Language of document : ECLI:EU:C:2006:670

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

26 oktober 2006 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Associatie EEG-Turkije – Vrij verkeer van werknemers – Artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Weigering verblijfsvergunning van Turkse werknemer te verlengen”

In zaak C‑4/05,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Aachen (Duitsland) bij beslissing van 29 december 2004, ingekomen bij het Hof op 6 januari 2005, in de procedure

Hasan Güzeli

tegen

Oberbürgermeister der Stadt Aachen,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: P. Jann, kamerpresident, K. Lenaerts en K. Schiemann (rapporteur), rechters,

advocaat-generaal: L. A. Geelhoed,

griffier: K. Sztranc Sławiczek, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 12 januari 2006,

gelet op de opmerkingen van:

–        H. Güzeli, vertegenwoordigd door R. Hofmann, Rechtsanwalt,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma en C. Schulze‑Bahr als gemachtigden,

–        de Slowaakse regering, vertegenwoordigd door R. Procházka als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz en G. Rozet als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 23 maart 2006,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: „besluit nr. 1/80”). De Associatieraad is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen H. Güzeli, die de Turks onderdaan, en de Oberbürgermeister der Stadt Aachen (hierna: „Oberbürgermeister”) over de weigering van deze laatste om de verblijfsvergunning van Güzeli te verlengen.

 Toepasselijke bepalingen

 Gemeenschapsregeling

3        Artikel 6, leden 1 en 2, van besluit nr. 1/80 luidt als volgt:

„1.      Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort:

–        na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

–        na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die lidstaat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die lidstaat;

–        na vier jaar legale arbeid, in die lidstaat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

2.      Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmede perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.”

4        Artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 luidt:

„De lidstaten van de Gemeenschap passen op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden.”

 Nationale regeling

5        Ingevolge § 284, lid 5, van boek III van het Duitse wetboek inzake sociale zekerheid (Sozialgesetzbuch), dat gold tot 31 december 2004, kon een arbeidsvergunning uitsluitend worden afgegeven wanneer de vreemdeling in het bezit was van een verblijfstitel als bedoeld in § 5 van de vreemdelingenwet (Ausländergesetz).

6        Na de inwerkingtreding van de wet inzake de immigratie (Zuwanderungsgesetz) op 1 januari 2005 is een arbeidsvergunning als zodanig niet meer nodig. Of een buitenlandse werknemer mag werken, volgt thans rechtstreeks uit de verblijfstitel zelf.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

7        Blijkens de verwijzingsbeslissing is Güzeli, die de Turkse nationaliteit bezit, Duitsland binnengekomen op 13 september 1991.

8        Op 7 maart 1997 is hij gehuwd met een Duitse en op 29 juli 1997 is hem door de Oberbürgermeister een verblijfsvergunning verleend voor de duur van één jaar. Voorts verleende het Arbeitsamt Aachen hem op 31 juli 1997 een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd en voor alle beroepsactiviteiten.

9        Op 19 juni 1998 heeft Güzeli verlenging van zijn verblijfsvergunning aangevraagd. Op 8 juli 1998 zijn de echtgenoten gescheiden gaan leven en in 2002 zijn zij gescheiden.

10      Op 6 januari 1999 heeft de Oberbürgermeister de verblijfsvergunning van Güzeli verlengd, eerst tot en met 6 december 1999 en vervolgens tot en met 9 oktober 2001, onder vermelding dat Güzeli zich kon beroepen op de rechten voortvloeiend uit artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80. De verblijfsvergunning vermeldde: „Zelfstandige beroepsactiviteit of vergelijkbare niet-zelfstandige beroepsactiviteit niet toegestaan. Arbeidsvergunningplichtige beroepsactiviteit alleen toegestaan als kelner in Café Marmara in Aken.”

11      Op 25 september 2001 heeft Güzeli verlenging van zijn verblijfsvergunning verzocht.

12      Van 1 oktober tot en met 31 december 1997, van 1 februari 1998 tot en met 31 maart 1999, en van 1 juni 1999 tot en met 31 maart 2000 is hij te Aken werkzaam geweest bij Café Marmara, in dienst van de verschillende ondernemingen die dit etablissement exploiteerden (hierna tezamen: „Café Marmara”). Güzeli werkte er als kelner.

13      Van 10 april tot en met 14 december en van 1 maart 2001 tot en met 30 november 2001 is Güzeli als seizoenarbeider in Aken in dienst geweest bij de Aachener Printen und Schokoladenfabrik Henry Lambertz GmbH & Co. KG (hierna: „Lambertz”). In de tussenliggende perioden heeft hij uitkering ontvangen van het Arbeitsamt Aachen. Een bijstandsuitkering heeft hij nooit ontvangen.

14      Vanaf 2 april 2002, en wel van 23 november 2002 tot en met 5 december 2003, alsook van 2 juni 2004 tot het einde van het seizoen 2004, is hij in dienst geweest bij Lambertz.

15      Bij vonnis van het Amtsgericht Aachen van 27 juni 2002 is Güzeli wegens overtreding van het Ausländergesetz tweemaal veroordeeld tot geldboeten, op grond dat zijn arbeid bij Lambertz in strijd was met de hem bij de afgifte van zijn verblijfsvergunning gestelde voorwaarden.

16      Op 2 januari 2003 is de aanvraag van Güzeli om verlenging van zijn verblijfstitel door de Oberbürgermeister afgewezen en werd hij bedreigd met uitzetting naar Turkije. Het bezwaar van Güzeli tegen deze beslissing is afgewezen door de Bezirksregierung Köln (regionaal bestuur te Keulen) bij beschikking van 20 juli 2004. Op 9 augustus 2004 heeft Güzeli beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Aachen.

17      Het Verwaltungsgericht Aachen heeft daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Verbiedt het discriminatieverbod van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 een lidstaat om een Turkse werknemer in een situatie als die van verzoeker, die op het tijdstip waarop de hem oorspronkelijk verstrekte nationale verblijfsvergunning verliep tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaat behoorde en in het bezit was van een arbeidsvergunning voor onbepaalde tijd, verder verblijf voor de duur van het dienstverband te weigeren?

         Is het in deze omstandigheden van belang of de aan de Turkse migrerende werknemer verleende arbeidsvergunning,

–        naar nationaal recht is verleend zonder tijdsbeperking,

–        naar nationaal recht is verleend onder de voorwaarde dat de oorspronkelijke verblijfsvergunning nog geldig is, maar deze arbeidsvergunning niet automatisch vervalt bij het einde van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, doch geldig blijft tot de buitenlander geen recht meer heeft op verblijf in de lidstaat, ook niet voorlopig?

2)      Mag de lidstaat gelet op artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 de Turkse werknemer verblijf weigeren wanneer deze op het tijdstip waarop de hem laatstelijk toegekende verblijfsvergunning afloopt als seizoenarbeider werkt, met andere woorden tussen twee dienstverbanden in werkloos is?

3)      Heeft een wijziging van het Duitse recht betreffende de afgifte van arbeidsvergunningen die is doorgevoerd nadat de oorspronkelijk verstrekte verblijfsvergunning was verlopen, invloed op het uit artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 voortvloeiende verbod om verder verblijf te weigeren?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

18      Blijkens de verwijzingsbeslissing verwerpt de nationale rechter bij voorbaat de hypothese dat een Turkse werknemer in een situatie als die van Güzeli zich kan beroepen op de rechten die hem worden verleend bij artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80. Hiervan uitgaande vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 10, lid 1, van dat besluit wellicht van toepassing is.

19      Om de verwijzende rechter een zinvol antwoord te kunnen geven, moet allereerst worden nagegaan of de stelling dat het recht van Güzeli op verlenging van zijn verblijfstitel niet kan worden gebaseerd op artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, juist is.

 Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80

20      Artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 noemt de belangrijkste voorwaarden voor het verrichten van arbeid door Turkse onderdanen die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoren voor de verlening en verlenging van arbeidsvergunningen.

21      Volgens het eerste streepje is een jaar legale arbeid vereist, wil de Turkse werknemer recht hebben op verlenging van zijn vergunning tot het verrichten van arbeid bij dezelfde werkgever.

22      Het tweede streepje geeft, kort samengevat, de Turkse werknemer het recht om na drie jaar legale arbeid, in hetzelfde beroep te reageren op een ander arbeidsaanbod bij een werkgever van zijn keuze.

23      Het derde streepje geeft de Turkse werknemer na vier jaar legale arbeid vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

24      Het Hof heeft steeds geoordeeld dat artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 in de lidstaten rechtstreekse werking heeft, zodat Turkse onderdanen die aan de voorwaarden van dat artikel voldoen, zich rechtstreeks kunnen beroepen op de rechten die de drie onderdelen van deze bepaling hun geleidelijk verlenen, afhankelijk van de duur van hun arbeid in de gastlidstaat (zie onder meer arresten van 20 september 1990, Sevince, C‑192/89, Jurispr. blz. I‑3461, punt 26, en 19 november 2002, Kurz, C‑188/00, Jurispr. blz. I‑10691, punt 26).

25      De rechten die deze bepaling de Turkse werknemer op arbeidsgebied verleent, gaan noodzakelijkerwijs vergezeld van een recht van verblijf van de rechthebbende, aangezien anders het recht op toegang tot de arbeidsmarkt en het recht om arbeid te verrichten, zouden worden uitgehold (arrest Kurz, reeds aangehaald, punt 27).

26      Reeds uit de bewoordingen van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 volgt dat deze bepaling veronderstelt dat de belanghebbende een Turkse werknemer is die op het grondgebied van een lidstaat verblijft, tot de legale arbeidsmarkt van de gastlidstaat behoort en aldaar gedurende een bepaalde periode legaal werkzaam is geweest (arrest Kurz, reeds aangehaald, punt 28).

27      Derhalve moet worden nagegaan of de belanghebbende op de datum dat zijn verblijfsvergunning verliep, 9 oktober 2001, de datum met ingang waarvan Güzeli verlenging van die vergunning verzoekt (hierna: „relevante datum”) voldeed aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de hem door artikel 6, lid 1, verleende rechten.

28      Blijkens de aan het Hof overgelegde stukken was Güzeli op de relevante datum in dienst bij Lambertz. Deze beroepswerkzaamheden waren aangevangen op 10 april 2000, dus nadat Güzeli het dienstverband had beëindigd met zijn eerste werkgever, Café Marmara, waar hij met onderbrekingen in dienst was geweest van 1 oktober 1997 tot en met 31 maart 2000.

29      Er zij aan herinnerd dat de door de Duitse autoriteiten tot 6 december 1999 en vervolgens nog eens tot 9 oktober 2001 verlengde verblijfsvergunning bepaalde dat hij zich kon beroepen op de rechten voortvloeiend uit artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80. Daartoe vermeldde de verblijfsvergunning van Güzeli het volgende: „Zelfstandige beroepsactiviteit of vergelijkbare niet-zelfstandige beroepsactiviteit niet toegestaan. Arbeidsvergunningplichtige beroepsactiviteit alleen toegestaan als kelner in Café Marmara in Aken.”

30      Door in zijn verblijfsvergunning de beroepsactiviteiten van Güzeli te beperken tot die welke hij verrichtte in Café Marmara hebben de Duitse autoriteiten de rechten die Güzeli in dit stadium kon ontlenen aan de bepalingen van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, vertaald. Alvorens het recht te hebben, in te gaan op een ander arbeidsaanbod (in hetzelfde beroep) bij een werkgever van zijn keuze, had Güzeli overeenkomstig het tweede streepje van deze bepaling drie jaar lang in dienst moeten blijven van zijn eerste werkgever, Café Marmara, wat hij niet heeft gedaan.

31      Nagegaan moet echter worden of Güzeli na een jaar bij Lambertz in dienst te zijn geweest, aan artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 recht op verlenging van zijn verblijfsvergunning kon ontlenen. Voor verlening van een dergelijk recht door deze bepaling, had Güzeli op de relevante datum tot de legale arbeidsmarkt van de gastlidstaat moeten behoren.

32      Volgens vaste rechtspraak moet het begrip „legale arbeidsmarkt” als bedoeld in artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus worden uitgelegd dat het doelt op alle werknemers die de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de gastlidstaat ter zake van binnenkomst op zijn grondgebied en inzake arbeid in acht nemen en dus het recht hebben, in die staat een beroepsactiviteit uit te oefenen (arrest Kurz, reeds aangehaald, punt 39).

33      Om voor de in de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 vervatte rechten in aanmerking te komen, geldt dus slechts als voorwaarde dat de Turkse werknemer zich heeft gehouden aan de wettelijke regeling van de gastlidstaat op het gebied van de binnenkomst op het grondgebied en het verrichten van arbeid in loondienst (arrest van 10 februari 2000, Nazli, C‑340/97Jurispr. blz. I‑957, punt 32).

34      Ten aanzien van deze voorwaarde moet worden benadrukt dat artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 niet aldus kan worden begrepen dat een Turkse werknemer zich kan beroepen op de rechten die deze bepaling hem verleent, wanneer hij arbeid in loondienst verricht bij een tweede werkgever zonder te voldoen aan de eisen van artikel 6, lid 1, tweede streepje, van besluit nr. 1/80.

35      Niettemin blijkt uit de motivering van de verwijzingsbeslissing en uit de formulering van de eerste vraag dat de nationale rechter van oordeel is dat Güzeli op de relevante datum „tot de legale arbeidsmarkt [...] behoorde” van de gastlidstaat.

36      Daar het Hof krachtens artikel 234 EG niet bevoegd is om zich bij wijze van prejudiciële beslissing uit te spreken over de uitlegging van regels van intern recht (zie arrest van 26 september 1996, Allain, C‑341/94, Jurispr. blz. I‑4631, punt 11), is het aan de nationale rechter om de in dit verband noodzakelijke constateringen te doen om vast te stellen of Güzeli op de relevante datum zich aan de door de Duitse autoriteiten voor het verrichten van zijn arbeid gestelde voorwaarden had gehouden, met name gelet op het belang dat in het Duitse recht toekomt aan de aan zijn verblijfsvergunning verbonden voorwaarde dat hij zijn arbeid verrichtte bij Café Marmara. De nationale rechter zal zich moeten afvragen of die voorwaarde voorging op de aan Güzeli op 31 juli 1997 verstrekte arbeidsvergunning, die geldig was voor alle soorten beroepsactiviteit.

37      Zo de verwijzende rechter in het kader van dat onderzoek constateert dat Güzeli op de relevante datum niet tot de Duitse legale arbeidsmarkt behoorde, dan heeft hij terecht de mogelijkheid van de hand gewezen dat Güzeli verlenging van zijn verblijfsvergunning kon verkrijgen op basis van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80.

38      Zou de verwijzende rechter evenwel tot de conclusie komen dat Güzeli op de relevante datum tot die arbeidsmarkt behoorde, dan zou Güzeli zich op de rechten kunnen beroepen die hem bij artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 worden verleend, gelet op de tijdvakken van arbeid die hij bij Lambertz heeft verricht. Het is aan de nationale rechter om vast te stellen of die arbeid het karakter van „legale arbeid” had in de zin van artikel 6, lid 1. In dit verband moet erop worden gewezen dat het begrip „legale arbeid” een communautairrechtelijk begrip is en een stabiele en niet-tijdelijke situatie op de arbeidsmarkt van een lidstaat veronderstelt (zie arrest Sevince, reeds aangehaald, punt 30 en arrest van 30 september 1997, Ertanir, C‑98/96, Jurispr. blz. I‑5179, punt 59).

39      Blijkens de aan het Hof overgelegde stukken was Güzeli als seizoenarbeider in dienst bij Lambertz en werd zijn arbeid verricht met onderbrekingen (met name tussen 14 december 2000 en 1 maart 2001). Onderzocht dient te worden of deze omstandigheid gevolgen kan hebben voor de berekening van de tijdvakken van legale arbeid van Güzeli.

40      Ten behoeve van de berekening van de in de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80 genoemde tijdvakken van legale arbeid voorziet lid 2 van dit artikel in een gunstige regeling voor de Turkse werknemer die zijn werkzaamheden tijdelijk staakt, naar gelang van het soort en de duur van die perioden van inactiviteit.

41      Uit artikel 6, lid 2, tweede zin, van besluit nr. 1/80 volgt dat tijdvakken van inactiviteit die te wijten zijn aan langdurige ziekte of onvrijwillige werkloosheid (dat wil zeggen wanneer de inactiviteit van de werknemer hem niet kan worden verweten), weliswaar niet worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, maar geen afbreuk doen aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.

42      Het enige doel van deze bepaling is, te voorkomen dat een Turkse werknemer die het werk hervat nadat hij zijn beroepswerkzaamheden heeft moeten staken wegens langdurige ziekte of onvrijwillige werkloosheid, de door artikel 6, lid 1, eerste tot en met derde streepje, van besluit nr. 1/80 voorgeschreven tijdvakken van legale arbeid opnieuw moet opbouwen, net als een Turks onderdaan die in de betrokken lidstaat nog geen arbeid in loondienst heeft verricht (zie in die zin arresten van 23 januari 1997, Tetik, C‑171/95, Jurispr. blz. I‑329, punt 39, en 10 januari 2006, Sedef, C‑230/03, Jurispr. blz. I‑157, punt 52).

43      Blijkens de motivering van de verwijzingsbeslissing baseert de rechter a quo zich voor zijn redenering op de stelling dat uitsluitend de eerdere tijdvakken van arbeid die voldoen aan de voorwaarde van een zekere duur, zoals neergelegd in de drie onderdelen van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80, niet worden aangetast door onderbrekingen van de beroepsarbeid als bedoeld in artikel 6, lid 2, tweede zin, van dit besluit. De achterliggende gedachte van de nationale rechter bij zijn analyse is dat Güzeli gedurende ten minste een jaar (in artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 genoemde tijdsduur) in loondienst had moeten zijn om in de betekenis van artikel 6, lid 2, tweede zin van dit besluit een „verworven recht” te verkrijgen, waaraan een tijdelijke onderbreking geen afbreuk doet.

44      Deze uitlegging is in overeenstemming met het doel van artikel 6, lid 2, tweede zin, van besluit nr. 1/80, namelijk de instandhouding en continuïteit van de rechten die de Turkse werknemer reeds heeft verworven op grond van de eerder vervulde tijdvakken van arbeid. De aldaar gebezigde term „rechten” impliceert dat het niet gaat om tijdvakken van onbepaalde, zelfs zeer korte duur, maar om eerder vervulde tijdvakken van arbeid waarvan de duur voldoende is om een recht op arbeid te creëren, een recht dat in de logica van die bepaling moet voortduren in weerwil van de tijdelijke onderbreking van de beroepsactiviteit om de Turkse werknemer niet-verwijtbare redenen.

45      In het onderhavige geval had Güzeli op het tijdstip dat zijn arbeid bij Lambertz werd onderbroken een dergelijk „recht” nog niet verworven, aangezien hij slechts acht maanden had gewerkt (van 10 april tot en met 14 december 2000), hetgeen niet voldoende is om de grondslag te vormen van een recht uit hoofde van artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1/80.

46      In het licht van deze overwegingen moeten de prejudiciële vragen worden onderzocht.

 Artikel 10 van besluit nr. 1/80

47      De verwijzende rechter heeft drie vragen gesteld over de uitlegging van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80.

48      Uit de bewoordingen van artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 volgt reeds dat op de rechten die deze bepaling verleent, evenals op die van artikel 6, lid 1, van dit besluit, alleen aanspraak gemaakt kan worden indien de Turkse werknemer tot de legale arbeidsmarkt van de betrokken lidstaat behoort.

49      Wat de vraag betreft of in dit verband relevant is dat de Turkse werknemer van werkgever is veranderd vóór het einde van het in artikel 6, lid 1, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 genoemde tijdvak van drie jaar, moet erop worden gewezen dat het, zoals in punt 36 van dit arrest is opgemerkt, aan de nationale rechter is om de regels van het nationale recht uit te leggen en dienaangaande de nodige vaststellingen te doen.

50      Indien uit het onderzoek van de bepalingen van het Duitse recht door de nationale rechter zou blijken dat Güzeli op de relevante datum niet voldeed aan de voorwaarde dat hij tot de legale arbeidsmarkt behoorde, zou een beroep op artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 om verlenging van zijn verblijfstitel te verkrijgen, uitgesloten zijn.

51      Zou daarentegen blijken dat Güzeli wel tot de legale arbeidsmarkt behoorde, dan rijst de vraag of hij zich op artikel 10, lid 1, van besluit nr. 1/80 kan beroepen.

52      In dit verband heeft Güzeli in zijn opmerkingen bij het Hof gewezen op de uitlegging die het Hof in het arrest van 2 maart 1999, Eddline El-Yassini (C‑416/96, Jurispr. blz. I‑1209, punten 62‑64), heeft gegeven aan een vergelijkbare bepaling in de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko, ondertekend te Rabat op 27 april 1976 en goedgekeurd namens de Gemeenschap bij verordening (EEG) nr. 2211/98 van de Raad van 26 september 1978 (PB L 264, blz. 1). Deze uitlegging hield in dat het een lidstaat weliswaar in beginsel niet verboden is, te weigeren de verblijfstitel te verlengen van een Marokkaans onderdaan die deze lidstaat toegang tot zijn grondgebied heeft verleend en aan wie hij heeft toegestaan aldaar beroepswerkzaamheden te verrichten, wanneer de oorspronkelijke reden voor de verlening van het verblijfsrecht niet meer bestaat op het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de betrokkene verstrijkt, maar dat dit anders zou zijn indien de lidstaat van ontvangst de Marokkaanse migrerende werknemer nauwkeurig bepaalde rechten op het gebied van het verrichten van arbeid had verleend, die ruimer waren dan die welke diezelfde lidstaat hem op het gebied van verblijf had toegekend.

53      Het is dus aan de verwijzende rechter om uit te maken of een dergelijke situatie zich in casu voordoet, met name gelet op de veroordeling van Güzeli wegens overtreding van de in zijn verblijfsvergunning opgenomen voorwaarden.

54      Gelet op het voorgaande moet de verwijzende rechter worden geantwoord dat artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 aldus moet worden uitgelegd dat een Turkse werknemer zich alleen kan beroepen op de rechten die deze bepaling hem verleent, wanneer zijn arbeid in loondienst bij een tweede werkgever in overeenstemming is met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de gastlidstaat ter zake van binnenkomst op zijn grondgebied en inzake arbeid. Het is aan de nationale rechter om de vaststellingen te doen die nodig zijn om uit te maken of dit het geval is bij een Turkse werknemer die van werkgever is veranderd vóór het einde van de in artikel 6, lid 1, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 genoemde periode van drie jaar.

55      Artikel 6, lid 2, tweede zin, van besluit nr. 1/80 moet aldus worden uitgelegd dat deze beoogt te garanderen dat perioden waarin de legale arbeid wordt onderbroken wegens onvrijwillige werkloosheid of langdurige ziekte, geen afbreuk doen aan de rechten die de Turkse werknemer reeds heeft verworven uit hoofde van eerder vervulde tijdvakken van arbeid, welke een vaste duur hebben zoals in de drie onderdelen van lid 1 van deze bepaling is vastgelegd.

 Kosten

56      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Eerste kamer) verklaart voor recht:

Artikel 6, lid 1, eerste streepje, van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie moet aldus worden uitgelegd dat een Turkse werknemer zich alleen kan beroepen op de rechten die deze bepaling hem verleent, wanneer zijn arbeid in loondienst bij een tweede werkgever in overeenstemming is met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften van de gastlidstaat ter zake van binnenkomst op zijn grondgebied en inzake arbeid. Het is aan de nationale rechter om de vaststellingen te doen die nodig zijn om uit te maken of dit het geval is bij een Turkse werknemer die van werkgever is veranderd vóór het einde van de in artikel 6, lid 1, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 genoemde periode van drie jaar.

Artikel 6, lid 2, tweede zin, van besluit nr. 1/80 moet aldus worden uitgelegd dat deze beoogt te garanderen dat perioden waarin de legale arbeid wordt onderbroken wegens onvrijwillige werkloosheid of langdurige ziekte, geen afbreuk doen aan de rechten die de Turkse werknemer reeds heeft verworven uit hoofde van eerder vervulde tijdvakken van arbeid, welke een vaste duur hebben zoals in de drie onderdelen van lid 1 van deze bepaling is vastgelegd.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.