Language of document : ECLI:EU:C:2022:419

Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)

2 juni 2022 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Verbod van discriminatie op grond van leeftijd – Richtlijn 2000/78/EG – Artikel 3, lid 1, onder a) en d) – Werkingssfeer – Ambt van gekozen voorzitter van een werknemersorganisatie – Statuten van deze organisatie die bepalen dat enkel leden die op de dag van de verkiezing de leeftijd van 60 of 61 jaar nog niet hebben bereikt, in aanmerking komen voor het voorzitterschap”

In zaak C‑587/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het Oosten van Denemarken) bij beslissing van 6 november 2020, ingekomen bij het Hof op 9 november 2020, in de procedure

Ligebehandlingsnævnet, optredend namens A

tegen

HK/Danmark,

HK/Privat,

in tegenwoordigheid van:

Fagbevægelsens Hovedorganisation,

wijst

HET HOF (Tweede kamer),

samengesteld als volgt: A. Prechal, kamerpresident, J. Passer, F. Biltgen (rapporteur), N. Wahl en M. L. Arastey Sahún, rechters,

advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,

griffier: C. Strömholm, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 20 oktober 2021,

gelet op de opmerkingen van:

–        Ligebehandlingsnævnet, optredend namens A, vertegenwoordigd door P. Ahlberg en R. Holdgaard, advokater,

–        HK/Privat en HK/Danmark, vertegenwoordigd door J. Goldschmidt, advokat,

–        Fagbevægelsens Hovedorganisation, vertegenwoordigd door R. Asmussen, advokat,

–        de Griekse regering, vertegenwoordigd door N. Dafniou, I. Kotsoni, O. Patsopoulou en E. Skandalou als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Grønfeldt en D. Martin als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 januari 2022,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 1, onder a) en d), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds de Ligebehandlingsnævn (commissie gelijke behandeling, Denemarken), die optreedt namens A, en anderzijds de vakcentrale HK/Danmark en de federatie HK/Privat (hierna samen: „HK”), werknemersorganisaties, over een statutaire bepaling van die federatie waarbij een leeftijdsgrens wordt vastgesteld voor kandidaten voor het voorzitterschap ervan.

 Toepasselijke bepalingen

 Unierecht

3        De overwegingen 4, 5, 9 en 11 van richtlijn 2000/78 luiden:

„(4)      Gelijkheid voor de wet en bescherming van eenieder tegen discriminatie is als universeel recht erkend door de Universele Verklaring van de rechten van de mens, door het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, door de Internationale Verdragen van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten, respectievelijk inzake economische, sociale en culturele rechten, en door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, die door alle lidstaten zijn ondertekend; Verdrag nr. 111 van de Internationale Arbeidsorganisatie verbiedt discriminatie op het terrein van arbeid en beroep.

(5)      Het is belangrijk dat deze fundamentele rechten en vrijheden worden geëerbiedigd. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.

[...]

(9)      Arbeid en beroep zijn sleutelelementen voor het waarborgen van gelijke kansen voor eenieder en zij leveren een belangrijke bijdrage aan het volledig deelnemen van burgers aan het economische, culturele en sociale leven, alsook aan hun persoonlijke ontplooiing.

[...]

(11)      Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid kan de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag ondermijnen, in het bijzonder de verwezenlijking van een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan, de vergroting van de economische en sociale cohesie en van de solidariteit, alsmede het vrij verkeer van personen.”

4        Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Doel”, luidt als volgt:

„Deze richtlijn heeft tot doel met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.”

5        Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Werkingssfeer”, bepaalt in de leden 1 en 4:

„1.      Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:

a)      de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van bevorderingskansen;

[...]

d)      het lidmaatschap van of de betrokkenheid bij een werkgevers- of werknemersorganisatie of enige organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, waaronder de voordelen die deze organisaties bieden.

[...]

4.      De lidstaten kunnen bepalen dat deze richtlijn, voor zover zij betrekking heeft op discriminatie op grond van handicap en leeftijd, niet van toepassing is op de strijdkrachten.”

 Deens recht

6        § 1 van de lov om forbud mod forskelsbehandling på arbejdsmarkedet m.v. (forskelsbehandlingslov) [wet betreffende het verbod van discriminatie op de arbeidsmarkt (antidiscriminatiewet)], zoals met het oog op de omzetting van richtlijn 2000/78 gewijzigd bij wet nr. 253 van 7 april 2004 en wet nr. 1417 van 22 december 2004 (hierna: „antidiscriminatiewet”), bepaalt in lid 1 dat onder het begrip „discriminatie” in de zin van die wet elke directe of indirecte discriminatie op grond van onder meer leeftijd moet worden verstaan.

7        § 2, lid 1, van de antidiscriminatiewet luidt als volgt:

„Een werkgever mag niet discrimineren bij aanstelling, ontslag, overplaatsing en bevordering van werknemers of sollicitanten, of met betrekking tot belonings- en arbeidsvoorwaarden.”

8        In § 3, leden 3 en 4, van de antidiscriminatiewet wordt het volgende bepaald:

„3.      Het verbod op discriminatie is ook van toepassing op personen die voorschriften vaststellen en besluiten nemen over de toegang tot arbeid als zelfstandige.

4.      Het verbod op discriminatie is ook van toepassing op personen die besluiten nemen over het lidmaatschap van of de deelname aan een werknemers- of werkgeversorganisatie en de voordelen die door dergelijke organisaties worden toegekend.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vraag

9        A, die in 1948 is geboren, werd in 1978 als permanente vakkracht in dienst genomen bij een lokale afdeling van werknemersorganisatie HK. In 1980 werd zij overgeplaatst naar de nationale vakcentrale. Op het congres van de federatie HK/Service, naderhand HK/Privat, was zij in 1992 tot vicevoorzitter gekozen en in 1993 tot voorzitter. Nadien werd zij om de vier jaar herkozen en bekleedde zij de functie van voorzitter van die federatie tot 8 november 2011, op welk tijdstip zij 63 jaar was en de in § 9 van de statuten van HK/Privat vastgestelde leeftijdsgrens had overschreden om zich kandidaat te stellen bij de voorzittersverkiezing die in datzelfde jaar zou worden gehouden. In die paragraaf wordt namelijk bepaald dat enkel leden die op de dag van de verkiezing de leeftijd van 60 jaar nog niet hebben bereikt in aanmerking komen voor de verkiezing tot voorzitter, waarbij die leeftijdsgrens voor leden die na het congres van 2005 zijn herkozen, wordt verschoven naar 61 jaar.

10      A heeft bij de commissie gelijke behandeling een klacht ingediend waarin zij aanvoerde dat zij was gediscrimineerd op grond van leeftijd. Bij besluit van 22 juni 2016 heeft deze commissie geoordeeld dat het verbod dat A op grond van haar leeftijd werd opgelegd om zich op het congres van 2011 verkiesbaar te stellen als voorzitter van HK/Privat in strijd was met de antidiscriminatiewet en HK veroordeeld tot betaling aan A, bij wijze van schadevergoeding, van een bedrag van 25 000 Deense kronen (DKK) (ongeveer 3 400 EUR), vermeerderd met rente.

11      Aangezien dat besluit niet werd uitgevoerd, heeft de commissie gelijke behandeling, die optreedt namens A, beroep ingesteld tegen HK bij de Københavns byret (rechter in eerste aanleg Kopenhagen, Denemarken). Wegens het principiële karakter van dat beroep is de zaak doorverwezen naar de Østre Landsret (rechter in tweede aanleg voor het Oosten van Denemarken).

12      De verwijzende rechter is van mening dat de beslechting van het bij hem aanhangige geding afhangt van de vraag of A als politiek gekozen voorzitter van HK/Privat binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt. Indien dat het geval is, wordt namelijk niet betwist dat zij in strijd met die richtlijn uit hoofde van § 9 van de statuten van die federatie slachtoffer is van directe discriminatie op grond van haar leeftijd.

13      De verwijzende rechter benadrukt dat A in haar hoedanigheid van gekozen voorzitter van een federatie niet de status van werknemer in de zin van de lov om retsforholdet mellem arbejdsgivere og funktionærer (funktionærloven) (wet betreffende de rechtsverhoudingen tussen werkgevers en werknemers) had, een functie waarin zij onder het gezag van een meerdere zou hebben gestaan, maar een op vertrouwen gebaseerde politieke functie bekleedde, waarbij zij verantwoording verschuldigd was aan het congres van HK/Privat, dat haar had verkozen. Uit hoofde van die functie was zij ook gebonden door een geheimhoudingsplicht. Niettemin bevatten haar taken als voorzitter een aantal elementen die kenmerkend zijn voor arbeid in loondienst.

14      Dienaangaande wijst de verwijzende rechter erop dat de door A als voorzitter van HK/Privat uitgeoefende taken bestonden in het verzekeren van de algemene leiding van deze federatie, het bepalen van het politieke optreden ervan in de beroepssectoren, het sluiten en verlengen van collectieve arbeidsovereenkomsten en het toezien op de naleving daarvan. Voorts voerde zij de beslissingen uit van het congres, het sectorbestuur en het hoofdbestuur van HK/Danmark, waarvan zij ook deel uitmaakte.

15      Wat de voorwaarden voor aanstelling van A betreft, geeft de verwijzende rechter aan dat zij overeenkomstig de door haar ondertekende „overeenkomst voor gekozen personen” van 27 oktober 2009 voltijds in dienst was van HK/Privat en geen andere werkzaamheid uitoefende. Zij ontving een maandsalaris dat overeenkwam met een bijzonder loonniveau voor staatsambtenaren. Zij viel niet onder een collectieve arbeidsovereenkomst, maar onder de statuten van HK. Daarenboven was de wet op betaald verlof op haar van toepassing.

16      Volgens de verwijzende rechter heeft het Hof de in artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 opgenomen begrippen „beroep”, „arbeid als zelfstandige” en „arbeid in loondienst” nog niet nauwkeurig omschreven en heeft het zich evenmin uitgesproken over de vraag of politiek gekozen personen van een werknemersorganisatie binnen de werkingssfeer van die richtlijn vallen.

17      Daarop heeft de Østre Landsret de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 3, lid 1, onder a), van [richtlijn 2000/78] aldus worden uitgelegd dat deze richtlijn in de omstandigheden van het hoofdgeding van toepassing is op een politiek gekozen sectorvoorzitter van een vakbond?”

 Beantwoording van de prejudiciële vraag

18      Om te beginnen zij eraan herinnerd dat de omstandigheid dat de verwijzende rechter zijn vragen formeel heeft beperkt tot de uitlegging van enkele bepalingen van het Unierecht het Hof niet belet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de voor hem dienende zaak, ongeacht of deze rechter er in zijn vragen melding van maakt. Het staat in dit verband aan het Hof om uit alle door de verwijzende rechter verschafte gegevens, met name uit de motivering van de verwijzingsbeslissing, de elementen van dat recht te putten die, gelet op het voorwerp van het hoofdgeding, uitlegging behoeven (arrest van 12 maart 2020, Caisse d’assurance retraite et de la santé au travail d’Alsace-Moselle, C‑769/18, EU:C:2020:203, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

19      In casu heeft de prejudiciële vraag betrekking op de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a), ervan. Aangezien het hoofdgeding betrekking heeft op de voorwaarden om verkozen te kunnen worden tot voorzitter van een werknemersorganisatie, kan echter niet worden uitgesloten dat artikel 3, lid 1, onder d), van die richtlijn, dat onder andere betrekking heeft op de indienstneming van personen bij een werknemersorganisatie, ook van toepassing is op dit geding.

20      Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechter met zijn vraag in wezen wenst te vernemen of artikel 3, lid 1, onder a) en d), van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat een in de statuten van een werknemersorganisatie vastgestelde leeftijdsgrens om in aanmerking te komen voor de functie van voorzitter van die organisatie, binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

 Artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78

21      Volgens artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 is deze richtlijn binnen de grenzen van de aan de Europese Unie verleende bevoegdheden zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep, met inbegrip van de selectie- en aanstellingscriteria, ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie, met inbegrip van bevorderingskansen.

22      Zoals blijkt uit punt 9 van het onderhavige arrest, is in het hoofdgeding een bepaling van de statuten van HK/Privat aan de orde volgens welke alleen de leden van deze werknemersfederatie die op de dag van de verkiezing van voorzitter ervan de leeftijd van 60 jaar of, in bepaalde gevallen, van 61 jaar nog niet hebben bereikt, verkiesbaar zijn voor deze functie.

23      Vast staat dat de vaststelling van een dergelijke leeftijdsgrens een „voorwaarde voor toegang” tot de functie van voorzitter is in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78. Dienaangaande heeft het Hof reeds geoordeeld dat een nationale regeling waarbij een maximumleeftijd voor aanwerving in een functie wordt vastgesteld, van invloed is op de aanwervingsvoorwaarden van de betrokkenen en dus moet worden geacht regels in te voeren met betrekking tot de toegang tot arbeid in de zin van die bepaling (zie in die zin arrest van 15 november 2016, Salaberria Sorondo C‑258/15, EU:C:2016:873, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24      HK en Fagbevægelsens Hovedorganisation, een verbond van 79 werknemersorganisaties (hierna: „FH”), dat in de procedure voor de verwijzende rechter heeft geïntervenieerd, zijn daarentegen van mening dat een dergelijke functie niet valt onder de begrippen „beroep”, „arbeid als zelfstandige” of „arbeid in loondienst”, die ook zijn opgenomen in artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78. Zij betogen meer in het bijzonder dat behalve voor arbeid als zelfstandige, waarvan in elk geval geen sprake is met betrekking tot de in het geding zijnde functie van voorzitter, de werkingssfeer van deze bepaling beperkt is tot functies die worden uitgeoefend door „werknemers” in de zin van artikel 45 VWEU, en dat wie de functie van voorzitter bekleedt niet als zodanig kan worden gekwalificeerd.

25      In dit verband moet worden vastgesteld dat richtlijn 2000/78 voor de definitie van het begrip „voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep” niet naar het recht van de lidstaten verwijst. Uit de vereisten van zowel eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel volgt echter dat de bewoordingen van een bepaling van het Unierecht die voor de vaststelling van de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk verwijst naar het recht van de lidstaten, in de regel in de gehele Unie autonoom en op eenvormige wijze dienen te worden uitgelegd (arrest van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C‑507/18, EU:C:2020:289, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Die richtlijn bevat overigens zelf geen definitie van de termen „voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige en tot een beroep”, zodat ze moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin ze worden gebruikt en de door de regeling waarvan ze deel uitmaken beoogde doelstellingen (arrest van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C‑507/18, EU:C:2020:289, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27      Zoals de advocaat-generaal in punt 32 van zijn conclusie heeft opgemerkt, blijkt uit het feit dat de begrippen „arbeid in loondienst”, „arbeid als zelfstandige” en „beroep” naast elkaar zijn gebruikt, dat artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 de voorwaarden voor toegang tot eender welke beroepswerkzaamheid bestrijkt, ongeacht de aard en de kenmerken ervan. Deze begrippen moeten namelijk ruim worden opgevat, zoals blijkt uit een vergelijking van de verschillende taalversies van deze bepaling en het gebruik daarin van algemene uitdrukkingen als „erhvervsmæssig beskæftigelse”, „ejercicio profesional”, „Erwerbstätigkeit”, „occupation” en „beroep” respectievelijk in het Deens, het Spaans, het Duits, het Engels en het Nederlands, met name voor het begrip „beroep”.

28      Naast het feit dat deze bepaling uitdrukkelijk betrekking heeft op arbeid als zelfstandige, volgt uit de begrippen „arbeid in loondienst” en „beroep”, in de gebruikelijke betekenis ervan, dat de Uniewetgever de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 niet heeft willen beperken tot de door een „werknemer” in de zin van artikel 45 VWEU vervulde functies, die volgens vaste rechtspraak van het Hof iemand is die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Ministrstvo za obrambo, C‑742/19, EU:C:2021:597, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29      Bovendien bevat de tekst van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 andere aanwijzingen dat de werkingssfeer van die richtlijn niet is beperkt tot de voorwaarden voor toegang tot functies die worden uitgeoefend door „werknemers” in de zin van artikel 45 VWEU. Zo is richtlijn 2000/78 volgens artikel 3, lid 1, onder a), ervan van toepassing „[op alle personen,] zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties [...] ongeacht de tak van activiteit en op alle niveaus van de beroepshiërarchie”.

30      De tekstuele uitlegging van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 wordt bevestigd door de doelstellingen van deze richtlijn, waaruit volgt dat het begrip „voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of tot een beroep”, dat de werkingssfeer van deze richtlijn afbakent, niet restrictief mag worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C‑507/18, EU:C:2020:289, punt 39).

31      Overeenkomstig artikel 1 van richtlijn 2000/78, en zoals uit zowel de titel en de considerans als de inhoud en de strekking van deze richtlijn blijkt, heeft deze tot doel met betrekking tot „arbeid en beroep” een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van onder meer leeftijd zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden, door eenieder een doeltreffende bescherming tegen discriminatie op onder meer deze grond te bieden (arrest van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C‑507/18, EU:C:2020:289, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32      In het bijzonder wordt in overweging 9 van deze richtlijn benadrukt dat arbeid en beroep sleutelelementen zijn voor het waarborgen van gelijke kansen voor eenieder en een belangrijke bijdrage leveren aan het volledig deelnemen van burgers aan het economische, culturele en sociale leven, alsook aan hun persoonlijke ontplooiing. Eveneens in die zin wordt in overweging 11 van deze richtlijn verklaard dat discriminatie op grond van onder meer leeftijd de verwezenlijking van de doelstellingen van het VWEU kan ondermijnen, in het bijzonder de verwezenlijking van een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan, de vergroting van de economische en sociale cohesie en van de solidariteit, alsmede het vrij verkeer van personen.

33      Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat richtlijn 2000/78 is vastgesteld op grond van artikel 13 EG, dat na wijziging artikel 19, lid 1, VWEU is geworden, dat de Unie de bevoegdheid verleent om passende maatregelen te nemen om discriminatie op grond van onder meer leeftijd te bestrijden. Daarmee concretiseert richtlijn 2000/78, op het gebied waarop zij betrekking heeft, het thans in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde algemene beginsel van non-discriminatie (arrest van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C‑507/18, EU:C:2020:289, punten 35 en 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

34      Zoals de advocaat-generaal in punt 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is richtlijn 2000/78 dus geen handeling van afgeleid Unierecht, zoals die welke met name zijn gebaseerd op artikel 153, lid 2, VWEU en die slechts de werknemers als zwakste partij in een arbeidsverhouding beogen te beschermen, maar heeft zij als doel het wegnemen, om redenen van sociaal en algemeen belang, van alle op discriminatiegronden gebaseerde belemmeringen voor de toegang tot bestaansmiddelen en het vermogen om door arbeid een bijdrage te leveren aan de samenleving, ongeacht de rechtsvorm waarin die arbeid wordt verricht.

35      Aangezien, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing zoals weergegeven in punt 15 van dit arrest, de functie van voorzitter van de federatie HK/Privat een reële en daadwerkelijke beroepsactiviteit vormt, met name omdat het gaat om een voltijdse activiteit waar een maandsalaris voor wordt betaald, is voor het antwoord op de vraag of de voorwaarden voor toegang tot een dergelijke functie onder richtlijn 2000/78 vallen, bijgevolg niet bepalend of een dergelijke voorzitter kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de in punt 28 van het onderhavige arrest genoemde rechtspraak.

36      In hun bij het Hof ingediende opmerkingen betogen HK en FH bovendien dat deze voorwaarden voor toegang zijn uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn, aangezien het voorzitterschap van een werknemersorganisatie, zoals de federatie HK/Privat, een politieke functie is en de titularis ervan wordt verkozen door de leden van die organisatie.

37      Dit betoog kan echter niet worden aanvaard.

38      In de eerste plaats sluit richtlijn 2000/78 namelijk de voorwaarden voor toegang tot arbeid in loondienst of tot een beroep niet van haar werkingssfeer uit wanneer de titularis van de functie in kwestie in die functie is verkozen. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat de manier waarop iemand voor een functie wordt aangeworven, geen enkele invloed heeft op de toepassing van die richtlijn (zie in die zin arrest van 25 april 2013, Asociația Accept, C‑81/12, EU:C:2013:275, punt 45).

39      Ten tweede volgt uit richtlijn 2000/78 niet dat politieke functies van de werkingssfeer ervan zijn uitgesloten. Integendeel, volgens artikel 3, lid 1, onder a), ervan is deze richtlijn van toepassing op zowel de particuliere sector als de overheidssector en „ongeacht de tak van activiteit”. Wanneer deze richtlijn de lidstaten toestaat de daarin neergelegde regeling niet toe te passen op bepaalde beroepsactiviteiten, geeft zij bovendien aan om welke activiteiten het gaat. Zo voorziet artikel 3, lid 4, van deze richtlijn in de mogelijkheid dat zij, wat discriminatie op grond van handicap en leeftijd betreft, niet van toepassing is op de strijdkrachten.

40      Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou het door richtlijn 2000/78 nagestreefde doel, zoals in herinnering gebracht in de punten 31 tot en met 34 van het onderhavige arrest, overigens niet worden bereikt indien de door deze richtlijn gewaarborgde bescherming tegen discriminatie in arbeid en beroep afhankelijk zou zijn van de aard van de in het kader van een bepaalde baan uitgeoefende taken.

41      Aan deze beoordelingen wordt niet afgedaan door het door FH ter terechtzitting aangevoerde argument dat de toepassing van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 op de verkiezing voor een functie van voorzitter van een werknemersorganisatie in strijd is met artikel 3, lid 1, van Verdrag nr. 87 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) van 9 juli 1948 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, dat bepaalt dat werknemers- en werkgeversorganisaties met name het recht hebben om vrij hun vertegenwoordigers te kiezen.

42      Het recht van de werknemersorganisaties om vrij hun vertegenwoordigers te kiezen, maakt overigens deel uit van de in artikel 12 van het Handvest verankerde vrijheid van vereniging, waaraan richtlijn 2000/78, zoals blijkt uit overweging 5 ervan, geen afbreuk doet.

43      Zoals de advocaat-generaal in punt 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet de vrijheid van vakorganisaties om hun vertegenwoordigers te kiezen evenwel in overeenstemming worden gebracht met het in deze richtlijn neergelegde verbod van discriminatie in arbeid en beroep, als concretisering van het algemene non-discriminatiebeginsel van artikel 21 van het Handvest, dat overigens is neergelegd in IAO-Verdrag nr. 111 van 25 juni 1958 inzake discriminatie (arbeid en beroep), waarnaar in overweging 4 van die richtlijn wordt verwezen.

44      Uit artikel 52, lid 1, van het Handvest blijkt namelijk dat de vrijheid van vereniging geen absoluut recht is en de uitoefening ervan kan worden beperkt mits deze beperkingen bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die vrijheid en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen, dat wil zeggen zij moeten noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

45      Dat is in casu het geval. In het bijzonder zijn de beperkingen op de uitoefening van de vrijheid van vereniging die richtlijn 2000/78 met zich kan brengen, bij wet gesteld, aangezien zij rechtstreeks uit deze richtlijn volgen. Bovendien eerbiedigen zij de wezenlijke inhoud van de vrijheid van vereniging, aangezien zij uitsluitend gelden om de doelstellingen van richtlijn 2000/78 te verwezenlijken, namelijk om het beginsel van gelijke behandeling in arbeid en beroep te waarborgen en een hoog niveau van werkgelegenheid en sociale bescherming tot stand te brengen. Zij worden dus gerechtvaardigd door deze doelstellingen (zie naar analogie arrest van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C‑507/18, EU:C:2020:289, punten 50 en 51).

46      Ook zijn die beperkingen in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: de verboden discriminatiegronden worden genoemd in artikel 1 van richtlijn 2000/78, waarvan de materiële en personele werkingssfeer worden afgebakend in artikel 3 ervan, en de beknotting van de uitoefening van de vrijheid van vereniging gaat niet verder dan noodzakelijk is om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, daar enkel statuten van een werknemersorganisatie die discriminatie in arbeid of beroep opleveren, verboden zijn (zie naar analogie arrest van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C‑507/18, EU:C:2020:289, punt 52).

47      Daarenboven zijn de uit richtlijn 2000/78 voortvloeiende beperkingen op de uitoefening van de vrijheid van vereniging noodzakelijk om de rechten inzake arbeid en beroep te waarborgen van degenen die tot de groepen behoren die gekenmerkt worden door een van de in artikel 1 van deze richtlijn genoemde gronden (zie naar analogie arrest van 23 april 2020, Associazione Avvocatura per i diritti LGBTI, C‑507/18, EU:C:2020:289, punt 53).

48      Uit het voorgaande volgt dat de „voorwaarden voor toegang” in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), van richtlijn 2000/78 tot de functie van voorzitter van een werknemersorganisatie binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.

 Artikel 3, lid 1, onder d), van richtlijn 2000/78

49      Artikel 3, lid 1, onder d), van richtlijn 2000/78 bepaalt dat deze richtlijn onder meer van toepassing is op de betrokkenheid bij een werknemersorganisatie.

50      Zoals de advocaat-generaal in punt 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, vormt de kandidaatstelling voor de verkiezing tot voorzitter van een werknemersorganisatie, net als de uitoefening van de functie van voorzitter na verkiezing, een wijze van „betrokkenheid”, in de gebruikelijke betekenis van dit woord, bij een dergelijke organisatie.

51      Een dergelijke uitlegging beantwoordt aan het doel van richtlijn 2000/78, dat erin bestaat een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie in arbeid en beroep op grond van onder meer leeftijd, zodat de begrippen die in artikel 3 van deze richtlijn de werkingssfeer ervan afbakenen, niet restrictief mogen worden uitgelegd.

52      Bovendien zij eraan herinnerd dat de Uniewetgever in de context van het door artikel 45 VWEU gewaarborgde vrije verkeer van werknemers van oordeel was dat deze fundamentele vrijheid het recht van deze werknemers omvat om in de staat waar zij werken als vertegenwoordigers van vakorganisaties te worden gekozen. Zoals de advocaat-generaal in punt 53 van zijn conclusie heeft opgemerkt, is de in artikel 3, lid 1, onder d), van richtlijn 2000/78 bedoelde werkingssfeer overgenomen uit verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap (PB 1968, L 257, blz. 2), die in artikel 8, lid 1, bepaalde dat een werknemer verkiesbaar is in de vertegenwoordigende organen van de werknemers in de betrokken onderneming, terwijl artikel 8, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie (PB 2011, L 141, blz. 1), die in de plaats is gekomen van verordening nr. 1612/68, bepaalt dat de gelijkheid van behandeling inzake de toetreding tot vakorganisaties en de uitoefening van de syndicale rechten waar werknemers recht op hebben de toegang tot beleids- en bestuursfuncties van een vakorganisatie omvat.

53      In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de uitoefening van de activiteit van voorzitter van een werknemersorganisatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, eveneens onder artikel 3, lid 1, onder d), van richtlijn 2000/78 valt.

54      Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 1, onder a) en d), van richtlijn 2000/78 aldus moet worden uitgelegd dat een in de statuten van een werknemersorganisatie vastgestelde leeftijdsgrens om in aanmerking te komen voor de functie van voorzitter van die organisatie, binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

 Kosten

55      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Tweede kamer) verklaart voor recht:

Artikel 3, lid 1, onder a) en d), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat een in de statuten van een werknemersorganisatie vastgestelde leeftijdsgrens om in aanmerking te komen voor de functie van voorzitter van die organisatie, binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

ondertekeningen


*      Procestaal: Deens.