Language of document : ECLI:EU:C:2020:431

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

4 juni 2020 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 7, lid 1 – Consumentenkrediet – Toetsing van het oneerlijke karakter – Niet-verschenen consument – Omvang van de taak van de rechter”

In zaak C‑495/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Poznaniu (rechter in tweede aanleg Poznań, Polen) bij beslissing van 14 mei 2019, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2019, in de procedure

Kancelaria Medius SA

tegen

RN,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: M. Safjan, kamerpresident, C. Toader (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        Kancelaria Medius SA, vertegenwoordigd door D. Woźniak, adwokat,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en R. Kissné Berta als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door N. Ruiz García en A. Szmytkowska als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Kancelaria Medius SA en RN over een schuldvordering die deze laatste verschuldigd zou zijn uit hoofde van een consumentenkredietovereenkomst.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        Artikel 1, lid 1, van richtlijn 93/13 bepaalt:

„Deze richtlijn strekt tot de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument.”

4        Artikel 2, onder b) en c), van deze richtlijn definieert de begrippen „consument” en „verkoper” als volgt:

„b)      consument: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen;

c)      verkoper: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.”

5        Artikel 3, lid 1, van die richtlijn bepaalt:

„Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”

6        Artikel 6, lid 1, van diezelfde richtlijn luidt:

„De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.”

7        In artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 is het volgende bepaald:

„De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.”

 Pools recht

8        Artikel 339 van de Kodeks postępowania cywilnego (wetboek van burgerlijke rechtsvordering) bepaalt het volgende:

„§ 1.      Indien de verweerder niet ter terechtzitting verschijnt of ondanks zijn verschijning niet deelneemt aan de behandeling, wijst de rechter een verstekvonnis.

§ 2.      In dat geval worden de feitelijke beweringen van de verzoeker die zijn opgenomen in het verzoekschrift of in de memories die vóór de terechtzitting aan de verweerder zijn betekend, als waar beschouwd, tenzij deze beweringen gegronde twijfels doen rijzen of zijn aangevoerd om de wet te omzeilen.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        Kancelaria Medius, een vennootschap die is gevestigd in Krakau (Polen) en incassodiensten verleent, heeft bij de Sąd Rejonowy w Trzciance (rechter in eerste aanleg Trzcianka, Polen) tegen RN een beroep ingesteld tot betaling van 1 231 Poolse zloty (PLN) (ongeveer 272 EUR), vermeerderd met de verschuldigde rente, op grond van een consumentenkredietovereenkomst die RN zou hebben gesloten met Kreditech Polska Spółka z ograniczoną odpowiedzialnością (besloten vennootschap), een in Warschau (Polen) gevestigde bankinstelling en rechtsvoorgangster van Kancelaria Medius.

10      Ter ondersteuning van haar beroep heeft Kancelaria Medius een afschrift overgelegd van een raamovereenkomst die niet door RN was ondertekend, alsook documenten ter bevestiging van de met haar rechtsvoorgangster gesloten akte van cessie van de schuldvordering.

11      De Sąd Rejonowy w Trzciance heeft geoordeeld dat het bestaan van de betrokken vordering niet bleek uit de door Kancelaria Medius ingebrachte documenten en bewijzen. Hoewel RN niet ter terechtzitting verschenen is, heeft de rechter een verstekvonnis gewezen en het beroep verworpen.

12      Kancelaria Medius heeft tegen de beslissing van de Sąd Rejonowy w Trzciance hoger beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Poznaniu (rechter in tweede aanleg Poznań, Polen), onder het betoog dat de rechter in eerste aanleg zich overeenkomstig artikel 339, § 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering uitsluitend had moeten baseren op de documenten die door haar waren overgelegd.

13      De verwijzende rechter, bij wie dit hoger beroep aanhangig is, wijst erop dat de procedureregels inzake een verstekvonnis in het Poolse recht tevens van toepassing zijn op gedingen die door verkopers zijn ingesteld tegen consumenten.

14      Voorts zet de verwijzende rechter uiteen dat de voorwaarden voor een verstekvonnis in casu overeenkomstig artikel 339 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering waren vervuld, aangezien de verwerende partij geen verweerschrift had ingediend, ofschoon haar naar behoren een exemplaar van het verzoekschrift was betekend. Daarbij moet worden opgemerkt dat krachtens artikel 139 van dit wetboek een zogeheten „vervangende” betekening wordt geacht te hebben plaatsgevonden wanneer de partij de zending die haar door de rechtbank is betekend niet in ontvangst heeft genomen hoewel zij daartoe wel de kans heeft gekregen.

15      In deze omstandigheden betwijfelt de verwijzende rechter of een nationale bepaling, zoals artikel 339, § 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, in overeenstemming is met het door richtlijn 93/13 vereiste niveau van consumentenbescherming, met name wat betreft de verplichting van de rechter om het eventueel oneerlijke karakter van bedingen in een met een consument gesloten overeenkomst ambtshalve te toetsen.

16      De formulering van artikel 339, § 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering zou de rechter er namelijk toe verplichten tegen een consument een verstekvonnis wijzen waarvan de feitelijke grondslag uitsluitend bestaat uit de verklaringen van de verzoeker, in dit geval een verkoper, die geacht worden waar te zijn, tenzij zij „gegronde twijfels” doen rijzen dan wel de rechter van oordeel is dat deze verklaringen „zijn aangevoerd om de wet te omzeilen”. Hieruit volgt dat hoe beknopter de door de verkoper aangevoerd informatie is, hoe minder waarschijnlijk de rechter „gegronde twijfels” krijgt.

17      De verwijzende rechter noemt de rechtspraak van het Hof, met name de arresten van 13 september 2018, Profi Credit Polska (C‑176/17, EU:C:2018:711, punten 40 en 57), en 3 april 2019, Aqua Med (C‑266/18, EU:C:2019:282, punt 47), volgens welke de bepalingen van het nationale recht de gelijkwaardigheidsbeginselen alsmede het recht op een doeltreffende voorziening in rechte – neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – moeten eerbiedigen. Artikel 339, § 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, dat van toepassing is op alle nationale procedures in burgerlijke zaken, eerbiedigt dan wel het gelijkwaardigheidsbeginsel, maar de verwijzende rechter koestert twijfels over het vereiste van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte in het geval dat de nationale rechter het oneerlijke karakter van de contractuele bedingen niet ambtshalve zou kunnen toetsen.

18      Dit zou in casu het geval zijn wat betreft het vonnis in eerste aanleg, waarin, overeenkomstig artikel 339, § 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, de rechter de vordering van de verzoeker had moeten toewijzen zonder het bestaan en de inhoud van de overeenkomst te kunnen beoordelen.

19      In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Poznaniu de behandeling van de zaak geschorst en het Hof volgende prejudiciële vraag gesteld:

„Moet artikel 7, lid 1, van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een procedurele regeling volgens welke een rechter een verstekvonnis kan wijzen louter op basis van de in het verzoekschrift opgenomen beweringen van de verzoeker, die door de rechter voor waar moeten worden aangenomen indien de verweerder – een consument – naar behoren in kennis is gesteld van de zittingsdatum, maar niet ter terechtzitting verschijnt en geen verweer voert?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

20      Vooraf moet er wat betreft de ontvankelijkheid van het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing op worden gewezen dat de Poolse regering, anders dan de uitlegging van de nationale rechter, in haar schriftelijke opmerkingen betoogt dat het bewijs voor het bestaan van een schuldvordering niet onder richtlijn 93/13 valt en dat de in hoger beroep geadieerde verwijzende rechter uitspraak zou moeten doen zonder de regeling inzake verstekvonnissen te hoeven toepassen, zodat de uitkomst van het hoofdgeding niet afhangt van het antwoord op de gestelde vraag en deze vraag bijgevolg irrelevant is.

21      In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C‑186/16, EU:C:2017:703, punt 19 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

22      Hieruit vloeit voort dat er een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk hypothetisch van aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 19 september 2019, Lovasné Tóth, C‑34/18, EU:C:2019:764, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23      In casu blijkt echter niet duidelijk uit de aan het Hof overgelegde dossier dat de situatie in kwestie onder een van deze hypothesen valt. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt in het bijzonder dat de rechter in tweede aanleg moet beoordelen of de rechter in eerste aanleg blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep van de verkoper te verwerpen op grond dat hij aan de hand van de documenten waarover hij beschikte niet kon vaststellen of de schuldvordering berustte op oneerlijke bedingen in de zin van richtlijn 93/13.

24      Bovendien is richtlijn 93/13 overeenkomstig artikel 1, lid 1, en artikel 3, lid 1, ervan van toepassing op bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (arrest van 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25      Aangezien het hoofdgeding zich, blijkens de aanwijzingen van de verwijzende rechter, afspeelt tussen een verkoper en een consument met betrekking tot een eis inzake een schuldvordering die voortvloeit uit een consumentenkredietovereenkomst die in standaardbewoordingen is opgesteld, kan een dergelijk geschil dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallen.

26      Bijgevolg is het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.

27      Met zijn vraagt wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de uitlegging van een nationale bepaling die de rechter bij wie een door een verkoper tegen een consument ingesteld beroep is ingesteld dat binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt en die bij verstek uitspraak doet omdat de consument niet is verschenen op de terechtzitting waarvoor hij was opgeroepen, belemmert om de nodige onderzoeksmaatregelen te nemen teneinde ambtshalve het oneerlijke karakter te toetsen van de contractuele bedingen waarop de verkoper zijn vordering heeft gebaseerd, wanneer deze rechter twijfels koestert over het oneerlijke karakter van deze bedingen in de zin van bovengenoemde richtlijn en die nationale bepaling de rechter zou verplichten uitspraak te doen op basis van de beweringen van de verkoper, die hij als waar moet beschouwen.

28      Er zij allereerst aan herinnerd dat volgens artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 onder het begrip „consument” in de zin van die richtlijn wordt verstaan „iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen”. Het begrip „verkoper” wordt in artikel 2, onder c), gedefinieerd als „iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit”.

29      Vervolgens bepaalt artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 dat de lidstaten erop toezien dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.

30      Het Hof heeft in zijn vaste rechtspraak de nadruk gelegd op de aard en het gewicht van het openbaar belang van de bescherming van consumenten, die zich ten opzichte van de verkopers in een zwakke onderhandelingspositie bevinden en over minder informatie beschikken, wat ertoe leidt dat zij met de tevoren door de verkoper opgestelde voorwaarden instemmen zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (zie in die zin arresten van 3 april 2019, Aqua Med, C‑266/18, EU:C:2019:282, punten 27 en 43, en 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 23).

31      Zo heeft het Hof benadrukt dat de bescherming die richtlijn 93/13 de consument verleent zich uitstrekt tot de gevallen waarin de consument die met een verkoper een overeenkomst heeft gesloten die een oneerlijk beding bevat, zich niet beroept op, enerzijds, het feit dat deze overeenkomst binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt en, anderzijds, de oneerlijkheid van het betrokken beding, hetzij omdat hij onwetend is van zijn rechten, hetzij omdat hij ervan afziet zijn rechten geldend te maken wegens de kosten van een vordering in rechte (arrest van 17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C‑147/16, EU:C:2018:320, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      Het Hof heeft zich dus weliswaar reeds meermaals – en met inachtneming van de vereisten van artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 – uitgesproken over de manier waarop de nationale rechter de bescherming van de door consumenten aan deze richtlijn ontleende rechten dient te waarborgen, maar dit neemt niet weg dat het Unierecht de procedures voor de beoordeling van het vermeend oneerlijke karakter van een contractueel beding in beginsel niet harmoniseert en dat deze procedures bijgevolg een zaak van de interne rechtsorde van de lidstaten zijn, evenwel op voorwaarde dat zij niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties naar nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij een effectieve rechterlijke bescherming bieden zoals vastgelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten (arresten van 31 mei 2018, Sziber, C‑483/16, EU:C:2018:367, punt 35, en 3 april 2019, Aqua Med, C‑266/18, EU:C:2019:282, punt 47).

33      Wat betreft het gelijkwaardigheidsbeginsel moet worden opgemerkt dat het Hof niet over enig element beschikt dat aanleiding kan geven tot twijfel over de vraag of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling in overeenstemming is met dit beginsel.

34      Wat betreft de doeltreffende voorziening in rechte zij opgemerkt dat elk geval waarin de vraag rijst of een nationale procedureregel de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die regel in de gehele procedure en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure voor de verschillende nationale instanties. Niettemin kunnen de specifieke kenmerken van procedures geen factor vormen die de rechtsbescherming die de consumenten op grond van richtlijn 93/13 dient toe te komen, mag doorkruisen (zie in die zin arrest van 21 april 2016, Radlinger en Radlingerová, C‑377/14, EU:C:2016:283, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35      In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat bij gebreke van een doeltreffende controle van de mogelijke oneerlijkheid van de bedingen van de betrokken overeenkomst, de eerbiediging van de bij richtlijn 93/13 verleende rechten niet kan worden gewaarborgd (arrest van 13 september 2018, Profi Credit Polska, C‑176/17, EU:C:2018:711, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36      Teneinde de door die richtlijn beoogde bescherming te verzekeren, heeft het Hof, in een zaak die ook een verstekprocedure betrof, benadrukt dat de situatie van ongelijkheid tussen consument en verkoper enkel kan worden opgeheven door een positief ingrijpen buiten de partijen bij de overeenkomst om (zie in die zin arrest van 17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C‑147/16, EU:C:2018:320, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

37      In de eerste plaats en volgens vaste rechtspraak is de nationale rechter dan ook gehouden om – zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens feitelijk en rechtens beschikt – ambtshalve te beoordelen of een binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallend contractueel beding oneerlijk is, en aldus het gebrek aan evenwicht tussen de consument en de verkoper te compenseren (arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38      In de tweede plaats moet de nationale rechter bij wie een geschil tussen een verkoper en een consument aanhangig is, bij gebreke van die gegevens feitelijk en rechtens ambtshalve onderzoeksmaatregelen kunnen treffen om vast te stellen of een beding dat in de litigieuze overeenkomst is opgenomen binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt (zie in die zin arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punten 36 en 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

39      In casu blijkt uit de gegevens in het aan het Hof voorgelegde dossier dat, in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde verstekprocedure, de door verzoeker aangezochte rechter, nu verweerder niet is verschenen, uitspraak moet doen op basis van de feitelijke beweringen van verzoeker, die voor waar moeten worden aangenomen tenzij deze beweringen gegronde twijfels doen rijzen of zijn aangevoerd om de wet te omzeilen.

40      In dit verband blijkt uit de rechtspraak die is aangehaald in de punten 36 tot en met 38 van het onderhavige arrest dat de rechter bij wie een geschil betreffende een consumentenkredietovereenkomst aanhangig is, zelfs indien de consument niet ter terechtzitting verschijnt, de nodige onderzoeksmaatregelen moet kunnen treffen om na te gaan of de bedingen die binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 vallen mogelijk oneerlijk zijn, zodat de consument ervan wordt verzekerd dat zijn rechten uit hoofde van deze richtlijn worden beschermd.

41      Het Hof heeft inderdaad geoordeeld dat het lijdelijkheidsbeginsel, dat ook door de Hongaarse regering is genoemd in haar schriftelijke opmerkingen, en het beginsel „ne ultra petita” zouden kunnen worden geschonden indien de nationale rechterlijke instanties krachtens richtlijn 93/13 verplicht waren de in de vorderingen en middelen van partijen vastgestelde grenzen van het voorwerp van het geding buiten beschouwing te laten of te overschrijden (zie in die zin arrest van 11 maart 2020, Lintner, C‑511/17, EU:C:2020:188, punt 31).

42      In het onderhavige geval moeten echter enkel de contractuele bepalingen worden onderzocht waarop de verkoper, die de gerechtelijke procedure heeft ingeleid, zijn eis heeft gebaseerd en die dus het voorwerp van het geding zijn.

43      De verwijzende rechter vermeldt namelijk dat hij niet beschikt over de overeenkomst waarop de betwiste schuldvordering is gebaseerd en die door beide contractpartijen ondertekend is, maar enkel over een afschrift van een raamovereenkomst die niet door de verweerder is ondertekend.

44      Het is evenwel van belang vast te stellen dat richtlijn 93/13 krachtens artikel 3, lid 1, ervan weliswaar van toepassing is op bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wat met name standaardovereenkomsten omvat, maar dat er niet kan worden aangenomen dat een rechter „beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens” in de zin van de aangehaalde rechtspraak, om de enkele reden dat hij beschikt over een afschrift van een door de verkoper gebruikte raamovereenkomst, zonder dat hij in bezit is van het instrument waarin de overeenkomst tussen de partijen in het voor hem aanhangige geschil is vastgesteld (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 64).

45      Bijgevolg verzetten het lijdelijkheidsbeginsel en het beginsel „ne ultra petita” zich er niet tegen dat een nationale rechter van de verzoekende partij verlangt dat zij de inhoud van het document of van de documenten waarop haar verzoek is gegrondvest overlegt, aangezien een dergelijk verzoek er enkel toe strekt dat de rechter de bewijsvoering van het proces kan waarborgen (arrest van 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 68).

46      Hieruit volgt dat een doeltreffende bescherming in rechte niet kan worden gewaarborgd wanneer de nationale rechter aan wie een verkoper een onder richtlijn 93/13 vallend geschil tussen die verkoper en een consument heeft voorgelegd, geen mogelijkheid heeft om, ook al is de consument niet ter terechtzitting verschenen, de contractuele bedingen waarop de verkoper zijn vordering baseert te toetsen in geval van twijfel over het oneerlijke karakter van die bedingen. Indien deze rechter krachtens een nationale bepaling verplicht is de feitelijke beweringen van de verkoper voor waar aan te nemen, wordt volledig afbreuk gedaan aan het positieve ingrijpen van deze rechter, dat krachtens richtlijn 93/13 is vereist voor overeenkomsten die binnen de werkingssfeer ervan vallen.

47      De nationale rechter moet het interne recht bij de toepassing ervan zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van richtlijn 93/13, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken (arrest van 17 mei 2018, Karel de Grote – Hogeschool Katholieke Hogeschool Antwerpen, C‑147/16, EU:C:2018:320, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

48      Indien de verwijzende rechter vaststelt dat een nationale bepaling, zoals artikel 339, § 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering, eraan in de weg staat dat de rechter die bij verstek uitspraak doet op het verzoekschrift van de verkoper, onderzoeksmaatregelen neemt die hem in staat stellen de onder deze richtlijn vallende bedingen die het voorwerp zijn van het geschil ambtshalve te toetsen, dan is het bijgevolg aan hem om na te gaan of eventueel een Unierechtconforme uitlegging mogelijk is door middel van uitzonderingen zoals de „gegronde twijfel” of de „omzeiling van het recht” als bedoeld in artikel 339, § 2, wanneer dit de rechter die bij verstek uitspraak doet in staat stelt de nodige onderzoeksmaatregelen te nemen.

49      In dat verband zij eraan herinnerd dat het aan de nationale rechterlijke instanties is om, rekening houdend met alle regels van nationaal recht en overeenkomstig de daarin erkende uitleggingsmethoden, te beslissen of en in hoeverre een nationale bepaling zoals artikel 339, § 2, van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan worden uitgelegd in overeenstemming met richtlijn 93/13 zonder dat dit leidt tot een uitlegging contra legem van die nationale bepaling (zie naar analogie arrest van 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punt 71 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      Het Hof heeft bovendien geoordeeld dat het vereiste van Unierechtconforme uitlegging voor de nationale rechterlijke instanties de verplichting inhoudt om in voorkomend geval vaste rechtspraak te wijzigen, wanneer deze berust op een met de doelstellingen van een richtlijn onverenigbare uitlegging van het nationale recht (arrest van 17 april 2018, Egenberger, C‑414/16, EU:C:2018:257, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

51      Wanneer de nationale rechters niet in staat zijn de nationale regelgeving in overeenstemming met de vereisten van richtlijn 93/13 uit te leggen en toe te passen, zijn zij verplicht om ambtshalve te onderzoeken of de tussen de partijen overeengekomen bedingen oneerlijk zijn en hiertoe alle noodzakelijke onderzoeksmaatregelen te treffen, waarbij zij zo nodig alle nationale bepalingen of rechtspraak die zich tegen een dergelijk onderzoek verzetten, buiten toepassing laten (zie in die zin arrest van 7 november 2019, Profi Credit Polska, C‑419/18 en C‑483/18, EU:C:2019:930, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

52      Uit het voorgaande volgt dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de uitlegging van een nationale bepaling die eraan in de weg staat dat de rechter bij wie een door een verkoper tegen een consument ingesteld beroep aanhangig is dat binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt en die bij verstek uitspraak doet omdat de consument niet is verschenen op de terechtzitting waarvoor hij was opgeroepen, de nodige onderzoeksmaatregelen neemt om ambtshalve het oneerlijke karakter te toetsen van de contractuele bedingen waarop de verkoper zijn vordering heeft gebaseerd, wanneer deze rechter twijfels koestert over het oneerlijke karakter van deze bedingen in de zin van bovengenoemde richtlijn.

 Kosten

53      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de uitlegging van een nationale bepaling die eraan in de weg staat dat de rechter bij wie een door een verkoper tegen een consument ingesteld beroep aanhangig is dat binnen de werkingssfeer van deze richtlijn valt en die bij verstek uitspraak doet omdat de consument niet is verschenen op de terechtzitting waarvoor hij was opgeroepen, de nodige onderzoeksmaatregelen neemt om ambtshalve het oneerlijke karakter te toetsen van de contractuele bedingen waarop de verkoper zijn vordering heeft gebaseerd, wanneer deze rechter twijfels koestert over het oneerlijke karakter van deze bedingen in de zin van bovengenoemde richtlijn.

ondertekeningen


*      Procestaal: Pools.