Language of document : ECLI:EU:T:2021:206

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

21 april 2021 (*)

„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië – Bevriezing van tegoeden – Lijst van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Beperkingen van binnenkomst op en doorreis via het grondgebied van de Europese Unie – Lijst van personen voor wie beperkingen van binnenkomst op en doorreis via het grondgebied van de Europese Unie gelden – Handhaving van verzoeksters naam op de lijsten – Beroepstermijn – Ontvankelijkheid – Motiveringsplicht – Beoordelingsfout”

In zaak T‑322/19,

Aisha Muammer Mohamed El-Qaddafi, wonende te Masqat (Oman), vertegenwoordigd door S. Bafadhel, barrister,

verzoekster,

tegen

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door V. Piessevaux en M. Bishop als gemachtigden,

verweerder,

betreffende, in de eerste plaats, een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van, ten eerste, uitvoeringsbesluit (GBVB) 2017/497 van de Raad van 21 maart 2017 tot uitvoering van besluit (GBVB) 2015/1333 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (PB 2017, L 76, blz. 25) en uitvoeringsbesluit (GBVB) 2020/374 van de Raad van 5 maart 2020 tot uitvoering van besluit (GBVB) 2015/1333 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (PB 2020, L 71, blz. 14), voor zover die handelingen verzoeksters naam handhaven op de lijsten in de bijlagen I en III bij besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad van 31 juli 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van besluit 2011/137/GBVB (PB 2015, L 206, blz. 34), en, ten tweede, uitvoeringsverordening (EU) 2017/489 van de Raad van 21 maart 2017 tot uitvoering van artikel 21, lid 5, van verordening (EU) 2016/44 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (PB 2017, L 76, blz. 3) en uitvoeringsverordening (EU) 2020/371 van de Raad van 5 maart 2020 tot uitvoering van artikel 21, lid 5, van verordening (EU) 2016/44 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (PB 2020, L 71, blz. 5), voor zover die handelingen verzoeksters naam handhaven op de lijst in bijlage II bij verordening (EU) 2016/44 van de Raad van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van verordening (EU) nr. 204/2011 (PB 2016, L 12, blz. 1), en, in de tweede plaats, een verzoek krachtens artikel 265 VWEU strekkende tot vaststelling dat de Raad ten onrechte heeft nagelaten de betrokken handelingen op het moment van hun vaststelling aan verzoekster mee te delen,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. Spielmann, president, U. Öberg en O. Spineanu-Matei (rapporteur), rechters,

griffier: R. Ūkelytė, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 oktober 2020,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Verzoekster, Aisha Muammer Mohamed El-Qaddafi, is Libisch staatsburger en dochter van de voormalige Libische leider Muammar Kadhafi.

2        Op 26 februari 2011 heeft de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: „Veiligheidsraad”) resolutie 1970 (2011) aangenomen, waarbij beperkende maatregelen werden ingevoerd tegen Libië en tegen personen en entiteiten die betrokken zijn geweest bij ernstige schendingen van mensenrechten ten aanzien van mensen in Libië, onder meer bij aanvallen tegen burgerbevolking en infrastructuur, die in strijd zijn met het internationaal recht.

3        Op 28 februari en 2 maart 2011 heeft de Raad van de Europese Unie respectievelijk besluit 2011/137/GBVB betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië (PB 2011, L 58, blz. 53) en verordening (EU) nr. 204/2011 betreffende beperkende maatregelen in verband met de situatie in Libië (PB 2011, L 58, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van 2011”) vastgesteld.

4        Artikel 5, lid 1, onder a), van besluit 2011/137 bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om binnenkomst in of doorreis over hun grondgebied te beletten van de personen genoemd in resolutie 1970 (2011) en van andere personen op wie die resolutie doelt, zoals genoemd in bijlage I bij dat besluit.

5        Artikel 6, lid 1, onder a), van besluit 2011/137 en artikel 5, lid 1, van verordening nr. 204/2011, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, van die verordening, voorzien in wezen in de bevriezing van alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die toebehoren aan dan wel eigendom zijn, direct of indirect in het bezit zijn of onder de zeggenschap staan van personen die door de Veiligheidsraad of het uit hoofde van artikel 24 van resolutie 1970 (2011) opgerichte Comité van de Veiligheidsraad (hierna: „het sanctiecomité”) op de sanctielijst zijn geplaatst overeenkomstig punt 22 van resolutie 1970 (2011), zoals genoemd in respectievelijk bijlage III bij dat besluit en bijlage II bij die verordening.

6        Verzoekster is een van de personen op wie resolutie 1970 (2011) doelt en die derhalve worden genoemd in de bijlagen I en III bij besluit 2011/137 en bijlage II bij verordening nr. 204/2011, met de volgende identificatiegegevens en motivering:

„KADHAFI, Aisha Muammar[.] Geboortedatum: 1978. Geboorteplaats: Tripoli, Libië. Dochter van Muammar KADHAFI. Nauwe banden met het regime. Datum van aanwijzing door de VN: 26 [februari] 2011.”

7        Op 17 maart 2011 heeft de Veiligheidsraad resolutie 1973 (2011) aangenomen, waarbij nieuwe maatregelen werden ingevoerd in verband met de situatie in Libië. Op 22 januari 2013 heeft de Raad uitvoeringsverordening (EU) nr. 50/2013 houdende uitvoering van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 204/2011 (PB 2013, L 20, blz. 29) alsook besluit 2013/45/GBVB van de Raad tot wijziging van besluit 2011/137/GBVB (PB 2013, L 20, blz. 60) vastgesteld, waarin aan de in de handelingen van 2011 opgenomen identificatiegegevens van verzoekster werd toegevoegd dat zij zich vermoedelijk in Algerije bevond.

8        Op 23 juni 2014 heeft de Raad besluit 2014/380/GBVB tot wijziging van besluit 2011/137 (PB 2014, L 183, blz. 52) en uitvoeringsverordening (EU) nr. 689/2014 tot uitvoering van artikel 16, lid 2, van verordening nr. 204/2011 (PB 2016, L 183, blz. 1) (hierna samen: „handelingen van 2014”) vastgesteld. De bij deze handelingen aangebrachte wijzigingen hadden geen betrekking op verzoekster, wier naam dus werd gehandhaafd op de lijsten in de bijlagen I en III bij besluit 2011/137 en bijlage II bij verordening nr. 204/2011, en de motivering voor de plaatsing van haar naam op die lijsten werd niet gewijzigd ten opzichte van de motivering in de handelingen van 2011.

9        Op 27 augustus 2014 heeft de Veiligheidsraad resolutie 2174 (2014) aangenomen, waarin de aanhoudende gevechten tussen gewapende groeperingen en het aanzetten tot geweld in Libië werden veroordeeld en waarbij nieuwe beperkende maatregelen werden ingevoerd tegen personen en entiteiten die betrokken waren bij of steun verleenden aan handelingen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van Libië bedreigden of de succesvolle voltooiing van de politieke transitie belemmerden of ondermijnden.

10      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 september 2014, heeft verzoekster het onder nummer T‑681/14 ingeschreven beroep ingesteld, dat strekte tot nietigverklaring van de handelingen van 2014 voor zover die verzoeksters naam handhaafden op de lijsten in de bijlagen I en III bij besluit 2011/137 en bijlage II bij verordening nr. 204/2011.

11      Op 18 december 2014 heeft de Raad een brief gestuurd aan de vertegenwoordigers van verzoekster waarin hij aangaf dat het sanctiecomité de bevoegde diensten van de Europese Unie had meegedeeld dat verzoekster haar reisverbod had overtreden, in strijd met de bepalingen van resolutie 1970 (2011).

12      Op 27 maart 2015 heeft de Veiligheidsraad resolutie 2213 (2015) aangenomen, waarin onder meer de criteria voor plaatsing op de lijsten op bepaalde punten werden gewijzigd.

13      Op 4 mei 2015 heeft de Raad een brief en een aantal documenten naar de vertegenwoordigers van verzoekster gestuurd (hierna: „brief van 4 mei 2015”). De Raad merkte daarin op dat verzoekster in 2011 en 2013 in het openbaar had opgeroepen om de na de val van haar vaders regime ingestelde Libische autoriteiten omver te werpen en de dood van haar vader te wreken.

14      Op 26 mei 2015 heeft de Raad besluit (GBVB) 2015/818 tot wijziging van besluit 2011/137 (PB 2015, L 129, blz. 13) en verordening (EU) 2015/813 tot wijziging van verordening nr. 204/2011 (PB 2015, L 129, blz. 1) vastgesteld, met name met als doel om de criteria uit te breiden voor de aanwijzing van personen en entiteiten die moesten worden onderworpen aan de in de handelingen van 2011 opgenomen beperkende maatregelen.

15      Vervolgens heeft de Raad de lijsten met namen van de in de bijlagen bij de handelingen van 2011 opgenomen personen en entiteiten volledig herzien.

16      Die herziening heeft geleid tot de vaststelling op 31 juli 2015 van besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van besluit 2011/137 (PB 2015, L 206, blz. 34) en op 18 januari 2016 van verordening (EU) 2016/44 van de Raad betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van verordening nr. 204/2011 (PB 2016, L 12, blz. 1).

17      Artikel 8, lid 1, van besluit 2015/1333 bepaalt dat de lidstaten de nodige maatregelen nemen om binnenkomst in of doorreis over hun grondgebied te beletten van personen die door de Veiligheidsraad of het sanctiecomité op de sanctielijst zijn geplaatst en aan reisbeperkingen zijn onderworpen overeenkomstig punt 22 van resolutie 1970 (2011), punt 23 van resolutie 1973 (2011), punt 4 van resolutie 2174 (2014) en punt 11 van resolutie 2213 (2015) van de Veiligheidsraad, zoals genoemd in bijlage I bij dat besluit.

18      Artikel 9, lid 1, van besluit 2015/1333 en artikel 5, lid 1, juncto artikel 6, lid 1, van verordening 2016/44 voorzien in wezen in de bevriezing van alle tegoeden, andere financiële activa, en economische middelen die toebehoren aan dan wel eigendom zijn, direct of indirect in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van personen die door de Veiligheidsraad of het sanctiecomité op de sanctielijst zijn geplaatst en aan een bevriezing van tegoeden zijn onderworpen overeenkomstig punt 22 van resolutie 1970 (2011), de punten 19, 22 of 23 van resolutie 1973 (2011), punt 4 van resolutie 2174 (2014) en punt 11 van resolutie 2213 (2015) van de Veiligheidsraad, zoals genoemd in bijlage III bij dat besluit en bijlage II bij die verordening.

19      Verzoekster is op de lijsten in de bijlagen I en III bij besluit 2015/1333 en bijlage II bij verordening 2016/44 (hierna: „litigieuze lijsten”) geplaatst, met daarbij de volgende identificatiegegevens en motivering:

„[...] AISHA MUAMMAR MUHAMMED ABU MINYAR KADHAFI[.] [...] Geboortedatum: 1978[.] Geboorteplaats: Tripoli, Libië. Zekere alias: Aïcha Muhammed Abdul Salam [...][.] Adres: Sultanaat Oman (vermoedelijke status/verblijfplaats: Sultanaat Oman)[.] Op de lijst geplaatst op: 26 februari 2011[.] Overige informatie: Op de lijst geplaatst uit hoofde van de punten 15 en 17 van resolutie 1970 [(2011)] (reisverbod, bevriezing van tegoeden). Aanvullende informatie: Nauwe banden met het regime. Reisde in strijd met punt 15 van resolutie 1970 [(2011)], zoals beschreven door het panel van deskundigen over Libië in zijn tussentijds verslag van 2013.”

20      Op 6 oktober 2016 heeft de advocaat van verzoekster de Raad per brief (hierna: „brief van 6 oktober 2016”) meegedeeld dat verzoekster na het overlijden van haar voormalige advocaat had aangegeven dat zij in het vervolg door eerstgenoemde advocaat en een van haar collega’s wenste te worden vertegenwoordigd, hetgeen zou blijken uit het mandaat dat zij bij die brief had gevoegd, en dat alle correspondentie voortaan naar haar moest worden gezonden.

21      Op 21 maart 2017 heeft de Raad uitvoeringsbesluit (GBVB) 2017/497 tot uitvoering van besluit 2015/1333 (PB 2017, L 76, blz. 25) en uitvoeringsverordening (EU) 2017/489 tot uitvoering van artikel 21, lid 5, van verordening 2016/44 (PB 2017, L 76, blz. 3) (hierna samen: „handelingen van 2017”) vastgesteld, waarbij de litigieuze lijsten dusdanig werden gewijzigd dat rekening werd gehouden met de door het sanctiecomité geactualiseerde gegevens.

22      Verzoeksters naam werd op de litigieuze lijsten gehandhaafd met daarbij de volgende identificatiegegevens en motivering:

„AISHA [...] MUAMMAR MUHAMMED [...] ABU MINYAR [...] QADHAFI[.] [...] Geboortedatum: 1978[.] Geboorteplaats: Tripoli, Libië[.] Zekere alias: Aisha Muhammed Abdul Salam [...][.] Adres: Sultanaat Oman (vermoedelijke status/verblijfplaats: Sultanaat Oman)[.] Op de lijst geplaatst op: 26 februari 2011 (gewijzigd op 11 november 2016, 26 september 2014, 21 maart 2013, 2 april 2012)[.] Overige informatie: op de lijst geplaatst uit hoofde van de punten 15 en 17 van resolutie 1970 (2011) (reisverbod, bevriezing van tegoeden). Weblink naar speciale kennisgeving Interpol/VN-Veiligheidsraad: https://www.interpol.int/en/notice/search/un/5525835”.

23      In het arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad (T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227), dat definitief is geworden aangezien er geen hogere voorziening tegen is ingesteld, heeft het Gerecht in het door verzoekster tegen de handelingen van 2014 ingestelde beroep (zie punt 10 hierboven) geoordeeld dat in casu niet was voldaan aan de eis dat de Raad verzoekster de specifieke en concrete redenen meedeelde waarom hij tot de conclusie was gekomen dat de voor haar geldende beperkende maatregelen moesten worden gehandhaafd. Ten eerste heeft het Gerecht vastgesteld dat de handelingen van 2014 slechts een indicatie bevatten van de redenen voor de oorspronkelijke plaatsing van verzoeksters naam op de betrokken lijsten in de bijlagen bij de handelingen van 2011, en geoordeeld dat die redenen ontoereikend waren om de handhaving van haar naam op die lijsten te rechtvaardigen aangezien de context substantieel anders was. Ten tweede heeft het Gerecht geoordeeld dat de aanvullende redenen die de Raad had aangevoerd kennelijk irrelevant waren aangezien zij geen deel uitmaakten van de redenen op grond waarvan de handelingen van 2014 waren vastgesteld en zij na de datum van de vaststelling van die handelingen ter kennis van de Raad waren gebracht. Derhalve heeft het Gerecht die handelingen nietig verklaard voor zover zij verzoeksters naam handhaafden op de lijsten in de bijlagen I en III bij besluit 2011/137 en bijlage II bij verordening nr. 204/2011.

24      Op 5 februari 2019 heeft verzoeksters advocaat de Raad opnieuw verzocht om haar alle correspondentie met betrekking tot verzoekster en de tegen haar vastgestelde besluiten en verordeningen te doen toekomen.

25      Op 25 maart 2019 heeft de Raad verzoeksters advocaat per brief (hierna: „brief van 25 maart 2019”) meegedeeld dat hij de handelingen van 2017 had vastgesteld op grond van de door het sanctiecomité geactualiseerde gegevens, zodat verzoeksters naam op de litigieuze lijsten was gehandhaafd.

 Feiten die dateren van na de instelling van het onderhavige beroep

26      Op 11 februari 2020 heeft de Veiligheidsraad resolutie 2509 (2020) aangenomen, waarin hij opnieuw heeft gewezen op de noodzaak dat de staten maatregelen nemen om binnenkomst in of doorreis over hun grondgebied te verbieden van alle personen die door het sanctiecomité op de sanctielijst zijn geplaatst overeenkomstig met name de punten 15 en 16 van resolutie 1970 (2011), en opnieuw zijn voornemen heeft bevestigd om ervoor te zorgen dat de activa die overeenkomstig punt 17 van die resolutie waren bevroren, in een later stadium aan het Libische volk ter beschikking zouden worden gesteld en ten bate van hen zouden worden gebruikt.

27      Op 5 maart 2020 heeft de Raad uitvoeringsbesluit (GBVB) 2020/374 tot uitvoering van besluit 2015/1333 (PB 2020, L 71, blz. 14) en uitvoeringsverordening (EU) 2020/371 tot uitvoering van artikel 21, lid 5, van verordening 2016/44 (PB 2020, L 71, blz. 5) (hierna samen: „handelingen van 2020”) vastgesteld, waarbij verzoeksters naam op de litigieuze lijsten werd gehandhaafd en de motivering van de plaatsing van haar naam op die lijsten niet werd gewijzigd ten opzichte van de motivering in de handelingen van 2017.

 Procedure en conclusies van partijen

28      Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 mei 2019, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

29      Op 14 augustus 2019 heeft de Raad zijn verweerschrift neergelegd ter griffie van het Gerecht.

30      De repliek en de dupliek zijn respectievelijk op 4 oktober en 28 november 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegd.

31      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht is de zaak op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht toegewezen aan de Vijfde kamer.

32      Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 24 december 2019, heeft verzoekster om een pleitzitting verzocht.

33      Daar de aanvankelijk aangewezen rechter-rapporteur was verhinderd, is de onderhavige zaak bij beslissing van de president van het Gerecht van 22 januari 2020 toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur.

34      Het Gerecht heeft maatregelen tot organisatie van de procesgang genomen, waaraan partijen binnen de gestelde termijn gevolg hebben gegeven.

35      Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 1 september 2020, heeft verzoekster op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering het verzoekschrift aangepast, zodat dit niet alleen ziet op nietigverklaring van de handelingen van 2017, maar ook op nietigverklaring van de handelingen van 2020 (hierna samen: „bestreden handelingen”), voor zover die op haar betrekking hebben. Op 28 september 2020 heeft de Raad zijn opmerkingen over de memorie houdende aanpassing bij de griffie van het Gerecht ingediend.

36      Op voorstel van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht besloten de mondelinge behandeling te openen.

37      Partijen hebben ter terechtzitting van 20 oktober 2020 pleidooi gehouden en geantwoord op de mondelinge vragen van het Gerecht. Na afloop van de terechtzitting is de mondelinge behandeling gesloten en de zaak in beraad genomen.

38      Na de aanpassing van het verzoekschrift verzoekt verzoekster het Gerecht in wezen:

–        de bestreden handelingen nietig te verklaren voor zover haar naam op de litigieuze lijsten is gehandhaafd;

–        de Raad te verwijzen in de kosten.

39      Na zijn opmerkingen over de memorie houdende aanpassing verzoekt de Raad het Gerecht in wezen:

–        primair, het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

–        subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

–        meer subsidiair, indien de bestreden handelingen nietig worden verklaard wat verzoekster betreft, de gevolgen van de bestreden besluiten te handhaven tot het verstrijken van de termijn voor hogere voorziening of, indien binnen die termijn een hogere voorziening wordt ingesteld, tot de afwijzing daarvan;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Ontvankelijkheid van de argumenten in de punten 3 tot en met 12 van het verzoek om een terechtzitting en verwijdering uit het dossier van de bijlagen E.1 tot en met E.4 bij dat verzoek

40      Ter terechtzitting heeft de Raad betoogd dat de argumenten in de punten 3 tot en met 12 van het verzoek van verzoekster om een terechtzitting te houden en de documenten in de bijlagen E.1 tot en met E.4 bij dat verzoek niet-ontvankelijk zijn krachtens artikel 85 van het Reglement voor de procesvoering.

41      Verzoekster heeft verklaard dat zij de bijlagen E.1 tot en met E.4 uit het dossier zou verwijderen maar de argumenten in de punten 3 tot en met 12 van haar verzoek om een terechtzitting zou handhaven.

42      Er zij aan herinnerd dat de schriftelijke fase van de procedure bij het Gerecht overeenkomstig de artikelen 76 en 81 van het Reglement voor de procesvoering een eerste memoriewisseling omvat, die overeenkomstig artikel 83 van dat Reglement kan worden gevolgd door een tweede en laatste memoriewisseling, wanneer het Gerecht dat nodig acht om het procesdossier te vervolledigen.

43      In casu moet worden vastgesteld dat de argumenten in de punten 3 tot en met 12 van het verzoek om een terechtzitting geen redenen inhouden waarom verzoekster wenst te worden gehoord. Overigens brengt verzoekster in die punten argumenten naar voren die zij in haar eerdere schriftelijke stukken al heeft aangevoerd en wil zij antwoorden op de opmerkingen in de dupliek. Derhalve hoeven de punten 3 tot en met 12 van het verzoek om een terechtzitting niet in aanmerking te worden genomen en dienen de documenten in de bijlagen E.1 tot en met E.4 uit het procesdossier te worden verwijderd.

 Beroep krachtens artikel 263 VWEU

 Ontvankelijkheid

44      Zonder bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen overeenkomstig artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, stelt de Raad in zijn verweerschrift en in zijn opmerkingen over de memorie houdende aanpassing dat het beroep, voor zover dit is gebaseerd op artikel 263 VWEU, niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend.

45      De Raad stelt geenszins verplicht te zijn geweest om de bestreden handelingen aan verzoekster mee te delen, aangezien besluit 2015/1333 en verordening 2016/44 niet bepalen dat de personen of entiteiten die op de litigieuze lijsten staan, op de hoogte moeten worden gesteld van de handelingen waarbij de Raad hun gegevens op die lijsten wijzigt. Voorts stelt de Raad dat zijn brief van 25 maart 2019 een antwoord is op de brief van de advocaat van verzoekster van 5 februari 2019 en dat er niet van kan worden uitgegaan dat verzoekster dankzij deze brief kennis heeft gekregen van de handelingen van 2017 in de zin van artikel 263, zesde alinea, VWEU. Bovendien kan verzoekster niet met recht stellen van de handelingen van 2020 kennis te hebben gekregen door het antwoord van de Raad op de vragen van het Gerecht in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang, dat haar bij brief van de griffie van 13 juli 2020 is meegedeeld. De datum waarop de betrokkene kennis heeft gekregen van een handeling kan namelijk uitsluitend als de startdatum van de termijn voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring worden beschouwd wanneer die handeling niet is bekendgemaakt of meegedeeld. In casu is de termijn voor het instellen van beroep tegen de bestreden handelingen beginnen te lopen op de datum van hun bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie, namelijk 22 maart 2017 wat de handelingen van 2017 betreft en 6 maart 2020 wat de handelingen van 2020 betreft.

46      Ter terechtzitting heeft de Raad in antwoord op een vraag van het Gerecht gepreciseerd dat hij in het kader van bepaalde sanctieregelingen weliswaar uitdrukkelijk verplicht is om iedere wijziging van de plaatsing op een lijst met een uiteenzetting van de redenen daarvoor ter kennis van de betrokkene te brengen, maar dat dit niet geldt voor de sanctieregeling in verband met de situatie in Libië.

47      Verzoekster stelt dat haar beroep voldoet aan de ontvankelijkheidsvereisten van artikel 263 VWEU, met name aan het vereiste inzake de termijn voor het instellen van dat beroep. Het verzoekschrift is namelijk op 27 mei 2019 neergelegd ter griffie van het Gerecht, dus binnen de termijn van twee maanden verlengd met de in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering neergelegde forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand, welke termijn is ingegaan op 25 maart 2019, de datum waarop de handelingen van 2017 per brief aan verzoekster zijn meegedeeld (zie punt 25 hierboven). Daarnaast is de memorie houdende aanpassing met betrekking tot de nietigverklaring van de handelingen van 2020 ingediend binnen de termijn van twee maanden verlengd met de forfaitaire termijn van tien dagen wegens afstand, welke termijn is ingegaan op de datum waarop verzoekster van de vaststelling van die handelingen kennis heeft gekregen, zoals vermeld in het bij brief van de griffie van 13 juli 2020 aan verzoekster meegedeelde antwoord van de Raad op de maatregel tot organisatie van de procesgang (zie punt 34 hierboven).

48      Verzoekster stelt dat de Raad verplicht is om besluiten tot wijziging van een plaatsingsbesluit mee te delen, ook wanneer er geen nieuwe redenen worden aangevoerd. Indien de Raad niet verplicht was geweest haar van de bestreden handelingen in kennis te stellen, had zij enkel door de bekendmaking van die handelingen in het Publicatieblad op de hoogte kunnen worden gebracht van de vaststelling ervan, waardoor haar mogelijkheid om binnen de gestelde termijn beroep in te stellen bij het Gerecht onrechtmatig zou zijn beperkt. Het standpunt van de Raad druist in tegen de rechtspraak volgens welke de Raad niet de vrijheid heeft om naar eigen goeddunken te kiezen op welke wijze hij zijn besluiten meedeelt aan de betrokkenen. Aangezien de Raad beschikte over het adres van de door verzoekster gemachtigde advocaat, zoals blijkt uit de brief van 6 oktober 2016, waarvan hij de ontvangst heeft bevestigd, hadden de bestreden handelingen haar via die weg ter kennis moeten worden gebracht. Deze kennisgeving heeft uitsluitend per brief van 25 maart 2019 plaatsgevonden met betrekking tot de handelingen van 2017. Voorts heeft verzoekster door de brief van de griffie van 13 juli 2020 indirect kennisgenomen van de handelingen van 2020 (zie punt 45 hierboven). Het verzoekschrift en de memorie houdende aanpassing – die overeenkomstig artikel 86, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering is neergelegd – zijn dan ook binnen de termijn van artikel 263 VWEU ingediend.

49      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens artikel 263, zesde alinea, VWEU een beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, naargelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de bestreden handeling, vanaf de dag van kennisgeving van deze handeling aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop deze van de handeling kennis heeft gekregen.

50      Artikel 86, lid 1, van het Reglement voor procesvoering bepaalt dat wanneer een handeling waarvan om nietigverklaring wordt verzocht, door een andere handeling met hetzelfde voorwerp wordt vervangen of gewijzigd, de verzoeker vóór de sluiting van de mondelinge behandeling of vóór de beslissing van het Gerecht om zonder mondelinge behandeling uitspraak te doen, het verzoekschrift kan aanpassen om met dat nieuwe gegeven rekening te houden.

51      Volgens de rechtspraak vereist het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming dat een instantie van de Unie die – zoals in casu – individuele beperkende maatregelen ten aanzien van een persoon of een entiteit vaststelt of handhaaft, meedeelt op welke gronden die maatregelen zijn gebaseerd op het ogenblik waarop deze handelingen worden vastgesteld of althans zo snel mogelijk daarna, teneinde deze personen of entiteiten in staat te stellen hun recht van beroep uit te oefenen (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      Deze situatie is het gevolg van de bijzondere aard van handelingen tot vaststelling van beperkende maatregelen jegens een persoon of een entiteit, die tegelijk verwantschap vertonen met handelingen van algemene strekking, aangezien zij het een categorie van bepaalde adressaten algemeen en abstract verbieden om met name activa en financiële middelen ter beschikking te stellen van personen en entiteiten wier namen op de lijsten in de bijlage daarbij voorkomen, en met een bundel van individuele besluiten ten aanzien van deze personen en entiteiten (zie arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad, C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

53      In casu is het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming toegepast in artikel 13 van besluit 2015/1333, dat in de leden 1 en 3 respectievelijk bepaalt dat „[w]anneer de Veiligheidsraad of het [sanctiecomité] een persoon of entiteit op de lijst plaatst, [...] de Raad die persoon of entiteit [opneemt] in bijlage I of III [van dat besluit]” en dat „[d]e Raad [die] persoon of entiteit in kennis [stelt] van zijn besluit, alsook van de redenen voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij middels de publicatie van een kennisgeving, zodat de persoon of de entiteit daarover opmerkingen kan indienen”.

54      Artikel 21, leden 1 en 3, van verordening 2016/44 bevat vergelijkbare bepalingen.

55      Hieruit volgt dat het weliswaar juist is dat handelingen als de bestreden handelingen op grond van de publicatie ervan in werking treden, maar dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU voor elk van deze personen en entiteiten ingaat op de datum van de kennisgeving die daarvan aan hen moet geschieden (zie arrest van 23 oktober 2015, Oil Turbo Compressor/Raad, T‑552/13, EU:T:2015:805, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Evenzo begint de termijn voor het indienen van een verzoek tot betwisting of uitbreiding van de conclusies en middelen tot een handeling die deze maatregelen handhaaft, pas te lopen vanaf de datum waarop die nieuwe handeling ter kennis van de betrokken persoon of entiteit is gebracht (zie arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

56      Er zij opgemerkt dat de handelingen van 2017 en de handelingen van 2020 handelingen zijn waarbij de Raad verzoeksters naam op de litigieuze lijsten heeft gehandhaafd. De Raad stelt terecht dat besluit 2015/1333 en verordening 2016/44, waarbij deze lijsten als bijlage zijn opgenomen, de Raad niet uitdrukkelijk verplichten om de betrokken personen of entiteiten in kennis te stellen van de handelingen waarbij hij hun namen op die lijsten handhaaft.

57      Die kennisgevingsverplichting vloeit evenwel voort uit het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming zoals uitgelegd in de in punt 55 hierboven aangehaalde rechtspraak, waaruit blijkt dat de Raad elke handhaving van een plaatsing op een lijst met een uiteenzetting van de redenen ter kennis van de betrokkenen moet brengen, ongeacht of de beslissing van de Raad tot handhaving op nieuwe gegevens is gebaseerd (zie in die zin arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 57).

58      Voorts zij erop gewezen dat in casu de handelingen waarbij de plaatsing van de naam van een persoon werd gehandhaafd op de litigieuze lijsten niet met regelmatige tussenpozen zijn vastgesteld. Aangezien de vaststelling ervan dus niet voorzienbaar was, zou iemand zoals verzoekster – indien de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van die handelingen zou lopen vanaf de bekendmaking ervan – voortdurend het Publicatieblad moeten lezen, wat haar toegang tot de Unierechter zou belemmeren.

59      In deze specifieke omstandigheden kan de Raad niet met recht stellen dat de termijn voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring van de bestreden handelingen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU voor verzoekster is begonnen te lopen op de datum van de bekendmaking van die handelingen in het Publicatieblad.

60      Om vervolgens de kennisgevingsdatum vast te stellen waarop de termijnen begonnen te lopen waarbinnen verzoekster voor het Gerecht kon opkomen tegen de bestreden handelingen, moet worden bepaald op welke wijze de Raad die handelingen ter kennis van verzoekster moest brengen.

61      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Raad niet de vrijheid heeft naar eigen goeddunken te kiezen op welke wijze hij handelingen houdende beperkende maatregelen meedeelt aan de betrokkenen. Uit punt 61 van het arrest van 23 april 2013, Gbagbo e.a./Raad (C‑478/11 P–C‑482/11 P, EU:C:2013:258), volgt namelijk dat een indirecte kennisgeving van die handelingen door middel van de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad uitsluitend is toegestaan wanneer het voor de Raad onmogelijk is om die handelingen individueel mee te delen. Anders zou de Raad zich gemakkelijk kunnen onttrekken aan zijn plicht tot individuele mededeling (zie in die zin beschikking van 10 juni 2016, Pshonka/Raad, T‑381/14, EU:T:2016:361, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

62      Volgens de in punt 61 hierboven aangehaalde rechtspraak moeten artikel 13, lid 3, van besluit 2015/1333 en artikel 21, lid 3, van verordening 2016/44 aldus worden uitgelegd dat indien de Raad het adres kent van de persoon op wie beperkende maatregelen van toepassing zijn en de handelingen houdende die maatregelen niet rechtstreeks meedeelt, de termijn waarbinnen deze persoon tegen deze handelingen beroep bij het Gerecht kan instellen niet ingaat. Dus slechts wanneer het niet mogelijk is de handelingen waarbij ten aanzien van een betrokkene beperkende maatregelen zijn vastgesteld of gehandhaafd, individueel mee te delen, doet de bekendmaking van een kennisgeving in het Publicatieblad de beroepstermijn ingaan (zie in die zin en naar analogie arresten van 6 september 2013, Bank Melli Iran/Raad, T‑35/10 en T‑7/11, EU:T:2013:397, punt 59, en 4 februari 2014, Syrian Lebanese Commercial Bank/Raad, T‑174/12 en T‑80/13, EU:T:2014:52, punten 59 en 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

63      Dienaangaande kan worden opgemerkt dat de Raad een handeling houdende beperkende maatregelen niet individueel kan meedelen aan een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een entiteit waarop die maatregelen van toepassing zijn wanneer het adres van die persoon of entiteit niet openbaar is en hem niet is meegedeeld, of wanneer mededeling aan het bij de Raad bekende adres mislukt ondanks de moeite die hij, met de vereiste zorgvuldigheid, heeft genomen om de handeling mee te delen (arrest van 5 november 2014, Mayaleh/Raad, T‑307/12 en T‑408/13, EU:T:2014:926, punt 61).

64      Daarnaast volgt uit de rechtspraak dat de Raad die verplichting om een handeling waarbij ten aanzien van de betrokkene beperkende maatregelen zijn vastgesteld, aan die betrokkene mee te delen, in beginsel niet kan vervullen door die handeling mee te delen aan de advocaten die hem vertegenwoordigen. De kennisgeving aan de vertegenwoordiger van een verzoeker geldt slechts als kennisgeving aan de adressaat indien een dergelijke vorm van kennisgeving uitdrukkelijk is voorgeschreven of door partijen overeengekomen of wanneer de advocaat rechtsgeldig is gemachtigd om die kennisgeving namens zijn cliënt te ontvangen (zie in die zin arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad, T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227, punten 31 en 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

65      In casu blijkt uit het dossier – en is ter terechtzitting door de Raad bevestigd – dat de Raad op 21 maart 2017, de datum waarop de handelingen van 2017 zijn vastgesteld, en op 5 maart 2020, de datum waarop de handelingen van 2020 zijn vastgesteld, beschikte over het adres van verzoeksters advocaat en de door verzoekster aan die advocaat verleende machtiging, die waren meegedeeld bij brief van 6 oktober 2016, waarvan de Raad op dezelfde dag de ontvangst heeft bevestigd. In die door verzoekster op 12 maart 2015 ondertekende machtiging staat onder meer dat verzoekster haar advocaat heeft gemachtigd om alle informatie te ontvangen, alsook in haar naam te corresponderen en op te treden in alle aangelegenheden met betrekking tot de haar door de Veiligheidsraad opgelegde sancties, alsook in alle zaken betreffende de opname van haar naam in bijlage I bij besluit 2011/137 en/of in elke door de Raad later vastgestelde handeling.

66      De omstandigheden van de onderhavige zaak verschillen van die van de zaak die heeft geleid tot het arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad (T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227), waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat er niet was bewezen dat verzoekster een machtiging aan haar vertegenwoordiger had verleend, zodat niet kon worden aangenomen dat de Raad het betrokken besluit rechtsgeldig aan de verzoekster had meegedeeld door kennisgeving aan haar vertegenwoordiger en dat bijgevolg de beroepstermijn was ingegaan op de datum van bekendmaking van de kennisgeving in het Publicatieblad.

67      Zoals de Raad in zijn antwoord op de in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang gestelde vragen en ter terechtzitting heeft bevestigd, zijn de bestreden handelingen niet bekendgemaakt in het Publicatieblad ten behoeve van de in de litigieuze bijlagen genoemde personen.

68      Aangezien niet uit het dossier blijkt dat het voor de Raad onmogelijk was om de bestreden handelingen rechtstreeks aan verzoekster of haar rechtsgeldig gemachtigde advocaat mee te delen, of dat die mededeling mislukt is, en aangezien in het Publicatieblad geen kennisgeving is bekendgemaakt met betrekking tot de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten, zijn de handelingen van 2017 rechtsgeldig individueel aan verzoekster meegedeeld bij brief van 25 maart 2019, waarbij de Raad die handelingen in antwoord op de brief van 5 februari 2019 van verzoeksters advocaat (zie punt 24 hierboven) aan die advocaat heeft meegedeeld.

69      Ten slotte blijkt niet uit het dossier of de argumenten van de Raad dat de daadwerkelijke kennisneming van de bestreden handelingen door verzoekster in de zin van artikel 263, zesde alinea, VWEU, die de beroepstermijnen doet ingaan, heeft plaatsgevonden vóór 25 maart 2019, de datum waarop de Raad de handelingen van 2017 aan de door verzoekster gemachtigde advocaat heeft meegedeeld, of, wat de handelingen van 2020 betreft, vóór 13 juli 2020, de datum waarop het antwoord van de Raad op de in het kader van de maatregel tot organisatie van de procesgang van het Gerecht gestelde vragen is meegedeeld (zie punt 45 hierboven).

70      Hoe dan ook, zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de individuele mededeling van de bestreden handelingen niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden op 25 maart 2019 en 13 juli 2020, in dat geval zou de beroepstermijn niet zijn ingegaan en zou het onderhavige beroep dus niet te laat zijn ingesteld.

71      Derhalve moet worden vastgesteld dat, aangezien de Raad de handelingen van 2017 vóór 25 maart 2019 niet rechtsgeldig aan verzoekster heeft meegedeeld, verzoekster op de datum van indiening van het verzoekschrift, 27 mei 2019, niet te laat was om een beroep tot nietigverklaring tegen die handelingen in te stellen. Daarnaast was zij op de datum waarop zij de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift heeft neergelegd, 1 september 2020, niet te laat om haar verzoekschrift dusdanig aan te passen dat daarin rekening werd gehouden met de vaststelling van de handelingen van 2020 en om nietigverklaring van die handelingen werd verzocht.

72      Derhalve moet de exceptie van niet-ontvankelijkheid waarmee de Raad heeft aangevoerd dat het beroep tegen de bestreden handelingen – voor zover het is gebaseerd op artikel 263 VWEU – te laat is ingesteld, worden afgewezen.

 Ten gronde

73      Ter ondersteuning van het beroep – voor zover het krachtens artikel 263 VWEU is ingesteld – voert verzoekster vier middelen aan, die betrekking hebben op, ten eerste, schending van wezenlijke vormvoorschriften met betrekking tot het recht op effectieve rechterlijke bescherming, ten tweede, schending van de beginselen van gezag van gewijsde en rechtszekerheid en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, ten derde, ontbreken van een rechtsgrond voor en een motivering van de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten en, ten vierde, onevenredige schending van haar grondrechten.

74      Vooraf moeten de handelingen waarbij verzoekster op de lijsten van personen waarvoor beperkende maatregelen gelden is geplaatst, worden onderscheiden van de latere handelingen waarbij de plaatsing van haar naam op die lijsten is gehandhaafd. Bij de Unierechter is namelijk niet tijdig beroep ingesteld tegen de handelingen van 2011, te weten besluit 2011/137 en verordening nr. 204/2011, en de latere plaatsingshandelingen, te weten besluit 2015/1333 en verordening 2016/44, waarop het onderhavige beroep geen betrekking heeft. Tegen de handelingen van 2014 was beroep ingesteld in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad (T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227), dat definitief is geworden omdat er geen hogere voorziening tegen is ingesteld. De middelen van verzoekster zijn derhalve uitsluitend ontvankelijk voor zover zij gericht zijn op nietigverklaring van de bestreden handelingen, namelijk de handelingen van 2017 en, na de aanpassing van het verzoekschrift op grond van artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering, ook de handelingen van 2020, voor zover daarbij de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten wordt gehandhaafd.

75      Om te beginnen moet het derde middel worden onderzocht, waarmee verzoekster stelt dat de Raad de voor haar geldende beperkende maatregelen zonder motivering of rechtsgrond heeft gehandhaafd.

76      Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de motivering, die een wezenlijk vormvoorschrift is, moet worden onderscheiden van het bewijs van het gestelde gedrag, dat de rechtmatigheid ten gronde van de betrokken handeling betreft en impliceert dat moet worden onderzocht of de in deze handeling vermelde feiten juist zijn en op goede gronden zijn aangemerkt als factoren die de toepassing van de beperkende maatregelen ten aanzien van de betrokken persoon rechtvaardigen (zie arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

77      De motivering van een besluit houdt in dat de gronden waarop dat besluit berust, formeel tot uitdrukking worden gebracht. Indien die gronden berusten op vergissingen, tasten zij de inhoudelijke rechtmatigheid van het besluit aan, maar niet de motivering ervan, die toereikend kan zijn, ook al zijn de uiteengezette gronden onjuist. De grieven en argumenten ter betwisting van de gegrondheid van een handeling treffen derhalve geen doel in het kader van een middel betreffende een ontbrekende of ontoereikende motivering (zie arrest van 18 juni 2015, Ipatau/Raad, C‑535/14 P, EU:C:2015:407, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

78      Zoals verzoekster overigens ter terechtzitting heeft bevestigd, moet in casu bij het derde middel dan ook onderscheid worden gemaakt tussen een eerste onderdeel, ontleend aan een ontoereikende motivering van de bestreden handelingen, en een tweede onderdeel, dat in wezen is ontleend aan het ontbreken van een feitelijke rechtvaardiging voor de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten en aan het feit dat de Raad niet heeft aangetoond dat de maatregelen jegens haar gegrond waren.

–       Eerste onderdeel van het derde middel: gebrekkige motivering van de bestreden handelingen

79      Verzoekster voert aan dat de bestreden handelingen gebrekkig zijn gemotiveerd, hetgeen in strijd is met artikel 13, lid 3, van besluit 2015/1333 en artikel 21, lid 3, van verordening 2016/44 en met de richtsnoeren van de Raad op het gebied van sancties.

80      De Raad antwoordt hierop dat verzoekster de context en de strekking van de voor haar geldende maatregelen kon begrijpen op grond van de bestreden handelingen zelf en de aan haar verstrekte bewijsstukken en toelichtingen.

81      Er zij aan herinnerd dat de verplichting om een bezwarende handeling te motiveren, die een logisch uitvloeisel is van het beginsel van eerbiediging van het recht van verdediging, er enerzijds toe dient de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om na te gaan of de handeling gegrond is dan wel een gebrek vertoont op grond waarvan de geldigheid voor de Unierechter kan worden betwist, en anderzijds de Unierechter in staat te stellen de rechtmatigheid van die handeling te toetsen (zie arrest van 15 november 2012, Raad/Bamba, C‑417/11 P, EU:C:2012:718, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bovendien moet de door artikel 296 VWEU vereiste motivering de redenering van de instelling die de handeling heeft vastgesteld duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doen komen (zie arresten van 24 september 2014, Kadhaf Al Dam/Raad, T‑348/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:806, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 september 2016, Alsharghawi/Raad, T‑485/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:520, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

82      Wat beperkende maatregelen betreft, houdt de motiveringsplicht in – zonder zo ver te gaan dat gedetailleerd moet worden geantwoord op de opmerkingen van de betrokken persoon – dat in alle omstandigheden, ook wanneer de motivering van de Uniehandeling overeenstemt met de door een internationale instantie uiteengezette redenen, die motivering de individuele, specifieke en concrete redenen aangeeft waarom de bevoegde autoriteiten van mening zijn dat tegen de betrokken persoon dergelijke maatregelen moeten worden vastgesteld (zie arrest van 18 februari 2016, Raad/Bank Mellat, C‑176/13 P, EU:C:2016:96, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Derhalve kan de motivering van een handeling van de Raad waarbij een beperkende maatregel wordt opgelegd in beginsel niet uitsluitend in een algemene en stereotiepe formulering bestaan (zie in die zin arrest van 30 juni 2016, Al Matri/Raad, T‑545/13, niet gepubliceerd, EU:T:2016:376, punt 146 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

83      De motivering moet evenwel beantwoorden aan de aard van de betreffende handeling en aan de context waarin deze is vastgesteld. Dit vereiste moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde redenen en het belang dat de adressaten of andere personen die rechtstreeks en individueel door de handeling worden geraakt, bij een toelichting kunnen hebben. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien de toereikendheid van die motivering niet alleen aan de tekst van de betrokken handeling maar ook aan de context ervan alsook aan alle op het betrokken gebied geldende rechtsregels moet worden getoetst (zie arresten van 24 september 2014, Kadhaf Al Dam/Raad T‑348/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:806, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 september 2016, Alsharghawi/Raad, T‑485/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:520, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

84      In het bijzonder is een bezwarende handeling voldoende gemotiveerd, wanneer zij tot stand is gekomen in een context die de betrokkene bekend is, zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregel kan begrijpen (zie arresten van 24 september 2014, Kadhaf Al Dam/Raad T‑348/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:806, punt 67 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 20 september 2016, Alsharghawi/Raad, T‑485/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:520, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

85      In casu moet worden vastgesteld dat in de bestreden handelingen wordt vermeld waarom de Raad verzoeksters naam in maart 2017 en maart 2020 heeft gehandhaafd op de litigieuze lijsten. Deze reden komt overeen met de rechtvaardiging die was genoemd voor de plaatsing van haar naam op de lijsten in de bijlagen bij de handelingen van 2011 en vervolgens op de litigieuze lijsten, te weten de lijsten in de bijlagen bij besluit 2015/1333 en verordening 2016/44, namelijk het feit dat zij overeenkomstig de punten 15 en 17 van resolutie 1970 (2011) op de sanctielijst was geplaatst wegens haar band met het regime van Kadhafi.

86      Bovendien moet worden opgemerkt dat de Raad verzoekster informatie heeft verstrekt (zie punt 13 hierboven) door te verwijzen naar de publieke verklaringen van 2011 en 2013 waarin verzoekster opriep om de legitieme Libische autoriteiten omver te werpen en de dood van haar vader te wreken, en naar de nog steeds instabiele situatie in Libië, waarbij de Raad opnieuw wees op de noodzaak te voorkomen dat aan het oude Kadhafiregime gelieerde personen de situatie in Libië bleven destabiliseren.

87      Hieruit vloeit voort dat verzoekster kon begrijpen dat haar naam werd gehandhaafd op de litigieuze lijsten vanwege de plaatsing van haar naam op de sanctielijst overeenkomstig de punten 15 en 17 van resolutie 1970 (2011), alsook vanwege haar verklaringen die deel uitmaken van de context van de bestreden handelingen en het feit dat de Raad die maatregelen nog noodzakelijk achtte.

88      De gegevens in de bestreden handelingen, samen met de in het kader van de correspondentie met de Raad verstrekte informatie, volstonden derhalve om verzoekster in staat te stellen zich een mening te vormen over de rechtmatigheid van de bestreden handelingen en een beroep daartegen voor te bereiden, dat zij in casu rechtsgeldig heeft kunnen instellen.

89      Bijgevolg dient het eerste onderdeel van het derde middel te worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel van het derde middel: gebrekkige feitelijke grondslag voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten

90      Verzoekster stelt dat de bestreden handelingen geen rechtsgrondslag hebben op grond waarvan de Raad haar naam kon handhaven op de litigieuze lijsten en dat die handhaving uitsluitend gebaseerd was op het feit dat zij door de Veiligheidsraad overeenkomstig de punten 15 en 17 van resolutie 1970 (2011) bleef opgenomen op de sanctielijst. Op grond van het arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad (T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227), stelt verzoekster dat de bestreden handelingen geen individuele, specifieke en concrete redenen bevatten die rechtvaardigen dat haar naam op de litigieuze lijsten werd gehandhaafd, ondanks de val van het regime waarop die resolutie betrekking had.

91      Meer in het bijzonder houden de door de Raad ter rechtvaardiging van de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten aangevoerde gegevens geen enkel verband met de specifieke periode en het gedrag waarop de punten 15 en 17 van resolutie 1970 (2011) betrekking hebben en/of zijn die gegevens gebaseerd op vage geruchten of andere bronnen die geen bewijskracht hebben.

92      Verzoekster is van mening dat de Raad de relevantie en het belang van de op geruchten gebaseerde aantijgingen inzake bepaalde uitspraken die aan verzoekster werden toegeschreven, moest onderzoeken in het licht van de schriftelijke verzekeringen van de Omaanse autoriteiten dat verzoekster had voldaan aan de voorwaarden voor haar verblijf in Oman en met de schriftelijke verklaring van de Libische autoriteiten dat de schrapping van verzoeksters naam van de sanctielijst verenigbaar was met de doelstellingen van vrede en verzoening in Libië, en dat zij niet werd beschouwd als een bedreiging voor een vreedzaam politiek proces in Libië.

93      Wat betreft de gegevens die lijken aan te tonen dat zij op enigerlei wijze betrokken was bij een financiële onregelmatigheid, stelt verzoekster dat de Raad nooit heeft aangevoerd, laat staan aangetoond, dat de specifieke activa waarop de betrokken beperkende maatregelen betrekking hadden, het product waren van verduistering of anderszins verband hielden met de in de punten 15 en 17 van resolutie 1970 (2011) uiteengezette redenen.

94      Hoewel de aanhangers van het voormalige regime van Kadhafi bleven proberen om de situatie in Libië te destabiliseren en zij betrokken waren bij aanvallen op burgers, bevatten volgens verzoekster de redenen voor de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten kennelijk geen informatie waaruit zij haar individuele, specifieke en concrete rol in die gebeurtenissen en het belang van haar eventuele betrokkenheid bij de onveilige situatie in Libië kon afleiden.

95      De Raad betwist verzoeksters argumenten. In de eerste plaats geeft hij als antwoord dat de redenen voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten niet in aanmerking zijn genomen in het arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad (T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227), dat betrekking had op de handelingen van 2014, en derhalve geen punten, feitelijk of rechtens, kunnen zijn die daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs in dat arrest zijn beslecht.

96      In de tweede plaats stelt de Raad dat hij de bestreden handelingen heeft vastgesteld op grond van de gegevens die zijn vervat in zijn brief van 4 mei 2015 (zie punt 13 hierboven) en de door het sanctiecomité verstrekte geactualiseerde gegevens, en dat hij daarnaast heeft verwezen naar een kennisgeving van Interpol en het punt inzake de „aanvullende informatie” over haar schending van het reisverbod had geschrapt. Met betrekking tot de toevoeging van de verwijzing naar de kennisgeving van Interpol geeft de Raad evenwel aan dat die betrekking had op een onderzoek naar financiële inbreuken, zodat hij zich niet op de informatie betreffende dat onderzoek heeft gebaseerd, aangezien dat soort handelingen niet valt onder de criteria voor de plaatsing op de sanctielijst die zijn vastgesteld in de artikelen 8 en 9 van besluit 2015/1333 en de corresponderende bepaling van verordening 2016/44 of in de relevante resoluties van de Veiligheidsraad.

97      Ten eerste stelt de Raad dat de vrede, stabiliteit of veiligheid van Libië en de succesvolle voltooiing van de politieke overgang in het land, zoals in overweging 3 van besluit 2015/1333 staat te lezen, aanhoudend werden bedreigd, onder meer door de scherper wordende verdeeldheid door toedoen van personen en entiteiten waarvan is vastgesteld dat zij betrokken waren bij het repressieve beleid van het voormalige regime van Kadhafi in Libië of anderszins met dat regime verbonden waren. Daarnaast heeft het Gerecht in het arrest van 20 september 2016, Alsharghawi/Raad (T‑485/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:520), geoordeeld dat de juistheid van die beoordeling van de Raad werd ondersteund door het feit dat de Veiligheidsraad in resolutie 2213 (2015) onder meer opnieuw had bevestigd dat moest worden voorkomen dat aan het voormalige Kadhafiregime gelieerde personen de situatie in Libië zouden destabiliseren.

98      Ten tweede voert de Raad aan dat de verklaringen en persberichten die hij in zijn brief van 4 mei 2015 aan verzoekster heeft meegedeeld (zie punt 13 hierboven) voldoende concreet, nauwkeurig en samenhangend zijn om het waarheidsgehalte te staven van de door verzoekster in 2011 en 2013 in het openbaar gedane uitspraken waarin zij opriep om de legitieme Libische autoriteiten omver te werpen en de dood van haar vader te wreken. Deze verklaringen voldoen duidelijk aan de criteria voor plaatsing op de litigieuze lijsten, aangezien zij aantonen dat verzoekster, evenals andere personen die banden hebben met het voormalige Kadhafiregime, bijdraagt tot de destabilisering van de situatie in Libië. Het feit dat de Omaanse autoriteiten van mening waren dat de spanningen in de regio mede werden verminderd omdat verzoekster in Oman en niet in de onmiddellijke nabijheid van Libië verbleef, en dat verzoekster uitsluitend in Oman mocht verblijven indien zij geen politieke activiteiten zou ontplooien, toont aan dat zij nog steeds een bedreiging vormde voor de vrede, de stabiliteit of de veiligheid van Libië.

99      De door het sanctiecomité verstrekte geactualiseerde informatie en de in de bestreden handelingen uiteengezette redenen, zoals aangevuld en verder ontwikkeld door de in de brief van 4 mei 2015 aan verzoekster verstrekte gegevens (zie punt 13 hierboven), die voor de vaststelling van de bestreden handelingen in aanmerking konden worden genomen, vormen dus het bewijs dat de Raad de redenen voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten opnieuw heeft onderzocht.

100    Ten derde en laatste vormen de door verzoekster aangevoerde nota-verbaal van de Omaanse autoriteiten en de schriftelijke verklaring van de Libische autoriteiten geen voldoende bewijs voor de Raad om verzoeksters naam niet op de litigieuze lijsten te handhaven.

101    Er zij aan herinnerd dat de doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing zoals gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie volgens de rechtspraak met name vereist dat de Unierechter zich ervan vergewist dat een besluit waarbij beperkende maatregelen zijn vastgesteld of gehandhaafd, dat een individuele strekking heeft voor de betrokken persoon of de betrokken entiteit, berust op een voldoende solide feitelijke grondslag. Dit betekent dat de feiten die zijn aangevoerd in de uiteenzetting van de redenen waarop dat besluit steunt, worden gecontroleerd, zodat de rechterlijke toetsing niet enkel een beoordeling van de abstracte waarschijnlijkheid van de aangevoerde redenen inhoudt, maar zich uitstrekt tot de vraag of die redenen, of ten minste één daarvan die op zich toereikend wordt geacht om als grondslag te dienen voor dat besluit, voldoende nauwkeurig en concreet zijn gestaafd (zie in die zin arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 119).

102    De Unierechter moet voor dat onderzoek in voorkomend geval de bevoegde autoriteit van de Unie verzoeken om overlegging van voor een dergelijk onderzoek relevante informatie en bewijzen, vertrouwelijk of niet (zie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het staat evenwel aan de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting aan te tonen dat de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen gegrond zijn, en niet aan laatstbedoelde om het negatieve bewijs te leveren dat die redenen ongegrond zijn. Het is daarbij van belang dat de overgelegde informatie en bewijzen de tegen de betrokken persoon in aanmerking genomen redenen staven (arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punten 121 en 122).

103    In het licht van deze beginselen moet worden vastgesteld of de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten berust op een voldoende solide feitelijke grondslag.

104    In casu moet om te beginnen worden opgemerkt dat de argumenten die verzoekster heeft aangevoerd ter weerlegging van de bewering dat zij in strijd met het door de Veiligheidsraad en het sanctiecomité opgelegde reisverbod heeft gereisd, niet ter zake dienen. De Raad heeft zich immers voor de vaststelling van de bestreden handelingen niet meer gebaseerd op de informatie in zijn brief van 18 december 2014 (zie punt 11 hierboven) en die reden voor de plaatsing is niet meer genoemd in de litigieuze lijsten.

105    Verder moet worden vastgesteld dat in de bestreden handelingen geen andere redenen voor de handhaving in maart 2017 en maart 2020 van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten zijn vermeld dan de redenen die waren aangevoerd voor de plaatsing van haar naam op de lijsten in de bijlage bij de handelingen van 2011 en voor de toepassing van de punten 15 en 17 van resolutie 1970 (2011). Wat de verwijzing naar de kennisgeving van Interpol betreft, heeft de Raad – zoals in punt 96 hierboven is uiteengezet – ter terechtzitting aangegeven en bevestigd dat hij zich niet heeft gebaseerd op de informatie betreffende het onderzoek waarop die kennisgeving betrekking heeft.

106    Tegen de redenen die de Raad heeft aangevoerd voor de plaatsing van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten, te weten het feit dat zij de „dochter van Muammar Kadhafi” is en „nauwe banden met het regime” van laatstgenoemde heeft, is inderdaad niet tijdig beroep ingesteld bij de Unierechter.

107    Ook al kon de Raad zich beroepen op het feit dat verzoekster behoorde tot de personen waarop resolutie 1970 (2011) betrekking heeft en op de motivering van die resolutie, uit de in de punten 101 en 102 hierboven aangehaalde rechtspraak blijkt duidelijk dat de Raad niettemin moet aantonen dat de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten berustte op een voldoende solide feitelijke grondslag.

108    Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de handelingen van 2011 waren vastgesteld „tegen personen en entiteiten die betrokken [waren] bij ernstige schendingen van mensenrechten ten aanzien van mensen in Libië, onder meer bij aanvallen tegen burgerbevolking en infrastructuur, hetgeen in strijd is met het internationaal recht”, zoals in overweging 3 van besluit 2011/137 staat te lezen. Besluit 2015/1333 en verordening 2016/44 zijn vastgesteld met als doel de beperkende maatregelen die waren opgelegd bij de handelingen van 2011, zoals gewijzigd en ten uitvoer gelegd bij een aantal latere handelingen, te consolideren in nieuwe rechtsinstrumenten, „gezien de specifieke bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid in de regio die uitgaat van de situatie in Libië” (zie overweging 4 van verordening 2016/44).

109    Ondanks de in punt 97 hierboven weergegeven uitleg van de Raad, kan op basis van de vermelding „op de lijst geplaatst uit hoofde van de punten 15 en 17 van resolutie 1970 (2011) (reisverbod, bevriezing van tegoeden)” niet worden opgemaakt wat de individuele, specifieke en concrete redenen zijn waarom verzoeksters naam op 21 maart 2017 en 5 maart 2020 op de litigieuze lijsten is gehandhaafd.

110    Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de Raad uitsluitend verwijst naar de informatie die in de brief van 4 mei 2015 aan verzoekster is meegedeeld (zie punt 13 hierboven), in het bijzonder naar de uitspraken die zij in 2011 en 2013 in het openbaar heeft gedaan, zonder uit te leggen waarom die informatie aantoonde dat verzoekster in 2017 en 2020, toen de bestreden handelingen werden vastgesteld, een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid in de regio vormde.

111    In dit verband zij eraan herinnerd dat het Gerecht in de punten 69 en 73 van het arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad (T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227), heeft opgemerkt dat de in de brief van 4 mei 2015 aan verzoekster meegedeelde informatie (zie punt 13 hierboven) niet was opgenomen in de motivering op grond waarvan de handelingen van 2014 waren vastgesteld, dat zij na de datum van de vaststelling van die handelingen ter kennis van de Raad was gebracht en dat de litigieuze motivering kennelijk geen gegevens bevatte waaruit verzoekster – zelfs indien zij had getracht die motivering ruim uit te leggen – had kunnen afleiden wat haar individuele, specifieke en concrete rol in de gebeurtenissen in Libië was.

112    Het is juist dat in het onderhavige geval het gezag van gewijsde van het arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad (T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227), waarnaar verzoekster verwijst, niet kan worden ingeroepen. Ten eerste zijn de handelingen van 2017, zoals de Raad stelt, namelijk vastgesteld vóór de uitspraak van dat arrest, ten tweede zijn het voorwerp en de oorzaak van het onderhavige beroep niet gelijk aan die van het beroep dat tot dat arrest heeft geleid en ten derde geldt het gezag van gewijsde alleen voor de punten, feitelijk en rechtens, die in een rechterlijke beslissing daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht (zie in die zin arrest van 29 november 2018, National Iranian Tanker Company/Raad, C‑600/16 P, EU:C:2018:966, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De redenen voor de handhaving van verzoeksters naam op de litigieuze lijsten vormen geen punten, feitelijk en rechtens, die daadwerkelijk of noodzakelijkerwijs zijn beslecht in het arrest van 28 maart 2017, El-Qaddafi/Raad (T‑681/14, niet gepubliceerd, EU:T:2017:227), dat betrekking had op nietigverklaring van de handelingen van 2014.

113    Uit deze vaststelling kan evenwel niet worden afgeleid dat de Raad niet verplicht was aan te geven waarom de informatie waarvan hij vóór de datum van de vaststelling van de bestreden handelingen kennis had gekregen, zoals in de brief van 4 mei 2015 aan verzoekster meegedeeld, in 2017 en 2020 nog steeds relevant was om de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten te rechtvaardigen.

114    De in de brief van 4 mei 2015 genoemde vermeende publieke uitspraken van verzoekster zijn immers gedaan in 2011, onmiddellijk na de verspreiding van de berichten over de dood van Kadhafi en Mutassim Kadhafi, en in 2013. Vanaf het moment dat die uitspraken in de pers zijn verschenen totdat die onder de aandacht van de Raad zijn gebracht, zijn dus meerdere jaren verstreken. De Raad heeft echter geen enkele reden genoemd waarom uit de inhoud van die uitspraken zou zijn gebleken dat verzoekster nog steeds een bedreiging vormde waarvoor sancties golden in het kader van de doelstellingen van resolutie 1970 (2011), hoewel haar persoonlijke situatie intussen was gewijzigd.

115    Dienaangaande zij opgemerkt dat verzoekster sinds de plaatsingshandelingen van 2011 en de latere plaatsingshandelingen, te weten besluit 2015/1333 en verordening 2016/44, niet meer in Libië verblijft en dat uit het dossier niet blijkt van enige betrokkenheid van haar kant bij het Libische politieke leven, noch van andere uitspraken dan die welke zij in 2011 en 2013 zou hebben gedaan. Ondanks deze veranderingen in verzoeksters persoonlijke situatie, legt de Raad niet uit waarom zij in 2017 en 2020, toen de bestreden handelingen werden vastgesteld, een bedreiging vormde voor de internationale vrede en veiligheid in de regio.

116    Gelet op alle voorgaande overwegingen is verzoeksters kritiek dat de bestreden handelingen geen feitelijke grondslag hebben die de handhaving van haar naam op de litigieuze lijsten rechtvaardigt, gegrond.

117    Het tweede onderdeel van het derde middel van het beroep moet bijgevolg worden toegewezen en de bestreden handelingen moeten dan ook nietig worden verklaard voor zover zij betrekking hebben op verzoekster, zonder dat het nodig is het beroep, voor zover het is gebaseerd op artikel 265 VWEU, of de andere door verzoekster ter ondersteuning van haar vordering tot nietigverklaring van die handelingen aangevoerde middelen en argumenten te onderzoeken.

 Handhaving van de gevolgen van het uitvoeringsbesluit

118    Naar aanleiding van zijn opmerkingen over de memorie houdende aanpassing verzoekt de Raad het Gerecht subsidiair om, in geval van gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2020/371, om redenen van rechtszekerheid te verklaren dat de gevolgen van besluit 2020/374 gehandhaafd blijven totdat de gedeeltelijke nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2020/371 van kracht wordt.

119    Ter terechtzitting heeft de Raad verklaard dat uitvoeringsbesluit 2017/497 nog steeds van kracht was aangezien het niet was vervangen door uitvoeringsbesluit 2020/374, omdat laatstgenoemd besluit alleen de paspoortgegevens en het nationale identificatienummer van verzoekster had bijgewerkt, hetgeen geen gevolgen had voor de reden waarom de plaatsing van verzoekster op de betrokken lijst was gehandhaafd. Voor het geval dat het Gerecht evenwel zou oordelen dat uitvoeringsbesluit 2020/374 uitvoeringsbesluit 2017/497 heeft vervangen, handhaaft de Raad zijn subsidiaire vordering (zie punt 39, derde streepje, hierboven).

120    Er moet worden geoordeeld dat uitvoeringsbesluit 2017/497 voor verzoekster slechts gevolgen heeft gehad tot 6 maart, de datum waarop uitvoeringsbesluit 2020/374 is bekendgemaakt, waarbij de administratieve informatie over verzoekster is bijgewerkt zonder dat de redenen voor haar plaatsing op de lijst zijn gewijzigd. Bijgevolg kan de subsidiaire vordering van de Raad tot handhaving van de gevolgen alleen betrekking hebben op dit tweede besluit.

121    Volgens artikel 60, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft een verzoek om hogere voorziening geen opschortende werking. In de tweede alinea van dit artikel is evenwel bepaald dat in afwijking van artikel 280 VWEU beslissingen van het Gerecht waarbij een verordening nietig is verklaard, pas in werking treden na afloop van de termijn waarbinnen hogere voorziening kan worden ingesteld of, indien binnen deze termijn hogere voorziening wordt ingesteld, nadat deze hogere voorziening is afgewezen.

122    In casu heeft uitvoeringsverordening 2020/371 de aard van een verordening, aangezien daarin is bepaald dat zij in al haar onderdelen verbindend is en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat. Dit komt overeen met de in artikel 288 VWEU bepaalde werking van een verordening (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Raad/Bank Saderat Iran, C‑200/13 P, EU:C:2016:284, punt 121).

123    Artikel 60, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is dus toepasselijk in casu (zie naar analogie arrest van 21 april 2016, Raad/Bank Saderat Iran, C‑200/13 P, EU:C:2016:284, punt 122).

124    Wat de werking in de tijd betreft van de nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2020/374, zij in herinnering gebracht dat het Gerecht, zo het dit nodig acht, volgens artikel 264, tweede alinea, VWEU kan bepalen welke gevolgen van een nietig verklaarde handeling als definitief moeten worden beschouwd.

125    In casu kan het bestaan van een verschil tussen de datum waarop de nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2020/371 en die van uitvoeringsbesluit 2020/374 van kracht wordt, tot een ernstige aantasting van de rechtszekerheid leiden, daar beide handelingen aan verzoekster identieke maatregelen opleggen (zie naar analogie arrest van 21 februari 2018, Klyuyev/Raad, T‑731/15, EU:T:2018:90, punt 263). De gevolgen van besluit 2020/374 moeten dus wat verzoekster betreft worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding van de nietigverklaring van uitvoeringsverordening 2020/371.

 Kosten

126    Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, moet hij overeenkomstig de vordering van verzoekster worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Uitvoeringsbesluit (GBVB) 2017/497 van de Raad van 21 maart 2017 tot uitvoering van besluit (GBVB) 2015/1333 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en uitvoeringsbesluit (GBVB) 2020/374 van de Raad van 5 maart 2020 tot uitvoering van besluit (GBVB) 2015/1333 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië worden nietig verklaard voor zover zij de naam van Aisha Muammer Mohamed El-Qaddafi handhaven op de lijsten in de bijlagen I en III bij besluit (GBVB) 2015/1333 van de Raad van 31 juli 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van besluit 2011/137/GBVB.

2)      Uitvoeringsverordening (EU) 2017/489 van de Raad van 21 maart 2017 tot uitvoering van artikel 21, lid 5, van verordening (EU) 2016/44 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en uitvoeringsverordening (EU) 2020/371 van de Raad van 5 maart 2020 tot uitvoering van artikel 21, lid 5, van verordening (EU) 2016/44 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië worden nietig verklaard voor zover zij de naam van Aisha Muammer Mohamed El-Qaddafi handhaven op de lijst in bijlage II bij verordening (EU) 2016/44 van de Raad van 18 januari 2016 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Libië en tot intrekking van verordening (EU) nr. 204/2011.

3)      De gevolgen van artikel 1 van uitvoeringsbesluit 2020/374 worden ten aanzien van Aisha Muammer Mohamed El-Qaddafi gehandhaafd tot op de datum waarop de in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde termijn voor het indienen van een verzoek om hogere voorziening verstrijkt of, indien binnen die termijn een verzoek om hogere voorziening wordt ingediend, tot op het moment waarop die hogere voorziening wordt afgewezen.

4)      De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten.

Spielmann

Öberg

Spineanu-Matei

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 21 april 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Engels.