Language of document : ECLI:EU:F:2015:112

BESCHIKKING VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE
(Eerste kamer)

30 september 2015

Zaak F‑14/12 RENV

Peter Schönberger

tegen

Rekenkamer van de Europese Unie

„Openbare dienst – Ambtenaren – Terugverwijzing naar het Gerecht na vernietiging – Bevordering – Bevorderingsronde 2011 – Weigering van bevordering – Beroep deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond”

Betreft:      Beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan, waarmee Schönberger in wezen vraagt om nietigverklaring van het besluit van de Rekenkamer van de Europese Unie om hem in het kader van de bevorderingsronde 2011 niet te bevorderen naar de rang AD 13.

Beslissing:      Het beroep wordt deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. In de zaken F‑14/12 en F‑14/12 RENV draagt Schönberger zijn eigen kosten alsmede de kosten die de Rekenkamer van de Europese Unie heeft gemaakt. In zaak T‑26/14 P draagt de Rekenkamer van de Europese Unie haar eigen kosten alsmede de kosten die Schönberger heeft gemaakt.

Samenvatting

1.      Beroepen van ambtenaren – Beroep gericht tegen een besluit houdende weigering van bevordering – Middel ontleend aan de onregelmatigheid van de bevorderingsronde – Bewijslast

(Ambtenarenstatuut, art. 6, lid 2, en 91, bijlage I, onderdeel B)

2.      Ambtenaren – Gelijke behandeling – Begrip – Grenzen

1.      In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van een instelling om een ambtenaar niet te bevorderen, dient laatstgenoemde aan te tonen dat de door hem verlangde nietigverklaring, rekening houdend met zijn persoonlijke situatie, hem het perspectief op bevordering kan bieden.

Elke bevorderingsronde staat noodzakelijkerwijs los van de vorige of de volgende bevorderingsrondes, aangezien de ambtenaren wier verdiensten moeten worden vergeleken en de criteria die voor die vergelijking worden gegeven, in elke bevorderingsronde anders zijn.

(cf. punten 46, 54 en 55)

2.      Het beginsel van gelijke behandeling verbiedt dat vergelijkbare situaties verschillend of dat verschillende situaties gelijk worden behandeld, tenzij die naargelang het geval verschillende of gelijke behandeling objectief gerechtvaardigd wordt. Eventuele verschillen tussen de maatregelen die de instellingen jegens hun ambtenaren treffen, kunnen door ambtenaren van een andere instelling dus niet worden aangevoerd ter onderbouwing van een middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling.

(cf. punten 60 en 62)

Referentie:

Gerecht van eerste aanleg: arrest van 14 februari 2007, Simões Dos Santos/BHIM, T‑435/04, EU:T:2007:50, punt 162 en aldaar aangehaalde rechtspraak

Gerecht voor ambtenarenzaken: arrest van 29 april 2009, Balieu-Steinmetz en Noworyta/Parlement, F‑115/07, EU:F:2009:41, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak