Language of document : ECLI:EU:C:2019:830

Zaak C302/18

X

tegen

Belgische Staat

(verzoek om prejudiciële beslissing, ingediend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen)

 Arrest van het Hof (Derde kamer) van 3 oktober 2019

„Prejudiciële verwijzing – Immigratiebeleid – Status van langdurig ingezeten derdelanders – Richtlijn 2003/109/EG – Voorwaarden voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene – Artikel 5, lid 1, onder a) – Vaste, regelmatige en voldoende inkomsten”

Grenscontroles, asiel en immigratie – Immigratiebeleid – Status van langdurig ingezeten derdelanders – Richtlijn 2003/109 – Verkrijgen van de status van langdurig ingezetene – Voorwaarde – Vaste, regelmatige en voldoende inkomsten – Begrip – Door een derde ter beschikking gestelde inkomsten – Daaronder begrepen – Voorwaarden

[Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad, art. 7, lid 1, b) en c); richtlijn 2003/109 van de Raad, art. 5, lid 1, a)]

(cf. punten 26‑31, 34‑36, 40‑44 en dictum)

Samenvatting

Voor het bewijs dat hij beschikt over vaste, regelmatige en voldoende inkomsten kan de aanvrager van de status van langdurig ingezetene ook een beroep doen op inkomsten die door een derde ter beschikking worden gesteld

In het arrest X (C‑302/18) van 3 oktober 2019 heeft het Hof richtlijn 2003/109(1) uitgelegd, waarin wordt bepaald dat de lidstaten van onderdanen van derde landen voor de verkrijging van de status van langdurig ingezetene het bewijs verlangen dat zij voor zichzelf en de gezinsleden te hunnen laste beschikken over vaste en regelmatige inkomsten die voldoende zijn om zichzelf en hun gezinsleden te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat.(2) Het Hof heeft geoordeeld dat het begrip inkomsten niet uitsluitend ziet op de eigen inkomsten van de aanvrager van de status van langdurig ingezetene, maar ook de inkomsten kan omvatten die door een derde aan hem ter beschikking worden gesteld, mits zij, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokken aanvrager, vast, regelmatig en voldoende zijn.

Dit arrest is gewezen in het kader van een geding tussen X, die de Kameroense nationaliteit heeft, en de Belgische Staat over de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot vestiging en voor toekenning van de status van langdurig ingezetene. In het kader van zijn aanvraag had X de inkomsten van zijn broer voorgelegd en een schriftelijke, door die broer ondertekende verbintenis verstrekt waarin deze verklaarde ervoor te zullen zorgen dat X en de gezinsleden te zijnen laste zouden beschikken over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen. De aanvraag is afgewezen op grond dat X geen eigen middelen heeft en dat het enkele feit dat X ten laste is genomen door zijn broer nog niet betekent dat hij beschikt over een regelmatig en stabiel inkomen.

Nadat het Hof had vastgesteld dat het in de betrokken bepaling genoemde begrip inkomsten een autonoom begrip van Unierecht is, heeft het opgemerkt dat louter op basis van de bewoordingen ervan niet kan worden bepaald wat de aard of de herkomst van de daarin genoemde inkomsten moet zijn. In sommige taalversies van de richtlijn wordt namelijk een term gebruikt die overeenstemt met het begrip middelen, terwijl in andere een term wordt gebruikt die overeenstemt met het begrip inkomsten. Het Hof heeft de bepaling daarop uitgelegd aan de hand van het doel van de richtlijn en de context waarin de betrokken bepaling is opgenomen en is met name tot de slotsom gekomen dat de richtlijn in beginsel geen ruimte laat om aanvullende voorwaarden te stellen aan de herkomst van de in de betrokken bepaling genoemde inkomsten.

Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat uit het onderzoek van de bewoordingen, de doelstelling en de context van de betrokken bepaling van richtlijn 2003/109, in het licht van de vergelijkbare bepalingen van de richtlijnen 2004/38(3) en 2003/86(4), tevens naar voren komt dat de herkomst van de in de bepaling van richtlijn 2003/109 genoemde inkomsten geen beslissend criterium is bij de door de betrokken lidstaat te verrichten toets of zij vast, regelmatig en voldoende zijn. Ook al hebben de voorwaarden inzake de inkomsten in richtlijn 2003/109 een andere strekking dan in richtlijn 2004/38, zij kunnen analoog worden uitgelegd in die zin dat niet is uitgesloten dat de betrokkene gebruik kan maken van middelen die ter beschikking zijn gesteld door een derde die tot zijn familie behoort. Voorts vloeit uit richtlijn 2003/86 voort dat niet de herkomst van de inkomsten beslissend is, maar de stabiliteit en de toereikendheid ervan, rekening houdend met de individuele situatie van de betrokkene.

Tot slot heeft het Hof hieraan toegevoegd dat het aan de bevoegde nationale autoriteit staat om te analyseren of de inkomsten die afkomstig zijn van een derde of een verwant van de aanvrager moeten worden beschouwd als vast, regelmatig en voldoende. In dat verband kunnen het juridisch bindende karakter van een verbintenis van een derde of een verwant van de aanvrager om deze ten laste te nemen, de familieband tussen de aanvrager en de verwant of verwanten die bereid zijn hem ten laste te nemen en de aard en bestendigheid van hun inkomsten in aanmerking worden genomen.


1      Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004, L 16, blz. 44, met rectificatie in PB 2006, L 169, blz. 60).


2      Artikel 5, lid 1, onder a).


3      Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004, L 158, blz. 77, met rectificatie in PB 2004, L 229, blz. 35).


4      Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB 2003, L 251, blz. 12).