Language of document : ECLI:EU:T:2021:608

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer uitgebreid)

22 september 2021 (*)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Aanwerving – Intern vergelijkend onderzoek COM/03/AD/18 (AD 6) – Besluit om de naam van de verzoekende partij niet op te nemen op de reservelijst van het intern vergelijkend onderzoek – Motiveringsplicht – Geheim van de werkzaamheden van de jury – Weging van de examenonderdelen die zijn vermeld in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek”

In zaak T‑435/20,

JR, vertegenwoordigd door L. Levi en A. Champetier, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door D. Milanowska en I. Melo Sampaio als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU tot nietigverklaring van het door de jury van intern vergelijkend onderzoek COM/03/AD/18 (AD 6) – Administrateurs vastgestelde besluit van 15 april 2020 tot afwijzing van verzoeksters verzoek tot heronderzoek van het besluit van die jury van 16 december 2019 om haar naam niet op te nemen op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek, en, voor zover nodig, tot nietigverklaring van laatstgenoemd besluit,

wijst,

HET GERECHT (Zevende kamer uitgebreid),

samengesteld als volgt: R. da Silva Passos, president, V. Valančius, I. Reine, L. Truchot (rapporteur) en M. Sampol Pucurull, rechters,

griffier: E. Coulon,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 16 december 2018 heeft verzoekster, JR, zich aangemeld voor intern vergelijkend onderzoek COM/03/AD/18 (AD 6) – Administrateurs (hierna: „litigieus vergelijkend onderzoek”).

2        De aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek vermeldde dat het onderzoek bedoeld was om een reservelijst van geslaagde kandidaten op te stellen voor elk van de volgende drie vakgebieden: Europese openbare dienst, ontwikkelingssamenwerking en nabuurschapsbeleid, en onderzoek.

3        Verzoekster heeft zich aangemeld voor het vakgebied Europese openbare dienst, waarvoor maximaal dertig geslaagde kandidaten konden worden geselecteerd.

4        Volgens titel III van de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek moesten de kandidaten allereerst een sollicitatieformulier indienen en daarbij bevestigen dat zij aan de vermelde toelatingsvoorwaarden voldeden. Toegelaten kandidaten zouden vervolgens worden uitgenodigd om een aantal meerkeuzetoetsen af te leggen. De kandidaten die voor die toetsen zouden slagen, zouden tot slot voor het mondeling examen worden opgeroepen.

5        Deel 4 van titel III van de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek vermeldde dat het mondeling examen voor de functiegroep AD uit de volgende twee onderdelen bestond:

„1.      Een gesprek [...] ter beoordeling van:

–        de belangrijkste taken en competenties [die de kandidaat tijdens zijn professionele loopbaan heeft uitgeoefend c.q. verworven], en

–        de capaciteiten en de motivatie [van de kandidaat] om de taken uit te oefenen die deel uitmaken van de functies waartoe het vergelijkend onderzoek toegang geeft.

2.      Een gestructureerde presentatie bestaande uit een briefing over een onderwerp dat verband houdt met het beleid van de Europese Unie [...].”

6        Voorts vermeldde deel 4 van titel III van de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek dat de twee bovengenoemde onderdelen zouden worden beoordeeld met een totaalcijfer tussen nul en twintig punten, waarbij minimaal tien punten moesten worden behaald.

7        Deel 5 van titel III preciseerde dat de jury zowel het minimumvereiste voor het mondeling examen als de namen van de kandidaten met de hoogst behaalde cijfers voor dat examen op de reservelijst zou plaatsen, met inachtneming van het maximumaantal te selecteren geslaagde kandidaten.

8        Nadat verzoekster op 23 september 2019 voor het schriftelijke onderdeel van het litigieuze vergelijkend onderzoek was geslaagd, heeft zij met goed gevolg het mondeling examen afgelegd.

9        Bij brief van 16 december 2019 heeft de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek verzoekster in kennis gesteld van haar besluit (hierna: „besluit van 16 december 2019”) om verzoekster niet op de reservelijst van dat vergelijkend onderzoek op te nemen. Volgens de jury had verzoekster voor het mondeling examen 13 van de 20 punten (13/20) behaald, hetgeen weliswaar meer was dan het minimumvereiste van 10 van de 20 punten (10/20) dat in de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek was vastgesteld, maar lager was dan de drempel van 14 van de 20 punten (14/20) die zij had moeten halen om als een van de beste kandidaten op de reservelijst te worden opgenomen. De jury heeft tevens gepreciseerd dat verzoeksters algehele prestatie tijdens het mondeling examen was beoordeeld met het woord „goed”. De jury heeft meer in het bijzonder uitgelegd dat verzoekster de beoordeling „sterk” had gekregen voor „de samenhang tussen haar werkervaring en de vereiste competenties” en voor het feit dat zij „had aangetoond over de algemene competenties en motivatie te beschikken om de taken van de vacante functie uit te oefenen”, maar de beoordeling „goed” had gekregen voor haar vermogen om een presentatie te geven over een onderwerp dat verband houdt met het vakgebied van het litigieuze vergelijkend onderzoek.

10      Bij e-mail van 20 december 2019 (hierna: „verzoek tot heronderzoek”) heeft verzoekster het Europees Bureau voor Personeelsselectie (EPSO) verzocht om heronderzoek van het besluit van 16 december 2019 overeenkomstig punt 6.3 van bijlage III bij de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek. Volgens verzoekster was er sprake van een „kennelijke tegenstrijdigheid” tussen de beoordeling van haar algehele prestatie tijdens het mondeling examen en de beoordelingen die zij voor de drie onderdelen van dat examen van de jury had gekregen. Verzoekster meende namelijk dat de jury haar algehele prestatie op willekeurige wijze had ondergewaardeerd door die prestatie als „goed” te beoordelen terwijl zij twee onderdelen ervan als „sterk” had beoordeeld. Bovendien kon volgens verzoekster uit het besluit van 16 december 2019 niet worden opgemaakt op welke wijze de algehele beoordeling „goed” was omgezet in het beoordelingscijfer 13/20. Diezelfde e-mail bevatte een „verzoek om informatie en om toegang tot documenten” waarmee verzoekster de volgende informatie heeft opgevraagd:

–        gedetailleerde uitleg van de wijze waarop de in woorden uitgedrukte beoordelingen waren omgezet in beoordelingscijfers, met inbegrip van de beoordelingstabellen waarin voor elke in woorden uitgedrukte beoordeling het bijbehorende beoordelingscijfer kon worden opgezocht;

–        gedetailleerde beoordelingen van haar prestaties voor alle drie de onderdelen, met inbegrip van de bijbehorende beoordelingstabel;

–        alle relevante informatie over de beoordelingen die haar zijn toegekend;

–        eventueel gebruikte wegingsmethode;

–        eventueel gebruikte afrondingsmethode;

–        notulen en beoordelingstabellen van het mondeling examen, de flip-over die zij tijdens dat examen heeft gebruikt (hierna: „flip-over”) en alle andere relevante documenten met betrekking tot haar prestatie tijdens dat examen.

11      Na meerdere e-mails te hebben gewisseld met het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid (HR) van de Europese Commissie, heeft verzoekster op 28 februari 2020 een tabel van dat directoraat-generaal ontvangen met daarin, enerzijds, de beoordelingscijfers één tot en met tien en, anderzijds, de bijbehorende beoordelingen „onvoldoende”, „voldoende”, „goed”, „sterk”, „zeer sterk”, „uitstekend” en „uitmuntend” (hierna: „eerste conversietabel”), waarbij moet worden opgemerkt dat de beoordelingscijfers één tot en met vier alle vier overeenkwamen met de beoordeling „onvoldoende”. Daarnaast is verzoekster uitgenodigd om in de kantoren van de Commissie haar flip-over te komen inzien, en om op gesprek te komen bij de voorzitter van de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek om een mondelinge samenvatting van haar prestatie te krijgen. In de e-mail van de Commissie van 28 februari 2020 is niets gezegd over de wegingsmethode en de afrondingsmethode die in het verzoek tot heronderzoek waren genoemd.

12      Bij e-mail van 9 april 2020 heeft de Commissie verzoekster laten weten dat op bovengenoemde methoden het geheim van de werkzaamheden van de jury van toepassing was als bedoeld in artikel 6 van bijlage III bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Ambtenarenstatuut”).

13      Bij besluit van 15 april 2020 (hierna: „besluit van 15 april 2020”) heeft de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek het verzoek tot heronderzoek afgewezen.

14      In dat verband heeft de jury ten eerste in herinnering gebracht dat de inhoud van het mondeling examen, de te stellen vragen, de beoordelingscriteria, de puntenwaarderingsprocedure en de weging van elk onderdeel dat in de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek was genoemd, reeds waren vastgesteld vóór het horen van de kandidaten die tot dat examen waren toegelaten.

15      Ten tweede heeft de jury gepreciseerd dat alle kandidaten een toelichting hadden gekregen over de specifieke onderdelen die in die aankondiging waren genoemd (zie punt 5 hierboven,) en dat die toelichting tevens een algehele beoordeling van de prestatie van de kandidaten bevatte „die de beoordeling van elk onderdeel samenvatte”.

16      Ten derde heeft de jury opgemerkt dat haar beoordeling van de werkervaring en van de capaciteiten van de kandidaten vergelijkend van aard was.

17      Ten vierde heeft de jury aangegeven dat uit heronderzoek van het besluit van 16 december 2019 niet was gebleken dat er een fout was gemaakt bij de verwerking van de gegevens van het mondeling examen van verzoekster, zodat het besluit om haar naam niet op te nemen op de reservelijst van het litigieuze vergelijkend onderzoek moest worden bevestigd.

18      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 4 mei 2020, heeft verzoekster beroep ingesteld tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie die zijn opgenomen in de e-mails van 28 februari en 9 april 2020 (zie de punten 11 en 12 hierboven), en waarbij de Commissie haar de toegang tot bepaalde gegevens had geweigerd omdat die persoonlijk van aard zouden zijn. Dat beroep is ingeschreven onder nummer T‑265/20.

 Feiten van na de instelling van het beroep

19      Op 16 juli 2020 heeft de Commissie verzoekster een kopie van de flip-over verstrekt, met daarbij haar aantekeningen voor de presentatie die zij tijdens het mondeling examen had gegeven.

20      Op 22 juli 2020 heeft de voorzitter van de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek verzoekster telefonisch geïnformeerd over haar prestatie tijdens het mondeling examen en gepreciseerd dat de beoordelingscijfers op 0,25 waren afgerond.

 Procedure en conclusies van partijen

21      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 juli 2020, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

22      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op dezelfde datum, heeft verzoekster een verzoek om anonimiteit ingediend overeenkomstig artikel 66 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Bij beslissing van 21 september 2020 heeft het Gerecht (Zevende kamer) dat verzoek ingewilligd.

23      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 22 juli 2020, heeft verzoekster verzocht om zaak T‑265/20, JR/Commissie, op grond van artikel 68 van het Reglement voor de procesvoering te voegen met de onderhavige zaak. In haar op 31 augustus 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde opmerkingen over dat verzoek heeft de Commissie verzocht dat verzoek af te wijzen. Bij beslissing van 30 september 2020 heeft de president van de Zevende kamer van het Gerecht het voegingsverzoek afgewezen.

24      Op 13 januari 2021 is de schriftelijke behandeling van de zaak gesloten.

25      Op 20 april 2021 heeft het Gerecht (Zevende kamer) de Commissie in het kader van maatregelen tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, gevraagd om aan te geven op basis van welk instrument de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek in het besluit van 16 december 2019 de beoordeling „goed” heeft omgezet in het eindcijfer 13/20 dat aan verzoekster was toegekend, rekening houdend met het feit dat de eerste conversietabel de beoordelingscijfers één tot en met tien bevatte.

26      Op 28 april 2021 heeft het Gerecht de zaak op voorstel van de Zevende kamer krachtens artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering naar een uitgebreide kamer verwezen.

27      Bij brief van 6 mei 2021 heeft de Commissie in antwoord op de in punt 25 hierboven genoemde vraag van het Gerecht een tabel overgelegd met daarin, enerzijds, de beoordelingscijfers of cijferreeksen „tot en met 9,5”, „10 tot en met 11,5”, „12 tot en met 13”, „13,5”, „14 tot en met 15,5”, „16 tot en met 17”, „17,5 tot en met 19” en „19,5 tot en met 20” en, anderzijds, de bijbehorende in woorden uitgedrukte beoordelingen „onvoldoende”, „voldoende”, „goed”, „goed tot sterk”, „sterk”, „zeer sterk”, „uitstekend” en „uitmuntend” (hierna: „tweede conversietabel”).

28      Bij brief van 26 mei 2021 heeft verzoekster opmerkingen ingediend over het antwoord van de Commissie op bovengenoemde vraag van het Gerecht.

29      Indien binnen drie weken te rekenen vanaf de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling de hoofdpartijen niet hebben verzocht om te worden gehoord, kan het Gerecht krachtens artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering beslissen op het beroep uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling. Het Gerecht (Zevende kamer uitgebreid) acht zich in casu voldoende voorgelicht door de stukken uit het procesdossier en heeft besloten uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling, aangezien daar niet om is verzocht.

30      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het besluit van 15 april 2020 en, voor zover nodig, dat van 16 december 2019 nietig te verklaren;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

31      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Voorwerp van het geding

32      Verzoekster verzoekt om nietigverklaring van het besluit van 15 april 2020 en, voor zover nodig, van dat van 16 december 2019.

33      De Commissie werpt in haar verweerschrift een middel van niet-ontvankelijkheid op tegen het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van 16 december 2019, aangezien dat besluit is vervangen door het besluit van 15 april 2020.

34      Er zij aan herinnerd dat wanneer een kandidaat voor een vergelijkend onderzoek vraagt om heronderzoek van een besluit van een jury, het besluit dat de jury na heronderzoek van de situatie van de kandidaat neemt, volgens vaste rechtspraak het voor hem bezwarende besluit is in de zin van artikel 90, lid 2, of, in voorkomend geval, van artikel 91, lid 1, van het Ambtenarenstatuut. Het na heronderzoek genomen besluit komt dus in de plaats van het oorspronkelijke besluit van de jury (zie arrest van 5 september 2018, Villeneuve/Commissie, T‑671/16, EU:T:2018:519, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 11 maart 1986, Sorani e.a./Commissie, 293/84, EU:C:1986:111, punt 12).

35      Derhalve moet worden vastgesteld dat het enige bezwarende besluit in casu het besluit van 15 april 2020 is.

36      Bijgevolg, en aangezien verzoekster verzoekt om het besluit van 16 december 2019 enkel „voor zover nodig” nietig te verklaren, moet allereerst het verzoek tot nietigverklaring van het besluit van 15 april 2020 worden onderzocht.

 Ten gronde

37      Verzoekster voert ter ondersteuning van het beroep twee middelen aan, waarmee zij, ten eerste, stelt dat er sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling en van schending van de regels die van toepassing zijn op de werkzaamheden van de jury en, ten tweede, dat de motiveringsplicht niet is nagekomen en het beginsel van behoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) is geschonden.

38      Allereerst moet het tweede middel worden onderzocht, aangezien dat betrekking heeft op de vraag of het besluit van 15 april 2020 toereikend is gemotiveerd, welke vraag als eerste moet worden beantwoord.

39      Volgens verzoekster is het besluit van 15 april 2020 zelfs nu zij de eerste conversietabel (zie punt 11 hierboven) en de toelichting bij de door de jury gebruikte afrondingsmethode (zie punt 20 hierboven) heeft ontvangen – ontoereikend gemotiveerd, waardoor het haar niet duidelijk is hoe de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek op basis van de drie beoordelingen „sterk”, „sterk” en „goed” die zij voor de drie afzonderlijke onderdelen van het mondeling examen heeft gekregen, de beoordeling „goed” heeft kunnen toekennen aan haar algehele prestatie tijdens dat examen en die beoordeling heeft kunnen vertalen naar het cijfer 13/20.

40      Verzoekster voegt hieraan toe dat de jury noodzakelijkerwijs een wegingsmethode heeft toegepast en stelt dat het vaststellen van die methode niet tot de werkzaamheden van jury’s van vergelijkende onderzoeken behoort die – vanwege hun vergelijkende karakter – volgens de rechtspraak met betrekking tot artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut geheim moeten blijven. Volgens verzoekster hebben objectieve elementen zoals de weging van cijfers die de jury voorafgaand aan examens vaststelt om haar werkzaamheden in goede banen te leiden en ervoor te zorgen dat zij in principe op regelmatige en objectieve wijze verlopen, geen betrekking op de beoordeling van de verdiensten van kandidaten of op de vergelijking van hun respectieve verdiensten.

41      In haar opmerkingen over het antwoord van de Commissie op de vraag van het Gerecht (zie de punten 27 en 28 hierboven) stelt verzoekster dat zij zelfs na kennisneming van de tweede conversietabel, niet in staat is om te begrijpen waarom aan haar het beoordelingscijfer 13/20 is toegekend. Volgens haar benadrukt die tabel alleen maar hoe belangrijk het is om exact te weten op welk moment de jury de cijfers heeft afgerond en welke wegingsmethode zij heeft gebruikt.

42      De Commissie antwoordt dat jury’s, gelet op het geheim van hun werkzaamheden die verband houden met het uitbrengen van een waardeoordeel, alsook gelet op de ruime beoordelingsvrijheid waarover zij beschikken, hun besluiten voldoende motiveren indien zij de cijfers meedelen die voor de verschillende examens zijn gehaald. Aangezien aan verzoekster is meegedeeld dat zij het cijfer 13/20 voor haar mondeling examen had gehaald en dat enkel kandidaten met een cijfer van 14/20 of hoger op de reservelijst zouden worden opgenomen, is het besluit van 15 april 2020 voldoende gemotiveerd. Volgens de Commissie heeft de jury verzoekster slechts ten overvloede en overeenkomstig het beginsel van behoorlijk bestuur op de hoogte gebracht van zowel de in woorden uitgedrukte beoordelingen die zij voor de afzonderlijke onderdelen van het mondeling examen had gehaald als de totaalbeoordeling voor dat examen, en haar vervolgens de conversietabel en de flip-over verstrekt, waarna verzoekster in de gelegenheid is gesteld om te telefoneren met de voorzitter van de jury, die haar onder meer heeft geïnformeerd over de afrondingmethode die was gebruikt.

43      Voorts erkent de Commissie dat het eindcijfer dat de jury voor het mondeling examen aan verzoekster heeft toegekend weliswaar het resultaat is van een weging van de drie onderdelen van dat examen, maar stelt zij onder verwijzing naar vaste rechtspraak dat de vaststelling van de wegingsmethode onder de ruime beoordelingsvrijheid valt die de aankondiging van dat vergelijkend onderzoek aan de jury heeft gelaten, aangezien die aankondiging dienaangaande geen preciseringen bevatte. De openbaarmaking van die methode zou een ernstige schending van het geheim van de werkzaamheden van de jury en van haar onafhankelijkheid vormen, aangezien niet-geslaagde kandidaten zouden kunnen aanvoeren dat de gehanteerde methode een bepaalde categorie kandidaten begunstigt.

44      In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat volgens artikel 25, tweede alinea, tweede zin, van het Ambtenarenstatuut iedere nadelige beslissing moet worden gemotiveerd. Die verplichting komt overeen met de meer algemene verplichting die is neergelegd in artikel 296, tweede alinea, VWEU en in artikel 41 van het Handvest, en met name in lid 2, onder c), ervan, welk artikel het beginsel van behoorlijk bestuur betreft.

45      In de tweede plaats bepaalt artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut dat „[d]e werkzaamheden van de jury [geheim zijn]”.

46      Volgens vaste rechtspraak heeft de motiveringsplicht tot doel om, ten eerste, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te beoordelen of het bezwarende besluit gegrond is en of het zin heeft om beroep in te stellen bij de rechter van de Europese Unie en, ten tweede, die rechter in staat te stellen om de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (zie arrest van 13 september 2016, Pohjanmäki/Raad, T‑410/15 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:465, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punt 51).

47      Bovendien brengt het recht op behoorlijk bestuur als bedoeld in artikel 41 van het Handvest voor de administratie de verplichting mee om haar besluiten te motiveren, en is die motivering niet enkel de uitdrukking van de transparantie van de handelingen van de administratie in algemene zin, maar moet zij daarenboven particulieren in staat stellen om met volledige kennis van zaken te beslissen of het voor hen zin heeft om zich tot de rechter te wenden. Er bestaat dus een nauw verband tussen enerzijds de motiveringsplicht en anderzijds het fundamentele recht op een effectieve rechterlijke bescherming en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte dat wordt gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest (arrest van 10 oktober 2012, Sviluppo Globale/Commissie, T‑183/10, niet gepubliceerd, EU:T:2012:534, punt 40; zie in die zin ook arrest van 8 september 2009, ETF/Landgren, T‑404/06 P, EU:T:2009:313, punt 148 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      De motivering moet in beginsel tegelijk met het bezwarende besluit aan de betrokkene worden meegedeeld. Het ontbreken van motivering kan niet worden geregulariseerd door de omstandigheid dat de betrokkene tijdens de procedure voor de Unierechter kennis krijgt van de gronden van het besluit. Wanneer er echter geen sprake is van een volledig ontbrekende motivering maar slechts van een ontoereikende motivering, kunnen de in de loop van de procedure gegeven toelichtingen in uitzonderlijke gevallen deze ontoereikendheid verhelpen, zodat het middel ontleend aan de ontoereikendheid van die motivering niet langer de nietigverklaring van het betrokken besluit kan rechtvaardigen (zie arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punten 51 en 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

49      Volgens het Hof hebben de instellingen van de Unie niet het recht om hun ontoereikend gemotiveerde besluiten voor de Unierechter te regulariseren en is die rechter bij zijn onderzoek of de motiveringsplicht is geëerbiedigd evenmin verplicht om rekening te houden met de aanvullende toelichtingen die de verrichter van de betrokken handeling pas in de loop van de procedure heeft verstrekt. Een dergelijke rechtsregel zou er immers toe kunnen leiden dat de bevoegdheidsverdeling tussen de administratie en de Unierechter vervaagt, het rechtmatigheidstoezicht wordt verzwakt en de uitoefening van het recht van beroep in gevaar komt. Slechts in uitzonderlijke gevallen, waarin vaststaat dat het voor de betrokken instelling van de Unie feitelijk onmogelijk was om het litigieuze besluit rechtens genoegzaam te motiveren, kan de motivering worden aangevuld met toelichtingen die in de loop van het geding door de verrichter van de handeling worden verstrekt (zie in die zin arrest van 11 juni 2020, Commissie/Di Bernardo, C‑114/19 P, EU:C:2020:457, punten 58 en 59).

50      Wat besluiten van een jury van een vergelijkend onderzoek betreft, heeft het Hof in het arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, EU:C:1996:276), geoordeeld dat de motiveringsplicht in overeenstemming moet worden gebracht met de inachtneming van het geheim van de werkzaamheden van de jury als bedoeld in artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut. Die werkzaamheden zijn geheim verklaard teneinde de onafhankelijkheid van de jury’s van vergelijkende onderzoeken en de objectiviteit van hun werkzaamheden te waarborgen, door hen te beschermen tegen inmenging en druk van buitenaf van zowel de administratie van de Unie zelf als de betrokken kandidaten of derden. De eerbiediging van dat geheim brengt derhalve mee dat geen ruchtbaarheid mag worden gegeven aan de opvattingen van de individuele juryleden en dat gegevens die verband houden met de beoordelingen van de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten, niet aan de openbaarheid mogen worden prijsgegeven (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 24).

51      In die omstandigheden moet het vereiste van motivering van de besluiten van de jury van een vergelijkend onderzoek rekening houden met de aard van de betrokken werkzaamheden (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 25).

52      De werkzaamheden van een jury van een vergelijkend onderzoek omvatten in de regel ten minste twee verschillende fasen, namelijk, in de eerste plaats, het onderzoek van de sollicitaties om de kandidaten te selecteren die tot het vergelijkend onderzoek worden toegelaten, en, in de tweede plaats, het onderzoek naar de bekwaamheden van de kandidaten voor het te vervullen ambt teneinde een reservelijst op te stellen (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 26).

53      De eerste fase bestaat, met name bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, in een toetsing van de door de kandidaten overgelegde schriftelijke bewijsstukken aan de in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek verlangde kwalificaties. Daar deze toetsing aan de hand van objectieve gegevens geschiedt die overigens aan elke sollicitant — voor zover hem betreft — bekend zijn, staat de eerbiediging van het geheim van de werkzaamheden van de jury niet in de weg aan de mededeling van die objectieve gegevens en van met name de beoordelingscriteria die worden gehanteerd bij de selectie tijdens de preliminaire fase van het vergelijkend onderzoek teneinde de kandidaten van wie de sollicitaties nog vóór de aflegging van enig examen terzijde zijn gelegd, in staat te stellen na te gaan om welke redenen zij mogelijkerwijs zijn afgewezen (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 27).

54      De tweede fase is daarentegen vooral vergelijkend van aard en wordt daarom gedekt door het geheim van de werkzaamheden (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 28).

55      De correctiecriteria die de jury vóór het examen heeft vastgesteld, maken noodzakelijkerwijs deel uit van de door de jury verrichte vergelijking van de verdiensten van de verschillende kandidaten. Zij hebben immers tot doel in het belang van die kandidaten een zekere homogeniteit in de beoordelingen van de jury te waarborgen, met name wanneer er zeer veel kandidaten zijn. Die criteria vallen derhalve, net als de beoordelingen van de jury, onder het geheim van de beraadslagingen (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 29).

56      De vergelijkende beoordelingen van de jury komen tot uitdrukking in de cijfers die zij aan de kandidaten toekent. Die cijfers drukken de over elk van de kandidaten uitgebrachte waardeoordelen uit (arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati, C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punt 30).

57      Op basis van deze beginselen heeft het Hof in de punten 31 en 32 van het arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, EU:C:1996:276), vastgesteld dat, gelet op het geheim van de werkzaamheden van de jury, de mededeling van de voor de verschillende examens behaalde cijfers een afdoende motivering vormde van de besluiten van de jury, en dat een dergelijke motivering de rechten van de kandidaten niet schaadde, aangezien zij hen in kennis stelde van het waardeoordeel dat over hun prestaties was uitgebracht en hen in staat stelde in voorkomend geval na te gaan of zij het door de aankondiging van een vergelijkend onderzoek geëiste aantal punten inderdaad niet hadden behaald.

58      In het licht van die beginselen moet worden onderzocht of het besluit van 15 april 2020 toereikend is gemotiveerd.

59      In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat het besluit van 15 april 2020 niet onder de eerste fase als bedoeld in de rechtspraak van het Hof valt, in welke fase de kandidaten tot het vergelijkend onderzoek worden toegelaten nadat is gecontroleerd of zij aan de betreffende voorwaarden voldoen die in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek zijn vermeld. Dat besluit valt onder de tweede fase, aangezien de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek met haar beoordeling van verzoeksters prestatie tijdens het mondeling examen niet enkel voor ogen had om na te gaan of haar het minimumcijfer 10/20 kon worden toegekend dat in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek was vastgesteld, maar tevens om die prestatie te beoordelen in vergelijking met die van de andere kandidaten. De aankondiging van een vergelijkend onderzoek vermeldde immers dat enkel de dertig kandidaten met het hoogst behaalde cijfer voor het mondeling examen konden worden opgenomen op de reservelijst voor het door verzoekster gekozen vakgebied (zie de punten 3, 6 en 7 hierboven).

60      In de tweede plaats zij herinnerd aan de informatie die verzoekster reeds was verstrekt bij het besluit van 16 december 2019, welk besluit is bevestigd bij het besluit van 15 april 2020. Zoals in punt 9 hierboven reeds is uiteengezet, had de jury in eerstgenoemd besluit allereerst aangegeven dat verzoekster voor haar prestatie tijdens het mondeling examen van het litigieuze vergelijkend onderzoek het eindcijfer 13/20 had gekregen, terwijl de jury op basis van een vergelijking tussen de prestaties van de kandidaten die tot dat examen waren toegelaten, had besloten om enkel de kandidaten met een eindcijfer van 14/20 of hoger op de reservelijst op te nemen.

61      Vervolgens heeft de jury gepreciseerd dat de algehele prestatie van verzoekster tijdens het mondeling examen als „goed” kon worden beoordeeld.

62      Tot slot heeft de jury de in woorden uitgedrukte beoordelingen verstrekt die zij verzoekster had toegekend voor elk van de drie onderdelen van het mondeling examen die waren vermeld in deel 4 van titel III van de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek (zie punt 5 hierboven), in welk deel was aangegeven dat het mondeling examen uit twee onderdelen bestond en dat het eerste onderdeel twee subonderdelen bevatte.

63      In de derde plaats heeft de Commissie verzoekster nadien de eerste conversietabel verstrekt (zie punt 11 hierboven), in welke tabel de in woorden uitgedrukte beoordelingen van de jury en de bijbehorende beoordelingscijfers van één tot en met tien zijn opgenomen. Uit die tabel blijkt dat de beoordelingen „goed” en „sterk” respectievelijk overeenkomen met de beoordelingscijfers 6/10 en 7/10.

64      In de vierde plaats heeft de Commissie de tweede conversietabel voor het Gerecht overgelegd (zie punt 27 hierboven). In die tabel zijn enerzijds de beoordelingscijfers één tot en met twintig opgenomen en, anderzijds, de bijbehorende in woorden uitgedrukte beoordelingen die na het mondeling examen aan de kandidaten zijn meegedeeld.

65      In de vijfde plaats blijkt uit het besluit van 15 april 2020 dat de jury een wegingsmethode heeft toegepast op de drie onderdelen van het mondeling examen die in de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek zijn genoemd. De Commissie bevestigt in haar verweerschrift dat het eindcijfer 13/20 dat aan verzoekster is toegekend, niet het wiskundig gemiddelde van de beoordelingen van die drie onderdelen is, maar het resultaat is van een gewogen gemiddelde daarvan.

66      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de jury van het litigieuze vergelijkend onderzoek een wegingscoëfficiënt heeft gebruikt voor elk in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek genoemd onderdeel van het mondeling examen (hierna: „betrokken wegingscoëfficiënten”). De jury heeft de betrokken wegingscoëfficiënten toegepast op de aan de kandidaten voor die examenonderdelen toegekende beoordelingen, teneinde een gewogen gemiddelde van die drie beoordelingen te verkrijgen. Die wegingscoëfficiënten zijn voor verzoekster dus van wezenlijk belang om te kunnen begrijpen hoe haar prestatie na de beoordeling van die drie examenonderdelen is omgezet in een eindcijfer tussen de één en de twintig, zoals vermeld in de aankondiging van het litigieuze vergelijkend onderzoek (zie punt 6 hierboven). Verzoekster beschikt inmiddels over de eerste en de tweede conversietabel, maar is zonder kennis van de betrokken wegingscoëfficiënten niet in staat om na te gaan hoe de beoordelingen „sterk”, „sterk” en „goed” die zij voor de drie onderdelen van het mondeling examen heeft gekregen en die volgens de eerste conversietabel overeenkomen met de beoordelingscijfers 7, 7 en 6, hebben kunnen leiden tot een eindcijfer van 13/20, dat volgens de tweede conversietabel overeenkomt met de beoordeling „goed”. Opgemerkt moet worden dat het afhankelijk van het gewicht van elk van die coëfficiënten niet is uitgesloten dat het gewogen gemiddelde van die beoordelingscijfers in een afgerond eindcijfer van 14/20 resulteert, welke drempel een kandidaat moet halen om voor het litigieuze vergelijkend onderzoek te slagen (zie punt 9 hierboven).

67      Niettemin moet worden nagegaan of de mededeling van de betrokken wegingscoëfficiënten verenigbaar is met het geheim van de werkzaamheden van de jury als bedoeld in artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, zoals uitgelegd door het Hof.

68      Zoals in herinnering is gebracht in punt 57 hierboven is het juist dat het Hof in het arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, EU:C:1996:276, punten 31 en 32), op basis van een afweging van, enerzijds, de vereisten die voortvloeien uit de motiveringsplicht en, anderzijds, de vereisten die het geheim van de werkzaamheden van de jury meebrengt, heeft geoordeeld dat de mededeling van de voor de verschillende examens behaalde cijfers een afdoende motivering was van de besluiten van de jury, en die motivering de rechten van de kandidaten niet schaadde.

69      Niettemin was de verzoeker in de zaak die tot het arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, EU:C:1996:276), heeft geleid, niet toegelaten tot de examens van een vergelijkend onderzoek die volgden op het schriftelijke examen, voor welk examen die verzoeker een lager cijfer had gehaald dan het vereiste minimum dat in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek was vastgesteld. In die aankondiging was niet vermeld dat dat schriftelijk examen uit meerdere onderdelen bestond. Bijgevolg kan de verwijzing van het Hof naar de „voor de verschillende examens behaalde cijfers” niet aldus worden uitgelegd dat hiermee enkel de individuele onvoldoendes worden bedoeld en niet de tussentijdse beoordelingen die betrekking hebben op de afzonderlijke examenonderdelen die in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek worden vermeld. Uit die rechtspraak volgt dus niet dat de mededeling van één individuele onvoldoende aan een kandidaat in alle omstandigheden een toereikende motivering is ongeacht de bijzonderheden van elk vergelijkend onderzoek.

70      Bovendien kan uit het arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, EU:C:1996:276), niet worden opgemaakt dat het begrip „correctiecriteria”, waarvan het Hof heeft vastgesteld dat zij onder het geheim van de werkzaamheden van de jury vallen, elementen omvat zoals de betrokken wegingscoëfficiënten.

71      Opgemerkt moet worden dat „correctiecriteria” als bedoeld in het arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, EU:C:1996:276), handvatten zijn waarmee de jury de prestaties van kandidaten tijdens de examens van een vergelijkend onderzoek en tijdens de eventuele onderdelen van elk examen kan beoordelen. Het zijn instrumenten die de jury hanteert bij het uitbrengen van een waardeoordeel over die prestaties, teneinde de homogeniteit van die beoordelingen te waarborgen. Zoals het Hof in dat arrest heeft geoordeeld, maken die criteria dus noodzakelijkerwijs deel uit van de door de jury verrichte vergelijkende beoordelingen van de verdiensten van de verschillende kandidaten en moeten zij dientengevolge geheim blijven (zie punt 55 hierboven). Teneinde kandidaten volstrekt objectief en in alle vrijheid te beoordelen, moet de jury van een vergelijkend onderzoek haar werkzaamheden immers kunnen structuren door criteria en subcriteria te gebruiken die, indien nodig, onderling worden gewogen.

72      Daarentegen vervullen coëfficiënten die een jury heeft vastgesteld om de in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek vermelde examenonderdelen te wegen, niet dezelfde functie als correctiecriteria als bedoeld in het arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, EU:C:1996:276). Die coëfficiënten zijn immers niet bedoeld om bij te dragen tot de vergelijkende beoordeling van de prestaties van de kandidaten die het betrokken examen afleggen. Zij worden door de jury in de uitoefening van haar beoordelingsvrijheid vastgesteld teneinde uitdrukking te geven aan het relatieve gewicht dat die jury aan de in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek genoemde afzonderlijke examenonderdelen toekent binnen het eindcijfer dat een kandidaat voor het gehele examen heeft gekregen. Er moet dus onderscheid worden gemaakt tussen de voorafgaande vaststelling van de relatieve waarde van de in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek genoemde afzonderlijke examenonderdelen en de beoordeling van de prestaties van de kandidaten voor elk van die onderdelen.

73      Bijgevolg kan het arrest van 4 juli 1996, Parlement/Innamorati (C‑254/95 P, EU:C:1996:276), niet aldus worden uitgelegd dat wanneer een aankondiging van een vergelijkend onderzoek vermeldt dat een examen uit meerdere onderdelen bestaat, uit de afweging van de vereisten als bedoeld in punt 68 hierboven volgt dat het geheim van de werkzaamheden van de jury van toepassing is op de coëfficiënten die de jury voorafgaand aan dat examen aan die onderdelen heeft toegekend met het oog op de weging ervan. Uit dat arrest vloeit dus niet voort dat die coëfficiënten zijn uitgesloten van de elementen die op grond van de motiveringsplicht moeten worden meegedeeld aan de kandidaten die niet zijn geslaagd voor het vergelijkend onderzoek.

74      Bovendien zij eraan herinnerd dat het Gerecht met betrekking tot een mondeling examen dat door de kandidaten van een vergelijkend onderzoek moest worden afgelegd ter beoordeling van hun kennis van de Franse en de Engelse taal alsook van alle andere Unietalen die zij in hun sollicitatieformulier hadden opgegeven, reeds heeft geoordeeld dat wanneer een jury de kennis van de kandidaten van elk van die talen tussentijds heeft beoordeeld, de motiveringsplicht verlangt dat op verzoek van de kandidaten de tussentijdse beoordelingen worden verstrekt die aan hen zijn toegekend voor de afzonderlijke geëxamineerde talen, alsook de methode die de jury heeft gebruikt om het eindcijfer vast te stellen. Volgens het Gerecht houdt de mededeling van die elementen namelijk niet in dat ruchtbaarheid wordt gegeven aan de opvattingen van de individuele juryleden, noch dat gegevens aan de openbaarheid worden prijsgegeven die verband houden met de beoordelingen van de kandidaten persoonlijk dan wel in vergelijking met andere kandidaten. Die mededeling is dus niet onverenigbaar met de eerbiediging van het geheim van de werkzaamheden van de jury (arrest van 28 april 2004, Pascall/Raad, T‑277/02, EU:T:2004:117, punten 2 en 28).

75      Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Gerecht voor ambtenarenzaken dat een jury van een vergelijkend onderzoek, gelet op de regel dat haar werkzaamheden geheim zijn en gelet op de ruime beoordelingsvrijheid die zij heeft om de resultaten van de examens van een vergelijkend onderzoek te beoordelen, bij de motivering van het niet-slagen van een examenkandidaat er niet toe kan worden verplicht om de als onvoldoende beoordeelde antwoorden van die kandidaat te preciseren of uit te leggen waarom die antwoorden als onvoldoende zijn beoordeeld. Dat geheim en die ruime beoordelingsvrijheid houden evenwel niet in dat aan kandidaten van een vergelijkend onderzoek die hiertoe een verzoek indienen, in voorkomend geval niet de beoordelingen kunnen worden meegedeeld die zij hebben gekregen voor elk van de in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek genoemde onderdelen van het mondeling examen (zie in die zin arrest van 8 juli 2010, Wybranowski/Commissie, F‑17/08, EU:F:2010:83, punten 98 en 99 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens het Gerecht voor ambtenarenzaken moet die mededeling, indien een kandidaat daarom heeft verzocht, overeenkomstig de motiveringsplicht in principe plaatsvinden vóór het verstrijken van de termijn genoemd in de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut (zie in die zin arrest van 8 juli 2010, Wybranowski/Commissie, F‑17/08, EU:F:2010:83, punt 100). Hieraan moet worden toegevoegd dat het Gerecht voor ambtenarenzaken ter verwerping van een grief betreffende niet-nakoming van de motiveringsplicht heeft vastgesteld dat de verzoekende partij met name de weging van de vier „beoordelingscriteria” had kunnen opvragen die in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek waren vermeld met betrekking tot het mondeling examen (zie in die zin arrest van 8 juli 2010, Wybranowski/Commissie, F‑17/08, EU:F:2010:83, punten 8, 50, 104 en 106).

76      Die rechtspraak van het Gerecht en het Gerecht voor ambtenarenzaken is in lijn met het nauwe verband tussen de motiveringsplicht en de effectieve rechterlijke bescherming, welk verband in punt 47 hierboven in herinnering is gebracht, alsook met het feit dat het recht om een ontoereikende motivering in de loop van het geding aan te vullen zich tot uitzonderlijke gevallen beperkt, zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof die in punt 49 hierboven is aangehaald. Indien een kandidaat niet tijdig op de hoogte is van de methode die de jury heeft gebruikt om op basis van de beoordelingen die hij voor de in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek genoemde afzonderlijke onderdelen van dat examen heeft gekregen, het onvoldoende eindcijfer vast te stellen, dan kan hij immers niet nagaan of de jury een fout heeft gemaakt; niet bij die beoordelingen, aangezien die onder het geheim van de werkzaamheden van de jury vallen, maar bij de vaststelling van het onvoldoende eindcijfer. Die kandidaat kan dus niet beoordelen of het zin heeft om beroep in te stellen bij het Gerecht.

77      Bovendien zijn de motiveringsplicht en het recht op effectieve rechterlijke bescherming algemene beginselen van Unierecht die thans zijn verankerd in het Handvest, terwijl het geheim van de werkzaamheden van de jury is vastgesteld bij een afgeleide rechtshandeling. Bijgevolg moet artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut worden uitgelegd in het licht van het Handvest.

78      Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden vastgesteld dat de betrokken wegingscoëfficiënten niet worden gedekt door het geheim als bedoeld in artikel 6 van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut, aangezien die wegingscoëfficiënten geen instrumenten zijn die de jury van het litigieuze onderzoek heeft gebruikt om een waardeoordeel uit te brengen over de prestaties van de kandidaten die de drie onderdelen van het mondeling examen hebben afgelegd die in de aankondiging van een vergelijkend onderzoek zijn vermeld.

79      Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door de argumenten die de Commissie ontleent aan de ruime beoordelingsvrijheid waarover de jury van een vergelijkend onderzoek beschikt (zie punt 43 hierboven).

80      Volgens de rechtspraak beschikt de jury van een vergelijkend onderzoek over een ruime beoordelingsvrijheid bij het uitvoeren van haar werkzaamheden. Derhalve kan de jury, wanneer de aankondiging van een vergelijkend onderzoek niet in beoordelingscriteria voorziet, die criteria zelf vaststellen en, wanneer de aankondiging van een vergelijkend onderzoek wel in beoordelingscriteria maar niet in de respectieve weging ervan voorziet, die weging zelf bepalen (zie arrest van 11 december 2012, Mata Blanco/Commissie, F‑65/10, EU:F:2012:178, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arresten van 24 maart 1988, Goossens e.a./Commissie, 228/86, EU:C:1988:172, punten 11, 13 en 14, en 19 april 1988, Santarelli/Commissie, 149/86, EU:C:1988:179, punt 10).

81      Hieruit volgt dat wanneer een aankondiging van een vergelijkend onderzoek niets vermeldt over de weging van de afzonderlijke beoordelingscriteria die in die aankondiging voor een bepaald examen worden genoemd, de jury kan bepalen op welke wijze het totaal aantal punten waarin die aankondiging voor dat examen voorziet, over de verschillende onderdelen ervan moet worden verdeeld op basis van het gewicht dat die jury, rekening houdend met de te vervullen vacatures, aan die onderdelen toekent (zie in die zin arrest van 11 december 2012, Mata Blanco/Commissie, F‑65/10, EU:F:2012:178, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82      In casu vermeldde de aankondiging van het litigieuze onderzoek uit welke onderdelen het mondeling examen bestond (zie punt 5 hierboven), maar preciseerde zij niet welke weging op die afzonderlijke onderdelen moest worden toegepast om het eindcijfer te bepalen.

83      Bijgevolg had de jury van het litigieuze onderzoek het recht om zelf de drie betrokken wegingscoëfficiënten vast te stellen.

84      Uit het voorgaande volgt evenwel niet dat de betrokken wegingscoëfficiënten zijn uitgesloten van de elementen die ter waarborging van de motiveringsplicht aan niet-geslaagde kandidaten moeten worden meegedeeld.

85      Volgens de rechtspraak is het in gevallen waarin een instelling over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt immers van fundamenteel belang dat wordt toegezien op de inachtneming van de door de rechtsorde van de Unie in administratieve procedures verleende waarborgen. Tot die waarborgen behoren met name de verplichting voor de bevoegde instelling om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, alsook de verplichting om haar besluit toereikend te motiveren (arresten van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 14, en 8 september 2009, ETF/Landgren, T‑404/06 P, EU:T:2009:313, punt 163).

86      Bovendien is het doel van de motiveringsplicht volgens de rechtspraak die in de punten 46 en 47 hierboven is genoemd, juist om de betrokkenen in staat te stellen om hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte uit te oefenen en om de Unierechter in staat te stellen om de rechtmatigheid van de besluiten van de administratie te controleren.

87      Aangezien de jury van een vergelijkend onderzoek over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, controleert de rechter bij de rechtmatigheidstoetsing van haar besluiten of die beoordelingsvrijheid op basis van objectieve criteria is uitgeoefend en of er bij die uitoefening geen sprake was van een kennelijke fout, van misbruik van bevoegdheid of van een kennelijke overschrijding van de grenzen van de beoordelingsvrijheid (zie in die zin arrest van 11 februari 1999, Jiménez/BHIM, T‑200/97, EU:T:1999:26, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Hoewel het Gerecht zijn beoordeling in casu dus niet in de plaats van die van de jury kan stellen, moet het evenwel in staat zijn om in het licht van de motiveringsplicht na te gaan of haar beoordeling van verzoeksters mondelinge prestatie, gebaseerd is op de drie onderdelen ervan die in de aankondiging van het litigieuze onderzoek zijn vermeld, en of die jury geen fout heeft gemaakt bij de berekening van het eindcijfer op basis van de beoordelingen die zij aan elk van die drie onderdelen heeft toegekend.

88      Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat verzoekster niet in kennis is gesteld van de betrokken wegingscoëfficiënten, waardoor het besluit van 15 april 2020 ontoereikend is gemotiveerd, ondanks de gegevens die de Commissie na de vaststelling van dat besluit aan verzoekster heeft verstrekt, gesteld al dat die gegevens in aanmerking kunnen worden genomen op grond van de in de punten 48 en 49 hierboven genoemde rechtspraak.

89      Bijgevolg moet het tweede middel worden aanvaard en moet het besluit van 15 april 2020 nietig worden verklaard, zonder dat hoeft te worden ingegaan op het eerste middel (zie punt 38 hierboven) en zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het middel van niet-ontvankelijkheid dat de Commissie heeft aangevoerd tegen het subsidiaire verzoek om nietigverklaring van het besluit van 16 december 2019 (zie de punten 30 en 33 hierboven).

 Kosten

90      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Zevende kamer uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek COM/03/AD/18 (AD 6) – Administrateurs van 15 april 2020 om JR niet op te nemen op de reservelijst voor de aanwerving van administrateurs van de rang AD 6 op het vakgebied Europese openbare dienst wordt nietig verklaard.

2)      De Commissie wordt verwezen in de kosten.

da Silva Passos

Valančius

Reine

Truchot

 

      Sampol Pucurull

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 september 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.