Language of document :

Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk) op 12 juli 2021 – Grand Production d.o.o. / GO4YU GmbH e.a.

(Zaak C-423/21)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Oberster Gerichtshof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekster tot Revision: Grand Production d.o.o.

Verweersters in Revision: GO4YU GmbH, DH, GO4YU d.o.o., MTEL Austria GmbH

Prejudiciële vragen

Moet het begrip „mededeling [...] aan het publiek” in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG1 aldus worden uitgelegd dat een dergelijke mededeling wordt gedaan door een (in casu niet in de Unie gevestigde) directe exploitant van een streamingplatform die

-    als enige over de inhoud en de blokkering van door hem verspreide tv-uitzendingen beslist en dit technisch uitvoert,

-    als enige de rechten van administrator voor het streamingplatform heeft,

-    kan beïnvloeden welke tv-programma’s eindgebruikers via de dienst kunnen ontvangen, maar geen invloed kan uitoefenen op de inhoud van de programma’s, en

-    als enige controleert welke programma’s en inhoud wanneer en op welk grondgebied te zien zijn,

wanneer daarbij telkens

-    aan de gebruiker niet alleen toegang wordt verleend tot programma-inhoud met het online-gebruik waarvan de betrokken rechthebbenden hebben ingestemd, maar ook tot beschermde inhoud waarvoor die toestemming niet is verkregen, en

-    de directe exploitant van het streamingplatform weet dat zijn dienst ook de ontvangst van beschermde programma-inhoud zonder toestemming van de rechthebbenden mogelijk maakt, doordat de eindgebruikers VPN-diensten gebruiken die de indruk wekken dat het IP-adres en het apparaat van de eindgebruiker zich bevinden in gebieden waarvoor toestemming van de rechthebbenden is verkregen, maar

-    de ontvangst van beschermde programma-inhoud via het streamingplatform zonder toestemming van de rechthebbenden ook zonder VPN-tunnel gedurende meerdere weken daadwerkelijk mogelijk was?

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord:

Moet het begrip „mededeling [...] aan het publiek” in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG aldus worden uitgelegd dat een dergelijke mededeling ook wordt gedaan door (in casu in de Unie gevestigde) derden die contractueel en/of vennootschapsrechtelijk met de in de eerste vraag beschreven platformexploitant zijn verbonden en die, zonder zelf invloed te hebben op de blokkering, de programma’s en de inhoud van de op het streamingplatform vertoonde uitzendingen,

-    adverteren voor het streamingplatform van de exploitant en zijn diensten, en/of

-    met de klanten testabonnementen sluiten die na 15 dagen automatisch eindigen, en/of

-    de klantenservice voor de klanten van het streamingplatform verzorgen, en/of

-        op hun website tegen betaling abonnementen voor het streamingplatform van de directe exploitant aanbieden en vervolgens als contractpartner van de klanten en als begunstigde optreden, waarbij deze abonnementen zodanig worden aangebracht dat er alleen uitdrukkelijk op wordt gewezen dat bepaalde programma’s niet beschikbaar zijn wanneer de klant bij het sluiten van de overeenkomst expliciet te kennen geeft deze programma’s te willen zien, maar dat de klant, wanneer hij dat niet aangeeft of er niet concreet navraag naar doet, daar niet vooraf op wordt gewezen?

Moeten artikel 2, onder a) en e), en artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG juncto artikel 7, punt 2, van verordening (EU) nr. 1215/20121 aldus worden uitgelegd dat indien een benadeelde auteur aanvoert dat er inbreuk is gemaakt op auteurs- en naburige rechten die door de lidstaat van de aangezochte rechter worden gewaarborgd, deze rechter alleen kan beslissen over de schade die is veroorzaakt op het grondgebied van de lidstaat waartoe hij behoort – omdat het territorialiteitsbeginsel in de weg staat aan de bevoegdheid van de nationale rechter om kennis te nemen van buitenlandse inbreuken –, of kan of moet deze rechter ook oordelen over inbreuken die volgens de benadeelde auteur buiten dat grondgebied (wereldwijd) zijn gepleegd?

____________

1     Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB 2001, L 167, blz. 10).

1     Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).