Language of document :

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 6 oktober 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein oikeus - Finland) – Strafprocedure tegen A

(Zaak C-35/20)1

[Prejudiciële verwijzing – Burgerschap van de Unie – Recht van Unieburgers om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen – Artikel 21 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Artikelen 4 en 5 – Verplichting om voorzien te zijn van een identiteitskaart of een paspoort – Verordening (EG) nr. 562/2006 (Schengengrenscode) – Bijlage VI – Overschrijding van de zeegrens van een lidstaat aan boord van een pleziervaartuig – Sanctiestelsel voor het reizen tussen lidstaten zonder identiteitskaart of paspoort – Strafrechtelijk dagboetestelsel – Berekening van de geldboete in verhouding tot de gemiddelde maandelijkse inkomsten van de overtreder – Evenredigheid – Zwaarte van de straf in verhouding tot het strafbare feit]

Procestaal: Fins

Verwijzende rechter

Korkein oikeus

Partij in de strafprocedure

A

in tegenwoordigheid van: Syyttäjä

Dictum

Het recht van vrij verkeer van Unieburgers, dat is neergelegd in artikel 21 VWEU en verder is uitgewerkt in richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, moet in het licht van de bepalingen inzake grensoverschrijding in verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013, aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling waarbij een lidstaat zijn onderdanen onder strafbedreiging verplicht om voorzien te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort wanneer zij naar een andere lidstaat reizen, ongeacht het gebruikte vervoermiddel en de reisroute, mits de specifieke sanctieregels in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het evenredigheids- en het non-discriminatiebeginsel.

Het in artikel 21, lid 1, VWEU neergelegde recht van vrij verkeer van Unieburgers moet, in het licht van de bepalingen inzake grensoverschrijding in verordening nr. 562/2006, zoals gewijzigd door verordening nr. 610/2013, aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling waarbij een lidstaat zijn onderdanen onder strafbedreiging verplicht om voorzien te zijn van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort wanneer zij zijn grondgebied vanuit een andere lidstaat binnenkomen, mits die verplichting geen voorwaarde is voor het inreisrecht en de specifieke regels inzake de sancties bij niet-nakoming van die verplichting in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het evenredigheids- en het non-discriminatiebeginsel. Een reis aan boord van een pleziervaartuig naar de betrokken lidstaat vanuit een andere lidstaat waarbij internationale wateren worden doorkruist behoort, onder de voorwaarden van punt 3.2.5, tweede alinea, van bijlage VI bij die verordening, tot de gevallen waarin de overlegging van een dergelijk document kan worden verlangd.

Artikel 21, lid 1, VWEU en de artikelen 4 en 36 van richtlijn 2004/38, gelezen in het licht van artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een stelsel van strafrechtelijke sancties waarbij een lidstaat de overschrijding van zijn nationale grens zonder geldige identiteitskaart of geldig paspoort strafbaar stelt met een geldboete die, ter indicatie, 20 % van de maandelijkse netto-inkomsten van de overtreder kan bedragen, aangezien een dergelijke geldboete niet evenredig is met de ernst van deze inbreuk, die onbeduidend is.

____________

1 PB C 103 van 30.3.2020.