Language of document : ECLI:EU:C:2021:211

Zaak C900/19

One Voice
en
Ligue pour la protection des oiseaux

tegen

Ministre de la Transition écologique et solidaire

[verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Conseil d’État (hoogste bestuursrechter, Frankrijk)]

 Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 17 maart 2021

„Prejudiciële verwijzing – Milieu – Richtlijn 2009/147/EG – Behoud van de vogelstand – Artikelen 5 en 8 – Verbod op het gebruik van om het even welke methode voor het vangen van vogels – Artikel 9, lid 1 – Toelating om in afwijking daarvan gebruik te maken van een traditionele methode voor het vangen van vogels – Voorwaarden – Geen andere bevredigende oplossing – Motivering van het ontbreken van een ‚andere bevredigende oplossing’ louter op grond van het behoud van deze traditionele methode – Selectiviteit van de vangsten – Nationale regeling die de vangst van vogels met behulp van lijm toestaat”

1.        Milieu – Behoud van de vogelstand – Richtlijn 2009/147 – Uitvoering door de lidstaten – Afwijkingen van het verbod om vogels van beschermde soorten te doden of te vangen – Voorwaarden – Geen andere bevredigende oplossing – Vereiste van een uitvoerige motivering die is gebaseerd op de beste relevante wetenschappelijke kennis

(Richtlijn 2009/147 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, leden 1 en 2)

(zie punten 29‑32)

2.        Milieu – Behoud van de vogelstand – Richtlijn 2009/147 – Uitvoering door de lidstaten – Afwijkingen van het verbod om vogels van beschermde soorten te doden of te vangen – Voorwaarden – Geen andere bevredigende oplossing – Traditioneel karakter van een methode voor het vangen van vogels op zich onvoldoende om dit aan te tonen

(Richtlijn 2009/147 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, leden 1 en 2)

(zie punten 35‑44, dictum 1)

3.        Milieu – Behoud van de vogelstand – Richtlijn 2009/147 – Uitvoering door de lidstaten – Afwijkingen van het verbod om vogels van beschermde soorten te doden of te vangen – Voorwaarden – Verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden – Vereiste van de selectiviteit van de vangsten – Niet-dodelijke vangstmethode – Criteria – Bijvangsten van beperkte omvang en duur, die zonder meer dan verwaarloosbare schade worden teruggezet

[Richtlijn 2009/147 van het Europees Parlement en de Raad, art. 9, lid 1, c)]

(zie punten 52‑71, dictum 2)

Samenvatting

Een lidstaat mag geen methode voor het vangen van vogels toestaan die leidt tot bijvangsten die de betrokken soorten meer dan verwaarloosbare schade kunnen toebrengen

Het traditionele karakter van een methode voor het vangen van vogels zoals het jagen met lijm is op zich niet voldoende om aan te tonen dat deze methode niet kan worden vervangen door een andere bevredigende oplossing

De vereniging One Voice en de Ligue pour la protection des oiseaux vechten de praktijk aan waarbij vogels met lijm worden gevangen. Zij zijn bij de Conseil d’État (Frankrijk) opgekomen tegen de regeling die het gebruik van lijmstokken in bepaalde Franse departementen toestaat(1). Tot staving van hun beroepen hebben beide verenigingen aangevoerd dat deze regeling inbreuk maakt op de vogelrichtlijn(2), in het bijzonder op artikel 9, dat voorziet in de vereisten en voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteiten mogen afwijken van met name het verbod op het jagen met lijm als bedoeld in artikel 8 van en bijlage IV, onder a), bij deze richtlijn.

Tegen deze achtergrond heeft de Conseil d’État het Hof gevraagd hoe deze bepalingen van de vogelrichtlijn moeten worden uitgelegd. In zijn arrest geeft het Hof meer duidelijkheid over de mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om af te wijken van het verbod van artikel 8 van deze richtlijn om bij de jacht gebruik te maken van bepaalde methoden om beschermde vogels te vangen.

Beoordeling door het Hof

In de eerste plaats is het Hof van oordeel dat artikel 9, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het traditionele karakter van een methode voor het vangen van vogels op zich niet volstaat om aan te tonen dat deze methode niet kan worden vervangen door een andere bevredigende oplossing in de zin van deze bepaling.

In zijn arrest herinnert het Hof er om te beginnen aan dat de lidstaten, wanneer zij afwijkende bepalingen invoeren, ervoor dienen te zorgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die berusten op een nauwkeurige en passende motivering waarin wordt verwezen naar de redenen, voorwaarden en vereisten als bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van de vogelrichtlijn. Een afwijkende nationale regeling voldoet niet aan de voorwaarden inzake de motiveringsplicht wanneer daarin louter wordt verklaard dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat, zonder dat daarvoor een uitvoerige motivering op basis van de beste relevante wetenschappelijke kennis wordt gegeven.

Vervolgens benadrukt het Hof dat traditionele jachtmethoden weliswaar een „verstandig gebruik” zoals toegestaan door de vogelrichtlijn kunnen vormen, maar dat de instandhouding van tradities op zich geen afwijking van de beschermingsregeling van deze richtlijn kan rechtvaardigen.

Ten slotte herinnert het Hof eraan dat de bevoegde autoriteit in het kader van het onderzoek of er geen andere bevredigende oplossingen bestaan, een vergelijking moet maken tussen de verschillende oplossingen die aan de voorwaarden van de afwijking voldoen, om te bepalen welke oplossing het meest bevredigend is. Aangezien de Unie en de lidstaten krachtens artikel 13 VWEU bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op bepaalde gebieden ten volle rekening dienen te houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren, moet de vraag of de alternatieve oplossingen bevredigend zijn worden beoordeeld in het licht van de redelijke opties en de beste beschikbare technieken. Het Hof merkt op dat er bevredigende alternatieve oplossingen lijken te bestaan. Het heeft namelijk reeds geoordeeld dat de kweek en de voortplanting in gevangenschap van beschermde soorten een andere bevredigende oplossing kunnen vormen, wanneer zij mogelijk blijken te zijn, en dat het vervoer van op geoorloofde wijze gevangen en gehouden vogels eveneens een verstandig gebruik vormt. Het feit dat de kweek en de voortplanting in gevangenschap van de betrokken soorten nog niet op grote schaal mogelijk zijn als gevolg van de nationale regeling, kan niet wegnemen dat die oplossingen relevant zijn.

In de tweede plaats oordeelt het Hof dat artikel 9, lid 1, onder c), van de vogelrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die in afwijking van artikel 8 van deze richtlijn een vangstmethode toestaat die leidt tot bijvangsten, wanneer deze bijvangsten, ook al zijn ze beperkt in omvang en duur, de ongewenst gevangen soorten meer dan verwaarloosbare schade kunnen toebrengen.

De lidstaten mogen namelijk wel afwijken van het verbod op bepaalde jachtmethoden op voorwaarde dat deze methoden het met name mogelijk maken om bepaalde vogels selectief te vangen, maar bij de beoordeling van de selectiviteit van een methode moet niet alleen rekening worden gehouden met de wijze waarop deze methode wordt toegepast en met de mate waarin daarbij vogels worden gevangen die niet tot de doelsoort behoren, maar ook met de eventuele gevolgen ervan voor de gevangen soorten in termen van letsels die de gevangen vogels oplopen.

Zo kan bij een niet-dodelijke vangstmethode die tot bijvangsten leidt, alleen aan de selectiviteitsvoorwaarde worden voldaan als die bijvangsten beperkt in omvang zijn – en het dus gaat om een zeer klein aantal exemplaren dat per ongeluk en kortstondig wordt gevangen – en deze vogels zonder ernstige schade kunnen worden vrijgelaten. Het Hof stelt evenwel – onder voorbehoud van de bevindingen van de Conseil d’État – vast dat het heel waarschijnlijk is dat de gevangen vogels onherstelbare letsels oplopen, ook al worden zij gereinigd, aangezien het inherent is aan lijmstokken dat zij de veren van vogels kunnen beschadigen.


1      Het gaat om vijf besluiten van 24 september 2018 betreffende het gebruik van lijm voor het vangen van als lokvogel te gebruiken lijsters en merels in bepaalde Franse departementen (JORF van 27 september 2018, teksten nrs. 10‑13 en 15), en een besluit van 17 augustus 1989 over hetzelfde onderwerp (JORF van 13 september 1989, blz. 11560).


2      Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010, L 20, blz. 7; hierna: „vogelrichtlijn”).