Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesarbeitsgericht (Duitsland) op 16 november 2020 – ROI Land Investments Ltd. / FD

(Zaak C-604/20)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesarbeitsgericht

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster tot Revision: ROI Land Investments Ltd.

Verweerder in Revision: FD

Prejudiciële vragen

Moet artikel 6, lid 1, junctis artikel 21, lid 2 en artikel 21, lid 1, onder b), i), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken1 aldus worden uitgelegd dat een werknemer een rechtspersoon die niet zijn werkgever is en die geen woonplaats in de zin van artikel 63, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 heeft op het grondgebied van een lidstaat, maar die op grond van een patronaatsverklaring jegens de werknemer rechtstreeks aansprakelijk is voor vorderingen uit een individuele arbeidsovereenkomst, moet oproepen voor het gerecht van de plaats waar of van waaruit de werknemer op grond van de arbeidsverhouding met de derde zijn arbeid gewoonlijk verricht of voor het laatst heeft verricht, wanneer de arbeidsovereenkomst met deze derde zonder de patronaatsverklaring niet tot stand zou zijn gekomen?

Moet artikel 6, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat het voorbehoud met betrekking tot artikel 21, lid 2, van die verordening, de toepassing uitsluit van een volgens het nationale recht van de lidstaat geldende bevoegdheidsregeling, op grond waarvan de werknemer de mogelijkheid heeft om een rechtspersoon die, onder de in de eerste prejudiciële vraag beschreven omstandigheden, voor vorderingen uit een individuele arbeidsovereenkomst met een derde jegens hem rechtstreeks aansprakelijk is, als „rechtsopvolger” van de werkgever op te roepen voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt, wanneer er geen sprake is van een dergelijke bevoegdheid op grond van artikel 21, lid 2, juncto lid 1, onder b), i), van verordening (EU) nr. 1215/2012?

Indien de eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord:

a)    Moet artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „beroepsactiviteiten” de uitoefening van werkzaamheden in loondienst valt?

b)    Zo ja, moet artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 aldus worden uitgelegd dat een patronaatsverklaring, op grond waarvan een rechtspersoon rechtstreeks aansprakelijk is voor vorderingen van een werknemer uit een individuele arbeidsovereenkomst met een derde, een overeenkomst betreft die de werknemer heeft gesloten voor een gebruik dat als beroepsmatig kan worden beschouwd?

4)    Indien uit het antwoord op de voorgaande vragen blijkt dat de verwijzende rechter internationaal bevoegd is tot beslechting van het geding:

Moet artikel 6, lid 1, van verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-verordening)2 aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „beroepsmatig” de uitoefening van werkzaamheden in loondienst valt?

Zo ja, moet artikel 6, lid 1, van de Rome I-verordening aldus worden uitgelegd dat een patronaatsverklaring, op grond waarvan een rechtspersoon jegens een werknemer rechtstreeks aansprakelijk is voor vorderingen uit een individuele arbeidsovereenkomst met een derde, een overeenkomst betreft die de werknemer heeft gesloten voor een gebruik dat als beroepsmatig kan worden beschouwd?

____________

1 PB 2012, L 351, blz. 1.

2 PB 2008, L 177, blz. 6.