Language of document : ECLI:EU:C:2007:581

ARREST VAN HET HOF (Zevende kamer)

4 oktober 2007 (*)

„Associatieovereenkomst EEG-Turkije – Artikel 59 van Aanvullend Protocol – Artikelen 7, eerste alinea, en 14 van besluit nr. 1/80 van Associatieraad – Richtlijn 2004/38/EG – Verblijfsrecht van kind van Turkse werknemer – Meerderjarig kind dat niet meer ten laste is van zijn ouders – Veelvoud van strafrechtelijke veroordelingen – Rechtmatigheid van besluit tot verwijdering”

In zaak C‑349/06,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door het Verwaltungsgericht Darmstadt (Duitsland) bij beslissing van 16 augustus 2006, ingekomen bij het Hof op 21 augustus 2006, in de procedure

Murat Polat

tegen

Stadt Rüsselsheim,

wijst

HET HOF VAN JUSTITIE (Zevende kamer),

samengesteld als volgt: J. Klučka, kamerpresident, J. N. Cunha Rodrigues (rapporteur) en U. Lõhmus, rechters,

advocaat-generaal: D. Ruiz-Jarabo Colomer,

griffier: R. Grass,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door M. Lumma, en C. Schulze-Bahr als gemachtigden,

–        de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door I. M. Braguglia als gemachtigde, bijgestaan door W. Ferrante, avvocato dello Stato,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door H. Sevenster en vervolgens door C. Wissels als gemachtigden,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door E. Ośniecka-Tamecka als gemachtigde,

–        de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door V. Jackson als gemachtigde,

–        de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door V. Kreuschitz als gemachtigde,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 59 van het Aanvullend Protocol, dat op 23 november 1970 te Brussel is ondertekend en namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972 (PB L 293, blz. 1; hierna: „aanvullend protocol”), alsmede van de artikelen 7 en 14 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: „besluit nr. 1/80”). De Associatieraad is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, welke op 12 september 1963 te Ankara is ondertekend door de Republiek Turkije enerzijds en de lidstaten van de EEG en de Gemeenschap anderzijds, en die namens laatstgenoemde is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij besluit 64/732/EEG van de Raad van 23 december 1963 (PB 1964, 217, blz. 3685). Het verzoek betreft eveneens de uitlegging van artikel 28 van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77; hierna: „richtlijn 2004/38”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Polat, Turks staatsburger, en de Stadt Rüsselsheim, betreffende een procedure tot verwijdering uit het Duitse grondgebied.

 Toepasselijke bepalingen

 De associatieovereenkomst EEG-Turkije

3        Artikel 59 van het aanvullend protocol luidt als volgt:

„Op de onder dit protocol vallende gebieden, mag de behandeling van Turkije niet gunstiger zijn dan die welke de lidstaten elkaar toekennen krachtens het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap.”

4        Artikel 7 van besluit nr. 1/80 luidt als volgt:

„Gezinsleden van een tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behorende Turkse werknemer, die toestemming hebben gekregen om zich bij hem te voegen:

–        hebben het recht om – onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de lidstaten van de Gemeenschap te verlenen voorrang – te reageren op een arbeidsaanbod, wanneer zij sedert ten minste drie jaar aldaar legaal wonen;

–        hebben er vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te hunner keuze wanneer zij sedert ten minste vijf jaar aldaar legaal wonen.

Kinderen van Turkse werknemers die in het gastland een beroepsopleiding hebben voltooid, kunnen, ongeacht hoe lang zij in de betreffende lidstaat wonen, in die lidstaat op ieder arbeidsaanbod reageren, op voorwaarde dat één van de ouders gedurende ten minste drie jaar legaal in de betrokken lidstaat heeft gewerkt.”

5        Artikel 14, lid 1, van hetzelfde besluit luidt als volgt:

„De bepalingen van dit deel worden toegepast onder voorbehoud van beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid.”

 Nationale regeling

6        § 47, lid 1, van het Ausländergesetz (Duitse vreemdelingenwet, BGBl. 1990 I, blz. 1354) bepaalt:

„(1) Een vreemdeling wordt verwijderd wanneer hij:

1.      wegens één of meer opzettelijk gepleegde strafbare feiten bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld tot een gevangenis‑ of jeugdstraf van ten minste drie jaar, of wegens opzettelijk gepleegde strafbare feiten binnen een tijdvak van vijf jaar bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld tot meerdere gevangenis‑ of jeugdstraffen van tezamen ten minste drie jaar, of wanneer bij de laatste veroordeling bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis inbewaringstelling [...] is bevolen; of

2.      wegens een opzettelijk gepleegd strafbaar feit in de zin van de narcoticawet [...], wegens openlijke geweldpleging [...] of wegens openlijke geweldpleging in het kader van een verboden openbare vergadering [...] bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis is veroordeeld tot een jeugdstraf van ten minste twee jaar of tot een gevangenisstraf en de uitvoering van de straf niet voorwaardelijk is opgeschort.”

 Het hoofdgeding en de prejudiciële vragen

7        Uit de stukken blijkt dat Polat, die op 25 juni 1972 is geboren, in 1972 kort na zijn geboorte Duitsland is binnengekomen in het kader van de gezinshereniging met zijn op het Duitse grondgebied wonende ouders. Zijn vader was van 1971 tot en met 1991, met enkele onderbrekingen, in loondienst werkzaam, en ontvangt sedert 1 oktober 1991 een ouderdomspensioen.

8        Polat ging in deze lidstaat naar school en heeft er een diploma middelbaar onderwijs behaald. Sedert 11 juli 1988 is hij in Duitsland houder van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.

9        Van 1989 tot en met 1992 heeft hij een werkzaamheid in loondienst uitgeoefend op de luchthaven van Frankfurt.

10      Van 1 februari 1996 tot en met 28 november 1997 heeft Polat zijn militaire dienst vervuld in Turkije. Na zijn terugkeer in Duitsland was hij tussen 1998 en 2000 opnieuw werkzaam in loondienst en heeft hij, van 1998 tot en met 2006, in het appartement van zijn ouders gewoond, dat hij in 2000 heeft opgegeven als zijn hoofdverblijfplaats. Tijdens dat jaar ondersteunde hij zijn ouders maandelijks met 200 EUR en had hij een inkomen van 400 tot 1 400 EUR per maand. Sedert 2000 ontving hij een werkloosheidsuitkering en was hij slechts verschillende keren voor korte tijd tewerkgesteld.

11      Polat overtrad reeds als minderjarige de wet inzake verdovende middelen en beging ook een aantal eigendomsdelicten. Na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar werd hij achttien maal strafrechtelijk veroordeeld, voornamelijk wegens diefstal en drugsdelicten. Aanvankelijk volgden daarop veroordelingen tot geldboeten (negen maal tussen 1994 en 1995), later evenwel ook voorwaardelijke gevangenisstraffen (tussen 1998 en 2004).

12      Bij brief van 16 juli 2001 hebben de Duitse autoriteiten hem meegedeeld dat zij van plan waren om zijn verwijdering te gelasten wegens de door hem begane strafbare feiten. Nadat hij in een ontwenningskliniek was opgenomen, hebben deze autoriteiten evenwel afgezien van de voorgenomen verwijdering.

13      Vervolgens hebben het Amtsgericht Frankfurt am Main en het Amtsgericht Rüsselsheim, wegens de herhaaldelijke onderbrekingen van de ontwenningskuren en het aanhoudende criminele gedrag van Polat, het voorwaardelijke karakter van diens veroordelingen herroepen, en heeft Polat zijn gevangenisstraf van 23 juni 2004 tot en met 8 februari 2006 uitgezeten.

14      Bij besluit van 14 oktober 2004 heeft de Stadt Rüsselsheim de verwijdering van Polat van het Duitse grondgebied gelast en het bevel tot onmiddellijke uitvoering van deze maatregel gegeven. Als rechtvaardigingsgrond voor dit besluit werd aangegeven dat de door Polat gepleegde strafbare feiten en de veroordelingen die hierop volgden, de bestanddelen vormen van de verplichting tot verwijdering bedoeld in § 47, lid 1, punt 1, van de vreemdelingenwet.

15      De bevoegde instantie heeft dienaangaande geoordeeld dat Polat zich niet in Duitsland heeft geïntegreerd. Noch de geldboeten, noch de voorwaardelijke gevangenisstraffen, noch de waarschuwingen van de dienst vreemdelingenzaken hebben hem ervan afgebracht om verdere ernstige strafbare feiten te plegen. Hij moet als een recidivist worden beschouwd en zijn verwijdering is noodzakelijk en onontbeerlijk wegens het gevaar voor herhaling.

16      Na de afwijzing van een door hem ingediend bezwaar tegen het besluit tot verwijdering heeft Polat op 3 augustus 2005 beroep ingesteld bij het Verwaltungsgericht Darmstadt. Hij voerde aan dat hij voor het eerst een gevangenisstraf uitzat en dat hij actief op zoek was naar een plaats in een ontwenningskliniek om daar een kuur te volgen. In deze omstandigheden is er sprake van een realistische mogelijkheid op herintegratie in de maatschappij.

17      Daarop heeft het Verwaltungsgericht Darmstadt de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Is het verenigbaar met artikel 59 van het aanvullend protocol [...] dat een Turks staatsburger die als kind in het kader van de gezinshereniging bij zijn in de Bondsrepubliek Duitsland in loondienst werkzame ouders is komen wonen, zijn verblijfsrecht dat is afgeleid van het aan artikel 7, [eerste alinea], tweede streepje, van besluit nr. 1/80 [...] ontleende recht om op ieder arbeidsaanbod te reageren – behalve in de gevallen van artikel 14 van [dit] besluit [...] en wanneer hij de lidstaat van ontvangst gedurende langere tijd zonder gegronde reden verlaat – ook niet verliest wanneer hij na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar niet meer bij zijn ouders woont en niet te hunnen laste komt?

In geval van een ontkennend antwoord op de eerste vraag:

2)      Verwerft een Turks staatsburger wiens aan artikel 7, [eerste alinea], tweede streepje, van besluit nr. 1/80 ontleende rechten op de in de eerste vraag genoemde gronden zijn komen te vervallen, deze rechten opnieuw wanneer hij na het bereiken van de leeftijd van 21 jaar voor een periode van meer dan drie jaar in het huishouden van zijn ouders terugkeert, daar kosteloos mag wonen en wordt verzorgd, en zijn moeder in deze periode een dienstbetrekking van geringe omvang (schoonmaakster met regelmatig 30 tot 70 werkuren per maand en soms 20 werkuren per maand) bekleedt?

In geval van een bevestigend antwoord op de tweede vraag:

3)      Verandert de rechtspositie, wanneer het gezinslid tijdens het samenwonen met de werknemer verscheidene ziekenhuisbehandelingen (van 30 augustus 2001 tot 20 juni 2002 en van 2 oktober 2003 tot 8 januari 2004) heeft ondergaan?

4)      Verandert de rechtspositie, wanneer de Turkse staatsburger tijdens het samenwonen met de werknemer een regelmatig eigen inkomen heeft van minstens 400 EUR tot 1 400 EUR per maand?

Wanneer van een voortbestaan van de rechten ontleend aan artikel 7, [eerste alinea], tweede streepje, van besluit nr. 1/80 moet worden uitgegaan [bij een bevestigend antwoord op de eerste of de tweede vraag en een ontkennend antwoord op de derde en de vierde vraag]:

5)      Kan een Turks staatsburger die de door artikel 7, [eerste alinea], tweede streepje, van besluit nr. 1/80 verleende rechten geniet en sedert 1972 op het grondgebied van de Bondsrepubliek leeft, zich beroepen op de in artikel 28, lid 3, sub a, van richtlijn 2004/38/EG [...] neergelegde speciale bescherming tegen verwijdering?

6)      Verandert de rechtspositie wanneer de Turkse staatsburger binnen de periode van tien jaar voorafgaand aan het besluit tot verwijdering van 1 februari 1996 tot en met 28 november 1997 voor het vervullen van zijn militaire dienstplicht in Turkije verbleef?

In het geval van een ontkennend antwoord op de vijfde vraag of een bevestigend antwoord op de zesde vraag:

7)      Kan een Turks staatsburger die de door artikel 7, [eerste alinea], tweede streepje, van besluit nr. 1/80 verleende rechten geniet en sedert 1972 op het grondgebied van de Bondsrepubliek leeft, zich beroepen op de in artikel 28, lid 2, van richtlijn 2004/38 neergelegde speciale bescherming tegen verwijdering?

In geval van een ontkennend antwoord op de zevende vraag:

8)      Kan een Turks staatsburger die de door artikel 7, [eerste alinea], tweede streepje, van besluit nr. 1/80 verleende rechten geniet, zich beroepen op de in artikel 28, lid 1, van richtlijn 2004/38 neergelegde speciale bescherming tegen verwijdering?

Voor het geval van het voortbestaan van de rechten ontleend aan artikel 7, [eerste alinea], tweede streepje, van besluit nr. 1/80 moet worden uitgegaan [...]:

9)      Kan een veelvoud van kleinere strafbare feiten (hoofdzakelijk eigendomsdelicten), die elk op zich geen reden kunnen vormen om aan te nemen dat er sprake is van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, op grond van het hoge aantal, een verwijdering rechtvaardigen, wanneer verdere strafbare feiten te verwachten vallen en tegen de eigen staatsburgers in dezelfde omstandigheden geen maatregelen worden getroffen?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 De eerste vraag

18      Deze vraag, die in wezen erop is gericht te vernemen op welke gronden een Turks staatsburger als Polat de rechten kan verliezen die hem in de lidstaat van ontvangst op grond van artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 zijn toegekend ter zake van vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze en daarmee samenhangend verblijf, past in dezelfde feitelijke en juridische context als die welke aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 18 juli 2007, Derin (C‑325/05, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie).

19      Deze twee vragen, die door dezelfde verwijzende rechter werden gesteld, zijn identiek gemotiveerd en opgesteld in dezelfde bewoordingen.

20      Op de eerste vraag in de onderhavige zaak moet dus hetzelfde antwoord worden gegeven als in het reeds aangehaalde arrest Derin is gegeven.

21      Derhalve dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat een Turks staatsburger, die als kind toestemming heeft gekregen om voor gezinshereniging het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en die het recht van vrije toegang tot elke arbeid in loondienst van zijn keuze heeft verkregen krachtens artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80, het recht op verblijf in de lidstaat van ontvangst, dat samenhangt met het recht op vrije toegang, slechts in twee situaties verliest, te weten:

–        in de gevallen bedoeld in artikel 14, lid 1, van dit besluit, of

–        wanneer hij het grondgebied van de betrokken lidstaat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat,

ook wanneer hij ouder is dan 21 jaar, niet meer ten laste is van zijn ouders, maar een zelfstandig bestaan leidt in de betrokken lidstaat, en niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt gedurende verscheidene jaren, wegens het uitzitten van een hem opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van overeenkomstige duur.

In een situatie zoals die van verzoeker in het hoofdgeding is de voorafgaande uitlegging niet onverenigbaar met de eisen van artikel 59 van het aanvullend protocol.

 Beantwoording van de tweede tot en met de vierde vraag

22      Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede, de derde en de vierde vraag niet te worden beantwoord.

 Beantwoording van de vijfde tot en met de achtste vraag

23      Met deze vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of een persoon die zich in de situatie van verzoeker in het hoofdgeding bevindt, zich kan beroepen op de rechten die voortvloeien uit artikel 28 van richtlijn 2004/38.

24      Volgens deze rechter is een beroep op richtlijn 2004/38 gerechtvaardigd omdat het Hof artikel 14 van besluit nr. 1/80 heeft uitgelegd tegen de achtergrond van richtlijn 64/221/EEG van de Raad van 25 februari 1964 voor de coördinatie van de voor vreemdelingen geldende bijzondere maatregelen ten aanzien van verplaatsing en verblijf, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid (PB 1964, 56, blz. 850). Aangezien deze richtlijn is vervangen door richtlijn 2004/38 en volgens artikel 38, lid 3, van deze richtlijn de verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen en bepalingen worden gelezen als verwijzingen naar richtlijn 2004/38, moet voor de precisering van de draagwijdte van artikel 14 van besluit nr. 1/80 voortaan te rade worden gegaan met deze richtlijn.

25      Er zij aan herinnerd dat richtlijn 64/221 conform artikel 38, lid 2, van richtlijn 2004/38 is ingetrokken met ingang van 30 april 2006.

26      Aangezien het besluit tot verwijdering van Polat werd genomen op 4 oktober 2004 en het beroep bij de verwijzende rechter werd ingesteld op 3 augustus 2005, moet worden vastgesteld dat richtlijn 64/221 nog van kracht was op het tijdstip van de feiten in het hoofdgeding.

27      Aangezien richtlijn 2004/38 derhalve niet van toepassing is op het hoofdgeding, behoeven de vijfde tot en met achtste vraag niet te worden beantwoord.

 Beantwoording van de negende vraag

28      Met deze vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus dient te worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat een veelvoud van kleinere strafbare feiten, die elk op zich geen reden kunnen vormen om aan te nemen dat er sprake is van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving, de verwijdering van een Turks staatsburger kan rechtvaardigen, wanneer verdere strafbare feiten te verwachten vallen en in dezelfde omstandigheden de strafrechtelijke veroordeling van eigen staatsburgers niet gepaard gaat met enige maatregel.

29      Volgens vaste rechtspraak moeten de in het kader van de artikelen 39 EG, tot en met 41 EG geldende beginselen zo veel mogelijk worden toegepast op Turkse staatsburgers die de bij besluit nr. 1/80 toegekende rechten genieten (zie, met name, arresten van 6 juni 1995, Bozkurt, C‑434/93, Jurispr. blz. I‑1475, punten 14, 19 en 20, alsook 11 november 2004, Cetinkaya, C‑467/02, Jurispr. blz. I‑10895, punt 42).

30      Hieruit volgt dat, ter bepaling van de draagwijdte van de in artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 opgenomen uitzondering op het gebied van de openbare orde, moet worden uitgegaan van de uitlegging zoals die aan dezelfde uitzondering is gegeven op het gebied van het vrije verkeer van werknemers die gemeenschapsonderdaan zijn. Zulks is temeer gerechtvaardigd, daar voornoemde bepaling in bijna identieke bewoordingen is gesteld als artikel 39, lid 3, EG (arresten van 10 februari 2000, Nazli, C‑340/97, Jurispr. blz. I‑957, punt 56, en Cetinkaya, reeds aangehaald, punt 43).

31      Volgens artikel 3, lid 1, van richtlijn 64/221 moeten de maatregelen van openbare orde of openbare veiligheid echter uitsluitend berusten op het persoonlijke gedrag van de betrokkene. Lid 2 van deze bepaling preciseert dat het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf geen motivering van deze maatregelen vormt.

32      Het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling doet bijgevolg slechts ter zake voor zover uit de omstandigheden die tot deze veroordeling hebben geleid, blijkt dat sprake is van persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt (zie, met name, arresten van 27 oktober 1977, Bouchereau, 30/77, Jurispr. blz. 1999, punt 28; 19 januari 1999, Calfa, C‑348/96, Jurispr. blz. I‑11, punt 24, en 7 juni 2007, Commissie/Nederland, C‑50/06, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 41).

33      Het Hof heeft altijd beklemtoond dat de exceptie van openbare orde een afwijking van het fundamentele beginsel van het vrije verkeer van personen vormt, die strikt moet worden opgevat en waarvan de draagwijdte door de lidstaten niet eenzijdig kan worden bepaald (arresten van 28 oktober 1975, Rutili, 36/75, Jurispr. blz. 1219, punt 27; Bouchereau, reeds aangehaald, punt 33; 27 april 2006, Commissie/Duitsland, C‑441/02, Jurispr. blz. I‑3449, punt 34, en Commissie/Nederland, reeds aangehaald, punt 42).

34      Volgens vaste rechtspraak veronderstelt het beroep van een nationale instantie op het begrip openbare orde, afgezien van de verstoring van de maatschappelijke orde die bij elke wetsovertreding plaatsvindt, het bestaan van een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast (arresten Rutili, reeds aangehaald, punt 27; 29 april 2004, Orfanopoulos en Oliveri, C‑482/01 en C‑493/01, Jurispr. blz. I‑5257, punt 66, alsook Commissie/Duitsland, reeds aangehaald, punt 35).

35      Meer in het bijzonder heeft het Hof reeds geoordeeld dat een Turks staatsburger slechts via verwijdering de rechten kunnen worden ontnomen die hij rechtstreeks aan besluit nr. 1/80 ontleent, wanneer deze maatregel zijn rechtvaardiging vindt in de omstandigheid dat het persoonlijk gedrag van de betrokkene wijst op een concreet gevaar voor nieuwe ernstige verstoringen van de openbare orde. Die maatregel kan dus niet na een strafrechtelijke veroordeling automatisch worden gelast ter algemene preventie (arresten Nazli, reeds aangehaald, punten 61 en 63, alsook 7 juli 2005, Dogan, C‑383/03, Jurispr. blz. I‑6237, punt 24).

36      Daartoe doet het bestaan van een veelvoud van strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf niet ter zake.

37      Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat een strafrechtelijke veroordeling van Duitse staatsburgers die strafbare feiten pleegden zoals die welke ten grondslag liggen aan het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit tot verwijdering, niet gepaard gaat met een aanvullende sanctie.

38      Dienaangaande volstaat het eraan te herinneren dat de in artikel 39 EG en artikel 46 EG gemaakte voorbehouden de lidstaten toestaan, jegens staatsburgers van andere lidstaten in het bijzonder om redenen van openbare orde maatregelen te nemen die zij jegens hun eigen staatsburgers niet kunnen treffen, aangezien zij laatstgenoemden niet van het nationale grondgebied kunnen verwijderen, noch hun de toegang tot dit grondgebied kunnen ontzeggen (zie arresten van 4 december 1974, van Duyn, 41/74, Jurispr. blz. 1337, punten 22 en 23; 18 mei 1982, Adoui en Cornuaille, 115/81 en 116/81, Jurispr. blz. 1665, punt 7; Calfa, reeds aangehaald, punt 20, en 26 november 2002, Oteiza Olazabal, C‑100/01, Jurispr. blz. I‑10981, punt 40).

39      Gelet op een en ander dient op de negende vraag te worden geantwoord dat artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus dient te worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat een verwijderingsmaatregel wordt genomen tegen een Turks staatsburger die meermaals strafrechtelijk werd veroordeeld, voor zover diens persoonlijk gedrag een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.

 Kosten

40      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof van Justitie (Zevende kamer) verklaart voor recht:

1)      Een Turks staatsburger, die als kind toestemming heeft gekregen om in het kader van gezinshereniging het grondgebied van een lidstaat binnen te komen en die het recht van vrije toegang tot elke arbeid in loondienst van zijn keuze heeft verkregen krachtens artikel 7, eerste alinea, tweede streepje, van besluit nr. 1/80 van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie, dat is vastgesteld door de Associatieraad, die is ingesteld bij de Overeenkomst waarbij een Associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, verliest het recht op verblijf in de lidstaat van ontvangst, dat samenhangt met het recht op vrije toegang, slechts in twee situaties, te weten:

–        in de gevallen bedoeld in artikel 14, lid 1, van dit besluit, of

–        wanneer hij het grondgebied van de betrokken lidstaat gedurende langere tijd zonder gegronde redenen verlaat,

ook wanneer hij ouder is dan 21 jaar, niet meer ten laste is van zijn ouders, maar een zelfstandig bestaan leidt in de betrokken lidstaat, en niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt gedurende verscheidene jaren, wegens het uitzitten van een hem opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van overeenkomstige duur.

In een situatie zoals die van verzoeker in het hoofdgeding is de voorafgaande uitlegging niet onverenigbaar met de eisen van artikel 59 van het aanvullend protocol, dat op 23 november 1970 te Brussel is ondertekend en namens de Gemeenschap is gesloten, goedgekeurd en bevestigd bij verordening (EEG) nr. 2760/72 van de Raad van 19 december 1972.

2)      Artikel 14, lid 1, van besluit nr. 1/80 aldus dient aldus te worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat een verwijderingsmaatregel wordt genomen tegen een Turks staatsburger die meermaals strafrechtelijk werd veroordeeld, voor zover diens persoonlijk gedrag een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.

ondertekeningen


** Procestaal: Duits.