Language of document : ECLI:EU:T:2021:587

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Vijfde kamer)

15 september 2021 (*)

„Uniemerk – Nietigheidsprocedure – Uniebeeldmerk PALLADIUM HOTELS & RESORTS – Voorwaarden voor de ontvankelijkheid van de vordering tot nietigverklaring – Artikel 53, lid 4, van verordening (EG) nr. 207/2009 (thans artikel 60, lid 4, van verordening (EU) 2017/1001) – Artikel 56, lid 3, van verordening nr. 207/2009 (thans artikel 63, lid 3, van verordening 2017/1001)”

In zaak T‑207/20,

Residencial Palladium, SL, gevestigd te Ibiza (Spanje), vertegenwoordigd door D. Solana Giménez, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door J. Crespo Carrillo als gemachtigde,

verweerder,

andere partij in de procedure bij de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht:

Palladium Gestión, SL, gevestigd te Ibiza, vertegenwoordigd door J. Rojo García-Lajara, advocaat, toegelaten om in de plaats te treden van Fiesta Hotels & Resorts, SL,

betreffende een beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 12 februari 2020 (zaak R 231/2019‑4) inzake een nietigheidsprocedure tussen Residencial Palladium en Fiesta Hotels & Resorts,

wijst

HET GERECHT (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: D. Spielmann, president, O. Spineanu-Matei (rapporteur) en R. Mastroianni, rechters,

griffier: E. Coulon,

gezien het op 17 april 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift,

gezien de op 16 juli 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van het EUIPO,

gezien de op 7 augustus 2020 ter griffie van het Gerecht neergelegde memorie van antwoord van interveniënte,

gezien de beschikking van 22 maart 2021 waarbij wordt toegestaan dat een partij zich in de plaats stelt van een andere,

gezien de maatregel tot organisatie van de procesgang van 23 maart 2021 en de respectievelijk op 8 en 6 april 2021 ter griffie van het Gerecht neergelegde antwoorden van het EUIPO en interveniënte,

gelet op het feit dat partijen geen verzoek tot vaststelling van een terechtzitting hebben ingediend binnen de termijn van drie weken nadat de sluiting van de schriftelijke behandeling is betekend en na te hebben besloten op grond van artikel 106, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Op 30 oktober 2002 heeft de rechtsvoorganger van Fiesta Hotels Resorts, SL, in wiens plaats interveniënte, Palladium Gestión, SL, is toegelaten te treden, bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een Uniemerkaanvraag ingediend krachtens verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PB 1994, L 11, blz. 1), zoals gewijzigd [vervangen door verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Uniemerk (PB 2009, L 78, blz. 1), zoals gewijzigd, zelf vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1)].

2        Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, betreft het volgende beeldteken:

Image not found

3        De diensten waarvoor om inschrijving is verzocht, behoren tot klasse 43 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd, en zijn omschreven als volgt: „Restauratie (het verstrekken van voedsel en dranken); Tijdelijke huisvesting”.

4        Op 26 september 2005 is het aangevraagde merk ingeschreven onder nummer 2915304. De inschrijving is verlengd tot 30 oktober 2022.

5        Op 2 maart 2006 heeft Residencial Palladium, SA bij het EUIPO een vordering ingediend tot nietigverklaring van het betwiste merk voor alle diensten waarvoor het was ingeschreven (nietigheidsprocedure 1544C) (hierna: „eerste vordering tot nietigverklaring”).

6        Deze vordering was gebaseerd op de nietigheidsgronden van artikel 52, lid 1, onder a) en c), van verordening nr. 40/94 [vervolgens artikel 53, lid 1, onder a) en c), van verordening nr. 207/2009, thans artikel 60, lid 1, onder a) en c), van verordening 2017/1001].

7        Op 27 maart 2006 is bij het EUIPO verzocht om overdracht van de inschrijving van het bestreden merk aan de rechtsvoorganger van interveniënte, die op 3 april 2006 van deze overgang in kennis is gesteld.

8        Op 18 april 2006 heeft Residencial Palladium het EUIPO er binnen de gestelde termijn om bepaalde vastgestelde gebreken te verhelpen van in kennis gesteld dat zij de eerste vordering tot nietigverklaring introk.

9        Bij beslissing van 26 april 2006 heeft de nietigheidsafdeling nietigheidsprocedure 1544C afgesloten.

10      Na een wijziging van de rechtsvorm werd Residencial Palladium Residencial Palladium, SL, verzoekster in casu.

11      Op 20 juni 2017 heeft verzoekster bij het EUIPO een vordering ingediend tot nietigverklaring van het betwiste merk voor alle diensten waarvoor het was ingeschreven (nietigheidsprocedure 15119C) (hierna: „tweede vordering tot nietigverklaring”).

12      Deze tweede vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op de nietigheidsgronden van, ten eerste, artikel 51, lid 1, onder b), van verordening nr. 40/94 [vervolgens artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009, thans artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001], voor zover het Uniemerk te kwader trouw was ingeschreven en, ten tweede, artikel 52, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94.

13      Bij beslissing van 30 november 2018 heeft de nietigheidsafdeling de tweede vordering tot nietigverklaring afgewezen op grond dat deze ongegrond was ingevolge artikel 59, lid 1, onder b), van verordening 2017/1001 en niet-ontvankelijk was voor zover zij betrekking had op de in artikel 60, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 bedoelde grond. Wat dit laatste betreft, heeft zij in essentie geoordeeld dat verzoekster overeenkomstig artikel 60, lid 4, van verordening 2017/1001 geen nieuwe vordering tot nietigverklaring kon indienen gesteund op andere oudere rechten die zij ter staving van de eerste vordering tot nietigverklaring had kunnen inroepen.

14      Op 29 maart 2019 heeft verzoekster krachtens de artikelen 66 tot en met 71 van verordening 2017/1001 bij het EUIPO beroep ingesteld tegen de beslissing van de nietigheidsafdeling, met de opmerking dat zij niet opkwam tegen de afwijzing van haar vordering voor zover deze was gebaseerd op artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009.

15      Bij beslissing van 12 februari 2020 (hierna: „bestreden beslissing”) heeft de vierde kamer van beroep van het EUIPO verzoeksters beroep verworpen. Wat de draagwijdte van dit beroep betreft, heeft zij opgemerkt dat het er enkel toe strekte te beoordelen of de nietigheidsafdeling terecht had vastgesteld dat de vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk was op grond van artikel 60, lid 4, van verordening 2017/1001. Na te hebben herinnerd aan de bewoordingen van deze bepaling, heeft de vierde kamer van beroep van het EUIPO daaruit afgeleid dat een vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is wanneer aan twee voorwaarden is voldaan, namelijk, ten eerste, wanneer de aanvrager van de nietigverklaring eerder een vordering tot nietigverklaring van hetzelfde Uniemerk heeft ingediend en, ten tweede, wanneer de nieuwe vordering tot nietigverklaring is gebaseerd op hetzelfde oudere recht of op een ander recht dan dat waarop de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring was gebaseerd, terwijl het bij die oorspronkelijke vordering op goede gronden had kunnen worden ingeroepen. Daar volgens haar in casu aan deze voorwaarden was voldaan, heeft zij de vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk verklaard.

 Vorderingen

16      Verzoekster verzoekt het Gerecht in wezen:

–        de bestreden beslissing te vernietigen;

–        het EUIPO te gelasten de behandeling van de vordering tot nietigverklaring voort te zetten;

–        het EUIPO in de kosten te verwijzen.

17      Het EUIPO verzoekt het Gerecht:

–        voor het geval dat het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep artikel 60, lid 4, van verordening 2017/1001 terecht letterlijk heeft uitgelegd, het beroep te verwerpen en verzoekster in de kosten te verwijzen;

–        voor het geval dat het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep artikel 60, lid 4, van verordening 2017/1001 verkeerd heeft uitgelegd door geen rekening te houden met de ratio legis van deze bepaling volgens een teleologische uitlegging, de bestreden beslissing te vernietigen en verzoekster in de kosten te verwijzen.

18      Interveniënte verzoekt het Gerecht in wezen:

–        het beroep te verwerpen;

–        verzoekster in de kosten te verwijzen.

 In rechte

 Bevoegdheid van het Gerecht om kennis te nemen van verzoeksters tweede vordering

19      Met haar tweede vordering vraagt verzoekster het Gerecht om het EUIPO te gelasten het onderzoek van de tweede vordering tot nietigverklaring voort te zetten. Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat het Gerecht niet bevoegd is om bevelen te geven aan de instellingen, organen en instanties van de Europese Unie (zie in die zin beschikking van 26 oktober 1995, Pevasa en Inpesca/Commissie, C‑199/94 P en C‑200/94 P, EU:C:1995:360, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 25 september 2018, Zweden/Commissie, T‑260/16, EU:T:2018:597, punt 104 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

20      Hieruit volgt dat de tweede vordering van verzoekster, waarmee zij het Gerecht verzoekt het EUIPO een bevel te geven, moet worden afgewezen omdat zij is ingesteld bij een rechterlijke instantie die niet bevoegd is om daarvan kennis te nemen.

 Ten gronde

21      Om te beginnen worden de feiten van de onderhavige zaak, gelet op de datum van indiening van de inschrijvingsaanvraag, namelijk 30 oktober 2002, welke datum beslissend is voor de vaststelling van het toepasselijke materiële recht, beheerst door de materiële bepalingen van verordening nr. 40/94, zoals gewijzigd (zie in die zin beschikking van 5 oktober 2004, Alcon/BHIM, C‑192/03 P, EU:C:2004:587, punten 39 en 40, en arrest van 23 april 2020, Gugler France/Gugler en EUIPO, C‑736/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:308, punt 3 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg dienen in casu, wat de materiële regels betreft, de door de kamer van beroep in de bestreden beslissing, door verzoekster in haar betoog, alsook door het EUIPO en interveniënte genoemde verwijzingen naar artikel 8, lid 4, en artikel 60, lid 1, onder c), van verordening 2017/1001 te worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk artikel 8, lid 4, en artikel 52, lid 1, onder c), van verordening nr. 40/94, zoals gewijzigd, die een identieke inhoud hebben.

22      Aangezien procedureregels volgens vaste rechtspraak in het algemeen worden geacht te gelden vanaf de inwerkingtreding ervan (zie arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje, C‑610/10, EU:C:2012:781, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), wordt het geding voorts beheerst door de procedurele bepalingen van verordening nr. 207/2009, zoals gewijzigd en die van verordening 2017/1001. Bijgevolg dienen in casu, wat de procedureregels betreft, de door de kamer van beroep in de bestreden beslissing, de door verzoekster in haar betoog, alsook de door het EUIPO en interveniënte genoemde verwijzingen naar artikel 60, lid 4, en artikel 63, lid 3, van verordening 2017/1001, te worden opgevat als verwijzingen naar respectievelijk artikel 53, lid 4, met een identieke inhoud, en artikel 56, lid 3, met eveneens een identieke inhoud, van verordening nr. 207/2009, zoals gewijzigd.

23      Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster één middel aan, dat in essentie is ontleend aan schending van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009.

24      Verzoekster betoogt dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij haar uitlegging van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, waardoor zij de tweede vordering tot nietigverklaring ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van deze bepaling. Om te beginnen zet zij uiteen waarom zij deze vordering heeft ingesteld en haalt zij de rechtspraak van de Unie aan die betrekking heeft op de rechten die zij op de term „palladium” zou genieten.

25      Het EUIPO is van mening dat verzoeksters uiteenzetting over de arresten van de Unierechter in een eerdere zaak, tussen dezelfde partijen, in casu irrelevant is. Bovendien geeft het EUIPO aan dat het het aan het oordeel van het Gerecht overlaat om te bepalen of de kamer van beroep artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 ten onrechte letterlijk heeft uitgelegd, terwijl zij deze bepaling eerder teleologisch had moeten uitleggen.

26      Interveniënte betwist verzoeksters betoog. Zij preciseert allereerst dat de door verzoekster aangehaalde arresten om te beginnen procedures betreffen die geen betrekking hebben op het bestreden merk. Vervolgens kan volgens haar niet worden geconcludeerd dat het aangevoerde teken vóór 30 oktober 2002 in Spanje voldoende normaal werd gebruikt. De tweede vordering tot nietigverklaring is bovendien absoluut verjaard en het bestreden merk is niet meer vatbaar voor beroep wegens verschillende handelingen van verzoekster. Ten slotte is zij van mening dat artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 in casu van toepassing is.

27      Hoewel verzoekster het nodig acht om uiteen te zetten op welke gronden zij de tweede vordering tot nietigverklaring heeft ingesteld en de rechtspraak van de Unie over haar rechten op de term „palladium” aan te halen, moet worden vastgesteld dat zij in dat kader geen enkel argument ter ondersteuning van het enige middel aanvoert. Deze overwegingen zijn in het kader van het onderhavige geding hoe dan ook irrelevant. Zoals interveniënte aanvoert, hebben de door verzoekster aangehaalde arresten geen betrekking op procedures betreffende het bestreden merk en volstaat het, zoals het EUIPO aanvoert, voor de toepassing van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 40/94 en artikel 52, lid 1, onder c), van die verordening dat aan de in deze bepalingen gestelde vereisten is voldaan en geen ervan vereist dat het ingeroepen oudere niet-geregistreerde recht eerder door de Unierechter is erkend. De toepassing van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 hangt dus niet af van het al dan niet bestaan van een dergelijke erkenning.

28      Voorts moet het argument van interveniënte worden afgewezen waarmee zij stelt dat onmogelijk kan worden geconcludeerd dat het ingeroepen oudere teken vóór 30 oktober 2002 in Spanje normaal en niet louter plaatselijk werd gebruikt, en in voldoende mate om de inschrijving van een Uniemerk nietig te verklaren. Dit argument betreft namelijk het onderzoek ten gronde van de tweede vordering tot nietigverklaring en niet het onderzoek van de ontvankelijkheid ervan. Om dezelfde reden moeten ook interveniëntes argumenten worden afgewezen waarmee zij aanvoert dat de tweede vordering tot nietigverklaring „absoluut is verjaard” en dat de handelingen waarbij verzoekster uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de eerste vordering tot nietigverklaring, die tegen het bestreden merk was gericht, en haar later de eigendom van een internationale inschrijving heeft overgedragen, tot gevolg hebben dat deze inschrijving en het bestreden merk „niet kunnen worden aangevochten” zijn.

29      Met betrekking tot verzoeksters betoog dat de kamer van beroep artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 in casu ten onrechte heeft toegepast, dient te worden opgemerkt dat partijen het oneens zijn over ten eerste de uitlegging van deze bepaling en de samenhang ervan met artikel 56, lid 3, van die verordening en ten tweede de toepassing ervan in casu.

 Uitlegging van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 en de samenhang ervan met artikel 56, lid 3, van deze verordening

30      In herinnering dient te worden gebracht dat, volgens artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, de houder van een der in lid 1 of lid 2 bedoelde rechten die de nietigverklaring van het Uniemerk heeft gevorderd of een reconventionele vordering in een inbreukprocedure heeft ingesteld, geen nieuwe vordering tot nietigverklaring of reconventionele vordering kan instellen op grond van een van deze andere rechten die hij reeds tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring had kunnen inroepen.

31      Volgens artikel 56, lid 3, van verordening nr. 207/2009 is een vordering tot vervallen- of nietigverklaring niet-ontvankelijk wanneer op een vordering met hetzelfde voorwerp en op dezelfde grond en aangaande dezelfde partijen door het EUIPO of door een rechtbank voor het Uniemerk als bedoeld in artikel 95 van deze verordening bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak ten gronde is gedaan.

32      In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep geoordeeld dat de tweede vordering tot nietigverklaring krachtens artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 niet-ontvankelijk was. Na te hebben herinnerd aan de bewoordingen van deze bepaling, heeft zij daaruit afgeleid dat een vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is wanneer, zoals in casu, aan twee voorwaarden is voldaan.

33      De kamer van beroep heeft geoordeeld, hetgeen partijen niet betwisten, dat de eerste voorwaarde was dat de aanvrager van de nietigverklaring eerder een vordering tot nietigverklaring van hetzelfde Uniemerk had ingesteld.

34      Volgens de kamer van beroep is de tweede voorwaarde dat de nieuwe vordering tot nietigverklaring is gebaseerd op hetzelfde oudere recht of op een ander recht dan dat waarop de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring was gebaseerd, terwijl het bij die oorspronkelijke vordering op goede gronden had kunnen worden ingeroepen. Zij was van oordeel dat daaruit volgde dat indien er al geen nieuwe vordering tot nietigverklaring kon worden ingediend op basis van oudere rechten die niet de grondslag vormden van een oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring, een dergelijke vordering nog minder kon worden gebaseerd op het recht waarop die oorspronkelijke vordering was gebaseerd. Deze regel is gebaseerd op de gedachte dat de houder van een Uniemerk na in een eerste nietigheidsprocedure in het gelijk te zijn gesteld, ervan zal zijn verzekerd dat dit merk niet opnieuw zal kunnen worden betwist door dezelfde aanvrager van de nietigverklaring. Voorts heeft de kamer van beroep in essentie opgemerkt dat, anders dan artikel 56, lid 3, van verordening nr. 207/2009, artikel 53, lid 4, van deze verordening, niet preciseerde dat, voor toepasselijkheid van die bepaling, het EUIPO een beslissing ten gronde over de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring had moeten nemen. Volgens haar leek het gebrek aan duidelijkheid van deze laatste bepaling op dit punt niet het gevolg van een simpele omissie van de wetgever, maar eerder van een bewuste keuze.

35      Verzoekster en interveniënte zijn het erover eens dat er, anders dan voor artikel 56, lid 3, van deze verordening, voor de toepassing van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 geen sprake hoeft te zijn van een beslissing ten gronde over de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring. Verzoekster betwist evenwel dat, zoals de kamer van beroep heeft geoordeeld, artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 zowel van toepassing is wanneer het ter staving van de nieuwe vordering tot nietigverklaring ingeroepen recht reeds in de eerste vordering tot nietigverklaring is ingeroepen als wanneer dit niet is gebeurd.

36      Het EUIPO geeft twee uitleggingen van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 in overweging, die in casu leiden tot tegengestelde conclusies. Volgens dit bureau geldt voor de toepassing van deze bepaling volgens een letterlijke uitlegging niet de voorwaarde dat reeds ten gronde op de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring is beslist, terwijl dit volgens een teleologische uitlegging wel het geval is. In dit tweede geval zou artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 dus enkel van toepassing zijn in aanvulling op artikel 56, lid 3, van deze verordening, naargelang de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring en de nieuwe vordering tot nietigverklaring al dan niet gebaseerd zijn op hetzelfde oudere recht of dezelfde oudere rechten.

37      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, zoals het EUIPO benadrukt, niet in de rechtspraak is uitgelegd.

38      Vervolgens moet worden vastgesteld dat het debat tussen partijen in essentie is toegespitst op twee kwesties, te weten de noodzaak dat er ten gronde op de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring is beslist, met name gelet op de bewoordingen van artikel 56, lid 3, van verordening nr. 207/2009, en het belang dat moet worden gehecht aan de vraag of de vorderingen tot nietigverklaring al dan niet op hetzelfde oudere recht of dezelfde oudere rechten zijn gebaseerd.

39      In dit verband dient te worden geoordeeld dat de uitlegging van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 en de samenhang ervan met artikel 56, lid 3, van deze verordening impliceren dat, zoals verzoekster en het EUIPO aanvoeren, onderscheid moet worden gemaakt tussen vorderingen tot nietigverklaring op basis van hetzelfde oudere recht of dezelfde oudere rechten, genoemd in artikel 53, leden 1 of 2, van verordening nr. 207/2009, en vorderingen op grond van verschillende oudere rechten.

–       Op hetzelfde oudere recht gebaseerde vorderingen tot nietigverklaring

40      Zoals in punt 31 hierboven in herinnering is gebracht, is een vordering tot vervallen- of nietigverklaring krachtens artikel 56, lid 3, van verordening nr. 207/2009 niet-ontvankelijk wanneer op een vordering met hetzelfde voorwerp en op dezelfde grond en aangaande dezelfde partijen door met name het EUIPO bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak ten gronde is gedaan.

41      Artikel 56, lid 3, van verordening nr. 207/2009 ziet dus op de situatie waarin een nieuwe vordering tot nietigverklaring is gebaseerd op hetzelfde oudere recht of dezelfde oudere rechten als die welke zijn ingeroepen ter staving van een oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring.

42      Voorts dient te worden geoordeeld dat, aangezien uit de bewoordingen van artikel 56, lid 3, van verordening nr. 207/2009 voortvloeit dat de bepaalde niet-ontvankelijkheid impliceert dat een beslissing ten gronde is genomen en onherroepelijk is geworden, een nieuwe vordering tot nietigverklaring niet niet-ontvankelijk is wanneer met name de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is verklaard of wanneer zij is ingetrokken voordat de beslissing op die vordering onherroepelijk is geworden.

–       Op verschillende oudere rechten gebaseerde vorderingen tot nietigverklaring

43      Gelet op de bewoordingen van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, die in punt 30 hierboven in herinnering zijn gebracht, kan de aanvrager van de nietigverklaring geen nieuwe vordering instellen op grond van een in artikel 53, lid 1 of lid 2, van deze verordening genoemd ouder recht, dat hij reeds tot staving van zijn oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring had kunnen inroepen. Zoals het EUIPO – in het kader van zijn letterlijke uitlegging van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 – en interveniënte betogen, is een dergelijke nieuwe vordering niet-ontvankelijk, ongeacht of, ten eerste, de procedure betreffende de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring beëindigd of aanhangig is en, ten tweede, zoals de kamer van beroep heeft geoordeeld (punt 33 van de bestreden beslissing), op deze oorspronkelijke vordering al dan niet ten gronde uitspraak is gedaan.

44      De voorwaarde van het bestaan van een beslissing ten gronde is immers niet in de tekst van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 opgenomen en een dergelijke voorwaarde kan, gelet op het doel van deze bepaling, niet worden opgelegd. Anders zouden de mogelijkheden van een houder van verschillende oudere rechten om een vordering tot nietigverklaring in te dienen, ten onrechte worden uitgebreid. Hij zou op basis van dergelijke rechten opeenvolgende vorderingen tot nietigverklaring kunnen instellen tegen hetzelfde Uniemerk, hetgeen in strijd zou zijn met de ratio legis van deze bepaling, die erin bestaat om het onmogelijk te maken dat een aanvrager van de nietigverklaring afzonderlijke, op zijn verschillende in artikel 53, leden 1 en 2, van verordening nr. 207/2009 vermelde oudere rechten gebaseerde vorderingen indient indien deze op het tijdstip van indiening van de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring hadden kunnen worden ingeroepen. Bijgevolg kan de door het EUIPO voorgestelde teleologische uitlegging niet worden aanvaard.

45      Bovendien vloeit uit de ratio legis van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 voort dat deze bepaling zelfs van toepassing is indien de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring is ingetrokken of niet-ontvankelijk is verklaard, aangezien de loutere indiening van een oorspronkelijke vordering volstaat.

46      Daarentegen moet de door interveniënte gesteunde uitlegging van de kamer van beroep worden afgewezen, volgens welke artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 niet alleen van toepassing is wanneer de houder van een in artikel 53, lid 1 of lid 2, van deze verordening genoemd ouder recht een oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring heeft ingediend op grond van een ouder recht dat verschilt van het recht waarop de nieuwe vordering tot nietigverklaring is gebaseerd, maar ook wanneer deze vorderingen tot nietigverklaring op hetzelfde oudere recht zijn gebaseerd. Dienaangaande heeft de kamer van beroep geoordeeld dat, indien er geen nieuwe vordering tot nietigverklaring kan worden ingesteld op grond van oudere rechten die niet de grondslag vormden van een oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring, deze vordering nog minder kan worden gebaseerd op het recht waarop die oorspronkelijke vordering was gebaseerd. Een dergelijke uitlegging kan a fortiori niet worden aanvaard. Ten eerste druist zij in tegen de wil van de wetgever en de duidelijke bewoordingen van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, waarin enkel verschillende oudere rechten worden genoemd, en niet van hetzelfde recht. Ten tweede zou deze uitlegging tot gevolg hebben dat artikel 56, lid 3, van deze verordening van zijn nuttig effect wordt beroofd, en zou zij zelfs indruisen tegen de bewoordingen ervan. Volgens deze uitlegging zou een vordering tot nietigverklaring op de grondslag van hetzelfde, in artikel 53, lid 1 of lid 2, van verordening nr. 207/2009 genoemde, oudere recht als een oorspronkelijke vordering immers zelfs niet-ontvankelijk zijn indien over die oorspronkelijke vordering geen onherroepelijk geworden beslissing ten gronde was genomen.

–       Conclusie over de samenhang tussen artikel 53, lid 4, en artikel 56, lid 3, van verordening nr. 207/2009

47      Uit al het voorgaande volgt dat wanneer hetzelfde in artikel 53, lid 1 of lid 2, van verordening nr. 207/2009 bedoelde oudere recht wordt ingeroepen tot staving van een nieuwe vordering tot nietigverklaring, artikel 56, lid 3, van deze verordening van toepassing is. De nieuwe vordering tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk indien zij hetzelfde voorwerp en dezelfde grond heeft en dezelfde partijen aangaat als de oorspronkelijke vordering waarop bij onherroepelijk geworden beslissing uitspraak ten gronde is gedaan.

48      Wanneer daarentegen een in artikel 53, lid 1 of lid 2, van verordening nr. 207/2009 bedoeld ouder recht wordt ingeroepen tot staving van een nieuwe vordering tot nietigverklaring, terwijl het had kunnen worden ingeroepen als grondslag voor de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring en dat niet is gebeurd, is artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 van toepassing. De nieuwe vordering tot nietigverklaring is dan niet-ontvankelijk.

49      Hieruit volgt dat de kamer van beroep blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 van toepassing was zowel wanneer een ander ouder recht als wanneer hetzelfde oudere recht werd ingeroepen tot staving van een nieuwe vordering tot nietigverklaring (punten 23 en 24 van de bestreden beslissing).

50      Deze onjuiste rechtsopvatting kan slechts leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing met name indien de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring waren gebaseerd op hetzelfde oudere recht of dezelfde oudere rechten als bedoeld in artikel 53, lid 1 of lid 2, van verordening nr. 207/2009.

 Toepassing van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 in casu

51      Opgemerkt zij dat partijen niet betwisten dat de rechtspersonen die de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring hebben ingediend, identiek waren, zodat in casu was voldaan aan de in punt 33 hierboven vermelde eerste voorwaarde van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, zoals de kamer van beroep heeft geoordeeld.

52      Wat de in punt 34 hierboven vermelde tweede voorwaarde van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 betreft, heeft de kamer van beroep opgemerkt dat in casu, ten eerste, uit geen enkel element van het dossier kon worden afgeleid dat de twee in het economisch verkeer gebruikte tekens waarop verzoekster in de tweede vordering tot nietigverklaring aanspraak heeft gemaakt, waren verworven na de datum van indiening van de eerste vordering tot nietigverklaring en, ten tweede, verzoekster dienaangaande geen enkel argument had aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd dat de nietigheidsafdeling terecht had geoordeeld dat artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009 in casu van toepassing was, zelfs al was niet bij een beslissing ten gronde op de eerste vordering tot nietigverklaring uitspraak gedaan.

53      Verzoekster en interveniënte verschillen van mening over de vraag of in casu is voldaan aan de tweede, in punt 34 hierboven aangehaalde voorwaarde. Verzoekster betoogt dat de eerste vordering tot nietigverklaring rechtens niet bestaat, hetgeen het EUIPO en interveniënte betwisten. Bovendien stelt zij dat het tot staving van de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen oudere recht reeds was ingeroepen tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring, hetgeen interveniënte betwist, en op welk punt het EUIPO zich niet uitdrukkelijk uitspreekt in de memorie van antwoord.

–       Eerste vordering tot nietigverklaring

54      Om te beginnen moet worden geoordeeld dat verzoekster, zoals het EUIPO en interveniënte aanvoeren, ten onrechte aanvoert dat de eerste vordering tot nietigverklaring rechtens niet bestaat. Voor zover zij stelt dat de eerste vordering tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 15 van gedelegeerde verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 tot aanvulling van verordening 2017/1001 en tot intrekking van gedelegeerde verordening (EU) 2017/1430 (PB 2018, L 104, blz. 1) moet worden geacht niet te zijn ingediend, moet namelijk worden vastgesteld dat dit artikel bij de indiening van die vordering niet van toepassing was. In elk geval wordt, krachtens lid 2 van de destijds toepasselijke bepaling, te weten regel 39 van verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van verordening nr. 40/94 (PB 1995, L 303, blz. 1), een vordering tot nietigverklaring geacht niet te zijn ingediend indien de verschuldigde taksen niet zijn betaald, en niet indien zij wordt ingetrokken, en is dit ook het geval krachtens artikel 15, lid 1, van gedelegeerde verordening 2018/625. Bovendien heeft, zoals het EUIPO naar voren brengt, de nietigheidsafdeling op 26 april 2006 op de eerste vordering tot nietigverklaring beslist, nadat verzoekster zich had teruggetrokken.

55      Vervolgens moet worden vastgesteld dat de eerste vordering tot nietigverklaring ontvankelijk is verklaard. Hoewel de nietigheidsafdeling in haar mededeling van 17 maart 2006 had aangegeven dat deze vordering moest worden geregulariseerd om ontvankelijk te zijn, heeft zij, anders dan verzoekster stelt, in haar beslissing van 26 april 2006, toen zij de procedure beëindigde nadat verzoekster zich had teruggetrokken, de vordering tot nietigverklaring immers ontvankelijk verklaard.

56      Ook al kan niet worden aangenomen dat op de eerste vordering tot nietigverklaring bij een onherroepelijk geworden beslissing ten gronde uitspraak is gedaan, hetgeen overigens door geen van de partijen wordt gesteld, kan de eerste vordering tot nietigverklaring dus niet worden geacht rechtens niet te bestaan.

–       Ter ondersteuning van de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen rechten

57      Vastgesteld moet worden dat verzoekster en interveniënte het in hun schriftelijke opmerkingen voor het Gerecht oneens zijn over de vraag of het oudere recht of de oudere rechten die tot staving van de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring zijn ingeroepen, dezelfde zijn. Verzoekster stelt dat hetzelfde oudere recht, te weten het teken Grand Hotel Palladium, als grondslag voor deze twee vorderingen is ingeroepen. Interveniënte betwist daarentegen dat bij de eerste vordering tot nietigverklaring de niet-ingeschreven handelsnaam Grand Hotel Palladium is ingeroepen en stelt dat deze vordering was gebaseerd op drie nationale merken en op de bedrijfsnaam Residencial Palladium, SA. Ten slotte spreekt het EUIPO zich in zijn memorie van antwoord niet uitdrukkelijk uit over deze vraag.

58      In de bestreden beslissing heeft de kamer van beroep erop gewezen dat de eerste vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op twee oudere nationale merken en op twee in het economisch verkeer gebruikte tekens met een meer dan alleen plaatselijke betekenis (punten 2 en 3 van de bestreden beslissing), en dat de tweede vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op twee in het economisch verkeer gebruikte tekens van meer dan alleen plaatselijke betekenis (punt 8 van de bestreden beslissing). Zij heeft evenwel geen beschrijving gegeven van de rechten die tot staving van elk van de twee vorderingen zijn ingeroepen, noch, in het bijzonder met betrekking tot de tekens die in het economisch verkeer worden gebruikt, van de aard ervan en de woordelementen waaruit zij bestaan.

59      Wat voorts de eerste vordering tot nietigverklaring betreft, blijkt uit het administratieve dossier van het EUIPO betreffende de onderhavige procedure dat verzoekster heeft aangegeven deze eerste vordering te baseren op een in het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis en op drie oudere nationale merken. Zo heeft zij gepreciseerd dat het bij deze merken ging om de Spaanse merken met de nummers 94047 en 2503994, alsook het Italiaanse merk met het nummer 597136. Wat het ingeroepen teken betreft, heeft zij het vakje „de naam van de vennootschap” aangekruist en daarbij het „woordmerk Residencial Palladium” vermeld en vervolgens, in het aan de toelichtingen voorbehouden gedeelte, gepreciseerd dat de activiteit van de vennootschap bestond in het beheer van hotel Grand Hotel Palladium. Ten slotte heeft zij, op de volgende bladzijde, uitgelegd dat de naam van de vennootschap niet alleen van plaatselijke betekenis was en dat haar hotel Grand Hotel Palladium zeer bekend was.

60      Wat bovendien de tweede vordering tot nietigverklaring betreft, blijkt uit het administratieve dossier van het EUIPO betreffende de onderhavige procedure dat verzoekster zich tot staving van deze vordering heeft beroepen op een in het economisch verkeer gebruikt teken van meer dan alleen plaatselijke betekenis. Zij heeft de vakjes „handelsnaam” en „bedrijfsnaam” aangekruist, waarbij zij het teken Grand Hotel Palladium heeft vermeld en vervolgens in haar toelichtingen heeft aangegeven dat zij de handelsnaam Grand Hotel Palladium gebruikte.

61      Uit het voorgaande vloeit voort dat, ten eerste, op basis van de bestreden beslissing niet voldoende duidelijk en nauwkeurig kan worden bepaald welke oudere rechten zijn ingeroepen tot staving van de eerste en tweede vordering tot nietigverklaring. Ten tweede kan niet worden aangetoond dat de verklaringen van de kamer van beroep dienaangaande in overeenstemming zijn met de elementen in het administratieve dossier van de procedure voor het EUIPO. Ten derde kan uit de vaststellingen van de kamer van beroep niet worden begrepen of afgeleid dat de tweede vordering tot nietigverklaring is gebaseerd op hetzelfde oudere recht of dezelfde oudere rechten als die welke tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring zijn ingeroepen. Dit moet echter wel worden verduidelijkt om te bepalen of de onjuiste rechtsopvatting van de kamer van beroep gevolgen heeft voor het onderhavige geval (zie punt 50 hierboven).

62      Gelet op de in punt 61 uiteengezette tekortkomingen en onnauwkeurigheden in de motivering van het bestreden besluit, moet worden opgemerkt dat het recht op behoorlijk bestuur overeenkomstig artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie met name de plicht van de betrokken diensten behelst om hun beslissingen met redenen te omkleden. Deze verplichting, die eveneens voortvloeit uit artikel 94 van verordening 2017/1001, heeft een tweeledig doel: ten eerste de betrokkenen in staat te stellen kennis te nemen van de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel teneinde hun rechten te kunnen verdedigen, en ten tweede de Unierechter in staat te stellen zijn toezicht op de rechtmatigheid van de betrokken beslissing uit te oefenen (zie in die zin arresten van 10 mei 2012, Rubinstein en L’Oréal/BHIM, C‑100/11 P, EU:C:2012:285, punt 111, en 17 maart 2016, Naazneen Investments/BHIM, C‑252/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:178, punt 29).

63      Deze verplichting heeft dezelfde draagwijdte als die welke voortvloeit uit artikel 296, tweede alinea, VWEU, dat vereist dat de motivering de redenering van degene die de handeling heeft verricht, duidelijk en ondubbelzinnig tot uitdrukking doet komen, zonder dat het nodig is dat alle relevante gegevens feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd. Bij de vraag of de motivering van een handeling aan die vereisten voldoet, moet evenwel niet alleen worden gelet op de bewoordingen ervan, maar ook op de context en op het geheel van rechtsregels die de betrokken materie beheersen (zie in die zin arrest van 21 oktober 2004, KWS Saat/BHIM, C‑447/02 P, EU:C:2004:649, punten 63‑65, en beschikking van 14 april 2016, KS Sports/EUIPO, C‑480/15 P, niet gepubliceerd, EU:C:2016:266, punt 32).

64      De vaststelling van het ontbreken van motivering of van een ontoereikende motivering, betreft de schending van wezenlijke vormvoorschriften in de zin van artikel 263 VWEU en is een middel van openbare orde dat ambtshalve door de Unierechter moet worden opgeworpen (arrest van 2 april 1998, Commissie/Sytraval en Brink’s France, C‑367/95 P, EU:C:1998:154, punt 67).

65      In die omstandigheden heeft het Gerecht overeenkomstig de in de punten 62 tot en met 64 hierboven aangehaalde rechtspraak beslist om ambtshalve te onderzoeken of de kamer van beroep haar motiveringsplicht was nagekomen en heeft het partijen in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang als bedoeld in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verzocht om zich schriftelijk over deze kwestie uit te spreken. In het bijzonder werd verzoekster en het EUIPO verzocht om precies aan te geven op welk ouder recht of welke oudere rechten de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring waren gebaseerd. Interveniënte heeft zich in de memorie van antwoord over deze vraag uitgesproken. Bovendien is partijen verzocht om hun opmerkingen in te dienen over het eventuele ambtshalve onderzoek door het Gerecht van een schending door de kamer van beroep van de in artikel 94 van verordening 2017/1001 neergelegde motiveringsplicht. In dit verband is hun verzocht om aan te geven of zij van mening waren dat op basis van de bestreden beslissing kon worden vastgesteld welke oudere rechten waren ingeroepen tot staving van de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring en of het recht of de rechten die tot staving van de tweede vordering tot nietigverklaring waren ingeroepen, eveneens waren ingeroepen tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring.

66      Vastgesteld moet worden dat verzoekster de vragen van het Gerecht niet binnen de gestelde termijn heeft beantwoord.

67      In antwoord op de eerste vraag van het Gerecht preciseert het EUIPO dat alle door verzoekster ingeroepen rechten vóór de indiening van de eerste vordering tot nietigverklaring waren verworven. Het heeft erop gewezen dat deze aanvraag was gebaseerd op drie nationale merken, te weten de Spaanse merken onder de nummers 94047 en 2503994, die respectievelijk op 16 mei 2001 en 1 mei 2003 zijn ingeschreven, en het Italiaanse merk onder nummer 597136, dat op 4 mei 1993 is ingeschreven, en op de bedrijfsnaam Residencial Palladium. Voorts wijst hij erop dat de tweede vordering tot nietigverklaring was gebaseerd op de „niet-geregistreerde handelsnaam en bedrijfsnaam” Grand Hotel Palladium. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de door het EUIPO vermelde rechten in essentie overeenkomen met de rechten die de rechtsvoorganger van interveniënte in de memorie van antwoord heeft vermeld.

68      In antwoord op de tweede vraag van het Gerecht moet om te beginnen worden opgemerkt dat, ook al erkent het EUIPO dat de in de eerste vordering tot nietigverklaring ingeroepen rechten in de bestreden beslissing onjuist zijn vermeld, en dat het wat betreft het in de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen recht explicieter had kunnen zijn door ook meer in het algemeen een impliciete motivering van de bestreden beslissing aan te halen, het EUIPO en interveniënte van mening zijn dat deze beslissing toereikend is gemotiveerd en het mogelijk maakt om te bepalen of het recht of de rechten die ter ondersteuning van het tweede verzoek tot nietigverklaring zijn ingeroepen, ook ter ondersteuning van de eerste vordering tot nietigverklaring zijn ingeroepen. Niettemin moet worden vastgesteld dat het EUIPO en interveniënte de bestreden beslissing totaal verschillend uitleggen. Het EUIPO is namelijk van mening dat op basis van de bestreden beslissing kan worden vastgesteld dat het recht waarop de tweede vordering tot nietigverklaring is gebaseerd, niet was ingeroepen tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring. Interveniënte is daarentegen van mening dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de ter ondersteuning van de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen rechten reeds zijn ingeroepen tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring.

69      Duidelijker gesteld, en in de eerste plaats: het EUIPO erkent met betrekking tot de eerste vordering tot nietigverklaring dat de kamer van beroep ten onrechte heeft aangegeven dat zij met name was gebaseerd op twee tekens die in het economisch verkeer worden gebruikt.

70      Wat de tweede vordering tot nietigverklaring betreft, erkent het EUIPO dat de kamer van beroep explicieter had kunnen zijn wat de ingeroepen oudere rechten betreft, maar betoogt dat de enige vraag die verzoekster voor de kamer van beroep heeft gesteld, was of artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, bij gebreke van een beslissing ten gronde betreffende de eerste vordering tot nietigverklaring, van toepassing was op de tweede vordering tot nietigverklaring. Vastgesteld dient te worden dat deze stelling van het EUIPO onjuist is. De kamer van beroep heeft in punt 14 van de bestreden beslissing namelijk opgemerkt dat de eerste vordering tot nietigverklaring volgens verzoekster reeds berustte op het teken Grand Hotel Palladium en in punt 16 van de bestreden beslissing dat de rechtsvoorganger van interveniënte dit argument van verzoekster betwistte.

71      Bovendien dient erop te worden gewezen dat de kamer van beroep in punt 23 van de bestreden beslissing heeft geoordeeld dat een vordering tot nietigverklaring, overeenkomstig artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, met name niet-ontvankelijk was wanneer zij „[was] gebaseerd op hetzelfde oudere recht of op een ander recht dan dat waarop de oorspronkelijke vordering tot nietigverklaring was gebaseerd, en dit op goede gronden had kunnen worden ingeroepen”. In punt 24 van de bestreden beslissing heeft zij daaraan toegevoegd dat „indien er al geen nieuwe vordering tot nietigverklaring [kon] worden ingediend op basis van oudere rechten die niet de grondslag vormden van de eerste vordering tot nietigverklaring, een dergelijke vordering nog minder [kon] worden gebaseerd op hetzelfde recht dat reeds in de eerste procedure bestond”. Hieruit volgt dat de kamer van beroep heeft geoordeeld dat het niet nodig was om uitspraak te doen over de vraag of het tot staving van de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen oudere recht of rechten ook als grondslag voor de eerste vordering tot nietigverklaring hadden gediend, en niet dat deze vraag in casu niet ter discussie had gestaan.

72      De door het EUIPO aangehaalde punten 10, 13 en 19 van de bestreden beslissing bevatten geen enkele aanduiding van een teken dat tot staving van een van de twee vorderingen tot nietigverklaring is ingeroepen. Bovendien blijkt uit die punten 10 en 19 dat zij hoofdzakelijk betrekking hebben op de tekst van artikel 53, lid 4, van verordening nr. 207/2009, zonder dat daaruit kan worden afgeleid of het recht of de rechten waarop de tweede vordering tot nietigverklaring was gebaseerd, waren ingeroepen tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring, in het bijzonder gelet op de onnauwkeurigheid van de bestreden beslissing wat de identificatie van deze rechten betreft en gelet op de overwegingen van de kamer van beroep in de punten 23 en 24 van die beslissing.

73      Ten slotte voert het EUIPO aan dat, aangezien de kamer van beroep de beslissing van de nietigheidsafdeling in haar geheel heeft bevestigd, deze beslissing en de motivering ervan deel uitmaken van de context waarin de bestreden beslissing is vastgesteld. Het leidt daaruit af dat aan de hand van deze beslissing en deze context kan worden bepaald welke oudere rechten ter ondersteuning van de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring zijn ingeroepen, en kan worden vastgesteld dat het of de tot staving van de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen recht of rechten niet in de eerste vordering tot nietigverklaring was of waren ingeroepen. Gelet op het voorgaande, te weten de onnauwkeurigheden met betrekking tot de rechten die in de twee vorderingen tot nietigverklaring zijn ingeroepen, het meningsverschil tussen de partijen over de vraag of het ter ondersteuning van de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen teken reeds bij de eerste vordering tot nietigverklaring was ingeroepen, en het oordeel van de kamer van beroep dat het in essentie van weinig belang was om dit meningsverschil te beslechten (zie punten 69‑72 hierboven), kan evenwel niet worden aangenomen dat de motivering van de beslissing van de nietigheidsafdeling de tekortkomingen en onnauwkeurigheden in de motivering van de bestreden beslissing kan verhelpen.

74      In de tweede plaats heeft de kamer van beroep volgens interveniënte met betrekking tot de eerste vordering tot nietigverklaring vermeld dat de ingeroepen rechten met name twee in het economisch verkeer gebruikte tekens waren. Uit deze vordering blijkt dat verzoekster deze twee tekens heeft geïdentificeerd als Residencial Palladium en Grand Hotel Palladium. Wat de tweede vordering tot nietigverklaring betreft, is interveniënte van mening dat de oudere rechten duidelijk zijn omschreven in de bestreden beslissing, waaruit naar voren zou komen dat verzoekster zich heeft beroepen op een handelsnaam, Grand Hotel Palladium, en een bedrijfsnaam, Residencial Palladium.

75      Vastgesteld dient te worden dat interveniënte aldus benadrukt dat de tot staving van elk van de vorderingen tot nietigverklaring ingeroepen rechten in de bestreden beslissing niet duidelijk en nauwkeurig zijn omschreven en dat zij de ingeroepen rechten anders opvat dan het EUIPO in zijn antwoord op de vragen van het Gerecht.

76      Bovendien is interveniënte, anders dan het EUIPO stelt, van mening dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de kamer van beroep van oordeel was dat de in de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen rechten werden ingeroepen tot staving van de eerste vordering tot nietigverklaring.

77      Bijgevolg dient te worden geoordeeld dat, gelet op de in punt 61 hierboven uiteengezette gebreken in de motivering van de bestreden beslissing, die worden bevestigd door de tegengestelde uitleggingen die het EUIPO en interveniënte van de bestreden beslissing hebben gegeven van de overwegingen van de kamer van beroep inzake de rechten die zijn ingeroepen tot staving van elk van de vorderingen tot nietigverklaring, niet voldoende duidelijk en nauwkeurig uit de bestreden beslissing naar voren komt welke rechten dat zijn en of de kamer van beroep heeft geoordeeld dat het recht of de rechten, ingeroepen tot staving van de tweede vordering tot nietigverklaring, al dan niet was of waren ingeroepen in het kader van de eerste vordering tot nietigverklaring.

78      Bijgevolg dient verzoeksters eerste vordering te worden toegewezen en dient de bestreden beslissing te worden vernietigd, voor zover de kamer van beroep de haar bij artikel 94 van verordening 2017/1001 opgelegde motiveringsplicht niet is nagekomen door de tot staving van de eerste en de tweede vordering tot nietigverklaring ingeroepen oudere rechten niet duidelijk en nauwkeurig te identificeren, zodat de Unierechter niet in staat is om de gevolgen van de onjuiste rechtsopvatting van de kamer van beroep voor de rechtmatigheid van de bestreden beslissing te beoordelen. Het beroep dient voor het overige te worden verworpen.

 Kosten

79      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het EUIPO op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld, dient het overeenkomstig verzoeksters vordering te worden verwezen in de kosten.

80      Daarenboven zal interveniënte haar eigen kosten dragen, aangezien zij op de voornaamste punten in het ongelijk is gesteld.


HET GERECHT (Vijfde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      De beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 12 februari (zaak R 231/20194) wordt vernietigd.

2)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)      Het EUIPO draagt zijn eigen kosten alsmede die van Residencial Palladium, SL.

4)      Palladium Gestión, SL draagt haar eigen kosten.

Spielmann

Spineanu-Matei

Mastroianni

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 15 september 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Spaans.