Language of document : ECLI:EU:C:2021:502

BESCHIKKING VAN HET HOF (Tiende kamer)

16 juni 2021 (*)

„Hogere voorziening – Artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Economisch en monetair beleid – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Artikel 18, lid 1 – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Aan de Europese Centrale Bank (ECB) opgedragen specifieke taken – Oplegging van een administratieve geldelijke sanctie wegens niet-naleving van prudentiële vereisten – Verordening (EU) nr. 575/2013 – Artikel 26, lid 3 – Eigenvermogensvereisten – Kapitaalinstrumenten – Uitgiften van gewone aandelen – Indeling als bestanddelen van het tier 1-kernkapitaal (CET 1) – Geen voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit – Inbreuk uit onachtzaamheid”

In de gevoegde zaken C‑456/20 P tot en met C‑458/20 P,

betreffende drie hogere voorzieningen krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 21 september 2020,

Crédit agricole SA, gevestigd te Montrouge (Frankrijk) (C‑456/20 P),

Crédit agricole Corporate and Investment Bank, gevestigd te Montrouge (Frankrijk) (C‑457/20 P),

CA Consumer Finance, gevestigd te Massy (Frankrijk) (C‑458/20 P),

rekwirantes,

vertegenwoordigd door A. Champsaur en A. Delors, avocats,

andere partij in de procedure:

Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door C. Hernández Saseta, A. Pizzolla en D. Segoin als gemachtigden,

verweerster in eerste aanleg,

geeft

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, E. Regan (rapporteur), president van de Vijfde kamer, en I. Jarukaitis, rechter,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen overeenkomstig artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof,

de navolgende

Beschikking

1        Met hun hogere voorzieningen verzoeken Crédit agricole SA (C‑456/20 P), Crédit agricole Corporate and Investment Bank (C‑457/20 P) en CA Consumer Finance (C‑458/20 P) om vernietiging van de arresten van het Gerecht van de Europese Unie van 8 juli 2020, respectievelijk, Crédit agricole/ECB (T‑576/18, EU:T:2020:304; hierna: „eerste bestreden arrest”), Crédit agricole Corporate and Investment Bank/ECB (T‑577/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:305; hierna: „tweede bestreden arrest”), en CA Consumer Finance/ECB (T‑578/18, niet gepubliceerd, EU:T:2020:306; hierna: „derde bestreden arrest”) (hierna gezamenlijk: „bestreden arresten”), waarbij het Gerecht hun beroepen heeft afgewezen die strekten tot nietigverklaring van de besluiten ECB/SSM/2018-FRCAG-75, ECB/SSM/2018-FRCAG-76 en ECB/SSM/2018-FRCAG-77 van de Europese Centrale Bank (ECB) van 16 juli 2018 (hierna: „litigieuze besluiten”). De ECB had deze besluiten genomen op grond van artikel 18, lid 1, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63), en had daarbij aan rekwirantes administratieve geldelijke sancties van respectievelijk 4 300 000 EUR, 300 000 EUR en 200 000 EUR opgelegd wegens voortdurende schending van de eigenvermogensvereisten van artikel 26, lid 3, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1, met rectificatie in PB 2013, L 208, blz. 68).

 Toepasselijke bepalingen

 Verordening nr. 575/2013

2        In deel twee, dat betrekking heeft op „eigen vermogen”, onder titel I, met als opschrift „Bestanddelen van het eigen vermogen”, hoofdstuk 2, „Tier 1-kernkapitaal”, van verordening (EU) nr. 575/2013, in de versie die gold vóór de inwerkingtreding van verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 (PB 2019, L 150, blz. 1) (hierna: „verordening nr. 575/2013”), bepaalde artikel 26, „Tier 1‑kernkapitaalbestanddelen”, in lid 3:

„De bevoegde autoriteiten gaan na of uitgiften van tier 1‑kernkapitaalinstrumenten voldoen aan de criteria in artikel 28 of, naargelang het geval, van artikel 29. Met betrekking tot uitgiften na 28 juni 2013 worden kapitaalinstrumenten door de instellingen slechts als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt nadat daarvoor toestemming is gegeven door de bevoegde autoriteiten, die de [Europese Bankautoriteit (EBA)] kunnen raadplegen.

Voor kapitaalinstrumenten, uitgezonderd staatssteun, die door de bevoegde autoriteiten zijn goedgekeurd als in aanmerking komend voor indeling als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, maar waarvoor het naar het oordeel van de EBA wezenlijk moeilijk is om na te gaan of de criteria in artikel 28 of, naargelang het geval, van artikel 29, zijn vervuld, doen de bevoegde autoriteiten een motivering aan de EBA toekomen.

Op basis van de door iedere bevoegde autoriteit verstrekte informatie wordt door de EBA een lijst opgesteld, geactualiseerd en gepubliceerd van alle vormen van kapitaalinstrumenten in elke lidstaat die als tier 1‑kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt. Deze lijst wordt door de EBA voor het eerst opgesteld en gepubliceerd uiterlijk 28 juli 2013.

[…]”

3        Artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2019/876 (hierna: „gewijzigde verordening nr. 575/2013”), dat van toepassing is sinds 27 juni 2019, luidt:

„De bevoegde autoriteiten gaan na of uitgiften van kapitaalinstrumenten voldoen aan de criteria van artikel 28 of, naargelang het geval, van artikel 29. Uitgiften van kapitaalinstrumenten worden door de instellingen slechts als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aangemerkt nadat daarvoor toestemming is gegeven door de bevoegde autoriteiten.

In afwijking van de eerste alinea kunnen instellingen opeenvolgende uitgiften van een vorm van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarvoor zij die toestemming reeds hebben gekregen, als tier 1‑kernkapitaalinstrumenten aanmerken mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

a)      de voor die opeenvolgende uitgiften geldende bepalingen zijn wezenlijk dezelfde als de bepalingen die gelden voor de uitgiften waarvoor de instellingen reeds toestemming hebben verkregen;

b)      de instellingen hebben de bevoegde autoriteiten voldoende tijd vóór de indeling ervan als tier 1-kernkapitaalinstrumenten in kennis gesteld van die opeenvolgende uitgiften.

De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA voordat zij toestemming verlenen voor nieuwe vormen van als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aan te merken kapitaalinstrumenten. De bevoegde autoriteiten houden terdege rekening met het advies van de EBA en delen, indien zij besluiten van het advies af te wijken, de EBA binnen drie maanden na de datum van ontvangst van het advies van de EBA schriftelijk mee waarom zij van het betrokken advies zijn afgeweken. Deze alinea is niet van toepassing op de in artikel 31 bedoelde kapitaalinstrumenten.

Op basis van de door bevoegde autoriteiten verstrekte informatie wordt door de EBA een lijst opgesteld, geactualiseerd en gepubliceerd van alle vormen van kapitaalinstrumenten in elke lidstaat die als tier 1‑kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt. Overeenkomstig artikel 35 van verordening (EU) nr. 1093/2010 [van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB 2010, L 331, blz. 12)] kan de EBA alle met tier 1-kernkapitaalinstrumenten verband houdende informatie verzamelen die zij nodig acht om zich van de vervulling van de in artikel 28 of, waar toepasselijk, artikel 29 van deze verordening beschreven criteria te vergewissen, en om de in deze alinea bedoelde lijst bij te houden en te actualiseren.

[…]”

 Verordening nr. 1024/2013

4        Hoofdstuk III van verordening nr. 1024/2013, met als opschrift „Bevoegdheden van de ECB”, bevat onder afdeling 2, „Specifieke toezichtbevoegdheden”, de artikelen 14 tot en met 18 van deze verordening. Artikel 18 van die verordening, „Administratieve sancties”, luidt:

„1.      Met het oog op de uitoefening van de haar bij deze verordening opgedragen taken kan de ECB, indien kredietinstellingen, financiële holdings of gemengde financiële holdings opzettelijk of uit onachtzaamheid een inbreuk plegen op een krachtens relevante rechtstreeks toepasselijke handelingen van het Unierecht geldend voorschrift waarvoor administratieve geldelijke sancties aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar gesteld moeten worden krachtens het toepasselijke Unierecht, administratieve geldelijke sancties opleggen van maximaal tweemaal het bedrag van de als gevolg van de inbreuk behaalde winsten of vermeden verliezen ingeval deze kunnen worden bepaald, of maximaal 10 % van de totale jaaromzet, als bepaald in het toepasselijke Unierecht, van een rechtspersoon in het voorgaande boekjaar, of andere geldelijke sancties waarin het toepasselijke Unierecht voorziet.

[…]

3.      De opgelegde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. […]

[…]”

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

5        Bij de litigieuze besluiten heeft de ECB aan elk van de rekwirantes, kredietinstellingen die onder rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB staan, een administratieve financiële sanctie opgelegd krachtens artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1024/2013 omdat zij, op zijn minst uit onachtzaamheid, een inbreuk hadden gepleegd op artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 door zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit kapitaalinstrumenten die het resultaat waren van verschillende uitgiften van gewone aandelen (hierna: „litigieuze uitgiften”) op te nemen in hun tier 1‑kernkapitaalinstrumenten (hierna: „CET 1-instrumenten”).

6        In dit verband heeft de ECB met name het betoog van rekwirantes weerlegd volgens hetwelk deze gewone aandelen waren opgenomen op de door de EBA overeenkomstig de derde alinea van dat artikel 26, lid 3, gepubliceerde lijst (hierna: „door de EBA gepubliceerde lijst”). De ECB was in essentie van mening dat het feit dat een instrument op die lijst stond, een kredietinstelling niet ontsloeg van de verplichting om vooraf toestemming van de bevoegde autoriteit te verkrijgen uit hoofde van artikel 26, lid 3, eerste alinea.

 Procedure bij het Gerecht en bestreden arresten

7        Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 september 2018, heeft elk van de rekwirantes een beroep tot nietigverklaring van het haar betreffende litigieuze besluit ingesteld.

8        Tot staving van hun beroepen voerden rekwirantes twee middelen aan. Het eerste middel, waarin werd gesteld dat er sprake was van bevoegdheidsoverschrijding, bestond uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel was gebaseerd op schending van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013. Het tweede onderdeel was ontleend aan schending van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1024/2013 en het rechtszekerheidsbeginsel. Het derde onderdeel betrof de evenredigheid van de aan rekwirantes opgelegde administratieve geldelijke sanctie. Het tweede middel was ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord.

9        Bij de bestreden arresten heeft het Gerecht deze middelen afgewezen voor zover zij ertoe strekten de rechtmatigheid van de litigieuze besluiten ter discussie te stellen voor zover daarin werd vastgesteld dat rekwirantes een inbreuk op artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 hadden gepleegd.

10      Bij het ambtshalve en vooraf uitgevoerde onderzoek naar de naleving van de motiveringsplicht met betrekking tot de krachtens artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1024/2013 opgelegde administratieve geldelijke sancties heeft het Gerecht daarentegen geoordeeld, in het bijzonder in de punten 144 en 156 van het eerste bestreden arrest, de punten 127 en 139 van het tweede bestreden arrest en de punten 130 en 141 van het derde bestreden arrest, dat die besluiten op dat punt ontoereikend waren gemotiveerd, in wezen omdat daarin niet was gepreciseerd op welke wijze het bedrag van de sancties was bepaald. Om die reden heeft het Gerecht geoordeeld dat de sancties nietig moesten worden verklaard zonder dat uitspraak hoefde te worden gedaan over de argumenten van rekwirantes, die met name waren ontleend aan het feit dat deze sancties in strijd waren met het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

11      Daar het Gerecht in punt 157 van het eerste bestreden arrest, punt 140 van het tweede bestreden arrest en punt 142 van het derde bestreden arrest heeft geoordeeld dat de beoordelingen van de ECB met betrekking tot de bedragen van de administratieve geldelijke sancties konden worden gescheiden van de rest van de inhoud van de litigieuze besluiten, heeft het, ten eerste, in punt 1 van het dictum van deze arresten de litigieuze besluiten nietig verklaard voor zover zij rekwirantes een dergelijke sanctie oplegden en, ten tweede, in punt 2 van dat dictum de beroepen verworpen voor het overige.

 Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

12      Met hun hogere voorzieningen verzoekt elk van de rekwirantes het Hof:

–        punt 2 van het dictum van het haar betreffende bestreden arrest te vernietigen;

–        haar beroep in eerste aanleg toe te wijzen, en

–        de ECB te verwijzen in alle kosten.

13      De ECB concludeert tot afwijzing van de hogere voorzieningen en verwijzing van rekwirantes in de kosten.

14      Bij beslissing van de president van het Hof van 30 oktober 2020 zijn de zaken C‑456/20 P tot en met C‑458/20 P gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.

 Hogere voorzieningen

15      Overeenkomstig artikel 181 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof kan het Hof, wanneer een hogere voorziening geheel of gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, in elke stand van het geding op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslissen om deze hogere voorziening geheel of gedeeltelijk bij met redenen omklede beschikking af te wijzen.

16      Deze bepaling dient in het kader van de onderhavige hogere voorzieningen te worden toegepast.

 Eerste middel in zaak C456/20 P

 Eerste onderdeel

–       Argumenten van partijen

17      Met het eerste onderdeel van haar eerste middel voert Crédit agricole aan dat het Gerecht, door te oordelen dat zij met betrekking tot het tweede kwartaal van 2016 een inbreuk had gepleegd wat de op 23 juni en 12 november 2015 uitgevoerde eerste twee litigieuze uitgiften betreft, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitlegging van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 die het zelf heeft uiteengezet in de punten 41 tot en met 63 van het eerste bestreden arrest, volgens welke uitlegging een kredietinstelling een kapitaalinstrument onder haar CET 1-instrumenten kan indelen wanneer zij daar vooraf toestemming voor heeft gekregen van de bevoegde autoriteit.

18      Crédit agricole heeft immers op 26 juli 2016 toestemming gekregen van de ECB om deze twee litigieuze uitgiften in te delen als CET 1‑instrumenten. Crédit agricole heeft die uitgiften op 30 juni 2016 als CET 1-instrumenten ingedeeld in haar geconsolideerde kwartaalrapportage over het eigen vermogen en de eigenvermogensvereisten alsmede in haar openbaarmaking van informatie uit hoofde van de derde pijler, en heeft deze op 12 augustus 2016 gepubliceerd en aan de ECB meegedeeld. Haar kan dus geen enkele inbreuk worden verweten.

19      De ECB voert aan dat dit betoog niet ter zake dienend en hoe dan ook ongegrond is.

–       Beoordeling door het Hof

20      Uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd zij is gericht, en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven, op straffe van niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening of het betrokken middel (arrest van 2 maart 2021, Commissie/Italië e.a., C‑425/19 P, EU:C:2021:154, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

21      In casu moet worden opgemerkt dat het Gerecht in punt 92 van het eerste bestreden arrest heeft vastgesteld dat de drie litigieuze uitgiften op 30 juni 2016 werden ingedeeld als CET 1-instrumenten voor het tweede kwartaal van 2016, dus voordat de ECB op 26 juli 2016 toestemming gaf voor een dergelijke indeling.

22      Met het onderhavige betoog ter ondersteuning van het eerste onderdeel van haar eerste middel suggereert Crédit agricole echter, hoewel zij uitdrukkelijk aangeeft dat die indeling inderdaad op 30 juni 2016 heeft plaatsgevonden, dat de relevante datum om te bepalen of zij de verplichting tot het verkrijgen van voorafgaande toestemming als bedoeld in artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 is nagekomen, niet 30 juni 2016, maar 12 augustus 2016 is, de datum waarop de indeling werd meegedeeld aan de ECB en werd gepubliceerd.

23      Vastgesteld moet echter worden dat Crédit agricole geenszins aangeeft in welk opzicht het Gerecht dienaangaande blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door, in punt 92 van het eerste bestreden arrest, 30 juni 2016 aan te houden voor de vaststelling dat er sprake was van een inbreuk op die bepaling.

24      Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het eerste middel in zaak C‑456/20 P kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard.

 Tweede onderdeel

–       Argumenten van partijen

25      Met het tweede onderdeel van haar eerste middel betoogt Crédit agricole dat het Gerecht, door te oordelen dat zij een inbreuk had gepleegd met betrekking tot het tweede kwartaal van 2016, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bestaande in een schending van het beginsel van retroactieve toepassing van de mildere strafwet, dat is verankerd in artikel 49, lid 1, derde volzin, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) alsmede in de rechtspraak van het Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), omdat het heeft geweigerd artikel 26, lid 3, van de gewijzigde verordening nr. 575/2013 toe te passen voor de vaststelling van een inbreuk met betrekking tot de op 21 juni 2016 uitgevoerde derde litigieuze uitgifte. Deze nieuwe bepaling vormt namelijk een minder strenge strafwet, aangezien zij bepaalt dat, onder bepaalde voorwaarden, voor opeenvolgende uitgiften van dezelfde vorm als uitgiften waarvoor reeds toestemming is verleend niet langer een voorafgaande vergunning, maar alleen een kennisgeving is vereist.

26      In casu voldoet de derde litigieuze uitgifte aan de voorwaarden van artikel 26, lid 3, van de gewijzigde verordening nr. 575/2013, aangezien voor deze uitgifte dezelfde bepalingen gelden als voor de eerste twee litigieuze uitgiften, ten aanzien waarvan op 26 juli 2016 toestemming werd verkregen voor de indeling als CET 1-instrumenten, en de ECB op 22 juni 2016 in kennis is gesteld van de vorm van die derde uitgifte, dat wil zeggen bijna twee maanden vóór de indeling ervan als tier 1-instrument op 12 augustus 2016.

27      Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 72 van het eerste bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat het beginsel van retroactieve toepassing van de mildere strafwet niet relevant is voor de toetsing van de rechtmatigheid van een handeling die vóór de wijziging van het rechtskader is vastgesteld. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt immers dat in het geval van verschillen tussen de strafwet die van kracht was op het tijdstip waarop het strafbare feit werd begaan en latere strafwetten die zijn vastgesteld vóór de uitspraak van een onherroepelijk vonnis, de rechter de wet met de voor de beklaagde meest gunstige bepalingen moet toepassen (EHRM, 18 juli 2013, Maktouf en Damjanović tegen Bosnië en Herzegovina, ECHR:2013:0718JUD000231208, punt 65). Aangezien de sanctie in het stadium van het beroep bij het Gerecht nog niet definitief was, had het Gerecht dus rekening moeten houden met die wijziging, omdat deze tot gevolg had dat de verweten feiten met betrekking tot de derde litigieuze uitgifte niet langer een inbreuk vormden en dus in de weg stond aan de oplegging van een sanctie.

28      Volgens de ECB is dit betoog ongegrond.

–       Beoordeling door het Hof

29      In herinnering dient te worden gebracht, zoals het Gerecht in de punten 69 en 70 van het eerste bestreden arrest heeft gedaan, dat het beginsel van de retroactieve toepassing van de minder strenge strafwet een algemeen beginsel van Unierecht vormt (zie in die zin arrest van 11 maart 2008, Jager, C‑420/06, EU:C:2008:152, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak), dat thans is verankerd is artikel 49, lid 1, derde volzin, van het Handvest (zie in die zin arrest van 7 augustus 2018, Clergeau e.a., C‑115/17, EU:C:2018:651, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30      In casu staat vast dat Crédit agricole op het tijdstip waarop zij de derde litigieuze uitgifte als CET 1-instrument indeelde, niet de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit had verkregen die was vereist op grond van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013, zoals dat ten tijde van de feiten van toepassing was, te weten een specifieke voorafgaande toestemming voor de indeling van die derde uitgifte als CET 1-instrument. Die toestemming is later, op 29 augustus 2016, verleend, zodat de ECB terecht heeft geoordeeld dat Crédit agricole een inbreuk op voornoemde bepaling had gemaakt.

31      Zoals het Gerecht verder heeft vastgesteld in punt 67 van het eerste bestreden arrest, is het desalniettemin juist dat de Uniewetgever artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 in de loop van de procedure in eerste aanleg heeft gewijzigd.

32      Artikel 26, lid 3, tweede alinea, van de gewijzigde verordening nr. 575/2013 bepaalt thans immers dat, in afwijking van de regel in de eerste alinea van deze bepaling – waarin het beginsel is geformuleerd dat kredietinstellingen voorafgaande toestemming moeten verkrijgen om uitgiften van kapitaalinstrumenten als CET 1-instrumenten aan te merken –, deze instellingen opeenvolgende uitgiften van een vorm van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarvoor zij die toestemming reeds hebben gekregen, als CET 1-instrumenten kunnen aanmerken mits, ten eerste, de voor die opeenvolgende uitgiften geldende bepalingen wezenlijk dezelfde zijn als de bepalingen die gelden voor de uitgiften waarvoor zij reeds toestemming hebben verkregen, en, ten tweede, die instellingen de bevoegde autoriteiten voldoende tijd vóór de indeling ervan als CET 1-instrumenten in kennis hebben gesteld van die opeenvolgende uitgiften.

33      Vastgesteld moet worden dat Crédit agricole zich met haar betoog ter ondersteuning van het tweede onderdeel van haar eerste middel evenwel op een onjuiste premisse baseert, namelijk dat zij overeenkomstig deze nieuwe bepaling reeds toestemming had gekregen om de eerste twee litigieuze uitgiften als CET 1-instrument in te delen op het tijdstip dat de derde litigieuze uitgifte, volgens haar op 12 augustus 2016, als zodanig werd ingedeeld.

34      Deze premisse, die in tegenspraak is met de eigen stellingen van Crédit agricole tot staving van het eerste onderdeel van haar eerste middel – zoals uiteengezet in punt 18 van de onderhavige beschikking – betreffende de datum van laatstgenoemde indeling, moet namelijk worden afgewezen op dezelfde gronden als genoemd in de punten 21 tot en met 24 van deze beschikking, aangezien rekwirante in het kader van het onderhavige onderdeel evenmin uiteenzet in welk opzicht het Gerecht blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 92 van het eerste bestreden arrest vast te stellen dat die indeling, wat het tweede kwartaal van 2016 betreft, had plaatsgevonden op 30 juni 2016.

35      Vast staat dat Crédit agricole op laatstgenoemde datum nog geen toestemming had gekregen om de eerste twee litigieuze uitgiften als CET 1-instrumenten in te delen, aangezien deze toestemming haar pas later, op 26 juli 2016, is verleend.

36      Crédit agricole heeft dus hoe dan ook niet voldaan aan de verplichting om voorafgaande toestemming te verkrijgen, welke verplichting is opgenomen zowel in het ten tijde van de feiten toepasselijke artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013, als in artikel 26, lid 3, van de gewijzigde verordening nr. 575/2013, die gedurende de procedure voor het Gerecht in werking is getreden, waardoor de indeling van alle litigieuze uitgiften onherroepelijk ongeldig is, ongeacht welke bepaling ratione temporis van toepassing is.

37      Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het eerste middel in zaak C‑456/20 P kennelijk ongegrond worden verklaard, zodat dit eerste middel in zijn geheel moet worden afgewezen.

 Tweede middel in zaak C456/20 P en eerste middel in de zaken C457/20 P en C458/20 P

 Eerste onderdeel

–       Argumenten van partijen

38      Met het eerste onderdeel van deze middelen betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen in de punten 119, 121 en 122 van het eerste bestreden arrest, de punten 102, 104 en 105 van het tweede bestreden arrest en de punten 106, 108 en 109 van het derde bestreden arrest, door niet te antwoorden op het middel inzake schending van het rechtszekerheidsbeginsel door de ECB, omdat het Gerecht eerst kennis diende te nemen van de gronden van de litigieuze besluiten en dus moest onderzoeken of deze voldoende gemotiveerd waren. De eerbiediging van dit beginsel staat immers los van de naleving van de motiveringsplicht, aangezien dit beginsel alleen vereist dat er een duidelijke rechtsgrondslag is voor de oplegging van de sanctie. Het is in dat verband niet noodzakelijk om te begrijpen waarom de ECB deze sanctie heeft opgelegd en hoe zij het bedrag ervan heeft bepaald.

39      Volgens de ECB is dit betoog ongegrond.

–       Beoordeling door het Hof

40      Zoals reeds is aangegeven in de punten 10 en 11 van de onderhavige beschikking, heeft het Gerecht de litigieuze besluiten wegens ontoereikende motivering nietig verklaard voor zover daarbij aan elk van de rekwirantes een administratieve geldelijke sanctie werd opgelegd.

41      In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat het Gerecht in punt 156 van het eerste bestreden arrest, punt 139 van het tweede bestreden arrest en punt 141 van het derde bestreden arrest terecht heeft geoordeeld dat de andere door rekwirantes aangevoerde argumenten, waaronder het argument inzake schending van het rechtszekerheidsbeginsel, niet meer hoefden te worden onderzocht.

42      Vast staat immers vast dat rekwirantes, zoals blijkt uit punt 119 van het eerste bestreden arrest, punt 102 van het tweede bestreden arrest en punt 106 van het derde bestreden arrest, dit argument enkel hadden aangevoerd om de rechtmatigheid van het bedrag van de door de ECB in de litigieuze besluiten opgelegde administratieve geldelijke sancties te betwisten.

43      Aangezien het Gerecht deze besluiten wegens ontoereikende motivering nietig heeft verklaard voor zover daarbij dergelijke sancties werden opgelegd, kon de eventuele schending van het rechtszekerheidsbeginsel geen enkele invloed meer hebben op de omvang van de door het Gerecht uitgesproken nietigverklaring van die besluiten, zodat het argument inzake schending van dit beginsel irrelevant was geworden. Hieruit volgt dat het Gerecht niet meer hoefde te antwoorden op het middel inzake schending van dat beginsel door de ECB.

44      Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel in zaak C‑456/20 P en van het eerste middel in de zaken C‑457/20 P en C‑458/20 P kennelijk ongegrond worden verklaard.

 Tweede onderdeel

–       Argumenten van partijen

45      Met het tweede onderdeel van deze middelen betogen rekwirantes dat het Gerecht het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Het Gerecht heeft immers in de punten 47, 49, 88, 89, 94 en 95 van het eerste bestreden arrest en in de punten 44, 74, 75, 81 en 82 van het tweede en het derde bestreden arrest erkend dat artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 dubbelzinnig is. Dit gebrek aan duidelijkheid is ook aan de orde gesteld door de EBA in een advies dat op 23 mei 2017 in het kader van de herziening van die verordening op haar website is geplaatst. De Uniewetgever heeft het dan ook noodzakelijk geacht om dit artikel 26, lid 3, te wijzigen.

46      Volgens de rechtspraak van het Hof, zoals die met name volgt uit het arrest van 12 december 1990, Vandemoortele/Commissie (C‑172/89, EU:C:1990:457, punt 9), kan een – al dan niet strafrechtelijke – sanctie alleen worden opgelegd indien daarvoor een duidelijke en eenduidige rechtsgrondslag bestaat. Aangezien artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 geen duidelijke en eenduidige rechtsgrondslag vormde, kon de ECB dus geen inbreuk op deze bepaling vaststellen zonder het rechtszekerheidsbeginsel te schenden. De bestreden besluiten moeten dus om die reden nietig worden verklaard.

47      Volgens de ECB is dit betoog ongegrond.

–       Beoordeling door het Hof

48      Voor zover rekwirantes met het betoog ter ondersteuning van het tweede onderdeel van het onderhavige middel de ECB verwijten dat zij het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door in de litigieuze besluiten een inbreuk op artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 vast te stellen ondanks de dubbelzinnigheid van die rechtsgrondslag, dient eraan te worden herinnerd dat overeenkomstig de in punt 20 van de onderhavige beschikking vermelde rechtspraak een middel in hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid, niet moet zijn gericht op nietigverklaring van het in eerste aanleg bestreden besluit maar op vernietiging van het arrest in eerste aanleg, en een betoog moet omvatten dat er specifiek toe strekt de onjuiste rechtsopvatting waarvan dat arrest blijk geeft aan te tonen.

49      Zo is het vaste rechtspraak van het Hof dat een middel waarin slechts de reeds voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald, in werkelijkheid enkel een nieuw onderzoek van het bij het Gerecht ingestelde beroep beoogt, waartoe het Hof niet bevoegd is (zie in die zin arrest van 22 september 2020, Oostenrijk/Commissie, C‑594/18 P, EU:C:2020:742, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50      Hieruit volgt dat het onderhavige betoog, voor zover rekwirantes de ECB hiermee verwijten het rechtszekerheidsbeginsel te hebben geschonden door in de litigieuze besluiten een inbreuk op artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 vast te stellen, in het stadium van de onderhavige hogere voorzieningen niet-ontvankelijk is.

51      Voor het overige moet worden opgemerkt dat, voor zover rekwirantes het Gerecht in het kader van datzelfde onderdeel verwijten dat het zelf het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door hun argumenten ter betwisting van de vaststelling door de ECB dat er inbreuk was gepleegd op artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 te hebben afgewezen, hun kritiek volledig berust op de premisse dat het Gerecht in de in punt 45 van de onderhavige beschikking genoemde punten van de bestreden arresten heeft erkend dat deze bepaling dubbelzinnig was.

52      Deze premisse is echter onjuist.

53      Om te beginnen heeft het Gerecht, anders dan rekwirantes betogen, in punt 47 van het eerste bestreden arrest en punt 44 van het tweede en het derde bestreden arrest geenszins vastgesteld dat artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 dubbelzinnig was, maar heeft het in die punten, als voorafgaande opmerking bij de uitlegging van die bepaling, enkel gesteld dat uit alleen de bewoordingen van deze bepaling niet kon worden afgeleid op welke wijzen de daarin bedoelde toestemming van de bevoegde autoriteit, die een kredietinstelling nodig heeft om haar kapitaalinstrumenten als CET 1-instrumenten te kunnen indelen, tot uiting kon komen.

54      Onder toepassing van de in punt 45 van het eerste bestreden arrest en punt 42 van het tweede en het derde bestreden arrest genoemde vaste rechtspraak van het Hof, volgens welke voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt, is het Gerecht, op basis van een contextuele en teleologische uitlegging van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 in de punten 51 tot en met 60 van het eerste arrest en de punten 48 tot en met 57 van het tweede en het derde arrest, tot de slotsom gekomen dat deze bepaling vereiste dat de bevoegde autoriteit voorafgaande toestemming verleent per individueel kapitaalinstrument, en niet globaal per categorie kapitaalinstrumenten, zoals rekwirantes betogen.

55      Vervolgens heeft het Gerecht zich in de punten 88 en 89 van het eerste bestreden arrest en in de punten 75 en 76 van het tweede en het derde bestreden arrest niet uitgesproken over de bewoordingen van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013, maar over de inhoud van een in de door de EBA gepubliceerde lijst opgenomen clausule, waarbij het geen oordeel velde over de rechtmatigheid van de door rekwirantes gepleegde inbreuk op die bepaling maar reageerde op hun argumenten inzake het ontbreken van onachtzaamheid in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1024/2013.

56      Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 94 en 95 van het eerste bestreden arrest en in de punten 80 en 81 van het tweede en het derde bestreden arrest enkel vastgesteld, eveneens in het kader van zijn antwoord op dezelfde argumenten inzake de vraag of de verweten inbreuk uit onachtzaamheid was gepleegd, dat bepaalde ondernemingen moeilijkheden hadden kunnen ondervinden bij de uitlegging van de draagwijdte van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013.

57      Hoe dan ook moet worden benadrukt dat het Gerecht in de punten 89 tot en met 92 en 95 van het eerste bestreden arrest en in de punten 75 tot en met 78 en 81 van het tweede en het derde bestreden arrest uitvoerig heeft uiteengezet – hetgeen rekwirantes verzwijgen – waarom de in de punten 55 en 56 van de onderhavige beschikking genoemde omstandigheden niet van dien aard waren dat zij konden afdoen aan de conclusie dat een zorgvuldige lezing van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 de eventuele moeilijkheden bij de uitlegging van die bepaling kon wegnemen, en dat het zodoende de argumenten waarmee rekwirantes hebben getracht aan te tonen dat zij niet onachtzaam waren geweest in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1024/2013, punt voor punt heeft weerlegd.

58      Hieruit volgt dat het betoog van rekwirantes ongegrond is omdat het berust op een onjuiste lezing van de bestreden arresten.

59      Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel in zaak C‑456/20 P en van het eerste middel in de zaken C‑457/20 P en C‑458/20 P deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond worden verklaard. Deze middelen moeten derhalve in hun geheel worden afgewezen.

 Derde middel in zaak C456/20 P en tweede middel in de zaken C457/20 P en C458/20 P

 Argumenten van partijen

–       Derde middel in zaak C456/20 P, tweede middel in zaak C457/20 P en eerste onderdeel van het tweede middel in zaak C458/20 P

60      Met deze middelen en argumenten betogen rekwirantes dat het Gerecht artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1024/2013 en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door niet aan te tonen dat zij onachtzaam waren geweest. Het enkele feit dat de ECB en het Gerecht tot een andere uitlegging van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 zijn gekomen dan die welke rekwirantes bepleiten, betekent niet dat rekwirantes onachtzaam zijn geweest. In de punten 87 tot en met 89 en 93 tot en met 95 van het eerste bestreden arrest en de punten 73 tot en met 75 en 79 tot en met 81 van het tweede en het derde bestreden arrest heeft het Gerecht immers erkend dat de lezing van deze bepaling op basis van het door de EBA in een gepubliceerd document ingenomen officiële standpunt door bepaalde nationale autoriteiten en tal van kredietinstellingen was overgenomen. Het Gerecht heeft tevens erkend dat hun uitlegging bevestiging vond in een passage van de door de EBA gepubliceerde lijst. Bovendien heeft het Gerecht niet aangetoond in welk opzicht de door de ECB gegeven uitlegging ten tijde van de feiten voorzienbaar was, terwijl er geen enkel – administratief dan wel rechterlijk – standpunt was gepubliceerd dat deze uitlegging ondersteunde.

61      Volgens de ECB is dit betoog ongegrond.

–       Tweede onderdeel van het tweede middel in zaak C458/20 P

62      Met het tweede onderdeel van haar tweede middel verwijt CA Consumer Finance het Gerecht dat het het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door in punt 85 van het derde bestreden arrest het argument af te wijzen waarmee zij, om aan te tonen dat er geen sprake was van onachtzaamheid, erop had gewezen dat de vereisten van de ECB tegenstrijdig waren en dat de termijn waarbinnen de ECB de meegedeelde informatie had onderzocht met het oog op het verlenen van toestemming voor het indelen van de litigieuze uitgiften als CET 1‑instrumenten, kennelijk onredelijk was.

63      Het Gerecht heeft in dit verband ten onrechte geoordeeld dat deze rekwirante zich had kunnen beroepen op de buitensporig lange termijn waarbinnen de ECB haar heeft geantwoord in het geval dat laatstgenoemde haar zou hebben bestraft wegens niet-naleving van de voor 30 juni 2016 aan de groep Crédit agricole opgelegde eigenvermogensvereisten, maar dat die buitensporige termijn daarentegen niet relevant was voor de beoordeling van de geldigheid van de sanctie die was opgelegd wegens schending van haar verplichtingen uit hoofde van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013. Volgens CA Consumer Finance kon de ECB immers niet een eigenvermogensvereiste opleggen en vervolgens zelf de uitvoering van dit vereiste vertragen door er zeven maanden over te doen om uiteindelijk op 4 januari 2017 toestemming te verlenen voor de indeling van de litigieuze uitgiften als CET 1-instrumenten.

64      Volgens de ECB is dit betoog niet-ontvankelijk.

 Beoordeling door het Hof

65      Opgemerkt zij dat de ECB volgens artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1024/2013, met het oog op de uitoefening van haar bij deze verordening opgedragen taken, administratieve geldelijke sancties kan opleggen indien kredietinstellingen opzettelijk of uit onachtzaamheid een inbreuk plegen op een krachtens relevante rechtstreeks toepasselijke handelingen van het Unierecht geldend voorschrift waarvoor dergelijke sancties aan de bevoegde autoriteiten beschikbaar gesteld moeten worden krachtens het toepasselijke Unierecht.

66      Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dus dat het bestaan van „onachtzaamheid” in de zin van deze bepaling, bij een kredietinstelling, een voorwaarde is voor de oplegging van een administratieve geldelijke sanctie in geval van een inbreuk op artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013.

67      Uit het feit dat het Gerecht bij de bestreden arresten, zoals is aangegeven in de punten 10 en 11 van de onderhavige beschikking, de litigieuze besluiten wegens ontoereikende motivering nietig heeft verklaard voor zover daarbij aan elk van rekwirantes een administratieve geldelijke sanctie werd opgelegd, blijkt dat de redenen waarom het Gerecht in de punten 79 tot en met 96 van het eerste bestreden arrest, de punten 63 tot en met 82 van het tweede bestreden arrest en de punten 65 tot en met 86 van het derde bestreden arrest de argumenten van rekwirantes inzake het ontbreken van onachtzaamheid in de zin van artikel 18, lid 1, van verordening nr. 1024/2013 heeft afgewezen, ten overvloede zijn gegeven.

68      Grieven die in hogere voorziening gericht zijn tegen ten overvloede aangevoerde overwegingen van een arrest van het Gerecht kunnen niet leiden tot vernietiging van dat arrest en moeten dus als niet ter zake dienend worden afgewezen (arrest van 3 september 2020, achtung!/EUIPO, C‑214/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:632, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

69      Bijgevolg moeten het derde middel in zaak C‑456/20 P en het tweede middel in de zaken C‑457/20 P en C‑458/20 P worden afgewezen als niet ter zake dienend.

 Vierde middel in zaak C456/20 P en derde middel in de zaken C457/20 P en C458/20 P

 Eerste onderdeel

–       Argumenten van partijen

70      Met het eerste onderdeel van deze middelen betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zijn motiveringsplicht niet is nagekomen door niet te antwoorden op het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling door de ECB.

71      In het bijzonder heeft het Gerecht in punt 122 van het eerste bestreden arrest en punt 109 van het tweede en het derde bestreden arrest ten onrechte geoordeeld dat het, om uitspraak te kunnen doen over het middel inzake schending van het evenredigheidsbeginsel, eerst moest onderzoeken of de litigieuze besluiten toereikend waren gemotiveerd wat de vaststelling van het bedrag van de opgelegde sanctie betreft. De vraag of het bedrag van een sanctie ontoereikend is gemotiveerd staat namelijk los van de beoordeling of het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling in acht zijn genomen bij het opleggen als zodanig van die sanctie. Voorts benadrukken rekwirantes dat zij in hun bij het Gerecht ingediende repliek uitdrukkelijk hebben betwist dat hun een administratieve geldelijke sanctie kon worden opgelegd, ongeacht het gekozen bedrag, omdat een dergelijke sanctie niet noodzakelijk was om de doelstellingen van verordening nr. 575/2013 te bereiken en in strijd was met het beginsel van gelijke behandeling.

72      Volgens de ECB is dit betoog ongegrond.

–       Beoordeling door het Hof

73      Meteen moet worden opgemerkt dat, voor zover rekwirantes met het betoog ter ondersteuning van het eerste onderdeel van de onderhavige middelen het Gerecht verwijten niet te hebben geantwoord op hun argumenten inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling, dit betoog ongegrond moet worden verklaard, aangezien in eerste aanleg een dergelijk argument niet is aangevoerd. In het bijzonder komt een dergelijk argument, anders dan rekwirantes suggereren, nergens voor in hun bij het Gerecht ingediende repliek.

74      Voor het overige moet het betoog van rekwirantes om dezelfde redenen als die welke reeds in de punten 40 tot en met 44 van de onderhavige beschikking zijn uiteengezet, worden afgewezen, omdat het Gerecht de litigieuze besluiten wegens ontoereikende motivering nietig heeft verklaard voor zover daarbij aan elk van hen een administratieve geldelijke sanctie was opgelegd.

75      Het Gerecht heeft in punt 156 van het eerste bestreden arrest, punt 139 van het tweede bestreden arrest en punt 141 van het derde bestreden arrest immers terecht geoordeeld dat, gelet op die nietigverklaring, de andere argumenten die rekwirantes hadden aangevoerd om de hoogte van die sanctie ter discussie te stellen, zoals het argument inzake schending van het evenredigheidsbeginsel, niet meer hoefden te worden onderzocht aangezien zij aldus zonder voorwerp waren geraakt.

76      In het bijzonder moet in dit verband worden benadrukt dat het Gerecht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 135 en 136 van het eerste bestreden arrest, de punten 118 en 119 van het tweede bestreden arrest en de punten 122 en 123 van het derde bestreden arrest te oordelen dat, om te kunnen beoordelen of de bij de litigieuze besluiten opgelegde administratieve geldelijke sancties in overeenstemming waren met het evenredigheidsbeginsel en met de criteria van artikel 18, lid 3, van verordening nr. 1024/2013, dat met name vereist dat de sanctie evenredig is, uit de motivering van die besluiten rechtens genoegzaam moet blijken welke methodologie de ECB heeft gevolgd om het bedrag van die sancties vast te stellen. Het Gerecht heeft dus in de punten 121 en 122 van het eerste bestreden arrest, de punten 104 en 105 van het tweede bestreden arrest en de punten 108 en 109 van het derde bestreden arrest terecht geoordeeld dat het, om de kritiek van rekwirantes op dit punt te kunnen onderzoeken, eerst moest nagaan of die besluiten toereikend waren gemotiveerd.

77      Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het vierde middel in zaak C‑456/20 P en van het derde middel in de zaken C‑457/20 P en C‑458/20 P kennelijk ongegrond worden verklaard.

 Tweede onderdeel

–       Argumenten van partijen

78      Met het tweede onderdeel van deze middelen verwijten rekwirantes het Gerecht het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling te hebben geschonden. Door de litigieuze besluiten nietig te verklaren voor zover rekwirantes daarbij een geldboete van een bepaald bedrag werd opgelegd, en door hun vorderingen voor het overige af te wijzen, met inbegrip van de argumenten ter betwisting van de sanctie als zodanig, heeft het Gerecht immers op zijn minst impliciet erkend dat die sanctie in beginsel gegrond was en in overeenstemming was met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling. Het Gerecht heeft aldus met name geweigerd om de gevallen te onderzoeken van andere banken ten aanzien waarvan de ECB een uitlegging van artikel 26, lid 3, van verordening nr. 575/2013 heeft gehanteerd die overeenstemt met die van rekwirantes.

79      Volgens de ECB is dit betoog ongegrond.

–       Beoordeling door het Hof

80      Vastgesteld moet worden dat het betoog van rekwirantes volledig berust op de premisse dat het Gerecht zich in de bestreden arresten impliciet maar noodzakelijkerwijs heeft uitgesproken over de verenigbaarheid met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling van de administratieve geldelijke sancties die hun in de litigieuze besluiten zijn opgelegd, door te erkennen dat die sancties „in beginsel” gegrond waren.

81      In herinnering zij gebracht dat, ten eerste, zoals opgemerkt in punt 73 van de onderhavige beschikking, rekwirantes zich voor het Gerecht niet hebben beroepen op schending van het beginsel van gelijke behandeling, en dat, ten tweede, het Gerecht de litigieuze besluiten wegens ontoereikende motivering nietig heeft verklaard voor zover daarbij aan elk van hen een administratieve geldelijke sanctie werd opgelegd.

82      Hieruit volgt dat het Gerecht zich in de bestreden arresten niet heeft uitgesproken over de schending van het beginsel van gelijke behandeling, noch over de schending van het evenredigheidsbeginsel, zoals overigens wat dit laatste beginsel betreft uitdrukkelijk blijkt uit punt 156 van het eerste bestreden arrest, punt 139 van het tweede bestreden arrest en punt 141 van het derde bestreden arrest.

83      Bijgevolg moeten het tweede onderdeel van het vierde middel in zaak C‑456/20 P en van het derde middel in de zaken C‑457/20 P en C‑458/20 P kennelijk ongegrond worden verklaard. Deze middelen moeten derhalve in hun geheel worden afgewezen.

84      Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat de onderhavige hogere voorzieningen in hun geheel ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond moeten worden verklaard.

 Kosten

85      Overeenkomstig artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat krachtens artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt ten aanzien van de proceskosten beslist in de beschikking waardoor een einde komt aan het geding.

86      Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat eveneens krachtens artikel 184, lid 1, van datzelfde Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij overeenkomstig de vordering van de ECB worden verwezen in de kosten.

Het Hof (Tiende kamer) beschikt:

1)      De hogere voorzieningen worden ten dele kennelijk niet-ontvankelijk en ten dele kennelijk ongegrond verklaard.

2)      Crédit agricole SA, Crédit agricole Corporate and Investment Bank en CA Consumer Finance worden verwezen in de kosten.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.