Language of document : ECLI:EU:C:2020:517

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

2 juli 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Instandhouding van de natuurlijke habitats en van de wilde flora en fauna – Richtlijn 92/43/EEG – Artikel 12, lid 1 – Systeem van strikte bescherming van diersoorten – Bijlage IV – Cricetus cricetus (veldhamster) – Voortplantings- en rustplaatsen – Beschadiging of vernieling – Verlaten plaatsen”

In zaak C‑477/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Verwaltungsgericht Wien (bestuursrechter in eerste aanleg Wenen, Oostenrijk) bij beslissing van 12 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 21 juni 2019, in de procedure

IE

tegen

Magistrat der Stadt Wien,

wijst

HET HOF (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: P. G. Xuereb, kamerpresident, A. Arabadjiev (rapporteur) en A. Kumin, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        IE, vertegenwoordigd door zichzelf,

–        de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door M. Smolek, J. Vláčil en L. Dvořáková als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door C. Hermes en M. Noll‑Ehlers als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 12, lid 1, onder d), van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7; hierna: „habitatrichtlijn”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen IE – een werknemer van een projectontwikkelaar – en de Magistrat der Stadt Wien (stadsbestuur van Wenen, Oostenrijk) betreffende de administratieve beslissing van dit stadsbestuur om IE een geldboete op te leggen en, bij niet‑betaling daarvan, een vervangende vrijheidsstraf omdat hij in het kader van een bouwproject voortplantings- of rustplaatsen zou hebben beschadigd of vernield van de Cricetus cricetus (veldhamster), die op de lijst van beschermde diersoorten staat in bijlage IV, onder a), van de voormelde richtlijn.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 2 van de habitatrichtlijn bepaalt:

„1.      Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is.

2.      De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.

3.      In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.”

4        Artikel 12, lid 1, van deze richtlijn luidt:

„De lidstaten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, letter a), vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:

a)      het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten;

b)      het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;

c)      het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur;

d)      de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.”

5        De lijst van diersoorten „van communautair belang die strikt moeten worden beschermd” is opgenomen in bijlage IV, onder a), bij deze richtlijn en vermeldt onder meer de Cricetus cricetus (veldhamster).

 Oostenrijks recht

6        Het Wiener Naturschutzgesetz (Weense natuurbeschermingswet) van 31 augustus 1998 (LGBl. für Wien, 45/1998; hierna: „WNSchG”), heeft de habitatrichtlijn in nationaal recht omgezet voor de deelstaat Wenen (Oostenrijk).

7        § 10, lid 3, punt 4, van het WNSchG herneemt artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn en bepaalt met name dat het verboden is om de voortplantings- of rustplaatsen van strikt beschermde diersoorten te beschadigen of vernielen.

8        De op schending van § 10, lid 3, punt 4, gestelde sancties zijn opgenomen in § 49, lid 1, punt 5, van het WNSchG. Volgens deze bepaling kan aan eenieder die in strijd met de leden 3 of 4 van § 10 van het WNSchG voortplantings- of rustplaatsen van strikt beschermde diersoorten beschadigt of vernielt een geldboete worden opgelegd van maximaal 21 000 EUR of, bij niet‑betaling daarvan, een vervangende vrijheidsstraf van maximaal vier weken, en in geval van herhaling een geldboete van maximaal 35 000 EUR of, bij niet‑betaling daarvan, een vervangende vrijheidsstraf van maximaal zes weken.

9        Volgens § 22, lid 5, van het WNSchG kan de bevoegde autoriteit individuele ingrepen toestaan mits de beoogde maatregel, alleen of in combinatie met andere bij deze autoriteit aangevraagde maatregelen, de doelstelling van bescherming niet aanzienlijk in gevaar brengt.

10      In de bijlage bij het WNSchG wordt de Cricetus cricetus (veldhamster) aangemerkt als een strikt beschermde diersoort.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Een projectontwikkelaar, de werkgever van IE, heeft bouwwerkzaamheden ondernomen op een terrein waar de veldhamster zich had gevestigd. De eigenaar van dit terrein, die bekend was met deze situatie, heeft de projectontwikkelaar daarvan op de hoogte gebracht, die daarop vóór de aanvang van de werken een milieudeskundige heeft aangesteld. Deze laatste heeft de ingangen van de hamsterburchten in kaart gebracht en heeft in een welbepaalde zone aangegeven of deze holen al dan niet bewoond werden.

12      Vóór de uitvoering van de werkzaamheden heeft de projectontwikkelaar de vegetatielaag laten weghalen, de bouwplaats laten vrijmaken en vlak bij de ingangen van de hamsterburchten een bouwwerfpad laten aanleggen (hierna: „schadelijke maatregelen”). Met het verwijderen van de vegetatielaag werd met name beoogd om de veldhamster – voor zover die gevestigd was op delen van het terrein waar de bouwwerkzaamheden zouden worden verricht – te doen wegtrekken naar specifiek voor haar voorbehouden terreinen waar zij bescherming zou genieten. Bij de bevoegde autoriteit werd echter geen voorafgaande toestemming voor de schadelijke maatregelen aangevraagd, en deze werd dus niet verkregen vóór het begin van de werkzaamheden. Bovendien werden minstens twee burchtingangen vernield.

13      Het stadsbestuur van Wenen heeft dan ook geoordeeld dat IE als werknemer van de projectontwikkelaar aansprakelijk was voor de beschadiging of vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van de veldhamster en heeft hem overeenkomstig § 10, lid 3, punt 4, van het WNSchG een geldboete opgelegd die bij niet‑betaling ervan kon worden omgezet in een vrijheidsstraf.

14      IE heeft tegen de oplegging van die geldboete beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Wien (bestuursrechter in eerste aanleg Wenen, Oostenrijk), en heeft daarbij met name aangevoerd dat de veldhamster de holen niet gebruikte op het tijdstip waarop de schadelijke maatregelen werden uitgevoerd en dat deze maatregelen bovendien geen beschadiging of vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van deze diersoort hadden veroorzaakt.

15      De verwijzende rechter heeft in deze context vragen over de uitlegging van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn. Hij wijst erop dat schending van de nationale bepaling waarbij artikel 12, lid 1, onder d), is omgezet, tot strafsancties kan leiden, en het dus noodzakelijk is de begrippen van deze bepaling – zoals „rustplaats”, „voortplantingsplaats”, „beschadiging” en „vernieling” – nauwkeurig te definiëren. Hij is in het bijzonder van mening dat de beschouwingen van de Europese Commissie in haar richtsnoeren voor de door de habitatrichtlijn 92/43/EEG voorgeschreven strikte bescherming van diersoorten van communautair belang (finale versie, februari 2007) onnauwkeurig zijn en zeer veel ruimte laten bij de uitlegging van die begrippen.

16      In die omstandigheden heeft het Verwaltungsgericht Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet het begrip ‚rustplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat daaronder ook voormalige rustplaatsen vallen die inmiddels zijn verlaten?

Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet iedere inmiddels verlaten voormalige rustplaats als een ‚rustplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn worden aangemerkt?

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een inmiddels verlaten voormalige rustplaats als een ‚rustplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn moet worden aangemerkt?

2)      Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een ingreep in een ‚rustplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is?

3)      Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een dusdanig zwaarwegende ingreep in een ‚rustplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is, dat van een ‚beschadiging’, eveneens in de zin van deze bepaling, van deze ‚rustplaats’ moet worden uitgegaan?

4)      Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een dusdanig zwaarwegende ingreep in een ‚rustplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is, dat van ‚vernieling’, eveneens in de zin van deze bepaling, van deze ‚rustplaats’ moet worden uitgegaan?

5)      Moet het begrip ‚voortplantingsplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn aldus worden uitgelegd dat daarmee op de eerste plaats enkel wordt gedoeld op de exact af te bakenen plaats waar regelmatig paringshandelingen in strikte zin of handelingen binnen een begrensd gebied die direct met de voortplanting verband houden (zoals bijvoorbeeld kuitschieten) plaatsvinden, of dat op de tweede plaats ook wordt gedoeld op alle exact af te bakenen plaatsen die strikt noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van het jonge dier, zoals bijvoorbeeld broedplaatsen of plantendelen die van belang zijn voor het larve- of rupsstadium?

Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:

Hoe moet het begrip ‚voortplantingsplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn worden opgevat en hoe moet een ‚voortplantingsplaats’ ten opzichte van andere plaatsen ruimtelijk worden afgebakend?

6)      Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een ingreep in een ‚voortplantingsplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is?

7)      Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een dusdanig zwaarwegende ingreep in een ‚voortplantingsplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is, dat van ‚beschadiging’, eveneens in de zin van deze bepaling, van deze ‚voortplantingsplaats’ moet worden uitgegaan?

8)      Volgens welke criteria moet worden beoordeeld of een bepaald handelen of nalaten een dusdanig zwaarwegende ingreep in een ‚voortplantingsplaats’ in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn is, dat van ‚vernieling’, eveneens in de zin van deze bepaling, van een ‚voortplantingsplaats’ moet worden uitgegaan?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste vraag

17      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „rustplaatsen” in deze bepaling ook ziet op rustplaatsen die niet meer worden bewoond door een van de in bijlage IV, onder a), bij deze richtlijn genoemde beschermde diersoorten, zoals de Cricetus cricetus (veldhamster).

18      Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat de habitatrichtlijn volgens artikel 2, lid 1, ervan tot doel heeft bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het in stand houden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten. Verder bepaalt dit artikel in de leden 2 en 3 dat de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de voor de Europese Unie belangrijke natuurlijke habitats en wilde dier- en plantensoorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen, en deze maatregelen rekening houden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.

19      Volgens artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn moeten de lidstaten de nodige maatregelen treffen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de in bijlage IV, onder a), bij deze richtlijn vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, en moet daarbij een verbod worden ingesteld op de beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen.

20      De naleving van deze bepaling verplicht de lidstaten niet alleen tot het vaststellen van een volledig rechtskader, maar ook tot het treffen van concrete en specifieke beschermingsmaatregelen. Tevens veronderstelt het systeem van strikte bescherming het vaststellen van coherente en gecoördineerde preventieve maatregelen. Dit systeem van strikte bescherming moet dus toelaten daadwerkelijk de beschadiging of vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van de in bijlage IV, onder a), bij de habitatrichtlijn opgenomen diersoorten te voorkomen (zie in die zin arresten van 9 juni 2011, Commissie/Frankrijk, C‑383/09, EU:C:2011:369, punten 19‑21, en 10 oktober 2019, Luonnonsuojeluyhdistys Tapiola, C‑674/17, EU:C:2019:851, punt 27).

21      Voorts zij erop gewezen dat de Cricetus cricetus – algemeen bekend als de „veldhamster” – één van de door de habitatrichtlijn beschermde diersoorten is.

22      Tegen de achtergrond van deze inleidende overwegingen moet de eerste vraag worden onderzocht.

23      Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 21 november 2019, Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, C‑678/18, EU:C:2019:998, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      Wat ten eerste de bewoordingen van artikel 12 van de habitatrichtlijn betreft, is in de punten 19 en 20 van het onderhavige arrest uiteengezet dat de lidstaten volgens dit artikel de nodige maatregelen moeten treffen om een systeem in te stellen waarbij beschermde diersoorten strikt worden beschermd in hun natuurlijke verspreidingsgebied, en dat zij volgens lid 1, onder d), van dit artikel de nodige maatregelen moeten nemen om de beschadiging of vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van deze diersoorten te verbieden.

25      Aldus moet worden vastgesteld dat de bewoordingen van artikel 12 van de habitatrichtlijn geenszins van nut zijn bij het definiëren van het begrip „rustplaatsen”.

26      Wat ten tweede de context van deze bepaling betreft, moet worden opgemerkt dat dit begrip noch in artikel 1 noch in een andere bepaling van de habitatrichtlijn wordt gedefinieerd.

27      Er zij evenwel aan herinnerd dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn niet alleen ziet op opzettelijke handelingen, maar ook op handelingen die dat niet zijn (zie in die zin arrest van 20 oktober 2005, Commissie/Verenigd Koninkrijk, C‑6/04, EU:C:2005:626, punten 77‑79). Door het in artikel 12, lid 1, onder d), van deze richtlijn gestelde verbod niet te beperken tot opzettelijke handelingen, anders dan het geval is voor de handelingen onder a) tot en met c), van deze bepaling, heeft de Uniewetgever zijn wil te kennen gegeven, de voortplantings‑ of rustplaatsen een verhoogde bescherming te bieden tegen handelingen die beschadiging of vernieling ervan veroorzaken (arrest van 10 januari 2006, Commissie/Duitsland, C‑98/03, EU:C:2006:3, punt 55).

28      Bovendien heeft het verbod waarin artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn voorziet, anders dan het verbod dat is gesteld op de handelingen die onder a) tot en met c), van dit lid worden genoemd, niet rechtstreeks betrekking op de diersoorten maar op de bescherming van belangrijke delen van hun habitat.

29      Hieruit volgt dat de door artikel 12, lid 1, onder d), van deze richtlijn geboden strikte bescherming ertoe strekt het behoud van belangrijke delen van de habitat van beschermde diersoorten te verzekeren, zodat zij in de essentiële voorwaarden verkeren om onder meer te rusten.

30      Dezelfde conclusie volgt ook uit de in punt 15 van dit arrest vermelde richtsnoeren van de Commissie, waarin wordt gepreciseerd dat rustplaatsen, gedefinieerd als voor het bestaan van een dier of groep van dieren essentiële zones wanneer ze niet-actief zijn, „moeten worden beschermd, zelfs wanneer [ze] niet worden gebruikt maar er redelijkerwijs een grote kans bestaat dat de betrokken soort terugkeert naar deze [...] zones”.

31      Derhalve moet worden geoordeeld dat uit de context van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn blijkt dat rustplaatsen die niet meer worden ingenomen door een beschermde diersoort, niet mogen worden beschadigd of vernield wanneer die soorten kunnen terugkeren naar die plaatsen.

32      Wat ten derde het doel van de habitatrichtlijn betreft, zij eraan herinnerd dat deze richtlijn, zoals in de punten 18 tot en met 20 van het onderhavige arrest is aangegeven, een strikte bescherming van diersoorten beoogt te verzekeren aan de hand van onder meer de in artikel 12, lid 1, ervan gestelde verboden (zie in die zin arresten van 10 mei 2007, Commissie/Oostenrijk, C‑508/04, EU:C:2007:274, punten 109‑112, en 15 maart 2012, Commissie/Polen, C‑46/11, niet gepubliceerd, EU:C:2012:146, punt 29).

33      Met de beschermingsregeling van artikel 12 van de habitatrichtlijn moet dus daadwerkelijk kunnen worden vermeden dat beschermde diersoorten en met name hun habitat worden getroffen.

34      Het zou niet stroken met deze doelstelling om rustplaatsen van een beschermde diersoort niet te beschermen wanneer deze niet meer worden ingenomen maar er een voldoende grote kans bestaat dat de betrokken soort ernaar zal terugkeren, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

35      Derhalve is het niet omdat een rustplaats niet meer wordt bewoond door een beschermde diersoort, dat die plaats niet in aanmerking komt voor de bescherming die door artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn wordt gewaarborgd.

36      Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „rustplaatsen” in deze bepaling ook ziet op rustplaatsen die niet meer worden bewoond door een van de in bijlage IV, onder a), bij deze richtlijn genoemde beschermde diersoorten, zoals de Cricetus cricetus (veldhamster), wanneer de kans voldoende groot is dat deze soort zal terugkeren naar die plaatsen, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

 Vijfde vraag

37      Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „voortplantingsplaatsen” in deze bepaling enkel slaat op de plaats die exact kan worden afgebakend en waar regelmatig paringshandelingen of handelingen die direct verband houden met de voortplanting plaatsvinden, dan wel ook op de plaats die absoluut noodzakelijk is voor de ontwikkeling van de jongen van de betrokken soort.

38      Volgens de Commissie geeft de verwijzende rechter echter niet aan waarom deze vraag relevant is, en betreft het dus een hypothetische vraag.

39      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de in artikel 267 VWEU neergelegde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak van de nationale rechter is aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt. Wanneer de gestelde vragen de uitlegging van Unierecht betreffen, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie onder meer arrest van 5 maart 2015, Banco Privado Português en Massa Insolvente do Banco Privado Português, C‑667/13, EU:C:2015:151, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen inzake de uitlegging van het recht van de Unie die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn verantwoordelijkheid geschetste feitelijke en wettelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid ervan te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk op generlei wijze verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is en voorts wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 26 juli 2017, Persidera, C‑112/16, EU:C:2017:597, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41      In casu zij erop gewezen dat in het verzoek om een prejudiciële beslissing niet wordt verduidelijkt wat de relevantie van het begrip „voortplantingsplaats” is voor de beslechting van het hoofdgeding.

42      Ten eerste blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt immers dat de schadelijke maatregelen ontegenzeggelijk gevolgen hebben gehad voor rustplaatsen, waarbij de verwijzende rechter enkel wenst te vernemen of dergelijke plaatsen ook dan nog als „rustplaatsen” kunnen worden aangemerkt, wat het in artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn vastgestelde verbod betreft, wanneer deze niet meer bewoond worden door de veldhamster.

43      Ten tweede bevat de verwijzingsbeslissing geen feitelijke of juridische gegevens aan de hand waarvan kan worden nagegaan of en in welke mate, bovenop de kwalificatie van het gedeelte van de natuurlijke habitat van de veldhamster als „rustplaats”, de kwalificatie van deze habitat als „voortplantingsplaats” enig verschil zou maken voor de uitkomst van het hoofdgeding.

44      Naast het feit dat het volgens de in punt 40 van dit arrest aangehaalde rechtspraak niet aan het Hof staat om de juistheid van het door de verwijzende rechter geschetste feitelijke kader te onderzoeken, zij erop gewezen dat uit de tekst van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn uitdrukkelijk blijkt dat het verbod op beschadiging of vernieling slaat op voortplantingsplaatsen óf rustplaatsen van beschermde diersoorten en niet verschillend wordt toegepast naargelang het gedeelte van de betrokken natuurlijke habitat waar het om gaat.

45      Bijgevolg is de vijfde vraag niet-ontvankelijk.

 De tweede tot en met de vierde en de zesde tot en met de achtste vraag

46      Met de tweede tot en met de vierde en de zesde tot en met de achtste prejudiciële vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen hoe de begrippen „beschadiging” en „vernieling” in de zin van artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn moeten worden uitgelegd.

47      Volgens de Commissie zijn deze vragen evenwel hypothetisch.

48      In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat door de schadelijke maatregelen twee burchtingangen van de veldhamster zijn vernield, wat betekent dat de burchten op zijn minst werden beschadigd.

49      Ten eerste zij er echter op gewezen dat artikel 12, lid 1, onder d), van de habitatrichtlijn betrekking heeft op de beschadiging óf de vernieling van voortplantings- of rustplaatsen van beschermde diersoorten.

50      Ten tweede moet worden opgemerkt dat deze bepaling voor het verbod op beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen geen onderscheid maakt naargelang de aard van de aantasting daarvan. In dit verband staat vast dat uit de aan het Hof overgelegde gegevens niet blijkt dat in de beslissing waarbij de nationale autoriteiten een geldboete aan IE hebben opgelegd die, bij niet-betaling ervan, kan worden omgezet in een vrijheidsstraf, voor de ernst van de opgelegde sanctie een onderscheid zou zijn gemaakt naargelang het gaat om een beschadiging dan wel een vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen van beschermde diersoorten.

51      Gelet op de in punt 40 van dit arrest aangehaalde rechtspraak hoeft bijgevolg niet te worden geantwoord op de tweede tot en met de vierde en de zesde tot en met de achtste vraag.

 Kosten

52      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:

Artikel 12, lid 1, onder d), van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „rustplaatsen” in deze bepaling ook ziet op rustplaatsen die niet meer worden bewoond door een van de in bijlage IV, onder a), bij deze richtlijn genoemde beschermde diersoorten, zoals de Cricetus cricetus (veldhamster), wanneer de kans voldoende groot is dat deze soort zal terugkeren naar die plaatsen, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit te verifiëren.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.