Language of document : ECLI:EU:F:2016:149

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE

(Enkelvoudige kamer)

18 juli 2016

Zaak F‑48/15

SD

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)

„Openbare dienst – Ambtenaren – Beoordeling – Beoordeling over 2013 – Beoordelingsrapport – Kennelijk onjuiste beoordeling – Inhaalplan – Bezwarend besluit – Ontvankelijkheid”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee SD vraagt om, kort samengevat, nietigverklaring van, ten eerste, haar beoordelingsrapport over de periode van 1 januari tot en met 31 december 2013 en, ten tweede, het op basis van dat rapport opgestelde „inhaalplan” alsmede om veroordeling van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO, of hierna: „Bureau”) tot betaling van een vergoeding voor de immateriële schade die zij zou hebben geleden en waarvan het bedrag, onder voorbehoud van een verhoging of verlaging in de loop van de procedure, op het bedrag van 10 000 EUR wordt begroot.

Beslissing:      Het beroep wordt verworpen. SD draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie.

Samenvatting

1.      Ambtenaren – Beoordeling – Beoordelingsrapport – Beoordelingsbevoegdheid van de beoordelaars – Rechterlijk toezicht – Grenzen – Kennelijk onjuiste beoordeling – Begrip

(Ambtenarenstatuut, art. 43)

2.      Beroepen van ambtenaren – Bezwarend besluit – Begrip – Inhaalplan om de prestaties te verbeteren, opgesteld in nauwe samenhang met het beoordelingsrapport – Daarvan uitgesloten

(Ambtenarenstatuut, art. 90, lid 2, en 91, lid 1)

1.      Bij de beoordeling van de verdiensten beschikken de beoordelaars over een ruime beoordelingsbevoegdheid, zodat het toezicht van de Unierechter zich moet beperken tot de vraag of er geen sprake is van een feitelijke fout, een kennelijk onjuiste beoordeling of van misbruik van bevoegdheid.

Meer bepaald kan een fout alleen als een kennelijke fout worden aangemerkt wanneer deze gemakkelijk kan worden ontdekt aan de hand van criteria waarvan de wetgever de uitoefening van een beslissingsbevoegdheid afhankelijk heeft willen stellen. De daartoe door de verzoekende partij over te leggen bewijselementen moeten derhalve afdoende zijn om de beoordeling van de feiten in het bestreden beoordelingsrapport elke plausibiliteit te ontnemen. Met andere woorden, de grief ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling moet worden afgewezen indien de betwiste beoordeling ondanks de door de verzoekende partij aangevoerde elementen in elk geval plausibel lijkt.

(cf. punten 35 en 36)

Referentie:

Gerecht voor ambtenarenzaken: arresten van 10 november 2009, N/Parlement, F‑93/08, EU:F:2009:151, punt 58, en 18 maart 2015, Rajala/BHIM, F‑24/14, EU:F:2015:10, punten 41‑43 en aldaar aangehaalde rechtspraak

2.      Een handeling als een inhaalplan om de prestaties te verbeteren, dat wordt opgesteld in nauwe samenhang met het beoordelingsrapport, is vanuit haar inhoud en doel gezien geen autonome handeling die losstaat van de beoordeling van de verdiensten van de betrokken ambtenaar, tenzij wordt aangetoond dat deze is vastgesteld met een ander doel dan de verbetering van zijn prestaties, zodat zijn statutaire rechten en positie worden geraakt.

Daar het Gerecht heeft vastgesteld dat het beoordelingsrapport geen onwettigheid bevat, kan het in nauwe samenhang daarmee opgestelde inhaalplan als zodanig niet worden aangemerkt als bezwarend besluit, zodat daartegen evenmin een klacht kan worden ingediend of een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld.

(cf. punten 57, 58 en 61)

Referentie:

Gerecht van de Europese Unie: arrest van 3 december 2015, Sesma Merino/BHIM, T‑127/14 P, EU:T:2015:927, punt 35