Language of document :

Mededeling in het PB

 

ARREST VAN HET HOF

(grote kamer)

van 7 september 2004

in zaak C-456/02 [verzoek van de Arbeidsrechtbank te Brussel (België) om een prejudiciële beslissing]: Michel Trojani tegen Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Brussel (OCMW) (1)

(Vrij verkeer van personen - Burgerschap van Europese Unie - Verblijfsrecht - Richtlijn 90/364/EEG - Beperkingen en voorwaarden - Persoon die voor opvangtehuis werkt tegen vergoeding in natura - Recht op uitkeringen van bijstandsregeling)

(Procestaal: Frans)

(Voorlopige vertaling; de definitieve vertaling verschijnt in de Jurisprudentie van het Hof)

In zaak C-456/02, betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Arbeidsrechtbank te Brussel (België) bij vonnis van 21 november 2002, ingekomen bij het Hof op 18 december 2002, in de procedure: Michel Trojani tegen Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Brussel (OCMW), heeft het Hof (grote kamer), samengesteld als volgt: V. Skouris, president, P. Jann, C. W. A. Timmermans, C. Gulmann, J.-P. Puissochet en J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur), kamerpresidenten, R. Schintgen, F. Macken, N. Colneric, S. von Bahr en K. Lenaerts, rechters, advocaat-generaal: L. A. Geelhoed, griffier: M. Múgica Arzamendi, hoofdadministrateur, op 7 september 2004 een arrest gewezen waarvan het dictum luidt als volgt:

1)    Een persoon die in de omstandigheden van verzoeker in het hoofdgeding verkeert, valt niet onder de artikelen 43 EG en 49 EG, en kan enkel aanspraak maken op een verblijfsrecht op grond van zijn hoedanigheid van werknemer in de zin van artikel 39 EG indien zijn arbeid in loondienst een reëel en daadwerkelijk karakter heeft. Het staat aan de verwijzende rechter om de nodige feitelijke vaststellingen te doen om uit te maken of dat in de bij hem aanhangige zaak het geval is.

2)    Een burger van de Unie die in het gastland geen verblijfsrecht heeft op grond van de artikelen 39 EG, 43 EG of 49 EG, kan er met rechtstreekse toepassing van artikel 18, lid 1, EG op de enkele grond van zijn Europees burgerschap een verblijfsrecht hebben. De uitoefening van dit recht is onderworpen aan de beperkingen en voorwaarden van die bepaling, maar de bevoegde autoriteiten dienen erop toe te zien dat deze beperkingen en voorwaarden worden toegepast met inachtneming van de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. Zodra blijkt dat een persoon die in de omstandigheden van verzoeker in het hoofdgeding verkeert, een verblijfsvergunning heeft, kan deze evenwel met een beroep op artikel 12 EG aanspraak maken op een uitkering van de socialebijstandsregeling, zoals het bestaansminimum.

____________

1 - PB C 44 van 22.2.2003.