Language of document : ECLI:EU:C:2021:303

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. HOGAN

van 15 april 2021(1)

Zaak C665/20 PPU

Openbaar Ministerie

tegen

X

[verzoek van de rechtbank Amsterdam (Nederland) om een prejudiciële beslissing)]

„Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Overlevering van door de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten gezochte personen – Artikel 4, punt 5 – Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging – Gezochte persoon die voor dezelfde feiten onherroepelijk is berecht door een derde land – Beginsel ne bis in idem – Sanctie die reeds is ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd”






I.      Inleiding

1.        Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(2), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009(3) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”).

2.        Hoewel er een overvloedige rechtspraak van het Hof op het gebied van het Europees aanhoudingsbevel bestaat, roept de grote verscheidenheid aan situaties waarin dit instrument wordt aangewend, telkens weer nieuwe vragen op over de reikwijdte van de regels en beginselen waaraan de toepassing ervan is onderworpen. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing is hiervan een nieuw voorbeeld.

3.        Het onderhavige verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Nederland van een Europees aanhoudingsbevel dat op 19 september 2019 door het Amtsgericht Tiergarten (rechter in eerste aanleg Tiergarten, Duitsland) is uitgevaardigd met het oog op de strafvervolging van X voor uitzonderlijk gewelddadige feiten die in Berlijn (Duitsland) zouden zijn gepleegd, maar mogelijkerwijs reeds geheel of gedeeltelijk door de strafrechter in Teheran (Iran) zouden zijn berecht. X is tot een gevangenisstraf van zeven jaar en zes maanden veroordeeld, waarvan de laatste 338 dagen hem zijn kwijtgescholden in het kader van een door de Opperste Leider uitgevaardigde algemene amnestieregeling ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van de islamitische revolutie.

4.        In deze bijzondere context wordt het Hof verzocht om zijn rechtspraak te verduidelijken over de beoordelingsmarge waarover de rechterlijke autoriteiten in het kader van een grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel beschikken wanneer zich het specifieke geval van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 voordoet. Het Hof zal zich voor de allereerste keer ook moeten uitspreken over de transnationale toepasselijkheid van het uit artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 voortvloeiende ne bis in idem-beginsel en over de gevolgen van een clementiemaatregel voor de toepassing van die bepaling.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

5.        Overwegingen 6, 10 en 12 van kaderbesluit 2002/584 luiden als volgt:

„(6)      Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.

[...]

(10)      De regeling inzake het Europees aanhoudingsbevel berust op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten. De toepassing ervan kan slechts worden opgeschort in geval van een ernstige en voortdurende schending door een lidstaat van de in artikel 6, lid 1, [VEU] neergelegde beginselen, welke schending door de Raad is geconstateerd overeenkomstig artikel 7, lid 1, en volgens de procedure van artikel 7, lid 2, van dat Verdrag.

[...]

(12)      Dit kaderbesluit eerbiedigt de grondrechten en voldoet aan de beginselen die worden erkend bij artikel 6 [VEU] en zijn weergegeven in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [(hierna: „Handvest”)], met name in hoofdstuk VI. [...]”

6.        Artikel 1 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel”, bepaalt:

„1.      Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.      De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.      Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.”

7.        Artikel 3 van kaderbesluit 2002/584, met als opschrift „Gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging”, bepaalt:

„De rechterlijke autoriteit van de uitvoerende lidstaat, hierna ‚de uitvoerende rechterlijke autoriteit’ genoemd, weigert de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de volgende gevallen:

1.      het strafbaar feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, valt in de uitvoerende [lid]staat onder een amnestie en deze staat was krachtens zijn strafwetgeving bevoegd om dat strafbaar feit te vervolgen;

2.      uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer kan worden uitgevoerd volgens het recht van de veroordelende lidstaat;

3.      de persoon tegen wie het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, kan krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat op grond van zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk worden gesteld voor de feiten die aan dit bevel ten grondslag liggen.”

8.        Artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 heeft blijkens het opschrift ervan betrekking op de „Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging”. Dit artikel bepaalt het volgende:

„De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:

[...]

5.      uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling;

[...]”.

B.      Nederlands recht

9.        Kaderbesluit 2002/584 is in Nederlands recht omgezet bij de Wet van 29 april 2004 tot implementatie van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie(4), zoals gewijzigd bij de Wet van 22 februari 2017(5) (hierna: „OLW”).

10.      Ten tijde van het verzoek om een prejudiciële beslissing bepaalde artikel 9, lid 1, OLW:

„Overlevering van de opgeëiste persoon wordt niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan:

[...]

d.      hij bij gewijsde van de Nederlandse rechter is vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging, dan wel te zijnen aanzien een overeenkomstige onherroepelijke beslissing door een rechter van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een derde land is genomen;

e.      hij bij rechterlijk gewijsde is veroordeeld, in gevallen waarin:

1.      de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan;

2.      de opgelegde straf of maatregel niet meer voor tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging vatbaar is;

3.      de veroordeling een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel inhoudt;

4.      de opgelegde straf of maatregel in Nederland wordt ondergaan;

[...]”.

11.      Artikel 28, lid 2, OLW luidt als volgt:

„Bevindt de rechtbank [...] dat de overlevering niet kan worden toegestaan [...], dan weigert zij bij haar uitspraak de overlevering.”

III. Aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten

12.      Op 19 september 2019 heeft het Amtsgericht Tiergarten een Europees aanhoudingsbevel jegens X uitgevaardigd met het oog op strafvervolging voor feiten die hij op 30 oktober 2012 in Berlijn zou hebben begaan.

13.      Op die dag zou X zijn toenmalige levensgezellin Y en haar 10-jarige dochter Z hebben vastgebonden onder bedreiging van een mes. Vervolgens zou hij Y hebben verkracht en daarna hebben gemutileerd. Alvorens de woning van Y te verlaten, zou hij de kamers waar Y en Z zich geboeid bevonden, hebben gebarricadeerd, met de bedoeling hen daar te laten sterven.

14.      De strafbare feiten waarvoor om overlevering wordt verzocht, zijn de volgende:

–        poging tot moord van zijn levensgezellin;

–        poging tot moord van de op dat moment minderjarige dochter van zijn levensgezellin;

–        verkrachting van zijn levensgezellin;

–        zware mishandeling van zijn levensgezellin;

–        opzettelijke vrijheidsberoving van zijn levensgezellin;

–        opzettelijke vrijheidsberoving van de minderjarige dochter van zijn levensgezellin.

15.      Op basis van dit Europees aanhoudingsbevel is X in Nederland verhoord en op 18 maart 2020 aan de verwijzende rechter voorgeleid. Hij heeft aan deze rechter kenbaar gemaakt dat hij niet instemde met zijn overlevering aan de Duitse rechterlijke autoriteiten en is in afwachting van een beslissing dienaangaande in detentie geplaatst. Ter onderbouwing van zijn bezwaren tegen zijn overlevering heeft X zich op het beginsel ne bis in idem beroepen, waarbij hij onder meer heeft betoogd dat hij onherroepelijk voor dezelfde feiten was berecht in een derde land, namelijk Iran.

16.      Volgens de vaststellingen van de verwijzende rechter is X in Iran veroordeeld voor de hierboven genoemde feiten, met uitzondering van de vrijheidsberoving van Y, die materieel echter wel onderdeel uitmaakt van de beschrijving van de poging tot moord op haar. Na afloop van de procedure in Iran is X onherroepelijk veroordeeld voor de zware mishandeling van Y en voor de pogingen tot moord op Y en Z. Hij is echter onherroepelijk vrijgesproken van de beschuldigingen van verkrachting van Y en opzettelijke vrijheidsberoving van Z.

17.      Op grond van het Iraanse recht heeft X van de gevangenisstraffen die hem in dat land zijn opgelegd voor de feiten waarvoor hij onherroepelijk is veroordeeld, alleen de zwaarste straf ondergaan, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren en zes maanden. Van deze straf heeft X het grootste deel uitgezeten. Het restant van deze straf is hem kwijtgescholden in het kader van een door de Opperste Leider uitgevaardigde algemene amnestieregeling ter gelegenheid van de 40ste verjaardag van de islamitische revolutie.

18.      Daarnaast is X voor de zware mishandeling van Y veroordeeld tot betaling van een „diya” aan haar. In verband met zijn onbemiddeldheid mocht X dit in termijnen betalen, waarbij eerst een aanbetaling van 200 000 000 Iraanse rial (ongeveer 4 245 EUR) moest worden gedaan, gevolgd door maandelijkse termijnbetalingen van 2 % van de „diya”. Nadat de aanbetaling en de eerste termijnbetaling waren voldaan, is X in Iran op 5 mei 2019 in vrijheid gesteld. Op 7 september 2020 hebben de Iraanse autoriteiten een aanhoudingsbevel jegens hem uitgevaardigd, omdat verdere termijnbetalingen waren uitgebleven.

19.      Ten overstaan van de verwijzende rechter stelt X dat hij in Iran is vervolgd en onherroepelijk berecht voor dezelfde feiten als die waarvoor om zijn overlevering wordt verzocht op grond van het jegens hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel. Hij zou in Iran voor een deel van de feiten onherroepelijk zijn vrijgesproken, terwijl hij voor het andere deel zou zijn veroordeeld tot een vrijheidsstraf die hij volledig zou hebben ondergaan. X betoogt verder nog dat de „diya” geen straf of maatregel is, maar een verplichting om het slachtoffer een schadevergoeding te betalen.

20.      X leidt hieruit af dat overeenkomstig artikel 9, lid 1, aanhef en onder d) en e), OLW zijn overlevering aan de Duitse autoriteiten krachtens het jegens hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel moet worden geweigerd. Hij stelt in het bijzonder dat artikel 9, lid 1, OLW geen onderscheid maakt tussen een onherroepelijke berechting in een lidstaat en een onherroepelijke berechting in een derde land. De Nederlandse wetgever heeft aldus gebruikgemaakt van de mogelijkheid die kaderbesluit 2002/584 de lidstaten biedt om de overlevering te weigeren wanneer er sprake is van een onherroepelijke berechting en een volledig ondergane straf in een derde land. De Nederlandse rechter moet zich hier dan ook aan houden.

21.      Het Openbaar Ministerie stelt daarentegen dat de door X opgeworpen exceptie betreffende een eerdere veroordeling in Iran niet kan worden aanvaard. Het betreft namelijk een veroordeling door een derde land, zodat de verwijzende rechter op grond van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 als uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 9, eerste lid, onder e), OLW buiten toepassing moet laten bij de beoordeling van de vraag of de veroordeling in Iran voor wederzijdse erkenning in aanmerking komt op grond van een op verdragen en de rechtspraktijk gebaseerd wederzijds vertrouwen. Aangezien de diplomatieke kanalen met de Islamitische Republiek Iran zijn gesloten en er met dat land geen actieve rechtshulprelatie bestaat, gecumuleerd met het feit dat er grote verschillen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten van de Unie en het rechtsstelsel in de Islamitische Republiek Iran bestaan, is van voornoemd vertrouwen in het Iraanse rechtsstelsel geen sprake. Dit betekent volgens het Openbaar Ministerie dat de veroordeling van X in Iran geen geldige grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van het jegens hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel kan vormen.

22.      Gelet op deze haaks op elkaar staande betogen plaatst de verwijzende rechter een aantal vraagtekens bij de wijze waarop artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 moet worden uitgelegd en de wijze waarop de omzetting ervan in Nederlands recht gestalte heeft gekregen.

23.      In verband hiermee merkt hij op dat artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 de gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel opsomt, terwijl de OLW bepaalt dat, wanneer deze gronden zich voordoen, de tenuitvoerlegging móet worden geweigerd, zodat de uitvoerende rechterlijke autoriteit dienaangaande geen enkele beoordelingsmarge heeft. De verwijzende rechter vraagt zich bovendien af of aan het in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 gebezigde begrip „dezelfde feiten” dezelfde uitlegging toekomt als die welke het Hof aan artikel 3, punt 2, van dit kaderbesluit heeft gegeven, ofschoon het eerste geval doelt op een onherroepelijke berechting in een derde land, terwijl het tweede geval betrekking heeft op een onherroepelijke berechting in een andere lidstaat. Tot slot vraagt de verwijzende rechter zich af of een clementiemaatregel zoals die waarvan X in Iran heeft geprofiteerd, de conclusie wettigt dat de hem opgelegde sanctie is ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling in de zin van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584.

24.      Van oordeel dat het antwoord op de vraag of het jegens X uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel voor tenuitvoerlegging in aanmerking komt, uiteindelijk afhangt van de uitlegging van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, heeft de Rechtbank Amsterdam (Nederland) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht.

IV.    Prejudiciële vragen en spoedprocedure bij het Hof

25.      Bij uitspraak van 7 december 2020, ingekomen bij het Hof op diezelfde dag, heeft de Rechtbank Amsterdam het Hof krachtens artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen gesteld:

„1)      Moet artikel 4, punt 5, van [kaderbesluit 2002/584] inderdaad zo worden uitgelegd, dat wanneer een lidstaat ervoor kiest om deze bepaling om te zetten in zijn nationale recht de uitvoerende rechterlijke autoriteit over een zekere marge moet beschikken om te beoordelen of de tenuitvoerlegging van het [Europees aanhoudingsbevel] moet worden geweigerd?

2)      Moet het begrip ‚dezelfde feiten’ in artikel 4, punt 5, van [kaderbesluit 2002/584] op dezelfde wijze worden uitgelegd als datzelfde begrip in artikel 3, punt 2, van [kaderbesluit 2002/584] en, zo niet, hoe moet dat begrip in de eerstgenoemde bepaling dan worden uitgelegd?

3)      Moet de voorwaarde van artikel 4, punt 5, van [kaderbesluit 2002/584] dat de ‚sanctie is ondergaan [...] dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling’ zo worden uitgelegd, dat daaronder een situatie valt waarin de opgeëiste persoon onherroepelijk voor dezelfde feiten is veroordeeld tot een vrijheidsstraf die hij voor een deel heeft uitgezeten in het land van veroordeling en die hem voor het overige is kwijtgescholden door een niet-gerechtelijke autoriteit van dat land, in het kader van een algemene clementiemaatregel die ook geldt voor veroordeelden die ernstige feiten hebben [...] begaan, zoals de opgeëiste persoon, en die niet berust op rationele overwegingen van strafrechtsbeleid?”

26.      De verwijzende rechter heeft voorts verzocht om de onderhavige zaak te behandelen volgens de spoedprocedure van artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

27.      Ter onderbouwing van dit verzoek heeft hij betoogd dat de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van kaderbesluit 2002/584, dat valt onder titel V van het derde deel van het VWEU. Hij heeft voorts gesteld dat X, in afwachting van de beslissing over zijn overlevering aan de Duitse autoriteiten, in detentie is geplaatst. Het spoedige antwoord van het Hof is derhalve rechtstreeks en doorslaggevend van invloed op de duur van de detentie van de betrokkene.

28.      De Vijfde kamer van het Hof heeft op 17 december 2020 besloten dit verzoek in te willigen.

29.      Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door het Openbaar Ministerie, X, de Nederlandse en de Duitse regering, alsmede de Commissie. Met uitzondering van de Duitse regering hebben zij ter terechtzitting van 3 maart 2021 mondelinge opmerkingen gemaakt.

V.      Analyse

A.      Opmerkingen vooraf

30.      Zoals ik in de inleiding van deze conclusie heb vermeld, bestaat er een uitvoerige rechtspraak over kaderbesluit 2002/584. Het is inmiddels bekend binnen welk kader de bepalingen ervan moeten worden uitgelegd.(6)

31.      Om te beginnen wil ik dan ook onderstrepen dat het Unierecht steunt op de fundamentele premisse dat elke lidstaat met alle andere lidstaten een reeks gemeenschappelijke waarden deelt waarop de Unie berust, en dat elke lidstaat erkent dat de andere lidstaten deze waarden met hem delen, zoals is bepaald in artikel 2 VEU. Deze premisse impliceert en rechtvaardigt het bestaan van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten in de erkenning van deze waarden en derhalve in de eerbiediging van het Unierecht dat deze waarden ten uitvoer brengt.(7)

32.      Deze beginselen, dus zowel het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten als het beginsel van wederzijdse erkenning, zijn in het Unierecht beide van fundamenteel belang, aangezien zij de mogelijkheid bieden om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer in het bijzonder vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, met name, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.(8)

33.      In die context beoogt kaderbesluit 2002/584 het multilaterale uitleveringsstelsel dat gebaseerd is op het op 13 december 1957 te Parijs ondertekende Europees Verdrag betreffende uitlevering te vervangen door een vereenvoudigde en meer efficiënte regeling waarbij veroordeelde of verdachte personen ter fine van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of met het oog op strafvervolging worden overgeleverd tussen rechterlijke autoriteiten. Als eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning berust de regeling van het Europees aanhoudingsbevel, zoals de Uniewetgever het zelf verwoordt, op een hoge mate van vertrouwen tussen de lidstaten.(9)

34.      Het beginsel van wederzijdse erkenning dat, zoals onder meer uit overweging 6 van kaderbesluit 2002/584 volgt, de hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken vormt, komt met name tot uiting in artikel 1, lid 2, van dit kaderbesluit. Deze bepaling formuleert namelijk de regel dat de lidstaten op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moeten leggen. De uitvoerende rechterlijke autoriteiten mogen in beginsel dus slechts weigeren om een dergelijk bevel ten uitvoer te leggen op de limitatief in kaderbesluit 2002/584 opgesomde gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging. Bovendien mogen aan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel slechts de in artikel 5 van dit kaderbesluit limitatief opgesomde voorwaarden worden verbonden. Tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel is dus de regel en de weigering van de tenuitvoerlegging is de uitzondering, die strikt moet worden uitgelegd.(10)

35.      Kaderbesluit 2002/584 noemt uitdrukkelijk de gronden tot verplichte (artikel 3) en tot facultatieve (artikel 4 en artikel 4 bis) weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, en de garanties die de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen moet geven (artikel 5).(11)

36.      De beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning waarop dit kaderbesluit berust, kunnen echter op generlei wijze afbreuk doen aan de voor de betrokkenen gewaarborgde grondrechten.(12) Hieruit vloeit logischerwijs voort dat aan kaderbesluit 2002/584 een uitlegging moet worden gegeven die kan verzekeren dat de vereisten van de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkenen in acht worden genomen, zonder dat daarbij echter wordt afgedaan aan de doeltreffendheid van het stelsel van justitiële samenwerking tussen de lidstaten, waarvan het door de Uniewetgever ingestelde Europees aanhoudingsbevel een van de wezenlijke elementen vormt.(13)

B.      Eerste prejudiciële vraag

37.      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een lidstaat ervoor kiest om deze bepaling om te zetten in zijn nationale recht, hij de uitvoerende rechterlijke autoriteit een beoordelingsmarge moet toekennen om te bepalen of de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel al dan niet moet worden geweigerd op de in deze bepaling genoemde grond.

38.      Zoals advocaat-generaal Bot reeds heeft samengevat in zijn conclusie in de zaak die tot het arrest van het Hof van 29 juni 2017, Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:503), heeft geleid, gaat het om de vraag wat onder de „facultatieve” aard van het Europees aanhoudingsbevel moet worden verstaan. Gaat het om een mogelijkheid voor de lidstaten, die inhoudt dat zij bij de omzetting van kaderbesluit 2002/584 in hun nationale recht mogen kiezen of zij de gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging overnemen, of om een mogelijkheid voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit, die dan over een beoordelingsmarge zou beschikken om deze gronden – gelet op de specifieke omstandigheden van elk geval – al dan niet in aanmerking te nemen?(14)

39.      De vrijheid van de lidstaten om de gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel al dan niet om te zetten in hun nationale recht, is ontegenzeglijk herhaaldelijk bevestigd door het Hof.(15) Sindsdien heeft het Hof echter ook de gelegenheid gehad om zich uit te spreken over verschillende gevallen waarin zich een grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel voordeed. Telkens weer heeft het daarbij de uitlegging gehanteerd dat de rechterlijke autoriteit noodzakelijkerwijs over een beoordelingsmarge diende te beschikken.(16) In casu kom ik op basis van een letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 tot dezelfde conclusie.

40.      In de eerste plaats wil ik erop wijzen dat het Hof onder uitdrukkelijke verwijzing naar punt 30 van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:116) heeft geoordeeld, dat uit de bewoordingen zelve van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 volgt dat wanneer een lidstaat ervoor gekozen heeft deze bepaling in zijn nationaal recht om te zetten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit niettemin over een zekere marge dient te beschikken om te beoordelen of de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel moet worden geweigerd.(17)

41.      In dat punt van zijn conclusie heeft advocaat-generaal Bot zijn analyse niet beperkt tot de tekst van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584. Enerzijds betrof zijn analyse het opschrift van artikel 4 van het kaderbesluit en anderzijds de eerste alinea van dit artikel, die uit één enkele zin bestaat die zonder onderscheid alle gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, genummerd van 1 tot en met 7, opsomt.

42.      Zo is het van belang om erop te wijzen dat het in het opschrift van artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 gebezigde bijvoeglijk naamwoord „facultatieve” betrekking heeft op de „weigering van de tenuitvoerlegging” van het Europees aanhoudingsbevel en niet op de „gronden” die deze weigering kunnen rechtvaardigen. Het is dus wel degelijk de weigering om het bevel ten uitvoer te leggen die facultatief is, in tegenstelling tot de in artikel 3 van dit kaderbesluit opgenomen gronden tot verplichte weigering.(18) Wegens dit facultatieve karakter brengt elk weigeringsbesluit dus noodzakelijkerwijs een weloverwogen keuze van de opsteller ervan tot uiting en is het de vrucht van diens beoordeling.

43.      Daarnaast blijkt uit artikel 4, eerste alinea, van kaderbesluit 2002/584 dat, zoals advocaat-generaal Bot in ditzelfde punt van zijn conclusie heeft opgemerkt, de mogelijkheid om te weigeren het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen rechtstreeks aan de nationale uitvoerende rechterlijke autoriteiten is toegekend. Waar artikel 3, eerste alinea, van kaderbesluit 2002/584 immers bepaalt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de in die bepaling opgesomde gevallen „weigert”(19), bepaalt artikel 4, eerste alinea, dat deze zelfde autoriteit „kan” weigeren om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.(20) Zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, volgt uit de keuze van het woord „kan” dat wanneer een lidstaat ervoor gekozen heeft deze bepaling in zijn nationale recht om te zetten, de uitvoerende rechterlijke autoriteit over een zekere marge dient te beschikken om te beoordelen of de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel al dan niet moet worden geweigerd.(21)

44.      In de tweede plaats vindt deze uitlegging van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 steun in de context ervan. Zoals ik in mijn opmerkingen vooraf heb uiteengezet, is de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de regel en vormt de weigering van de tenuitvoerlegging een uitzondering daarop, die als zodanig strikt moet worden uitgelegd.(22) Indien het werd toegestaan om artikel 4 van kaderbesluit 2002/584 zodanig om te zetten dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht zou zijn de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in de in die bepaling bedoelde gevallen te weigeren, zou dit wegens het automatische karakter ervan die autoriteit de mogelijkheid ontnemen om rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval, op grond waarvan volgens haar wellicht niet is voldaan aan de voorwaarden voor de weigering van de overlevering. Wanneer een dergelijke bepaling een enkele mogelijkheid omvormt tot een echte verplichting, zet zij meteen ook de uitzondering die de weigering van de overlevering is, om in een basisregel.(23)

45.      Bovendien kan het Hof in het kader van de contextuele uitlegging van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 niet voorbijgaan aan het bepaalde in artikel 3, punt 2, van dit kaderbesluit. Beide bepalingen doelen namelijk op identieke gevallen, met dien verstande dat er in het eerste geval sprake is van een onherroepelijke berechting door een derde land, terwijl er in het tweede geval sprake is van een onherroepelijke berechting door een lidstaat. Zoals de Duitse regering in haar schriftelijke opmerkingen terecht opmerkt, zou het verschil tussen beide bepalingen zinledig worden, indien de lidstaten ervoor mochten kiezen om het bepaalde in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 om te zetten in een verplichte weigeringsgrond.

46.      In de derde plaats ben ik van mening dat ook het doel dat met de invoering van het Europees aanhoudingsbevel wordt nagestreefd, voor de uitlegging pleit dat de rechterlijke autoriteiten over een beoordelingsmarge beschikken. Volgens artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 heeft de regeling van het Europees aanhoudingsbevel immers tot doel om de aanhouding en de overlevering van een gezochte persoon mogelijk te maken opdat, gelet op het met dit kaderbesluit nagestreefde doel, het gepleegde strafbare feit niet onbestraft blijft en deze persoon wordt vervolgd of de hem opgelegde vrijheidsstraf ondergaat.(24)

47.      Indien artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 aldus werd uitgelegd dat het de lidstaten is toegestaan om de rechterlijke autoriteiten ertoe te verplichten de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel hoe dan ook te weigeren wanneer de gezochte persoon voor dezelfde feiten onherroepelijk is berecht door een derde land (onder het voorbehoud dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van het land van veroordeling), zonder dat deze autoriteiten over enige beoordelingsmarge beschikken, terwijl de rechtsstelsels en de toepasselijke procedures in derde landen aanzienlijk kunnen verschillen van die van de lidstaten, zou dit het risico kunnen opleveren dat de gezochte persoon zijn straf ontloopt. Een dergelijke uitlegging kan dan ook niet worden geacht te stroken met kaderbesluit 2002/584.(25)

48.      Net zoals de uitvoerende rechterlijke autoriteiten krachtens artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 rekening moeten kunnen houden met alle omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kunnen vergewissen dat de overlevering van een persoon op wie een Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, geen schending van diens rechten van de verdediging impliceert – aangezien deze bepaling, net als artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, betrekking heeft op een geval van facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging(26) – moeten de bevoegde rechterlijke autoriteiten dus ook rekening kunnen houden met alle omstandigheden aan de hand waarvan zij zich ervan kunnen vergewissen dat de weigering van de overlevering niet tot gevolg heeft dat de gezochte persoon zijn straf ontloopt.

49.      Een dergelijke beoordelingsmarge is des te belangrijker in het kader van de toepassing van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, omdat deze bepaling het beginsel ne bis in idem uitstrekt tot vonnissen van rechterlijke instanties van derde landen. In tegenstelling tot wat tussen de lidstaten geldt, kunnen de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning, die ten grondslag liggen aan de regeling van het Europees aanhoudingsbevel, niet zonder meer worden toegepast op derde staten.(27) Dit bijzondere aspect staat centraal in de tweede prejudiciële vraag, waar ik het dan ook zal bespreken.

50.      Gelet op de voorgaande overwegingen komt naar mijn mening uit de letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 naar voren dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een lidstaat ervoor kiest om deze bepaling om te zetten in zijn nationale recht, aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een beoordelingsmarge moet worden toegekend om te bepalen of de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel al dan niet moet worden geweigerd.

C.      Tweede prejudiciële vraag

51.      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het begrip „dezelfde feiten” in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het, formeel gelijkluidende, begrip dat in artikel 3, punt 2, van dit kaderbesluit wordt gebezigd. Voor zover dit niet het geval is, vraagt de verwijzende rechter zich af welke betekenis daaraan toekomt.

52.      Vooraf moet worden geconstateerd dat artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, net als artikel 3, punt 2, met betrekking tot het begrip „dezelfde feiten” niet naar het recht van de lidstaten verwijst. Gelet op het vereiste van de eenvormige toepassing van het Unierecht kan de uitlegging van dit begrip dan ook niet worden overgelaten aan de beoordeling van de rechterlijke instanties van elke lidstaat op basis van hun nationale recht. Het is een autonoom Unierechtelijk begrip.(28)

53.      Met betrekking tot het begrip „dezelfde feiten” in artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 heeft het Hof geoordeeld dat dit op dezelfde wijze moet worden gedefinieerd als het begrip „dezelfde feiten” zoals dat wordt gehanteerd in artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen(29), ondertekend te Schengen (Luxemburg) op 19 juni 1990 (hierna: „SUO”).(30) Het moet dus zodanig worden uitgelegd dat het alleen betrekking heeft op de feiten zelf en een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden omvat, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang.(31)

54.      Het Hof heeft deze identieke inhoud van de begrippen gerechtvaardigd aan de hand van het gemeenschappelijke doel van artikel 54 SUO en artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584, namelijk te voorkomen dat een persoon opnieuw strafrechtelijk wordt vervolgd of veroordeeld voor dezelfde feiten.(32) Ik zie niet in welk ander doel zou kunnen schuilgaan achter artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, omdat deze bepaling, zoals reeds gezegd, in elk opzicht gelijk is aan artikel 3, punt 2, van hetzelfde kaderbesluit, met uitzondering van de staat waarin de eerdere berechting ter zake van dezelfde feiten heeft plaatsgevonden.

55.      Gelet op dit gemeenschappelijke doel en op de door het Hof erkende noodzaak om de onderlinge samenhang te waarborgen van de uitleggingen die aan de verschillende bepalingen van kaderbesluit 2002/584 worden gegeven(33), ben ik dan ook van mening dat het begrip „dezelfde feiten” dat wordt gehanteerd in artikel 4, punt 5, op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het begrip dat wordt gebezigd in artikel 3, punt 2.

56.      Ik voeg hier nog aan toe dat de Uniewetgever het beginsel ne bis in idem in kaderbesluit 2002/584 weliswaar nergens uitdrukkelijk heeft vermeld, maar dat het boven elke twijfel verheven is dat het dit beginsel is waaraan artikel 3, punt 2, en artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 toepassing geven. Het bewijs hiervan vormt mijns inziens zowel het opschrift van het hoofdstuk waarin artikel 54 SUO is opgenomen – „Toepassing van het beginsel ne bis in idem” – als de identieke uitlegging die wordt gegeven aan artikel 50 van het Handvest, waarbij dit beginsel is verankerd in het Handvest.(34)

57.      Meer nog dan de innerlijke samenhang van kaderbesluit 2002/584 moet dus de horizontale consistentie van het gehele Unierecht worden verzekerd. Aangezien het om een grondbeginsel van het Unierecht gaat, dat ook in artikel 50 van het Handvest tot uiting wordt gebracht(35) en dat tegenwoordig op de meest uiteenlopende gebieden, zoals de belasting over de toegevoegde waarde (btw)(36), de bestrijding van witwassen(37) of het Europees aanhoudingsbevel, een identieke uitlegging krijgt, kan de definitie ervan niet variëren naargelang van het betrokken rechtsinstrument en nog minder binnen een en hetzelfde instrument. Een dergelijk verschil zou een dissonant vormen of zelfs anachronistisch zijn, temeer daar ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) uiteindelijk tot een uitlegging van het beginsel ne bis in idem is gekomen die zich toespitst op het vereiste van identieke of in wezen overeenstemmende feiten.(38)

58.      Ik geef toe dat artikel 4 van Protocol nr. 7 bij het op 22 november 1984 te Straatsburg ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, net als andere internationale instrumenten(39), de toepassing van het ne bis in idem-beginsel beperkt tot vonnissen die in een en hetzelfde land zijn gewezen.(40) Insgelijks bepaalt artikel 50 van het Handvest dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij „in de Unie” reeds is vrijgesproken of veroordeeld. Deze beperkte transnationale toepassing van het ne bis in idem-beginsel is binnen de rechtsorde van de Unie terug te voeren tot het beginsel van het wederzijds vertrouwen, dat vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, met name, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.(41) Het is mij evenmin onbekend dat het Hof in het kader van de SUO de nadruk heeft gelegd op het noodzakelijke verband tussen het in artikel 54 van die overeenkomst neergelegde ne bis in idem-beginsel en het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in elkaars strafrechtsstelsel.(42)

59.      Ik wil er evenwel op wijzen dat er weliswaar geen enkel beginsel van internationaal publiekrecht is dat de transnationale toepassing van het beginsel ne bis in idem voorschrijft(43), maar dat er naar mijn weten ook geen enkele regel is die dit verbiedt.(44) Geconstateerd moet worden dat de Uniewetgever hiervoor heeft gekozen door met betrekking tot in een derde land gewezen vonnissen een grond tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel op te nemen die in identieke bewoordingen is gesteld als artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584.

60.      Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 moet worden uitgelegd in het licht van artikel 1, lid 3, dat voorschrijft dat bij de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen van artikel 6 VEU volledig moeten worden geëerbiedigd. De transnationale toepassing van het ne bis in idem-beginsel kan derhalve in geen enkel opzicht afbreuk doen aan de grondrechten die aan de betrokken personen worden gewaarborgd.(45)

61.      Uit een gecombineerde lezing van deze twee bepalingen volgt dus dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit weliswaar rekening moet houden met de onherroepelijke veroordeling door een rechterlijke instantie van een derde land, doch uitsluitend indien die veroordeling de uitkomst is van een procedure waarbij onder meer de door de lidstaten gedeelde normen betreffende een eerlijk proces in acht zijn genomen en aan de hand waarvan de rechten van alle procespartijen kunnen worden gewaarborgd.(46)

62.      De omstandigheid dat artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 een facultatieve grond tot weigering van de tenuitvoerlegging bevat terwijl artikel 3, punt 2, van dit kaderbesluit in een dwingende grond tot weigering van de tenuitvoerlegging voorziet, heeft nog twee andere gevolgen, die evenveel waarborgen vormen waardoor het gebrek aan wederzijds vertrouwen ten aanzien van derde staten kan worden ondervangen.

63.      Ten eerste is het uiteindelijk aan elke lidstaat om te kiezen of hij artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 wenst om te zetten en om het beginsel ne bis in idem mede uit te strekken tot transnationale situaties buiten de Unie.(47) Ten tweede moet, zoals ik in mijn analyse van de eerste prejudiciële vraag van de verwijzende rechter heb aangetoond, de concrete toepassing van de in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde uitzondering ter beoordeling van de uitvoerende rechterlijke autoriteit worden gelaten.

64.      Het staat dus aan de bevoegde rechterlijke instantie om, bovenop de vraag of in de derde staat een eerlijk proces heeft plaatsgevonden, na te gaan of de in geding zijnde materiële feiten een geheel van feiten vormen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, niet alleen naar tijd en plaats maar ook wat het voorwerp ervan betreft.(48)

65.      Bij die beoordeling zal de betrokken rechterlijke autoriteit uiteindelijk ook het doel van kaderbesluit 2002/584 in aanmerking moeten nemen, dat erin bestaat dat het gepleegde strafbare feit niet onbestraft blijft en dat de gezochte persoon wordt vervolgd of de hem opgelegde vrijheidsstraf ondergaat.(49) Zoals ik reeds heb aangegeven moet aan de bepalingen van kaderbesluit 2002/584 een uitlegging worden gegeven die kan verzekeren dat de vereisten van de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkenen in acht worden genomen, zonder dat daarbij evenwel afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van het stelsel van justitiële samenwerking tussen de lidstaten, waarvan het door de Uniewetgever ingestelde Europees aanhoudingsbevel een van de wezenlijke elementen vormt.(50)

66.      Gelet op de voorgaande overwegingen kom ik tot de conclusie dat het begrip „dezelfde feiten” in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het in artikel 3, punt 2, van dit kaderbesluit gebezigde begrip. Dit betekent dat dit begrip aldus moet worden uitgelegd dat het enkel ziet op het materiële aspect van de feiten als zodanig en dat het een geheel van feiten omvat die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, los van de juridische kwalificatie ervan of van het beschermde rechtsbelang.

D.      Derde prejudiciële vraag

67.      Met zijn derde prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de voorwaarde betreffende de tenuitvoerlegging van de sanctie als bedoeld in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat daaronder een situatie valt waarin de opgeëiste persoon voor dezelfde feiten onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsstraf die hij voor een deel heeft uitgezeten in het land van veroordeling en die hem voor het overige is kwijtgescholden door een niet-gerechtelijke autoriteit van dat land, in het kader van een algemene clementiemaatregel die ook geldt voor veroordeelden die ernstige feiten hebben begaan en die niet berust op objectieve overwegingen van strafrechtsbeleid.

68.      Het is van belang om te weten welke betekenis aan deze voorwaarde toekomt, omdat zij in de weg kan staan aan de weigering om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. Indien de straf niet ten uitvoer is gelegd in de zin van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, schrijft deze bepaling namelijk voor dat in dat geval weer de algemene regel geldt, te weten dat de betrokken persoon wordt overgeleverd.

69.      Vooraf wil ik verduidelijken dat ik het rechtsfenomeen „clementie” zal opvatten zoals de verwijzende rechter het heeft omschreven, dat wil zeggen als een maatregel van een niet-gerechtelijke autoriteit die geldt voor veroordeelden die ernstige feiten hebben begaan en die niet berust op objectieve overwegingen van strafrechtsbeleid. Deze neutrale en algemene omschrijving van de problematiek lijkt mij vooral van belang in het licht van de grote verscheidenheid aan bestaande clementiemaatregelen(51) en de uiteenlopende definities daarvan in de rechtstradities van de lidstaten.(52)

70.      Na het kader van mijn analyse aldus te hebben afgebakend, wil ik erop wijzen dat de voorwaarde betreffende de tenuitvoerlegging niet alleen in artikel 3, punt 2, en artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, maar ook in artikel 54 SUO op dezelfde wijze is geformuleerd. Met betrekking tot laatstgenoemd artikel heeft het Hof gepreciseerd dat aan de voorwaarde van tenuitvoerlegging is voldaan wanneer wordt vastgesteld dat, op het tijdstip waarop tegen dezelfde persoon de tweede strafprocedure wordt ingeleid ter zake van dezelfde feiten als die welke tot een veroordeling in de eerste overeenkomstsluitende staat hebben geleid, de in deze eerstgenoemde staat opgelegde straf niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens de wetten van deze staat.(53)

71.      Bij de uitlegging van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 kan men zich echter niet beperken tot deze enkele constatering op basis van de bewoordingen van artikel 54 SUO en aldus voorbijgaan aan de context van die bepaling en aan de doelstellingen die de Uniewetgever ermee nastreeft. Immers, hoewel „de tekst van een bepaling [...] steeds het uitgangspunt en tegelijkertijd de grens van iedere uitlegging is”(54), zijn de andere uitleggingsmethoden alleen facultatief in het geval dat de betrokken tekst volkomen helder en eenduidig is.(55) In casu moet worden geconstateerd dat de werkingssfeer van de tenuitvoerleggingsvoorwaarde niet kan worden bepaald op basis van de bewoordingen van het betrokken artikel alleen.

72.      Wat allereerst de context van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 betreft, blijkt ondubbelzinnig uit artikel 3, punt 1, van dit kaderbesluit dat de Uniewetgever zich terdege heeft gerealiseerd dat clementiemaatregelen de toepassing van het Europees aanhoudingsbevel eventueel zouden kunnen doorkruisen.

73.      Volgens deze bepaling weigert de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wanneer het strafbaar feit dat daaraan ten grondslag ligt, in de uitvoerende lidstaat onder een amnestie valt en deze lidstaat krachtens zijn strafwetgeving bevoegd was om dat strafbaar feit te vervolgen. De Uniewetgever heeft dit geval evenwel beperkt tot de amnestie die in de uitvoerende lidstaat geldt. Bovendien heeft hij het enkel als een verplichte grond tot weigering van de tenuitvoerlegging geconstrueerd. Artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 kan derhalve niet aldus worden uitgelegd dat het op grond daarvan is toegestaan om rekening te houden met een algemene clementiemaatregel, terwijl uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt dat kaderbesluit 2002/584 de gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel limitatief opsomt(56) en dat de weigering van de tenuitvoerlegging moet worden gezien als een uitzondering, die dus strikt moet worden uitgelegd.(57)

74.      Als we vervolgens de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen in de beschouwing betrekken, is het dienstig eraan te herinneren dat de regeling van het Europees aanhoudingsbevel de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning vormt. Aldus beoogt kaderbesluit 2002/584 het vroegere multilaterale uitleveringsstelsel te vervangen door een vereenvoudigde en meer efficiënte regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten.(58) Het gaat dus duidelijk om een ontwikkeling waarbij de uitlevering onder rechterlijke controle wordt gebracht (een „jurisdictionalisering” ervan): terwijl de uitlevering een soevereine handeling is, is het Europees aanhoudingsbevel een rechterlijke handeling.(59)

75.      Het is om die reden dat kaderbesluit 2002/584 een mechanisme heeft ingesteld van samenwerking tussen de rechterlijke autoriteiten van de lidstaten(60) die voor de toepassing van dit kaderbesluit moeten worden beschouwd als de autoriteiten die – op onafhankelijke wijze(61) – deelnemen aan de strafrechtspleging.(62)

76.      De clementiemaatregel zoals de verwijzende rechter die omschrijft, is echter enerzijds afkomstig van een niet-gerechtelijke autoriteit en maakt anderzijds op generlei wijze deel uit van een strafrechtsbeleid. Derhalve zou de inaanmerkingneming van een dergelijke maatregel bij de toepassing van artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 indruisen tegen de filosofie van een systeem waarin het Europees aanhoudingsbevel is geconstrueerd als een instrument van strafrechtspleging in het kader waarvan een centrale rol is toebedeeld aan de rechterlijke autoriteiten van de lidstaten.

77.      Een dergelijke uitlegging zou bovendien onverenigbaar zijn met het beginsel ne bis in idem aangezien dit beginsel steunt op de logica van het wederzijds vertrouwen, hetgeen enkel kan functioneren binnen het kader van de toepassing van de wet door de rechter.(63) De rechterlijke autoriteiten zijn immers het best in staat om, na een concrete en geïndividualiseerde analyse, het juiste evenwicht te vinden tussen de grondrechten van de betrokken personen en de doeltreffendheid van het stelsel van justitiële samenwerking tussen de lidstaten.

78.      Gelet op de voorgaande overwegingen ben ik dan ook van mening dat de in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584 gestelde voorwaarde van tenuitvoerlegging aldus moet worden uitgelegd dat daaraan niet is voldaan wanneer de straf is kwijtgescholden door een niet-gerechtelijke autoriteit van het derde land waarin de onherroepelijke veroordeling heeft plaatsgevonden, in het kader van een algemene clementiemaatregel die ook geldt voor veroordeelden die ernstige feiten hebben begaan en die niet op objectieve overwegingen van strafrechtsbeleid berust.

VI.    Conclusie

79.      Gelet op het voorgaande stel ik het Hof voor om de door de rechtbank Amsterdam gestelde prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:

„1)      Artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een lidstaat ervoor kiest om deze bepaling om te zetten in zijn nationale recht, aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een beoordelingsmarge moet worden toegekend om te bepalen of de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel al dan niet moet worden geweigerd.

2)      Het begrip ‚dezelfde feiten’ in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moet op dezelfde wijze worden uitgelegd als het in artikel 3, punt 2, van dit kaderbesluit gebezigde begrip. Dit begrip ziet enkel op het materiële aspect van de feiten als zodanig. Het omvat een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, los van de juridische kwalificatie ervan of van het beschermde rechtsbelang.

3)      De in artikel 4, punt 5, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, gestelde voorwaarde van tenuitvoerlegging moet aldus worden uitgelegd dat daaraan niet is voldaan wanneer de straf is kwijtgescholden door een niet-gerechtelijke autoriteit van het derde land waarin de onherroepelijke veroordeling heeft plaatsgevonden, in het kader van een algemene clementiemaatregel die ook geldt voor veroordeelden die ernstige feiten hebben begaan en die niet op objectieve overwegingen van strafrechtsbeleid berust.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      PB 2002, L 190, blz. 1.


3      PB 2009, L 81, blz. 24.


4      Stb. 2004, nr. 195.


5      Stb. 2017, nr. 82.


6      Zie in die zin arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 42).


7      Zie in die zin arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 35), en 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 35).


8      Zie in die zin arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 36), en 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 35).


9      Zie overwegingen 6 en 10 van kaderbesluit 2002/584. Zie in die zin ook arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punten 39 en 40), en 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191, punten 37 en 38).


10      Zie in die zin arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 41); 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191 punt 39), en 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 37).


11      Arresten van 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat) (C‑216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 42), en 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 40).


12      Zie artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584. Zie in die zin ook arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 59).


13      Zie in die zin arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 63).


14      Conclusie van advocaat-generaal Bot in die zaak (EU:C:2017:116, punt 26).


15      Zo heeft het Hof onder meer geoordeeld: „[...] wanneer zij bij de omzetting van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 in hun nationale recht [...]” (arrest van 5 september 2012, Lopes Da Silva Jorge (C‑42/11, EU:C:2012:517, punt 50, cursivering van mij), of „[...] wanneer een lidstaat ervoor gekozen heeft [artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584] in zijn nationaal recht om te zetten [...]” (arrest van 29 juni 2017, Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:503, punt 21, cursivering van mij). Zie ook arrest van 13 december 2018, Sut (C‑514/17, EU:C:2018:1016, punt 33).


16      Zie onder meer, met betrekking tot artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, arresten van 29 juni 2017, Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:503, punt 21); 13 december 2018, Sut (C‑514/17, EU:C:2018:1016, punt 33), en 24 juni 2019, Popławski (C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 86 en 99), en, met betrekking tot artikel 4 bis, van hetzelfde besluit, arresten van 24 mei 2016, Dworzecki (C‑108/16 PPU, EU:C:2016:346, punt 50); 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 96), en 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg (C‑416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punt 51).


17      Arrest van 29 juni 2017, Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:503, punt 21).


18      Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:116, punt 30).


19      Cursivering van mij.


20      Cursivering van mij.


21      Zie in die zin arrest van 13 december 2018, Sut (C‑514/17, EU:C:2018:1016, punt 33).


22      Zie punt 34 van deze conclusie en de verwijzingen in voetnoot 10.


23      Zie in die zin, met betrekking tot artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:116, punt 31).


24      Zie in die zin arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 47).


25      Zie in die zin, met betrekking tot artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, arrest van 29 juni 2017, Popławski (C‑579/15, EU:C:2017:503, punt 23). Zie ook, voor een bevestiging en een toepassing van het beginsel dat het niet bestraffen van de gezochte persoon onverenigbaar zou zijn met het doel van kaderbesluit 2002/584, arrest van 24 juni 2019, Popławski (C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 82 en 103).


26      Zie in die zin arresten van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 96), en 17 december 2020, Generalstaatsanwaltschaft Hamburg (C‑416/20 PPU, EU:C:2020:1042, punt 51). Zie eveneens, met betrekking tot de weerslag van een geval van facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging op de noodzaak om de rechterlijke autoriteiten een beoordelingsmarge toe te kennen – in casu artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 –, arrest van 24 juni 2019, Popławski (C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 86 en 99).


27      Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak JR (Aanhoudingsbevel – Veroordeling door een EER-land) (C‑488/19, EU:C:2020:738, punt 34).


28      Zie naar analogie, met betrekking tot het in artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584 gebezigde begrip „dezelfde feiten”, arrest van 16 november 2010, Mantello (C‑261/09, EU:C:2010:683, punt 38).


29      PB 2000, L 239, blz. 19.


30      Arrest van 16 november 2010, Mantello (C‑261/09, EU:C:2010:683, punt 40).


31      Arrest van 16 november 2010, Mantello (C‑261/09, EU:C:2010:683, punt 39).


32      Arrest van 16 november 2010, Mantello (C‑261/09, EU:C:2010:683, punt 40).


33      Zie in die zin arrest van 10 november 2016, Özçelik (C‑453/16 PPU, EU:C:2016:860, punt 33).


34      Zie in die zin arrest van 20 maart 2018, Menci (C‑524/15, EU:C:2018:197, punten 25, 34 en 35). Overigens verwijst het Hof in punt 35 van dat arrest onder meer naar de punten 39 en 40 van het arrest van 16 november 2010, Mantello (C‑261/09, EU:C:2010:683), die betrekking hebben op de uitlegging van artikel 3, punt 2, van kaderbesluit 2002/584.


35      Arrest van 25 februari 2021, Slovak Telekom (C‑857/19, EU:C:2021:139, punt 39).


36      Zie bijvoorbeeld arrest van 20 maart 2018, Menci (C‑524/15, EU:C:2018:197).


37      Zie mijn conclusie in de zaak LG en MH (Self-laundering) (C‑790/19, EU:C:2021:15, punten 50 en 51).


38      Zie in die zin EHRM, 10 februari 2009, Zolotoukhine tegen Rusland, CE:ECHR:2009:0210JUD001493903, §§ 78‑82 en, voor een meer recente toepassing, EHRM, 19 december 2017, Ramda tegen Frankrijk, CE:ECHR:2017:1219JUD007847711.


39      Zie artikel 14, lid 7, van het op 16 december 1966 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties vastgestelde en op 23 maart 1976 in werking getreden Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.


40      Zie in die zin Rafaraci, T., „The principle of non bis in idem in the jurisprudence of the European Court of Justice”, in Le contrôle juridictionnel dans l’espace pénal européen, Brussel, uitgave van de Universiteit van Brussel, 2009, blz. 93‑110, met name blz. 93.


41      Zie punt 32 van deze conclusie en verwijzingen in voetnoot 8.


42      Zie dienaangaande arresten van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge (C‑187/01 en C‑385/01, EU:C:2003:87, punt 33), en 9 maart 2006, Van Esbroeck (C‑436/04, EU:C:2006:165, punt 30).


43      Zie in die zin arrest van 29 juni 2006, Showa Denko/Commissie (C‑289/04 P, EU:C:2006:431, punt 58).


44      Zie in die zin artikel 58 SUO volgens hetwelk de bepalingen van deze overeenkomst „geen beletsel [vormen] voor de toepassing van verdergaande nationale bepalingen inzake de regel ne bis in idem in geval van buitenlandse rechterlijke beslissingen”.


45      Zie naar analogie arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punten 59 en 63).


46      Afgaande op de schriftelijke en de mondelinge opmerkingen van X lijkt het strafproces dat tot zijn veroordeling in Iran heeft geleid, in dit verband geen schijnproces te zijn geweest. Evenzo lijkt de opgelegde sanctie, gelet op de door X beschreven detentie-omstandigheden, van een zekere strengheid te getuigen. Mocht de verwijzende rechter concluderen dat het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer moet worden gelegd, dan zouden deze omstandigheden wellicht eveneens in aanmerking kunnen worden genomen door de Duitse rechterlijke instanties.


47      Zie punt 39 van deze conclusie en verwijzingen in voetnoot 15.


48      Zie in die zin arresten van 9 maart 2006, Van Esbroeck (C‑436/04, EU:C:2006:165, punt 38), en 18 juli 2007, Kraaijenbrink (C‑367/05, EU:C:2007:444, punt 27).


49      Zie in die zin arrest van 11 maart 2020, SF (Europees aanhoudingsbevel – Garantie tot terugzending naar de tenuitvoerleggingsstaat) (C‑314/18, EU:C:2020:191, punt 47).


50      Zie in die zin arrest van 10 augustus 2017, Tupikas (C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 63).


51      Daarbij denkt men spontaan aan amnestie en gratie. Sommigen betrekken daarbij ook nog de verjaring en de voorwaardelijke vrijlating, maar dat zijn niet de enige denkbare maatregelen (zie in die zin Mathieu, B., en Verpeaux, M., „Conclusions comparatives”, in Ruiz Fabri, H., Della Morte, G., Lambert Abdelgawad, E., en Martin-Chenut, K., La clémence saisie par le droit. Amnistie, prescription et grâce en droit international et comparé, Société de législation comparée, Coll. de l’UMR de droit comparé de Paris, deel 14, Parijs, 2007, blz. 311‑318).


52      Al was het maar omdat er wellicht een onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds clementiemaatregelen in strikte zin (executive clemency) – die aan de uitvoerende macht zijn voorbehouden – en anderzijds amnestie – wat een wetgevingshandeling is (zie in die zin, in de common law-stelsels, Pascoe, D., en Manikis, M., „Making sense of the victim’s role in clemency decision making”, International Review of Victimology, deel 26(I), 2020, blz. 3‑28, met name blz. 4 en 5, alsmede blz. 8 en 9). Zie ook, ter illustratie van het ontbreken van een gemeenschappelijke definitie, de discussies over de begrippen „gratie”, „amnestie” en „verjaring”, Ruiz Fabri, H., Della Morte, G., Lambert Abdelgawad, E., en Martin-Chenut, K., op. cit., aangehaald in voetnoot 51, blz. 275‑309).


53      Arrest van 11 december 2008, Bourquain (C‑297/07, EU:C:2008:708, punt 48).


54      Conclusie van advocaat-generaal Trstenjak in de zaak Agrana Zucker (C‑33/08, EU:C:2009:99, punt 37).


55      Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Wathelet in de zaak Frankrijk/Parlement (Uitoefening van de begrotingsbevoegdheid) (C‑73/17, EU:C:2018:386, punt 25).


56      Zie in die zin de in voetnoot 11 van deze conclusie aangehaalde arresten.


57      Zie in die zin de in voetnoot 10 van deze conclusie aangehaalde arresten.


58      Zie punt 33 van deze conclusie.


59      Zie in die zin Jegouzo, I., „Le mandat d’arrêt européen, acte de naissance de l’Europe judiciaire pénale”, in Cartier, M.‑E., Le mandat d’arrêt européen, Bruylant, Brussel, 2005,  blz. 33‑45, met name blz. 42, en Bot, S., Le mandat d’arrêt européen, Larcier, nr. 215, Brussel, 2009.


60      Zie in die zin arrest van 24 juni 2019, Popławski (C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 96).


61      Zie in die zin arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit) (C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 38).


62      Zie in die zin arrest van 10 november 2016, Özçelik (C‑453/16 PPU, EU:C:2016:860, punt 32).


63      Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de zaak Bourquain (C‑297/07, EU:C:2008:206, punt 83).