Language of document : ECLI:EU:T:2018:696

ARREST VAN HET GERECHT (Zevende kamer)

18 oktober 2018 (*)

„Dumping – Invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of staal, van oorsprong uit China – Wijziging van de aanvullende Taric-code voor een onderneming – Beroep tot nietigverklaring – Handeling waartegen beroep kan worden ingesteld – Rechtstreeks geraakt – Individueel geraakt – Ontvankelijkheid – Gevolgen van arrest houdende nietigverklaring – Regel van parallellisme van vormen”

In zaak T‑364/16,

ArcelorMittal Tubular Products Ostrava a.s., gevestigd te Ostrava-Kunčice (Tsjechische Republiek), en de andere verzoekende partijen van wie de namen zijn opgenomen in de bijlage, vertegenwoordigd door G. Berrisch, advocaat, en B. Byrne, solicitor,(1)

verzoeksters,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Demeneix en J.‑F. Brakeland als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 3 juni 2016 om Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd te verwijderen van de lijst van ondernemingen die zijn ingedeeld onder de aanvullende Taric‑code A 950 en die onderneming in plaats daarvan in te delen onder de aanvullende Taric‑code C 129, voor alle codes van de gecombineerde nomenclatuur (GN) die worden vermeld in artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 van de Commissie van 7 december 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB 2015, L 322, blz. 21),

wijst

HET GERECHT (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: V. Tomljenović, president, E. Bieliūnas en A. Marcoulli (rapporteur), rechters,

griffier: C. Heeren, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 18 januari 2018,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 9 juli 2008 heeft de Europese Commissie naar aanleiding van een klacht van het Defence Committee of the Seamless Steel Tubes Industry of the European Union een bericht van inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van naadloze buizen en pijpen, van ijzer of staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, bekendgemaakt (PB 2008, C 174, blz. 7).

2        Op 24 september 2009 heeft de Raad van de Europese Unie verordening (EG) nr. 926/2009 van de Raad van 24 september 2009 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB 2009, L 262, blz. 19), vastgesteld.

3        Op 30 december 2009 heeft Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd, gevestigd te Huang Shi (China) (hierna: „Hubei”), een beroep tot nietigverklaring van verordening (EG) nr. 926/2009 ingesteld, voor zover deze verordening betrekking had op haar. De Commissie en ArcelorMittal Tubular Products Ostrava a.s., samen met 13 andere Europese ondernemingen die naadloze buizen en pijpen produceren (hierna: „ArcelorMittal e.a.”), hebben geïntervenieerd aan de zijde van de Raad.

4        Bij arrest van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), heeft het Gerecht verordening (EG) nr. 926/2009 nietig verklaard voor zover daarbij antidumpingrechten werden ingesteld op de uitvoer van door Hubei vervaardigde producten en de op die uitvoer ingestelde voorlopige rechten werden geïnd.

5        Op 14 en 15 april 2014 hebben ArcelorMittal e.a. en de Raad respectievelijk hogere voorziening ingesteld tegen het arrest van 29 januari 2014 in zaak T‑528/09, Hubei Xinyegang Steel/Raad (EU:T:2014:35).

6        Op 7 december 2015 heeft de Commissie uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (PB 2015, L 322, blz. 21), vastgesteld.

7        Bij arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), heeft het Hof de door ArcelorMittal e.a. en de Raad ingestelde hogere voorzieningen afgewezen.

8        Op 7 juni 2016 hebben verzoeksters, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava en de andere in de bijlage vermelde verzoeksters, te weten 12 andere ondernemingen die partij zijn in de procedures in de zaken T‑528/09, C‑186/14 P en C‑193/14 P, vernomen dat de Commissie had besloten Hubei te schrappen van de lijst van ondernemingen die worden vermeld onder aanvullende code A 950 van het geïntegreerd tarief van de Europese Unie (Taric) en Hubei op te nemen onder aanvullende Taric‑code C 129 (hierna: „bestreden besluit”). Volgens de door verzoeksters verstrekte aanwijzingen is het bestreden besluit vastgesteld door het directoraat-generaal (DG) Belastingen en douane-unie van de Commissie. De Commissie heeft in haar schrifturen bevestigd dat het Taric op 3 juni 2016 door DG Belastingen en douane-unie is gewijzigd doordat de desbetreffende aanvullende code is ingevoerd.

 Procedure en conclusies van partijen

9        Bij op 7 juli 2016 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

10      Bij op dezelfde dag ter griffie van het Gerecht neergelegde afzonderlijke akte hebben verzoeksters verzocht om behandeling volgens de versnelde procedure van artikel 152 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Op 26 juli 2016 heeft de Commissie haar opmerkingen over dit verzoek ingediend. Bij beslissing van 11 augustus 2016 heeft het Gerecht (Zevende kamer) het verzoek om behandeling volgens de versnelde procedure afgewezen.

11      Bij de wijziging van de samenstelling van de kamers van het Gerecht op grond van artikel 27, lid 5, van het Reglement voor de procesvoering is de rechter-rapporteur aan de Zevende kamer toegevoegd, aan welke kamer de onderhavige zaak dan ook is toegewezen.

12      Op rapport van de rechter-rapporteur heeft het Gerecht (Zevende kamer) besloten tot de mondelinge behandeling over te gaan, en heeft het in het kader van de in artikel 89 van zijn Reglement voor de procesvoering voorziene maatregelen tot organisatie van de procesgang partijen een aantal vragen gesteld, die zij schriftelijk dienden te beantwoorden. De partijen hebben binnen de gestelde termijnen op deze vragen geantwoord.

13      Partijen zijn ter terechtzitting van 18 januari 2018 in hun pleidooien en hun antwoorden op de vragen van het Gerecht gehoord.

14      Verzoeksters verzoeken het Gerecht;

–        het bestreden besluit te vernietigen;

–        de Commissie te verwijzen in de kosten.

15      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond te verklaren;

–        verzoeksters te verwijzen in de kosten.

 In rechte

16      Het beroep is gebaseerd op één enkel middel, ontleend aan het ontbreken van een rechtsgrondslag voor het bestreden besluit en aan schending van artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2272 en de bijlage daarbij.

17      Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen, stelt de Commissie dat het beroep niet-ontvankelijk is.

 Ontvankelijkheid

18      Om te beginnen betwist de Commissie het bestaan van een aanvechtbare handeling. Zij roept in herinnering dat de nietigverklaring van een handeling van de Unie ex tunc werkt en dat de gevolgen ervan onmiddellijk en onvoorwaardelijk zijn. Dat geen rechten op de invoer van het door Hubei vervaardigde betrokken product meer worden geheven, is het gevolg van de arresten die zijn gewezen door de rechterlijke instanties van de Unie. Anders dan verzoeksters lijken te betogen, heeft uitvoeringsverordening 2015/2272 de rechtsgrondslag voor de oplegging van rechten op de door Hubei vervaardigde producten niet „nieuw leven ingeblazen”. Bij deze verordening, waarvoor de geldende maatregelen opnieuw zijn onderzocht, zijn geen nieuwe maatregelen ingesteld, maar zijn de bestaande maatregelen gehandhaafd, zoals uit de overwegingen van die verordening blijkt. De Commissie wijst er ook op dat de voorwaarden om nieuwe maatregelen in te stellen of bestaande te handhaven verschillend zijn. Aangezien bij de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), de antidumpingmaatregelen tegen de door Hubei vervaardigde producten met terugwerkende kracht nietig zijn verklaard, konden die maatregelen niet worden gehandhaafd. Hoe dan ook betreft de invoering van een specifieke Taric‑code geen voor beroep vatbare handeling die rechtsgevolgen sorteert. Het Taric vervult een rol van informatieverstrekking en vloeit niet voort uit rechtshandelingen met rechtsgevolgen. De nationale douaneautoriteiten waren wettelijk bevoegd om de inning van antidumpingrechten op door Hubei vervaardigde producten te beëindigen, ongeacht de invoering van een Taric‑code ter informatie van het grote publiek.

19      Vervolgens stelt de Commissie subsidiair dat verzoeksters geen procesbevoegdheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU hebben. Zij zouden niet individueel worden geraakt door de informatie in de Taric-databank. Volgens haar zijn zij evenmin rechtstreeks geraakt, aangezien, indien de informatie in de Taric-databank rechtsgevolgen zou hebben, deze strikt beperkt zouden blijven tot de douaneadministraties van de lidstaten. De eventuele economische impact die de intrekking van de maatregelen voor Hubei zou hebben, volstaat naar haar mening niet om daaruit te kunnen afleiden dat sprake is van juridische wijziging ten aanzien van verzoeksters.

20      Ten slotte merkt de Commissie op dat het werkelijke doel van het beroep in feite zou kunnen zijn om van het Gerecht van eerste aanleg een uitlegging te krijgen van de gevolgen van zijn vernietigingsarrest voor de geldigheid van uitvoeringsverordening 2015/2272. Een dergelijk verzoek is volgens haar echter niet-ontvankelijk.

21      Verzoeksters betwisten de argumenten van de Commissie.

 De vraag of er sprake is van een handeling waartegen in rechte kan worden opgekomen

22      Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak van het Hof alleen maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die de belangen van de verzoekende partijen kunnen aantasten doordat zij hun rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, handelingen of besluiten zijn die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU. Bovendien kan een handeling die geen rechtsgevolgen in het leven kan roepen en evenmin beoogt dergelijke gevolgen in het leven te roepen, geen voorwerp van een beroep tot nietigverklaring zijn. Om vast te stellen of een bestreden handeling dergelijke gevolgen in het leven roept, moet worden gekeken naar de wezenlijke inhoud ervan (zie arrest van 30 september 2003, Eurocoton e.a./Raad, C‑76/01 P, EU:C:2003:511, punten 54 en 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      In de onderhavige zaak is het bestreden besluit de handeling waarbij de Commissie heeft besloten Hubei te schrappen van de lijst van ondernemingen die zijn ingedeeld onder aanvullende Taric‑code A 950 en haar op te nemen onder aanvullende Taric‑code C 129, die niet voorziet in de instelling van een antidumpingrecht op de invoer van het betrokken product. De Commissie heeft in haar schrifturen bevestigd dat deze aanvullende code „de douaneautoriteiten ervan in kennis stel[de] dat bij de inklaring geen antidumpingrechten mogen worden berekend”.

24      Ten eerste moet worden benadrukt dat het Taric door de Commissie wordt vastgesteld, bijgewerkt, beheerd en verspreid overeenkomstig de artikelen 2 en 6 van verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief‑ en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1). Voorts wordt het Taric volgens artikel 5, lid 1, van verordening nr. 2658/87 door de Commissie en de lidstaten gebruikt voor de „toepassing” van de maatregelen van de Unie betreffende de invoer en de uitvoer van de Unie. Volgens lid 2 van dezelfde bepaling worden de Taric‑codes en de aanvullende codes „gebruikt bij de invoer van alle […] goederen”. Bovendien preciseert artikel 2 van verordening nr. 2658/87 dat de aanvullende Taric-onderverdelingen, hierna „Taric-onderverdelingen” genoemd, „noodzakelijk” zijn voor de uitvoering van de in bijlage II bij die verordening vastgestelde specifieke maatregelen van de Unie, die onder meer antidumpingrechten omvatten. Ten slotte wordt er in de twaalfde overweging van verordening (EEG) nr. 2658/87 aan herinnerd dat de tariefmaatregelen in het Taric deel uitmaken van het gemeenschappelijk douanetarief.

25      Uit het bovenstaande volgt dat de lidstaten in beginsel de in de aanvullende Taric‑codes vervatte maatregelen moeten toepassen met het oog op de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief. Er zij ook op gewezen dat de Commissie niet alleen bevoegd is om het Taric vast te stellen, bij te werken, te beheren en te verspreiden, maar ook om antidumpingmaatregelen vast te stellen, te wijzigen of in te trekken.

26      Ten tweede moet worden geconstateerd dat de Commissie bij het bestreden besluit een aanvullende Taric‑code C 129 heeft gecreëerd die voorheen niet bestond. De instelling van deze code had tot gevolg dat voor de door Hubei vervaardigde producten de Taric‑code die van toepassing was op de inning van antidumpingrechten, namelijk de aanvullende Taric‑code A 950, werd vervangen. Bovendien werd de aanvullende Taric‑code C 129, zoals uit het aan het verzoekschrift gehechte uittreksel uit het Taric blijkt, gecreëerd in het kader van de toepassing van uitvoeringsverordening 2015/2272, die in dat uittreksel formeel wordt vermeld.

27      Ten derde heeft de invoering van de aanvullende Taric‑code C 129 het op zijn minst mogelijk gemaakt om de nationale douaneautoriteiten ervan in kennis te stellen dat voor de invoer van het door Hubei vervaardigde betrokken product geen antidumpingrechten meer hoefden te worden geïnd, ondanks het bestaan van uitvoeringsverordening 2015/2272, die in een dergelijke inning voorzag. Door de invoering van de aanvullende Taric‑code kon er dus op uniforme wijze voor worden gezorgd dat er in het gehele douanegebied van de Unie geen antidumpingrechten meer werden geheven op door Hubei vervaardigde producten.

28      De Commissie heeft in haar antwoorden op de maatregelen tot organisatie van de procesgang overigens bevestigd dat in het tijdvak van 7 april 2016, de datum waarop het arrest in de zaak ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209) is uitgesproken, tot de datum waarop de aanvullende Taric‑code C 129 is ingesteld, antidumpingrechten waren geïnd en dat de nationale douaneautoriteiten sinds de instelling van de aanvullende code geen antidumpingrechten meer hadden geïnd. De Commissie heeft ook aangegeven dat de aanvullende Taric‑code C 129 is gecreëerd ter ondersteuning van de geautomatiseerde inklaring van door Hubei vervaardigde producten. Ten slotte heeft de Commissie in wezen aangegeven dat de inning door de nationale douaneautoriteiten van antidumpingrechten op de door Hubei vervaardigde producten, na de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), een vergissing was. Hieruit volgt dat de instelling van de aanvullende Taric‑code C 129 op zijn minst tot gevolg had dat deze situatie veranderde en de Commissie wilde voorkomen dat door de nationale douaneautoriteiten verder antidumpingrechten werden geïnd met betrekking tot door Hubei vervaardigde producten.

29      Ten vierde moet worden onderstreept dat, in de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), de wettigheid van uitvoeringsverordening 2015/2272 niet ter discussie stond wat Hubei betreft, en dat de invoering van aanvullende Taric‑code C 129 specifiek strekt tot de niet-toepassing van de bij die verordening vastgestelde antidumpingrechten jegens Hubei. In dit verband zij eraan herinnerd dat handelingen van de instellingen in beginsel worden vermoed rechtsgeldig te zijn en rechtsgevolgen in het leven te roepen zolang zij niet zijn ingetrokken, in het kader van een beroep tot nietigverklaring nietig zijn verklaard of in een prejudiciële procedure of op een exceptie van onwettigheid ongeldig zijn verklaard (zie in die zin arresten van 15 juni 1994, Commissie/BASF e.a., C‑137/92 P, EU:C:1994:247, punt 48; 8 juli 1999, Chemie Linz/Commissie, C‑245/92 P, EU:C:1999:363, punt 93, en 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma, C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punt 184).

30      De invoering van aanvullende Taric‑code C 129 is derhalve het resultaat van een juridische uitlegging door de Commissie van het vermeende verband tussen de nietigverklaring van verordening nr. 926/2009, voor zover deze Hubei betreft, en de toepassing van uitvoeringsverordening 2015/2272 op de invoer van door deze onderneming vervaardigde producten. In haar verweerschrift heeft de Commissie overigens bevestigd dat dit een interpretatie van haar kant was met betrekking tot „de vraag […] of de gevolgen van de nietigverklaring van de antidumpingrechten door het Gerecht zich uitstrek[t]en tot de handeling die louter was vastgesteld om die rechten te handhaven, voor de partij zelf die met succes een beroep tot nietigverklaring van de antidumpingrechten had ingesteld”.

31      Een dergelijke juridische uitlegging valt echter niet onder de automatische toepassing door de nationale douaneautoriteiten van de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xeganginy Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35). Deze situatie verschilt dus van de gevallen waarin de nationale douaneautoriteiten in hun rechtsstelsel de consequenties moeten trekken uit de nietigverklaring of ongeldigverklaring van een verordening tot instelling van antidumpingrechten, door die rechten in voorkomend geval terug te betalen (zie arrest van 18 januari 2017, Wortmann, C‑365/15, EU:C:2017:19, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Bijgevolg heeft het bestreden besluit rechtsgevolgen gehad die door de nationale douaneautoriteiten ten uitvoer zijn gelegd vanaf de invoering van de aanvullende Taric‑code C 129, waardoor die autoriteiten niet langer antidumpingrechten heffen op de door Hubei vervaardigde producten, zoals deze rechten zijn vastgesteld bij uitvoeringsverordening 2015/2272, ook al is die verordening niet nietig verklaard of ongeldig verklaard door de rechterlijke instanties van de Unie. Ook moet worden beklemtoond dat de gevolgen van het bestreden besluit als definitief moeten worden beschouwd, zoals de Commissie zelf stelt in haar advies over het arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), dat is gepubliceerd op 9 september 2016 (PB 2016, C 331, blz. 4). In dit advies heeft de Commissie erop gewezen dat „de tot op heden geïnde antidumpingrechten [op door Hubei vervaardigde producten] moe[s]ten worden terugbetaald overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving”. Voorts heeft de Commissie besloten het onderzoek te heropenen, beperkt tot de intrekking van de antidumpingrechten die van toepassing waren op de in uitvoeringsverordening 2015/2272 genoemde Chinese producenten-exporteurs, „andere dan Hubei”.

33      Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit bovendien ook worden beschouwd als een maatregel ter uitvoering van het arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en het arrest van 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), in de zin van artikel 266 VWEU. Hoewel de Commissie in dit verband in haar verweerschrift heeft aangevoerd dat zij zich niet op artikel 266 VWEU hoefde te beroepen om een juridisch bindend besluit vast te stellen, heeft zij in haar antwoord op het verzoek om een versnelde procedure ook verklaard dat zij „overeenkomstig artikel 266 VWEU” verplicht was de nodige maatregelen te nemen om deze arresten uit te voeren en dat de invoering van de aanvullende Taric‑code C 129 „volledig in overeenstemming was met die bepaling”. In die context zij eraan herinnerd dat artikel 266 VWEU de instellingen de verplichting oplegt om de vastgestelde onrechtmatigheid ongedaan te maken door uitvoering te geven aan het dictum en de motivering van het arrest tot nietigverklaring (zie in die zin arresten van 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C‑458/98 P, EU:C:2000:531, punten 80 en 81, en 28 januari 2016, CM Eurologistik en GLS, C‑283/14 en C‑284/14, EU:C:2016:57, punten 48 en 49). De rechterlijke toetsing van de nakoming door de instellingen van de uit artikel 266 VWEU voortvloeiende verplichtingen geschiedt met name door middel van het in artikel 263 VWEU bedoelde rechtsmiddel [beschikking van 28 maart 2006, Mediocurso/Commissie, T‑451/04, niet gepubliceerd, EU:T:2006:95, punt 23; zie in die zin ook arrest van 21 april 2005, Holcim (Deutschland)/Commissie, T‑28/03, EU:T:2005:139, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34      Ten slotte kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, dat ertoe strekt de bij uitvoeringsverordening 2015/2272 vastgestelde antidumpingrechten op de door Hubei vervaardigde producten niet langer te innen, de belangen schaden van de ondernemingen tegen wie een antidumpingonderzoek is ingesteld (zie in die zin arrest van 30 september 2003, Eurocoton e.a./Raad, C‑76/01 P, EU:C:2003:511, punten 66 en 67).

35      In het licht van al deze elementen moet het bestreden besluit worden beschouwd als een beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU.

 Procesbevoegdheid van verzoeksters

36      Volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU kan iedere natuurlijke of rechtspersoon onder de in de eerste en de tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem zijn gericht of die hem rechtstreeks en individueel raken alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen.

37      Aangezien het bestreden besluit niet tot verzoeksters is gericht, acht het Gerecht het passend om allereerst na te gaan of zij er rechtstreeks en individueel door worden geraakt.

–       Rechtstreekse geraaktheid van verzoeksters

38      Er zij herinnerd aan de voorwaarde volgens welke een natuurlijke of rechtspersoon door het besluit waartegen beroep is ingesteld, slechts rechtstreeks wordt geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, als aan twee cumulatieve criteria is voldaan, namelijk dat de bestreden maatregel om te beginnen rechtstreeks gevolgen heeft voor zijn rechtspositie, en deze maatregel voorts aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsvrijheid laat, omdat de uitvoering zuiver automatisch en alleen op grond van de Unierechtelijke regeling gebeurt, zonder dat daarvoor nadere regels moeten worden toegepast (zie beschikking van 10 maart 2016, SolarWorld/Commissie, C‑142/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:163, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      Met betrekking tot de eerste voorwaarde, betreffende de rechtstreekse gevolgen voor de rechtspositie van de betrokkene, moet worden opgemerkt dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat de antidumpingrechten die bij in het Taric vermelde uitvoeringsverordening 2015/2272 zijn vastgesteld, niet langer worden geïnd op de invoer van het door Hubei vervaardigde betrokken product en, bijgevolg, op de invoer die zal concurreren met producten die door verzoeksters in de Unie in de handel worden gebracht.

40      Het is juist dat reeds is geoordeeld, zoals de Commissie opmerkt, dat de omstandigheid alleen dat een handeling van invloed kan zijn op de materiële situatie van een verzoekende partij, niet voldoende is om aan te nemen dat deze daardoor rechtstreeks wordt geraakt en dat alleen wanneer sprake is van specifieke omstandigheden een justitiabele die beweert dat de handeling zijn marktpositie beïnvloedt, beroep kan instellen krachtens artikel 263, vierde alinea, VWEU (beschikking van 21 september 2011, Etimine en Etiproducts/ECHA, T‑343/10, EU:T:2011:509, punt 41).

41      In casu heeft het bestreden besluit echter niet alleen gevolgen voor verzoeksters met betrekking tot hun materiële situatie, met name omdat de door Hubei vervaardigde producten volgens de door verzoeksters verstrekte en niet door de Commissie betwiste informatie een aanzienlijk deel van de Chinese invoer in de Unie vertegenwoordigen, maar ook met betrekking tot hun juridische situatie in het kader van de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van antidumpingmaatregelen voor het betrokken product.

42      Inzonderheid moet worden benadrukt dat de klacht die tot de vaststelling van verordening (EG) nr. 926/2009 heeft geleid en het verzoek om een nieuw onderzoek dat tot de vaststelling van uitvoeringsverordening 2015/2272 heeft geleid, door het Defence Committee of the Seamless Steel Tubes Industry of the European Union zijn ingediend namens producenten waartoe verzoeksters behoren. Deze twee procedures, waaraan de grieven van verzoeksters ten grondslag lagen, hebben geleid tot de instelling van antidumpingrechten, met name op de door Hubei vervaardigde producten.

43      Door te bepalen dat de antidumpingrechten waarin uitvoeringsverordening 2015/2272 voorziet, niet langer mogen worden geheven op de door Hubei vervaardigde producten, terwijl het namens verzoeksters ingediende verzoek om een nieuw onderzoek er juist toe strekte die rechten te doen instellen, heeft het bestreden besluit derhalve rechtstreekse gevolgen voor verzoeksters (zie in die zin arrest van 20 maart 1985, Timex/Raad en Commissie, 264/82, 264/82, EU:C:1985:119, punten 13‑16; zie eveneens, naar analogie, arrest van 28 januari 1986, Cofaz e.a./Commissie, 169/84, EU:C:1986:42, punt 30).

44      Wat de tweede voorwaarde voor rechtstreekse geraaktheid betreft, die betrekking heeft op de discretionaire bevoegdheid die de adressaten van het bestreden besluit wordt gelaten, zij eraan herinnerd dat de lidstaten in beginsel de maatregelen van de Taric‑codes en aanvullende codes moeten toepassen met het oog op de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief. De Commissie heeft in haar opmerkingen overigens bevestigd dat de nationale douaneautoriteiten sinds de invoering van de aanvullende Taric‑code C 129 niet langer antidumpingrechten hebben geïnd op de door Hubei vervaardigde producten. Er zij derhalve op gewezen dat de nationale douaneautoriteiten in het onderhavige geval niet over een discretionaire bevoegdheid beschikten.

45      Daaruit volgt dat verzoeksters rechtstreeks worden geraakt door het bestreden besluit.

–       Individuele geraaktheid van verzoeksters

46      Uit de rechtspraak blijkt duidelijk dat andere personen dan de adressaten van een besluit slechts kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, indien dit besluit hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen aldus individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat van dat besluit (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 207, 232, en 15 september 2016, Unitec Bio/Raad, T‑111/14, EU:T:2016:505, punt 29).

47      Voorts zij eraan herinnerd dat wanneer een verzoekschrift door meerdere verzoekende partijen wordt ingediend, dit verzoek ontvankelijk is indien een van hen procesbevoegdheid bezit. In een dergelijk geval hoeft niet meer te worden onderzocht of de andere verzoekende partijen procesbevoegd zijn (arrest van 26 november 2015, Comunidad Autónoma del País Vasco en Itelazpi/Commissie, T‑462/13, EU:T:2015:902, punt 34; zie in die zin ook arrest van 24 maart 1993, CIRFS e.a./Commissie, C‑313/90, EU:C:1993:111, punten 30 en 31).

48      In casu zij erop gewezen dat, naast het feit dat het verzoek om een nieuw onderzoek is ingediend namens verzoeksters en wier grieven eraan ten grondslag lagen, de zes in de steekproef opgenomen producenten in de Unie die tijdens de procedure aan controlebezoeken zijn onderworpen, tot verzoeksters behoren (overweging 21 van uitvoeringsverordening 2015/2272), Deze in de steekproef opgenomen producenten, die specifiek in uitvoeringsverordening 2015/2272 worden vermeld, waren goed voor ongeveer 55 % van de totale verkoop aan niet-verbonden afnemers in de Unie (overweging 12 van uitvoeringsverordening 2015/2272). Zij hebben allen de door de Commissie toegezonden vragenlijsten beantwoord (overweging 20 van uitvoeringsverordening 2015/2272). Aan de hand van de gegevens die de Commissie op deze wijze heeft verzameld, kon worden vastgesteld of er een risico van herhaling van een dreiging van schade bestond (overweging 111 van uitvoeringsverordening 2015/2272). Soortgelijke overwegingen gelden voor de oorspronkelijke procedure die tot de vaststelling van verordening nr. 926/2009 heeft geleid.

49      Bovendien zij erop gewezen dat volgens de ramingen van verzoeksters in hun verzoek om een versnelde procedure, die door de Commissie niet werden betwist, de uitvoer van Hubei in 2015 ongeveer een derde van de totale Chinese uitvoer van het betrokken product naar de Unie vertegenwoordigde en de reserveproductiecapaciteit van Hubei 20 tot 50 % van het totale verbruik van het betrokken product in de Unie vertegenwoordigde. Deze cijfers moeten worden bezien in de context van de positie van verzoeksters op de markt van de Unie, die, althans wat de zes in de steekproef opgenomen producenten in de Unie betreft, 55 % van de totale verkoop aan onafhankelijke afnemers in de Unie voor hun rekening namen.

50      Hieruit volgt dat het bestreden besluit, dat tot gevolg heeft dat de in uitvoeringsverordening 2015/2272 vastgestelde antidumpingrechten op de door Hubei vervaardigde producten niet langer worden geïnd, ten minste de zes producenten in de Unie treft die in de onderhavige zaak eveneens verzoekende partij zijn en die in de steekproef zijn opgenomen en tijdens de procedure houdende het nieuwe onderzoek aan controlebezoeken zijn onderworpen, welke procedure namens hen werd ingeleid en waarbij rekening werd gehouden met de door hen aangevoerde grieven en die ertoe heeft geleid dat hun specifieke situatie in aanmerking werd genomen (zie arrest Timex/Raad en Commissie van 20 maart 1985, 264/82, EU:C:1985:119, punten 13‑16).

51      Voorts zij eraan herinnerd dat verzoeksters interveniërende partijen in de procedure bij het Gerecht en hoofdpartijen in de hogere voorziening bij het Hof van Justitie waren in de zaken die hebben geleid tot de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35). Voor zover het bestreden besluit eveneens als een maatregel ter uitvoering van die arresten kan worden beschouwd (zie punt 33 supra), is ook deze omstandigheid van dien aard dat de verzoekende partijen daardoor worden geïndividualiseerd.

52      Hieruit volgt dat verzoekers door het bestreden besluit individueel worden geraakt en dus procesbevoegd zijn, zonder dat hoeft te worden onderzocht of dat besluit een regelgevende handeling vormt die geen uitvoeringsmaatregelen ten aanzien van hen omvat.

53      In het licht van al deze elementen moet het beroep ontvankelijk worden verklaard.

 Ten gronde

54      Verzoeksters voeren als enige middel aan dat het bestreden besluit geen rechtsgrondslag heeft en artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2272 en de bijlage daarbij schendt, aangezien de Commissie de draagwijdte van de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e. a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:2014 P.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), ten onrechte heeft uitgebreid. Deze verordening, die op 9 december 2015 in werking is getreden, heeft volgens hen verordening nr. 926/2009 vervangen. Zij vormt de rechtsgrondslag voor de instelling van antidumpingrechten op het betrokken product van oorsprong uit China. Verzoeksters merken tevens op dat artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2272 en de bijlage daarbij bepaalden dat Hubei moest worden opgenomen in de lijst van ondernemingen die onder de aanvullende Taric‑code A 950 vielen. Bij het bestreden besluit heeft de Commissie Hubei van die lijst geschrapt. De Commissie had het bestreden besluit echter alleen kunnen vaststellen indien deze arresten ook de uitvoeringsverordening 2015/2272 nietig hadden verklaard, voor zover deze betrekking had op Hubei. Dit zou echter niet het geval zijn. De dicta van die arresten gewagen enkel van verordening nr. 926/2009. Verzoeksters verwijzen in het bijzonder naar het arrest van 15 februari 2001, Nachi Europe (C‑239/99, EU:C:2001:101). Zij concluderen dat het bestreden besluit niet kon worden gebaseerd op de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), aangezien uitvoeringsverordening 2015/2272 daarbij niet nietig is verklaard. Het bestreden besluit mist dus elke rechtsgrondslag. Het levert ook schending op van artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2272 en de bijlage daarbij.

55      Bovendien, zelfs indien de krachtens artikel 266, lid 1, VWEU op de Commissie rustende verplichting om de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), uit te voeren, de verplichting inhield om de bij uitvoeringsverordening 2015/2272 jegens Hubei ingestelde antidumpingrechten in te trekken, hetgeen verzoeksters betwisten, dan had de Commissie een verordening moeten vaststellen tot wijziging of intrekking van die verordening. Dit zou voortvloeien uit het rechtsbeginsel dat een besluit alleen kan worden ingetrokken door een besluit van dezelfde aard. Indien de Commissie had besloten uitvoeringsverordening 2015/2272 in te trekken, had zij de rechten van verdediging van verzoeksters moeten eerbiedigen, de lidstaten moeten raadplegen en de redenen daarvoor nader moeten toelichten. Bovendien valt een dergelijk besluit onder de bevoegdheid van het college van commissarissen en niet van het DG Belastingen en douane-unie van de Commissie.

56      Verzoeksters voegen daaraan toe dat het door de Commissie ontwikkelde argument in haar verweerschrift dat zij artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2272 heeft vervangen, ongegrond is. Alleen de vaststelling van een verordening tot wijziging van uitvoeringsverordening 2015/2272 zou het mogelijk maken deze bepaling te vervangen. Indien de Commissie uitvoeringsverordening 2015/2272 zou kunnen wijzigen door het Taric te wijzigen, zou het bestreden besluit hoe dan ook onwettig zijn wegens de schending van met name verzoeksters’ rechten van verdediging en van de motiveringsplicht. Bovendien biedt verordening nr. 2658/87, anders dan de Commissie stelt, niet de noodzakelijke rechtsgrondslag voor de vaststelling van het bestreden besluit, hetgeen in strijd is met de geldende antidumpingregelgeving, dat wil zeggen regels die niet zijn verstreken, niet door de rechter van de Unie nietig zijn verklaard of niet zijn ingetrokken.

57      De Commissie betoogt dat, voor zover het Gerecht de bij verordening nr. 926/2009 ingestelde antidumpingrechten op de invoer van het betrokken door Hubei vervaardigde product met terugwerkende kracht nietig heeft verklaard, de nietigverklaring zich noodzakelijkerwijs uitstrekt tot de bij uitvoeringsverordening 2015/2272 ingestelde rechten. Een antidumpingrecht dat geacht wordt nooit te hebben bestaan, kan niet worden gehandhaafd door een verordening die een nieuw onderzoek gelast van de maatregelen die gaan vervallen. De nieuwe Taric‑code stelt de douaneautoriteiten en de marktdeelnemers in kennis daarvan. De door verzoeksters aangehaalde rechtspraak is niet relevant omdat deze een andere rechtssituatie betrof.

58      Wat de beweerde schending van artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2272 betreft, deze is in tegenspraak met de in het verzoekschrift ontwikkelde redenering volgens welke de Commissie de invoer van Hubei-producten onrechtmatig heeft vrijgesteld van de bij uitvoeringsverordening 2015/2272 ingestelde antidumpingrechten. Een dergelijke vrijstelling zou immers noodzakelijkerwijs betekenen dat artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2272 zou zijn vervangen door een bepaling van een ander besluit. Deze twee bepalingen kunnen elkaar niet weerspreken. Hoogstens zou sprake kunnen zijn van de schending van een hogere norm, hetgeen verzoeksters niet aanvoeren.

59      Wat de verplichting betreft om zich op een rechtsgrondslag te baseren, benadrukt de Commissie dat zij krachtens verordening nr. 2658/87 verplicht is de Taric-databank op te zetten, te beheren, bij te werken en bekend te maken. Verordening nr. 2658/87 vormt dus de rechtsgrond voor de bekendmaking van de Taric‑code die in deze zaak aan de orde is. De Commissie diende zich niet op artikel 266 VWEU te beroepen om een bindende rechtshandeling vast te stellen, aangezien alle rechtsgevolgen voor de invoer van door Hubei vervaardigde producten voortvloeiden uit het arrest van 29 januari 2014 in zaak T‑528/09, Hubei Xinyegang Steel/Raad (EU:T:2014:35). Het gelasten van een nieuw onderzoek wegens het vervallen van de antidumpingmaatregelen had de antidumpingrechten die als nooit bestaand werden beschouwd, niet kunnen handhaven, laat staan deze doen „herrijzen”.

60      De Commissie voegt daaraan toe dat, in tegenstelling tot wat verzoeksters lijken te suggereren, de antidumpingrechten op de invoer van het betrokken door Hubei geproduceerde product door de rechterlijke instanties van de Unie zijn verwijderd uit de rechtsorde. Het zou daarom ongegrond zijn te stellen dat artikel 1, lid 2, van uitvoeringsverordening 2015/2272 alleen kan worden vervangen door de vaststelling van een andere verordening. In elk geval stellen verzoeksters geen schending van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22) [vervangen door verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21)]. Wat de door verzoeksters aangevoerde schending van procedurele verplichtingen betreft, zij tonen niet aan dat de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden.

61      In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat een arrest tot nietigverklaring noodzakelijkerwijs terugwerkende kracht heeft, aangezien de vaststelling van de onwettigheid teruggaat tot de datum van inwerkingtreding van de nietig verklaarde handeling (arrest van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, EU:C:1988:199, punt 30; zie eveneens, in die zin, arrest van 12 februari 2008, CELF en ministre de la Culture et de la Communication, C‑199/06, EU:C:2008:79, punt 61). In casu is verordening nr. 926/2009 nietig verklaard voor zover zij betrekking had op Hubei, met ex tunc-effect, hetgeen impliceert dat deze verordening geacht wordt nooit enig effect voor die onderneming te hebben gesorteerd (zie in die zin arrest van 19 juli 2012, Raad/Zhejiang Xinan Chemical Industrial Group, C‑337/09 P, EU:C:2012:471, punt 48).

62      Wat in de tweede plaats uitvoeringsverordening 2015/2272 betreft, deze is vastgesteld na een nieuw onderzoek volgens artikel 11, lid 2, van verordening nr. 1225/2009 (thans artikel 11, lid 2, van verordening nr. 2016/1036). Volgens deze bepaling vervalt een definitieve antidumpingmaatregel vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de datum van beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek dat zowel op de dumping als op de schade betrekking heeft gehad, „tenzij bij een nieuw onderzoek wordt vastgesteld, dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade zal leiden”. In deze context kan de Commissie de geldende maatregelen handhaven of laten vervallen (zie in die zin arrest van 8 mei 2012, Dow Chemical/Raad, T‑158/10, EU:T:2012:218, punt 43). Het doel van deze bepaling is derhalve niet om voor het eerst antidumpingmaatregelen in te stellen, maar om, waar nodig, van kracht zijnde antidumpingmaatregelen die normaal gesproken vervallen, te handhaven (zie in die zin arresten van 11 februari 2010, Hoesch Metals and Alloys, C‑373/08,EU:C:2010:68, punten 65‑67, en 24 september 2008, Reliance Industries/Raad en Commissie, T‑45/06, EU:T:2008:398, punt 94). In overweging 122 van uitvoeringsverordening 2015/2272 wordt aldus gesteld dat „de antidumpingmaatregelen die bij [v]erordening […] nr. 926/2009 werden ingesteld op de invoer van bepaalde naadloze buizen en pijpen van oorsprong uit [China], […] moeten worden gehandhaafd”.

63      In de derde plaats is het weliswaar juist dat uitvoeringsverordening 2015/2272 slechts de oorspronkelijk bij verordening nr. 926/2009 ingestelde maatregelen handhaaft, maar het is uitvoeringsverordening 2015/2272 die als rechtsgrondslag dient voor de inning van de antidumpingrechten en meer bepaald het dispositief ervan en de bijlage bij die verordening die voorzien in de instelling van een antidumpingrecht, met name op de invoer van door Hubei vervaardigde producten. In de bij het verzoekschrift gevoegde Taric-uittreksels wordt uitvoeringsverordening 2015/2272 uitdrukkelijk vermeld als basis voor de inning van antidumpingrechten op het betrokken product. Hetzelfde geldt voor het advies over het arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), dat de Commissie op 9 september 2016 heeft gepubliceerd (zie punt 32 supra).

64      Aangezien uitvoeringsverordening 2015/2272 niet nietig is verklaard door de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), wordt zij in beginsel vermoed rechtsgeldig te zijn (zie de in punt 29 hierboven aangehaalde rechtspraak). Bovendien zij eraan herinnerd dat het absolute gezag dat een arrest houdende nietigverklaring heeft, niet kan meebrengen dat een niet aan de controle van de Unierechter onderworpen handeling, ook al vertoont die dezelfde onwettigheid, eveneens nietig is (zie in die zin arresten van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C‑310/97 P, EU:C:1999:407, punt 54, en 15 februari 2001, Nachi Europe, C‑239/99, EU:C:2001:101, punt 26).

65      Hieruit volgt dat de nietigverklaring van verordening nr. 926/2009, voor zover deze betrekking heeft op Hubei, niet automatisch kan leiden tot het verdwijnen uit de rechtsorde van de Unie van de bepalingen van uitvoeringsverordening 2015/2272 die door de rechter van de Unie niet nietig zijn verklaard.

66      In de vierde plaats zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 266 VWEU op de betrokken instelling de verplichting rust om in het bijzonder ervoor te zorgen dat de handeling die zij ter vervanging van de nietig verklaarde handeling vaststelt, niet dezelfde onregelmatigheden vertoont als die welke in het nietigverklaringsarrest zijn vastgesteld (arresten van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C‑310/97 P, EU:C:1999:407, punt 56, en 29 april 2004, IPK‑München en Commissie, C‑199/01 P en C‑200/01 P, EU:C:2004:249, punt 83). Het Hof heeft ook gewezen op de eventuele verplichting voor de instellingen om in voorkomend geval de na de nietig verklaarde handeling vastgestelde handelingen in te trekken (arrest van 26 april 1988, Asteris e.a./Commissie, 97/86, 99/86, 193/86 en 215/86, EU:C:1988:199, punt 30). Evenzo heeft het Gerecht geoordeeld dat handelingen die waren gebaseerd op reeds nietig verklaarde handelingen en derhalve uit de rechtsorde van de Unie waren geschrapt, nietig moesten worden verklaard (arrest van 18 september 2015, HTTS en Bateni/Raad, T‑45/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:650, punten 46‑48). Bovendien heeft het Hof in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 4 februari 2016, C & J Clark International en Puma (C‑659/13 en C‑34/14, EU:C:2016:74, punten 175‑177), geoordeeld dat een verordening betreffende een nieuw onderzoek „in dezelfde mate” ongeldig was als de verordening tot instelling van de oorspronkelijke antidumpingrechten, aangezien beide verordeningen aan haar geldigheidstoetsing waren voorgelegd.

67      Gezien deze elementen, en met name het feit dat enerzijds uitvoeringsverordening 2015/2272 tot doel had maatregelen op te leggen die vergelijkbaar zijn met de maatregelen die bij verordening (EG) nr. 926/2009 waren opgelegd teneinde de gevolgen ervan te handhaven, en dat anderzijds de bij verordening nr. 926/2009 opgelegde maatregelen nadien zijn vernietigd bij de arresten van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), en 29 januari 2014, Hubei Xinyegang Steel/Raad (T‑528/09, EU:T:2014:35), mocht de Commissie ervan uitgaan dat de uitvoering van deze arresten op grond van artikel 266 VWEU inhield dat de in uitvoeringsverordening 2015/2272 voorziene antidumpingrechten op de door Hubei vervaardigde producten niet langer konden worden geïnd.

68      Zoals verzoeksters echter subsidiair stellen en aangezien uitvoeringsverordening 2015/2272 in beginsel een vermoeden van rechtmatigheid geniet, had de Commissie deze uitvoeringsverordening moeten wijzigen of intrekken bij wege van een verordening.

69      Er zij immers aan herinnerd dat overeenkomstig de regel van het „parallellisme van de vormen”, welke regel een algemeen rechtsbeginsel betreft, de vorm die wordt gekozen voor de kennisgeving van een handeling aan een derde ook moet worden gebruikt voor alle latere wijzigingen van die handeling [zie in die zin arresten van 29 april 2004, Parlement/Ripa di Meana e.a., C‑470/00 P, EU:C:2004:241, punt 67; 21 juli 1998, Mellett/Hof van Justitie, T‑66/96 en T‑221/97, EU:T:1998:187, punt 136; 17 mei 2006, Kallianos/Commissie, T‑93/04, EU:T:2006:130, punt 56, en 14 december 2006, Gagliardi/BHIM – Norma Lebensmittelfilialbetrieb (MANŪ MANU MANU), T‑392/04, niet gepubliceerd, EU:T:2006:400, punt 53].

70      In de onderhavige zaak zij er met name op gewezen dat volgens artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1225/2009 (thans artikel 14, lid 1, van verordening nr. 2016/1036), dat deel uitmaakt van de „algemene bepalingen”, antidumpingrechten „bij verordening [worden] ingesteld en door de lidstaten [worden] geïnd in de vorm, voor het bedrag en met inachtneming van de criteria die in die verordening zijn vermeld”. Dit was het geval voor de bij uitvoeringsverordening 2015/2272 vastgestelde antidumpingrechten op door Hubei vervaardigde producten. Er zij ook aan herinnerd dat de Commissie bevoegd is om antidumpingmaatregelen vast te stellen, te wijzigen of in te trekken.

71      Hieruit volgt dat de beëindiging jegens een onderneming van inning van antidumpingrechten die zijn vastgesteld bij een verordening die door de rechter van de Unie noch nietig noch ongeldig is verklaard, in de regel ook door middel van een verordening moet worden verricht. In casu heeft de Commissie de regel van het vormparallellisme echter geschonden waar zij heeft voorzien in de definitieve weglating van de uit uitvoeringsverordening 2015/2272 voortvloeiende inning van antidumpingrechten voor door Hubei vervaardigde producten, doordat zij een aanvullende Taric‑code heeft ingevoerd.

72      Zoals verzoeksters in hun opmerkingen terecht opmerken, had de naleving van de regel van het parallellisme van de vormen niet alleen moeten leiden tot de verwijzing van de zaak naar het college van commissarissen van de Commissie, maar ook tot een verzoek om het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1225/2009 (thans artikel 15, lid 1, van verordening nr. 2016/1036), zoals het geval was in het kader van de vaststelling van uitvoeringsverordening 2015/2272. In dit verband zij erop gewezen dat artikel 11, lid 6, van verordening nr. 1225/2009 (thans artikel 11, lid 6, van verordening 2016/1036) bepaalt dat de antidumpingmaatregelen krachtens artikel 11, lid 2, worden ingetrokken of gehandhaafd „volgens de in artikel 15, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure”. Evenzo bepaalt artikel 9, lid 4, van verordening nr. 1225/2009 (thans artikel 9, lid 4, van verordening nr. 2016/1036) dat de Commissie definitieve antidumpingrechten vaststelt volgens de onderzoeksprocedure. Dit comité en deze onderzoeksprocedure zijn die welke zijn vastgesteld in verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB 2011, L 55, blz. 13). De procedures voor die controle door de lidstaten moeten met name duidelijk zijn en voldoen aan de institutionele vereisten van het VWEU (overweging 5 van verordening nr. 182/2011). Raadpleging van het bij artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1225/2009 ingestelde comité is derhalve niet alleen uit procedureel oogpunt van belang, maar ook uit het oogpunt van de institutionele vereisten van het VWEU.

73      Verder moet de aandacht worden gevestigd op de rechtsonzekerheid die uit het bestreden besluit voortvloeit, zoals verzoeksters in hun opmerkingen overigens aangeven. Enerzijds moeten de marktdeelnemers, met inbegrip van verzoeksters, bij hun analyse van de regelgeving van de Unie uitvoeringsverordening 2015/2272 in aanmerking nemen, die door de rechter van de Unie noch nietig noch ongeldig is verklaard en evenmin is ingetrokken bij een andere verordening, en dus rekening houden met de antidumpingrechten die bij die verordening zijn opgelegd. Anderzijds mogen zij er op basis van de aanvullende Taric‑code C 129 van uitgaan dat de antidumpingrechten waarin uitvoeringsverordening 2015/2272 voorziet, niet van toepassing zijn op de door Hubei vervaardigde producten. Dit leidt tot een kennelijke tegenstrijdigheid die de marktdeelnemers, daaronder begrepen verzoeksters, in een situatie van rechtsonzekerheid plaatst.

74      Bovendien kan de juridische interpretatie van de Commissie in deze zaak weliswaar worden afgeleid uit het feit dat in een voetnoot bij de aanvullende Taric‑code C 129 wordt verwezen naar het arrest van 7 april 2016, ArcelorMittal Tubular Products Ostrava e.a./Hubei Xinyegang Steel (C‑186/14 P en C‑193/14 P, EU:C:2016:209), maar de naleving van de regel van het parallellisme van de vormen zou de redenering van de Commissie in dit opzicht explicieter hebben gemaakt.

75      Daarnaast zij opgemerkt dat de instellingen van de Unie in andere procedures reeds hebben besloten om een herzieningsverordening waarbij de van kracht zijnde antidumpingmaatregelen na de nietigverklaring van de vorige verordening werden gehandhaafd, te wijzigen of in te trekken. Dit was met name het geval met verordening (EG) nr. 989/2009 van de Raad van 19 oktober 2009 tot wijziging van verordening (EG) nr. 661/2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland (PB 2009, L 278, blz. 1), waarnaar de Commissie ter terechtzitting heeft verwezen. Deze verordening is vastgesteld na het arrest van 10 september 2008, JSC Kirovo-Chepetsky Khimichesky Kombinat/Raad (T‑348/05, niet gepubliceerd, EU:T:2008:327). In dat arrest heeft het Gerecht de van vóór de herzieningsverordening daterende verordening nietig verklaard, te weten verordening nr. (EG) 945/2005 van de Raad van 21 juni 2005 tot wijziging van verordening nr. 658/2002 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland en verordening (EG) nr. 132/2001 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland, onder meer Oekraïne, na een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96 (PB 2005, L 160, blz. 1), waarbij het aantal producten waarvoor de antidumpingmaatregelen golden, was uitgebreid. Ingevolge dit arrest heeft de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité besloten verordening nr. 989/2009 vast te stellen, waarbij verordening (EG) nr. 661/2008 van de Raad van 8 juli 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op ammoniumnitraat van oorsprong uit Rusland naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, en een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van verordening (EG) nr. 384/96 (PB 2008, L 185, blz. 1), met terugwerkende kracht is ingetrokken ten aanzien van de verzoekende onderneming voor het Gerecht en met betrekking tot de producten waarop de nietigverklaring betrekking had. In dit verband heeft de Raad ook een specifieke aanvullende Taric‑code opgesteld voor de onderneming die verzoekende partij was voor het Gerecht. In de toelichting bij het voorstel voor een verordening van de Raad [COM(2009) 493 definitief] heeft de Commissie erop gewezen dat dit voorstel werd gedaan „in het kader van de uitvoering van een arrest van het Gerecht”.

76      Rekening houdend met alle voorgaande overwegingen moet worden geoordeeld dat de schending door de Commissie van de regel van het parallellisme van de vormen een onregelmatigheid betreft die tot de nietigverklaring van het bestreden besluit dient te leiden.

77      De andere argumenten van de Commissie doen niet af aan deze conclusie. In het bijzonder is de rechtspraak waarop de Commissie zich in haar opmerkingen baseert en die specifiek betrekking heeft op de gevolgen van een schending van de rechten van de verdediging van een onderneming tijdens een procedure, niet van toepassing. Zoals zojuist is opgemerkt, houdt schending van het beginsel van het parallellisme van de vormen immers niet alleen verband met de eerbiediging van verzoeksters’ rechten van verdediging. Bovendien moeten de argumenten van de Commissie volgens welke verzoeksters geen belang hebben bij de nietigverklaring van het bestreden besluit op grond van schending van de regel van het parallellisme van de vormen, worden afgewezen. Zoals verzoeksters ter terechtzitting hebben aangegeven, ligt hun belang namelijk, althans in eerste instantie, in de toepassing van de relevante bepalingen van uitvoeringsverordening 2015/2272 op de door Hubei vervaardigde producten. De Commissie heeft geen nadere informatie verstrekt op grond waarvan deze bevinding in twijfel kan worden getrokken.

78      Gelet op een en ander moet het bestreden besluit nietig worden verklaard.

 Kosten

79      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van verzoeksters worden verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoeksters.

HET GERECHT (Zevende kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het besluit van de Commissie van 3 juni 2016 om Hubei Xinyegang Steel Co. Ltd te verwijderen van de lijst van ondernemingen die zijn ingedeeld onder de aanvullende Tariccode A 950 en deze onderneming in plaats daarvan in te delen onder de aanvullende Tariccode C 129, voor alle codes van de gecombineerde nomenclatuur (GN) die worden vermeld in artikel 1, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2272 van de Commissie van 7 december 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad, wordt nietig verklaard.

2)      De Commissie draagt, naast haar eigen kosten, de kosten van ArcelorMittal Tubular Products Ostrava a.s. en van de andere verzoekende partijen van wie de namen zijn vermeld in de bijlage.

Tomljenović

Bieliūnas

Marcoulli

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 18 oktober 2018.

ondertekeningen


* Procestaal: Engels.


1      De lijst van verzoekende partijen is enkel in bijlage bij de aan partijen betekende versie gevoegd.