriminatie – Instemming van de verweerder met de vordering tot schadevergoeding zonder erkenning van het bestaan van de vermeende discriminatie – Verband tussen de betaalde schadevergoeding en de gestelde discriminatie – Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Nationale procesregels die de rechter bij wie het beroep is ingesteld, beletten om, ondanks het uitdrukkelijke verzoek van de verzoeker, uitspraak te doen over het bestaan van de gestelde discriminatie”

In zaak C‑30/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Högsta domstol (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Zweden) bij beslissing van 20 december 2018, ingekomen bij het Hof op 10 januari 2019, in de procedure

Diskrimineringsombudsman

tegen

Braathens Regional Aviation AB,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, R. Silva de Lapuerta, vicepresident, A. Prechal, M. Vilaras, E. Regan en N. Piçarra, kamerpresidenten, T. von Danwitz (rapporteur), C. Toader, M. Safjan, D. Šváby, K. Jürimäe, C. Lycourgos, P. G. Xuereb, L. S. Rossi en I. Jarukaitis, rechters,

advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 11 februari 2020,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Diskrimineringsombudsman, vertegenwoordigd door M. Mörk, T. A. Qureshi en A. Rosenmüller Nordlander,

–        Braathens Regional Aviation AB, vertegenwoordigd door J. Josjö, C. Gullikson Dock, advokater, en J. Hettne,

–        de Zweedse regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door H. Eklinder, C. Meyer-Seitz, H. Shev en J. Lundberg, vervolgens door H. Eklinder, C. Meyer-Seitz en H. Shev als gemachtigden,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door M. Pere als gemachtigde,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Simonsson, E. Ljung Rasmussen, G. Tolstoy en C. Valero als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 mei 2020,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB 2000, L 180, blz. 22), gelezen tegen de achtergrond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een beroep dat is ingesteld door de Diskrimineringsombudsman (ombudsman belast met discriminatie, Zweden), optredend namens een vliegtuigpassagier die meent het slachtoffer te zijn van discriminatie, tegen de Zweedse luchtvaartmaatschappij Braathens Regional Aviation AB (hierna: „Braathens”), die heeft ingestemd met het verzoek om schadevergoeding van deze passagier zonder evenwel te erkennen dat er sprake was van de gestelde discriminatie.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 19 en 26 van richtlijn 2000/43 luiden als volgt:

„(19)      Personen die op grond van ras of etnische afstamming zijn gediscrimineerd, dienen over adequate mogelijkheden voor rechtsbescherming te beschikken. Teneinde een hoger beschermingsniveau te verschaffen, dienen verenigingen of rechtspersonen de bevoegdheid te krijgen om, als de lidstaten daartoe besluiten, namens of ten behoeve van slachtoffers in een procedure het recht van verweer uit te oefenen, onverminderd de nationale procedureregels betreffende de vertegenwoordiging en verdediging in rechte.

[...]

(26)      De lidstaten dienen voor inbreuken op de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vast te stellen.”

4        Artikel 1 van deze richtlijn heeft als opschrift „Doel” en is als volgt verwoord:

„Deze richtlijn heeft tot doel een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”

5        Artikel 2 van deze richtlijn, met als opschrift „Het begrip discriminatie”, bepaalt in lid 1 ervan:

„Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het beginsel van gelijke behandeling verstaan de afwezigheid van elke vorm van directe of indirecte discriminatie op grond van ras of etnische afstamming.”

6        In artikel 3 van die richtlijn, met als opschrift „Werkingssfeer”, is in lid 1, onder h), het volgende bepaald:

„Binnen de grenzen van de aan de [Europese Unie] verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:

[...]

h)      de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, met inbegrip van huisvesting.”

7        Artikel 7 van richtlijn 2000/43 heeft als opschrift „Verdediging van rechten” en luidt als volgt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat eenieder die zich door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures, en wanneer zij zulks passend achten, ook tot bemiddelingsprocedures, voor de naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, zelfs na beëindiging van de verhouding waarin deze persoon zou zijn gediscrimineerd.

2.      De lidstaten zorgen ervoor dat verenigingen, organisaties of andere rechtspersonen, die er, overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde criteria, een rechtmatig belang bij hebben dat deze richtlijn wordt nageleefd, namens of ter ondersteuning van de klager of klaagster met zijn, respectievelijk haar toestemming met het oog op de naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen gerechtelijke en/of administratieve procedures kunnen aanspannen.

[...]”

8        Artikel 8 van die richtlijn, met als opschrift „Bewijslast”, bepaalt:

„1.      De lidstaten nemen, overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer personen die zich door niet-toepassing te hunnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld achten, voor de rechter of een andere bevoegde instantie feiten aanvoeren die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet werd geschonden.

[...]

3.      Lid 1 is niet van toepassing op strafprocedures.

[...]”

9        Artikel 15 van die richtlijn heeft als opschrift „Sancties” en luidt:

„De lidstaten stellen vast welke sancties gelden voor overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties, die ook het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. [...]”

 Zweeds recht

10      Volgens § 4, lid 1, van hoofdstuk 1 van de diskrimineringslag (2008:567) (wet inzake discriminatie) is er met name sprake van discriminatie wanneer iemand benadeeld wordt doordat hij ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt of zou worden behandeld, wanneer het verschil in behandeling verband houdt met geslacht, genderidentiteit of ‑uitdrukking, etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, een handicap, seksuele geaardheid of leeftijd.

11      Volgens § 12 van hoofdstuk 2 van deze wet geldt het discriminatieverbod onder meer voor eenieder die buiten zijn privé‑ en gezinssfeer goederen levert, diensten verleent of huisvesting aanbiedt aan het publiek.

12      In hoofdstuk 5 van deze wet zijn de sancties opgenomen die worden opgelegd aan eenieder die zich aan discriminatie schuldig maakt, namelijk schadeloosstelling van het slachtoffer door de betaling van een „schadevergoeding wegens discriminatie”, de wijziging en vernietiging van overeenkomsten en andere rechtshandelingen.

13      Uit § 1, tweede alinea, van hoofdstuk 6 van de wet inzake discriminatie volgt dat geschillen over de toepassing van § 12 van hoofdstuk 2 van deze wet door de gewone rechter worden behandeld volgens de bepalingen van de rättegångsbalk (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) betreffende civiele procedures waarin een minnelijke regeling van geschillen is toegestaan.

14      Krachtens § 1 van hoofdstuk 13 van dit wetboek kan de verzoeker onder de in deze bepaling gestelde voorwaarden een vordering tot nakoming instellen, teneinde de verweerder te veroordelen tot nakoming van een verplichting om iets te doen, zoals de verplichting om hem een geldsom te betalen.

15      In § 2 van hetzelfde hoofdstuk van dat wetboek wordt de declaratoire vordering geregeld. De eerste alinea van deze paragraaf bepaalt dienaangaande dat een rechter een dergelijke vordering tot vaststelling van het al dan niet bestaan van een bepaalde rechtsverhouding kan onderzoeken indien er bij de betrokken rechtsverhouding sprake is van onzekerheid die nadelig is voor de verzoeker.

16      § 7 van hoofdstuk 42 van dit wetboek bepaalt dat de verweerder ter terechtzitting onverwijld verweer dient te voeren. Bij wijze van alternatief kan de verweerder in dit stadium ook besluiten in te stemmen met de vordering van de verzoeker.

17      Overeenkomstig § 18 van dit hoofdstuk van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering doet de rechter, nadat de verweerder met het door de verzoeker gevorderde heeft ingestemd, uitspraak op basis van deze instemming.

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

18      In juli 2015 werd een in Stockholm (Zweden) woonachtige passagier van Chileense afkomst (hierna: „passagier in het hoofdgeding”) die een Zweedse binnenlandse vlucht van de luchtvaartmaatschappij Braathens had geboekt, op bevel van de gezagvoerder aan een extra veiligheidscontrole onderworpen.

19      De Diskrimineringsombudsman heeft bij de Stockholms tingsrätt (rechter in eerste aanleg Stockholm, Zweden) beroep ingesteld en gevorderd dat Braathens ertoe zou worden veroordeeld om aan de passagier in het hoofdgeding een schadevergoeding van 10 000 Zweedse kronen (SEK) (ongeveer 1 000 EUR) te betalen wegens het discriminerende gedrag van deze luchtvaartmaatschappij jegens deze passagier.

20      Ter ondersteuning van zijn beroep heeft de Diskrimineringsombudsman in essentie aangevoerd dat deze passagier rechtstreeks door Braathens was gediscrimineerd, hetgeen in strijd was met § 12 van hoofdstuk 2 en § 4 van hoofdstuk 1 van de wet inzake discriminatie. Braathens zou hem in verband hebben gebracht met een Arabisch persoon en hem om die reden aan een extra veiligheidscontrole hebben onderworpen. Braathens heeft de passagier in het hoofdgeding dus om redenen die verband houden met diens uiterlijk en etniciteit benadeeld door hem ongunstiger te behandelen dan andere passagiers in een vergelijkbare situatie.

21      Braathens heeft er voor de Stockholms tingsrätt mee ingestemd de wegens discriminatie gevorderde schadevergoeding te betalen, zonder evenwel te erkennen dat er sprake was van enige discriminatie. De Diskrimineringsombudsman heeft bij deze rechter de opvatting betwist dat diens uitspraak gebaseerd moet worden op de instemming van Braathens zonder dat de gestelde discriminatie ten gronde dient te worden onderzocht.

22      In zijn vonnis heeft deze rechter Braathens ertoe veroordeeld het gevorderde bedrag te betalen, vermeerderd met rente, en de kosten te dragen. Deze rechter oordeelde dat gedingen inzake civiele verbintenissen en rechten die ter vrije beschikking van de partijen staan, zoals het hoofdgeding, in geval van instemming met verzoekers vordering tot schadevergoeding, zonder onderzoek ten gronde moeten worden afgedaan en dat hij gebonden was aan de instemming van Braathens. Voorts heeft diezelfde rechter op grond van die instemming de vordering van de Diskrimineringsombudsman niet-ontvankelijk verklaard die ertoe strekte een declaratoir vonnis te verkrijgen waarin primair werd vastgesteld dat die luchtvaartmaatschappij het bedoelde geldbedrag diende te betalen wegens haar discriminerende gedrag of, subsidiair, dat de passagier in het hoofdgeding door Braathens was gediscrimineerd.

23      Nadat de Diskrimineringsombudsman tegen het vonnis van de Stockholms tingsrätt tevergeefs hoger beroep had ingesteld bij de Svea hovrätt (rechter in tweede aanleg Stockholm, Zweden), heeft hij het arrest van deze rechter bestreden bij de verwijzende rechter, de Högsta domstol (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Zweden). In dat kader heeft hij gevorderd zowel dat arrest als het vonnis van de Stockholms tingsrätt te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar laatstgenoemde rechter opdat ten minste een van de twee vorderingen waarmee werd verzocht om een declaratoir vonnis, ten gronde zou worden onderzocht. Braathens heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de Diskrimineringsombudsman.

24      De verwijzende rechter zet uiteen dat de wet inzake discriminatie met name tot doel heeft verschillende Uniehandelingen, waaronder richtlijn 2000/43, om te zetten en, zoals blijkt uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan, de mogelijkheid beoogt te bieden om in geval van discriminatie zware en afschrikkende sancties op te leggen. In het bijzonder gaat het bij de schadevergoeding om een sanctie in de zin van artikel 15 van deze richtlijn en moet zij in elk afzonderlijk geval zodanig worden vastgesteld dat zij een redelijke schadeloosstelling voor het slachtoffer vormt en bijdraagt aan de bestrijding van discriminatie in de samenleving. De schadevergoeding vervult aldus een tweeledige functie, namelijk genoegdoening en preventie.

25      De verwijzende rechter voegt hieraan toe dat de verweerder krachtens de bepalingen van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan beslissen om in te stemmen met de vordering tot schadevergoeding van de verzoeker, waarbij hij niet hoeft te motiveren waarom hij dat doet en zich evenmin op een door de verzoeker aangevoerd middel hoeft te baseren, noch het bestaan van de gestelde discriminatie hoeft te erkennen. In de praktijk heeft een dergelijke instemming tot doel om het geding te beëindigen zonder dat verder onderzoek naar de zaak hoeft te worden gedaan, omdat de rechter moet oordelen op basis van enkel deze instemming. De declaratoire vordering kan enkel betrekking hebben op het al dan niet bestaan van een rechtsverhouding tussen de partijen bij het geding, met uitsluiting van met name zuiver feitelijke gegevens. Het staat overigens aan de rechter om te beoordelen of het opportuun is dit onderzoek te verrichten.

26      De verwijzende rechter zet uiteen dat Braathens in het hoofdgeding door de rechters in eerste aanleg en in hoger beroep is veroordeeld tot betaling van de door de passagier in het hoofdgeding gevorderde schadevergoeding waarbij deze rechters zich hebben gebaseerd op Braathens’ instemming met het verzoek van deze passagier. Door deze instemming kon de vraag of er daadwerkelijk sprake was van de gestelde discriminatie volgens deze laatste rechters ook niet meer worden onderzocht in het kader van een vordering tot verkrijging van een declaratoir vonnis.

27      De Högsta domstol betwijfelt of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving verenigbaar is met de vereisten van artikel 15 van richtlijn 2000/43, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, welke bepaling eenieder een recht op een doeltreffende voorziening in rechte waarborgt. Dienaangaande vraagt deze rechterlijke instantie zich af of, ingeval de verweerder instemt met de vordering tot schadevergoeding van de verzoeker, een rechter niettemin, teneinde overeenkomstig artikel 7 van die richtlijn de bescherming van de daaruit voortvloeiende rechten te waarborgen, op verzoek van de partij die meent te zijn gediscrimineerd, moet kunnen onderzoeken of dat werkelijk zo is, en of het antwoord op deze vraag ervan afhangt of degene die zou hebben gediscrimineerd, die discriminatie al dan niet erkent.

28      In deze omstandigheden heeft de Högsta domstol de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Is aan het in artikel 15 van richtlijn [2000/43] vastgestelde vereiste van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties enkel voldaan indien een lidstaat in een zaak betreffende een overtreding van een in die richtlijn neergelegd verbod waarin de benadeelde persoon schadevergoeding wegens discriminatie vordert, altijd onderzoekt of discriminatie heeft plaatsgevonden – indien daarom wordt verzocht door de benadeelde persoon – en in voorkomend geval voor recht verklaart dát discriminatie heeft plaatsgevonden, ongeacht of de van discriminatie beschuldigde persoon heeft erkend dat hij de benadeelde persoon gediscrimineerd heeft?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

29      Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of de artikelen 7 en 15 van richtlijn 2000/43, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat die artikelen in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die een rechter bij wie een beroep tot schadevergoeding aanhangig is gemaakt wegens vermeende door deze richtlijn verboden discriminatie, belet om het verzoek tot vaststelling van het bestaan van deze discriminatie te onderzoeken wanneer de verweerder bereid is de gevorderde schadevergoeding te betalen zonder evenwel te erkennen dat er sprake is van discriminatie.

30      Vooraf zij eraan herinnerd dat richtlijn 2000/43 volgens artikel 1 ervan tot doel heeft een kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling kan worden toegepast. Deze richtlijn vormt op de daardoor bestreken materiële gebieden de concrete uitdrukking van het in artikel 21 van het Handvest neergelegde beginsel van non-discriminatie op grond van ras en etnische afstamming (arrest van 16 juli 2015, CHEZ Razpredelenie Bulgaria, C‑83/14, EU:C:2015:480, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31      Vast staat dat het hoofdgeding binnen de materiële werkingssfeer van richtlijn 2000/43 valt, aangezien het betrekking heeft op vermeend discriminerend gedrag op grond van etnische afstamming of ras, in het kader van de toegang tot een publiekelijk beschikbare dienst in de zin van artikel 3, lid 1, onder h), van die richtlijn.

32      Zoals blijkt uit overweging 19 van richtlijn 2000/43, dienen personen die op grond van ras of etnische afstamming zijn gediscrimineerd, over adequate mogelijkheden voor rechtsbescherming te beschikken en dienen verenigingen of rechtspersonen, teneinde een hoger beschermingsniveau te verschaffen, de bevoegdheid te krijgen om, als de lidstaten daartoe besluiten, namens of ten behoeve van slachtoffers in een procedure het recht van verweer uit te oefenen. Voorts dienen de lidstaten volgens overweging 26 van deze richtlijn voor inbreuken op de daaruit voortvloeiende verplichtingen doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vast te stellen.

33      In dit verband bepaalt artikel 7, lid 1, van richtlijn 2000/43 dat de lidstaten ervoor zorgen dat eenieder die zich door niet-toepassing van het in deze richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures waarmee de eerbiediging van dit beginsel wordt beoogd. Aldus bevestigt deze bepaling het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte.

34      Volgens artikel 7, lid 2, van richtlijn 2000/43 moeten verenigingen, organisaties of andere rechtspersonen die er – overeenkomstig de in de nationale wetgeving vastgestelde criteria – een rechtmatig belang bij hebben dat deze richtlijn wordt nageleefd, namens het slachtoffer en met zijn toestemming onder meer gerechtelijke procedures aanhangig kunnen maken opdat de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen worden nagekomen. Dit artikel 7, lid 2, vormt dus een nadere uitwerking op het betrokken gebied van het in artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming.

35      De eerbiediging van het gelijkheidsbeginsel vereist dus dat voor personen die menen te zijn gediscrimineerd op grond van hun ras of etnische afstamming, een effectieve rechterlijke bescherming van hun recht op gelijke behandeling wordt gewaarborgd, ongeacht of deze personen rechtstreeks handelen of via een vereniging, organisatie of rechtspersoon als bedoeld in het vorige punt van dit arrest (zie naar analogie arrest van 8 mei 2019, Leitner, C‑396/17, EU:C:2019:375, punt 62).

36      Volgens artikel 15 van richtlijn 2000/43 stellen de lidstaten vast welke sancties gelden voor overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat dergelijke sancties worden toegepast. Zonder bepaalde sancties op te leggen, verduidelijkt dit artikel dat de sancties – die ook het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer kunnen omvatten – doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn.

37      Artikel 15 verplicht de lidstaten aldus om in hun nationale rechtsorde maatregelen op te nemen die voldoende doeltreffend zijn om de doelstelling van richtlijn 2000/43 te bereiken en ervoor te zorgen dat die maatregelen voor de nationale rechterlijke instanties daadwerkelijk kunnen worden ingeroepen, eventueel ook door een vereniging, organisatie of rechtspersoon als bedoeld in artikel 7, lid 2, van deze richtlijn, en zo een daadwerkelijke en doeltreffende rechterlijke bescherming te waarborgen waarbij vrij gekozen mag worden tussen de verschillende oplossingen die geschikt zijn om dat doel te verwezenlijken (zie in die zin arrest van 10 juli 2008, Feryn, C‑54/07, EU:C:2008:397, punten 37 en 38).

38      In dit verband moet de ter omzetting van artikel 15 van richtlijn 2000/43 in de rechtsorde van een lidstaat ingevoerde sanctieregeling, naast de maatregelen waarmee artikel 7 van deze richtlijn ten uitvoer wordt gelegd, met name een daadwerkelijke en doeltreffende rechterlijke bescherming van de aan die richtlijn ontleende rechten verzekeren. De strengheid van de sancties moet in verhouding staan tot de ernst van de strafbaar gestelde feiten. Zij moet met name verzekeren dat deze sancties een reële afschrikkende werking hebben en tegelijkertijd voldoen aan het algemene evenredigheidsbeginsel (zie naar analogie arrest van 25 april 2013, Asociația Accept, C‑81/12, EU:C:2013:275, punt 63).

39      Wordt ervoor gekozen om aan de vaststelling dat er sprake is van discriminatie de verplichting te verbinden een financiële vergoeding te betalen, dan moet die vergoeding passend zijn in die zin dat de als gevolg van de discriminatie daadwerkelijk geleden schade volledig kan worden vergoed in overeenstemming met de toepasselijke nationale regels (zie naar analogie arrest van 17 december 2015, Arjona Camacho, C‑407/14, EU:C:2015:831, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarentegen kan een louter symbolische sanctie niet verenigbaar worden geacht met een juiste en doeltreffende uitvoering van richtlijn 2000/43 (zie naar analogie arrest van 25 april 2013, Asociația Accept, C‑81/12, EU:C:2013:275, punt 64).

40      In het onderhavige geval volgt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat krachtens het nationale recht tot omzetting van met name richtlijn 2000/43 eenieder die meent slachtoffer te zijn van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, een vordering kan instellen die ertoe strekt de sanctie van „schadevergoeding wegens discriminatie” te doen opleggen. De nationale wetgeving die aan de orde is in het hoofdgeding bepaalt dat wanneer de verweerder besluit in te stemmen met verzoekers vordering tot schadevergoeding, de rechter die hierover moet oordelen deze verweerder dient te gelasten het door deze verzoeker als schadevergoeding gevorderde bedrag te betalen.

41      Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt echter ook dat een dergelijke instemming – die krachtens deze nationale wetgeving voor de rechter juridisch bindend is en tot beëindiging van het geding leidt – kan plaatsvinden zonder dat de verweerder het bestaan van de gestelde discriminatie erkent, of zelfs wanneer de verweerder, zoals in het hoofdgeding, deze discriminatie uitdrukkelijk betwist. In een dergelijke situatie geeft de nationale rechter een op deze instemming gebaseerd vonnis waaruit evenwel niets valt op te maken over het bestaan van de gestelde discriminatie als zodanig.

42      Hieruit volgt dat de instemming van de verweerder in een dergelijke situatie tot gevolg heeft dat zijn verplichting om de door de verzoeker gevorderde schadevergoeding te betalen, niet gekoppeld is aan diens erkenning dat de gestelde discriminatie is begaan en evenmin aan de vaststelling van die discriminatie door de bevoegde rechterlijke instantie. Bovendien heeft een dergelijke instemming vooral tot gevolg dat de rechter bij wie het beroep is ingesteld, geen uitspraak kan doen over de vraag of er daadwerkelijk sprake is van de gestelde discriminatie, terwijl deze discriminatie de grondslag van de schadevordering vormt en als zodanig integrerend deel uitmaakt van dat beroep.

43      Uit de gegevens van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt dat met de declaratoire vordering waarin de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving voorziet, niet is gewaarborgd dat aan degene die meent in strijd met richtlijn 2000/43 te zijn gediscrimineerd het recht toekomt om die discriminatie te laten onderzoeken en deze in voorkomend geval door een rechter te laten vaststellen. Volgens deze nationale wetgeving kan de declaratoire vordering immers geen betrekking hebben op zuiver feitelijke gegevens en is deze vordering slechts ontvankelijk als de aangezochte rechter beslist dat het opportuun was om die in te stellen, waartoe hij een afweging moet maken van de betrokken belangen, te weten, met name, het procesbelang van de verzoeker en de nadelen die door deze vordering voor de verweerder kunnen ontstaan.

44      Hieruit volgt dat de verzoeker krachtens de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale wetgeving, in geval van instemming van de verweerder met betaling van de gevorderde schadevergoeding zonder dat deze daarmee de gestelde discriminatie erkent, geen uitspraak van een civiele rechter kan verkrijgen over het bestaan van die discriminatie.

45      Vastgesteld moet worden dat een dergelijke nationale wetgeving in strijd is met de vereisten van de artikelen 7 en 15 van richtlijn 2000/43, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest.

46      In de eerste plaats beogen de in artikel 7 van die richtlijn bedoelde procedures immers, zoals blijkt uit de punten 33 tot en met 35 van dit arrest, ervoor te zorgen dat de uit het beginsel van gelijke behandeling voortvloeiende rechten van eenieder die meent het slachtoffer te zijn van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, geldend gemaakt kunnen worden en dat de eerbiediging ervan gewaarborgd wordt. Hieruit volgt dan ook noodzakelijkerwijs dat dit vermeende slachtoffer, wanneer de verweerder de gestelde discriminatie niet erkent, een uitspraak van de rechter moet kunnen verkrijgen over een eventuele schending van de rechten die via dergelijke procedures moeten kunnen worden beschermd.

47      Bijgevolg kan de enkele betaling van een geldbedrag, zelfs al gaat het om de volledige door de verzoeker gevorderde som, niet waarborgen dat degene die verzoekt om vast te stellen dat inbreuk is gemaakt op het recht op gelijke behandeling dat hij aan die richtlijn ontleent, een effectieve rechterlijke bescherming geniet. Dit geldt met name wanneer hij primair geen economisch belang heeft maar wil laten vaststellen dat de aan de verweerder ten laste gelegde feiten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en hij deze feiten juridisch wil laten kwalificeren.

48      In de tweede plaats doet een nationale wet als die welke aan de orde is in het hoofdgeding zowel afbreuk aan de herstellende als aan de afschrikkende functie die de sancties moeten hebben waarin de lidstaten krachtens artikel 15 van richtlijn 2000/43 voorzien in geval van schending van de ter omzetting van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen.

49      Zoals de advocaat-generaal in de punten 83 en 84 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, volstaat de betaling van een geldbedrag in dit verband niet om te voldoen aan de aanspraken van een persoon die door middel van een vergoeding voor de geleden immateriële schade bovenal de erkenning wenst te verkrijgen dat hij is gediscrimineerd, zodat deze betaling niet kan worden geacht een voor dat doel toereikende herstellende functie te hebben. Ook kan de verplichting een geldsom te betalen niet worden geacht degene die discrimineert daadwerkelijk af te schrikken, aangezien die verplichting deze persoon er niet toe aanzet zijn discriminerend gedrag niet te herhalen en aldus niet voorkomt dat hij opnieuw discrimineert, wanneer de verweerder, zoals in casu, betwist dat er sprake is van enige discriminatie maar het vanuit het oogpunt van de kosten en voor zijn imago voordeliger acht om de door de verzoeker gevorderde schadevergoeding te betalen en op die manier te voorkomen dat de nationale rechter vaststelt dat er sprake is van discriminatie.

50      De door de Zweedse regering aangevoerde mogelijkheid dat een strafprocedure wordt ingeleid waarin de persoon die meent het slachtoffer te zijn van een door richtlijn 2000/43 verboden discriminatie, deze discriminatie door een strafrechter kan laten vaststellen en bestraffen, doet niet af aan bovenstaande analyse. Een dergelijke strafvervolging kan immers, gelet op de specifieke doelstellingen ervan en de daaraan verbonden beperkingen, geen oplossing bieden voor de vaststelling dat de rechtsmiddelen in burgerlijke zaken niet aan de vereisten van die richtlijn voldoen.

51      In het bijzonder moet erop worden gewezen dat voor een dergelijke strafrechtelijke vordering, zoals de advocaat-generaal in de punten 118 tot en met 120 van zijn conclusie heeft opgemerkt, regels inzake bewijslast en bewijsvoering gelden die niet overeenkomen met de, voor deze persoon veel gunstiger, regels die zijn vastgelegd in artikel 8 van richtlijn 2000/43. Zo bepaalt dit artikel 8, lid 1, dat wanneer deze persoon voor de rechter of een andere bevoegde instantie feiten aanvoert die het bestaan van directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet werd geschonden. Daarentegen bepaalt artikel 8, lid 3, dat lid 1 niet van toepassing is op strafprocedures.

52      In de derde plaats, en in tegenstelling tot hetgeen Braathens betoogt, kunnen beginselen of overwegingen van procedureel recht zoals het lijdelijkheidsbeginsel, het beginsel van proceseconomie en het streven om de minnelijke regeling van geschillen te bevorderen, evenmin een andere uitlegging rechtvaardigen dan die welke volgt uit de voorgaande punten.

53      Een nationale wettelijke regeling zoals die in het hoofdgeding heeft immers – anders dan een minnelijke regeling van een geschil als bedoeld in artikel 7, lid 1, van richtlijn 2000/43, op grond waarvan elke partij de vrije beschikking over haar vorderingen kan behouden – tot gevolg dat de verweerder zeggenschap krijgt over het geschil doordat hij kan instemmen met de schadevordering van de verzoeker waarbij hij het bestaan van de gestelde discriminatie niet hoeft te erkennen of hij deze zelfs uitdrukkelijk kan betwisten en waardoor de verzoeker van de rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt geen uitspraak meer kan verkrijgen over de grondslag van het verzoek en zich ook niet meer kan verzetten tegen de beëindiging van het door hem aanhangig gemaakte geding.

54      Een rechterlijke instantie waarbij een dergelijk beroep is ingesteld, maakt ook geenszins inbreuk op het lijdelijkheidsbeginsel wanneer die instantie, in weerwil van het feit dat de verweerder instemt met de betaling van de door de verzoeker gevorderde schadevergoeding, nagaat, rekening houdend met het betoog van de verzoeker waarop het beroep is gebaseerd, of er al dan niet sprake is van discriminatie, in een situatie waarin die verweerder deze niet erkent of zelfs betwist dat er discriminatie is geweest. Dat onderzoek zal dan betrekking hebben op de grondslag van de schadevordering van de verzoeker, die onder het voorwerp van het geding valt zoals dit wordt omschreven in dat beroep. Dit geldt temeer als die verzoeker, zoals in casu, in het kader van dat beroep uitdrukkelijk een verzoek tot vaststelling van een dergelijke discriminatie heeft ingediend.

55      In de vierde plaats zij opgemerkt dat het Unierecht, zoals Braathens aanvoert, de lidstaten er in beginsel inderdaad niet toe verplicht om voor hun nationale rechterlijke instanties andere rechtsmiddelen in te voeren ter bescherming van de rechten die justitiabelen aan het Unierecht ontlenen dan die welke in het nationale recht zijn vastgesteld (zie in die zin arresten van 13 maart 2007, Unibet, C‑432/05, EU:C:2007:163, punt 40 en 24 oktober 2018, XC e.a., C‑234/17, EU:C:2018:853, punt 51).

56      In dit verband hoeft echter slechts te worden vastgesteld dat in casu voor de eerbiediging van het Unierecht niet zoiets ingrijpends als de invoering van een nieuw rechtsmiddel vereist is. Van de verwijzende rechter wordt alleen verlangd dat hij de procedureregel buiten toepassing laat die bepaalt dat de rechter bij wie volgens de regels van het nationale recht een procedure tot schadevergoeding is ingeleid door een persoon die meent het slachtoffer te zijn van discriminatie, zich niet mag uitspreken over het bestaan van die discriminatie enkel omdat de verweerder heeft aanvaard om verzoeker het bedrag van de gevorderde schadevergoeding te betalen zonder evenwel te erkennen dat er sprake is van discriminatie. De verwijzende rechter is gehouden die regel buiten toepassing te laten omdat deze onverenigbaar is met zowel de artikelen 7 en 15 van richtlijn 2000/43 als artikel 47 van het Handvest.

57      Dienaangaande zij er om te beginnen aan herinnerd dat de artikelen 7 en 15 van richtlijn 2000/43, zoals in punt 38 van dit arrest is vastgesteld, een daadwerkelijke en doeltreffende rechterlijke bescherming beogen te verzekeren van het uit die richtlijn voortvloeiende recht op gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming. Hieruit volgt dat deze artikelen slechts een concrete invulling geven aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zoals dat is gewaarborgd bij artikel 47 van het Handvest, welk artikel op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen (arrest van 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punten 76‑78).

58      Voorts is iedere nationale rechter die wordt aangezocht in het kader van zijn bevoegdheid, in het geval dat hij de nationale wettelijke regelingen niet in overeenstemming met de vereisten van het Unierecht kan uitleggen, als orgaan van een lidstaat krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht verplicht iedere nationale bepaling die strijdig is met een rechtstreeks werkende bepaling van dit recht buiten toepassing te laten in het geschil dat aan hem is voorgelegd (zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 53 en 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

59      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat de artikelen 7 en 15 van richtlijn 2000/43, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat die artikelen in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die een rechter bij wie een beroep tot schadevergoeding aanhangig is gemaakt wegens vermeende door deze richtlijn verboden discriminatie, belet om het verzoek tot vaststelling van het bestaan van deze discriminatie te onderzoeken wanneer de verweerder bereid is de gevorderde schadevergoeding te betalen zonder evenwel te erkennen dat er sprake is van discriminatie. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie aan wie een geschil tussen private partijen is voorgelegd om binnen het kader van haar bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest, waarbij zij zo nodig elke daarmee strijdige bepaling van de nationale wettelijke regeling buiten toepassing moet laten.

 Kosten

60      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

De artikelen 7 en 15 van richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat die artikelen in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die een rechter bij wie een beroep tot schadevergoeding aanhangig is gemaakt wegens vermeende door deze richtlijn verboden discriminatie, belet om het verzoek tot vaststelling van het bestaan van deze discriminatie te onderzoeken wanneer de verweerder bereid is de gevorderde schadevergoeding te betalen zonder evenwel te erkennen dat er sprake is van discriminatie. Het staat aan de nationale rechterlijke instantie aan wie een geschil tussen private partijen is voorgelegd om binnen het kader van haar bevoegdheden de rechtsbescherming te verzekeren die voor de justitiabelen voortvloeit uit artikel 47 van het Handvest, waarbij zij zo nodig elke daarmee strijdige bepaling van de nationale wettelijke regeling buiten toepassing moet laten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Zweeds.