Language of document : ECLI:EU:T:2021:780

Voorlopige editie

ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

10 november 2021 (*)

„Staatssteun – Markt voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van fotovoltaïsche energie – Verplichting naar Frans recht om elektriciteit af te nemen tegen een hogere prijs dan de marktprijs – Afwijzing van een klacht – Artikel 12, lid 1, en artikel 24, lid 2, van verordening (EU) 2015/1589 – Werkingssfeer”

In zaak T‑678/20,

Solar Electric Holding, gevestigd te Lamentin (Frankrijk),

Solar Electric Guyane, gevestigd te Lamentin,

Solar Electric Martinique, gevestigd te Lamentin,

Société de production d’énergies renouvelables, gevestigd te Lamentin,

vertegenwoordigd door S. Manna, advocaat,

verzoekende partijen,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door B. Stromsky en A. Bouchagiar als gemachtigden,

verwerende partij,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 3 september 2020 tot afwijzing van de klacht van verzoeksters van 20 juni 2020 betreffende onrechtmatige staatssteun voor hun fotovoltaïsche installaties,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, R. Barents en J. Laitenberger (rapporteur), rechters,

griffier: E. Coulon,

het navolgende

Arrest

 Voorgeschiedenis van het geding

1        Loi no 2000‑108, du 10 février 2000, relative à la modernisation et au développement du service public de l’électricité (Franse wet nr. 2000‑108 van 10 februari 2000 tot modernisering en ontwikkeling van de openbare dienstverlening voor elektriciteit) (JORF van 11 februari 2000, blz. 2143) beoogt de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen in Frankrijk te bevorderen. Hiertoe is bij die wet een afnameverplichting ingevoerd, die is opgenomen in de artikelen L. 314‑1 en volgende van de code de l’énergie (Frans energiewetboek) en volgens welke Électricité de France (EDF) en de niet-genationaliseerde distributeurs waarvan sprake in artikel 23 van loi no 46‑628, du 8 avril 1946, sur la nationalisation de l’électricité et du gaz (Franse wet nr. 46‑628 van 8 april 1946 betreffende de nationalisatie van gas en elektriciteit) verplicht zijn om op verzoek van de belanghebbende producenten een overeenkomst met een looptijd van 20 jaar af te sluiten voor de afname van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, met inbegrip van fotovoltaïsche energie, tegen een prijs die bij ministerieel tariefbesluit is vastgesteld. Tot 31 december 2015 werden de aan de afnameverplichting verbonden kosten van EDF en de niet-genationaliseerde distributeurs waarvan sprake in artikel 23 van wet nr. 46‑628 krachtens décret no 2004‑90, du 28 janvier 2004, relatif à la compensation de charges de service public d’électricité (besluit nr. 2004‑90 van 28 januari 2004 betreffende vergoeding van de lasten van de openbare dienstverlening voor elektriciteit) volledig vergoed via een mechanisme dat werd gefinancierd met een bijdrage van de elektriciteitsverbruikers voor de openbare dienstverlening voor elektriciteit. Sinds 1 januari 2016 worden deze kosten vergoed via een specifieke rekening ten behoeve van de energietransitie, die met belastingen op het verbruik van energieproducten wordt gefinancierd.

2        Tariefbesluiten als bedoeld in punt 1 hierboven zijn onder meer vastgesteld op 10 juli 2006 (hierna: „tariefbesluit 2006”), 12 januari 2010 (hierna: „tariefbesluit 1/2010”), 31 augustus 2010 (hierna: „tariefbesluit 8/2010”), 4 maart 2011 en 9 mei 2017. Hoewel alleen dit laatste besluit nog van kracht is, blijven de andere inmiddels ingetrokken tariefbesluiten van toepassing voor zover de prijs die gedurende de gehele duur van de afnameovereenkomst, te weten 20 jaar, voor de aankoop van elektriciteit wordt betaald, de prijs is die is vastgesteld in het tariefbesluit dat van kracht was op de dag waarop de producent een volledige aanvraag tot aansluiting op het openbare net heeft ingediend.

3        Solar Electric Holding – een holdingmaatschappij die voor 100 % eigenaar is van haar dochterondernemingen Solar Electric Guyane en Solar Electric Martinique, die belast zijn met de ontwikkeling en de bouw van projecten voor de opwekking van elektriciteit uit fotovoltaïsche bronnen in respectievelijk Guyana en Martinique, en Société de production d’énergies renouvelables (Soproder), die belast is met de exploitatie van die verschillende fotovoltaïsche installaties – heeft op grond van de in punt 1 hierboven genoemde tariefbesluiten overeenkomsten voor de afname van elektriciteit afgesloten met EDF. Soproder was binnen de uit deze ondernemingen bestaande groep derhalve de onderneming die rechtstreeks en onmiddellijk baat had bij de in die besluiten vastgestelde preferentiële tarieven.

4        Bij uitspraak van 18 september 2019 heeft de Cour de Cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk), waarbij vorderingen tot schadevergoeding waren ingesteld, geoordeeld dat de op de tariefbesluiten 2006 en 1/2010 gebaseerde maatregelen tot invoering van een regeling van verplichte afname tegen een hogere prijs dan de marktprijs onrechtmatige staatssteun vormden, aangezien zij niet bij de Europese Commissie waren aangemeld overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU.

5        Voorts heeft de Commissie bij brief van 26 maart 2020 aan verzoeksters, Solar Electric Holding, Solar Electric Guyane, Solar Electric Martinique en Soproder, bevestigd dat de maatregelen die waren gebaseerd op de tariefbesluiten 2006, 1/2010 en 8/2010 niet bij haar waren aangemeld.

6        Op 20 juni 2020 hebben verzoeksters de Commissie het klachtenformulier inzake onrechtmatige staatssteun, als bedoeld in artikel 24, lid 2, van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 2015, L 248, blz. 9) doen toekomen. Verzoeksters hebben in dit formulier aangegeven dat de uit de tariefbesluiten 2006, 1/2010 en 8/2010 voortvloeiende steunregelingen ten uitvoer waren gelegd, hoewel de Commissie zich nooit had uitgesproken over de verenigbaarheid ervan met de interne markt, en dat het uitblijven van een besluit van de Commissie naar hun mening had geleid tot een rechtsvacuüm dat nadelig was voor alle Franse producenten van elektriciteit uit fotovoltaïsche bronnen, aangezien de inkomsten uit de overeenkomsten die tegen het in die besluiten bepaalde tarief waren afgesloten, ter discussie zouden kunnen worden gesteld en zouden kunnen worden teruggevorderd. Volgens de informatie die door verzoeksters in dat formulier is verstrekt, zijn de uit de tariefbesluiten 2006, 1/2010 en 8/2010 voortvloeiende regelingen ter ondersteuning van de opwekking van elektriciteit uit fotovoltaïsche bronnen verenigbaar met de interne markt. Onder verwijzing naar artikel 108, lid 1, VWEU en artikel 12, lid 1, van verordening 2015/1589 hebben verzoeksters in dat formulier, meer in het bijzonder in de punten 3.4, 8 en 9.3 daarvan, „de Commissie verzocht om zich uitdrukkelijk uit te spreken over de verenigbaarheid van de bij [die] besluiten ingevoerde steunregelingen”.

7        Bij brief van 1 juli 2020 hebben de diensten van de Commissie een aantal vragen gesteld en om bijkomende informatie verzocht, waar verzoeksters per e-mail van 31 augustus 2020 op hebben geantwoord.

8        Bij brief van 3 september 2020 heeft de Commissie de klacht van verzoeksters van 20 juni 2020 inzake onrechtmatige staatssteun voor hun fotovoltaïsche installaties afgewezen (hierna: „bestreden besluit”), waarin zij met name het volgende verklaarde:

„Het [directoraat-generaal Concurrentie] is van oordeel dat uw klacht moet worden afgewezen, omdat het voorwerp ervan buiten de werkingssfeer van artikel 12, lid 1, en artikel 24, lid 2, van [verordening 2015/1589] [...] valt.

[D]e klaagsters verzoeken de Commissie om zich uit te spreken over de verenigbaarheid van de steunregelingen, alsof zij Frankrijk in zekere zin vertegenwoordigden in een aanmeldingsprocedure. Het voorwerp van uw klacht valt derhalve buiten de werkingssfeer van artikel 12, lid 1, en artikel 24, lid 2, van [verordening 2015/1589] en daarom moet uw klacht worden afgewezen.

Wij danken u voor de inlichtingen die u ons heeft verstrekt. De Commissie zal ze als algemene marktinformatie registreren.”

 Procedure en conclusies van partijen

9        Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 12 november 2020, hebben verzoeksters het onderhavige beroep ingesteld.

10      Het verweerschrift is neergelegd ter griffie van het Gerecht op 27 januari 2021.

11      Op 2 februari 2021 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 83, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist dat een tweede uitwisseling van memories niet nodig was.

12      Bij brief van 15 april 2021 hebben verzoeksters op grond van artikel 106, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering verzocht om een pleitzitting te houden.

13      Op 4 juni 2021 heeft het Gerecht, bij wijze van maatregel tot organisatie van de procesgang, de partijen een vraag ter schriftelijke beantwoording gesteld, die zij op 21 juni 2021 hebben beantwoord.

14      Bij brief van 9 juli 2021 hebben verzoeksters het Gerecht ervan in kennis gesteld dat zij afzagen van hun verzoek om een pleitzitting te houden.

15      Verzoeksters verzoeken het Gerecht het bestreden besluit nietig te verklaren.

16      De Commissie verzoekt het Gerecht:

–        het beroep te verwerpen,

–        verzoeksters te verwijzen in de kosten van het geding.

 In rechte

17      Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters drie middelen aan die zijn ontleend aan, ten eerste, schending van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589, ten tweede, schending van artikel 12, lid 1, van deze verordening en, ten derde, de verplichting voor de Commissie om het VWEU te handhaven.

 Eerste middel: schending van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589

18      In het kader van het eerste middel voeren verzoeksters onder verwijzing naar de bewoordingen van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/589 aan dat het volstaat dat steun onrechtmatig is opdat daartegen op grond van dit artikel een ontvankelijke klacht kan worden ingediend. Artikel 24, lid 2, van deze verordening legt op geen enkele wijze een extra voorwaarde op die verband houdt met het feit dat deze klacht ertoe moet strekken een verklaring te verkrijgen dat de betrokken steun onverenigbaar is. Volgens verzoeksters komt het in de praktijk weliswaar zelden of nooit voor dat een klacht tegen onrechtmatige en verenigbare steun wordt ingediend door een belanghebbende, maar dit uitzonderlijke karakter kan niet tot gevolg hebben dat deze klacht buiten de werkingssfeer van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 valt, omdat anders een ontvankelijkheidsvoorwaarde wordt toegevoegd waarin het VWEU of die verordening niet voorziet.

19      Voorts heeft de Commissie zich in het bestreden besluit ten onrechte gebaseerd op de voorwaarden voor inleiding van een formele onderzoeksprocedure, die moet worden ingeleid indien er na afloop van het eerste onderzoek twijfel over de verenigbaarheid van de steun met de interne markt blijft bestaan. Volgens verzoeksters wordt met de meeste klachten over onrechtmatige steun in de praktijk weliswaar uiteindelijk beoogd dat de formele onderzoeksprocedure wordt ingeleid, maar de mogelijkheid om een klacht over onrechtmatige steun in te dienen die in de eerste plaats moet leiden tot het eerste onderzoek, mag niet worden verward met het geval waarin een formele procedure wordt ingeleid.

20      In die omstandigheden zou het feit dat verzoeksters van mening zijn dat de onrechtmatige steun waarop hun klacht betrekking heeft, verenigbaar is met de interne markt en dat zij met deze klacht een besluit van de Commissie om geen bezwaar te maken tegen die steun willen uitlokken, niet uitsluiten dat die klacht binnen de werkingssfeer van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 valt.

21      De Commissie betwist deze argumenten.

22      Vooraf zij opgemerkt dat de door verzoeksters ingediende klacht gericht was op de vaststelling door de Commissie van een besluit om geen bezwaar te maken met betrekking tot de verenigbaarheid van de door de Franse autoriteiten ten uitvoer gelegde maatregelen op grond van de tariefbesluiten 2006, 1/2010 en 8/2010. In dit verband wordt met het eerste middel de vraag aan de orde gesteld of artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 aan de begunstigde van onrechtmatig uitgekeerde nieuwe steun en, zoals in casu, aan ondernemingen die een economisch belang hebben in de onderneming die deze steun ontvangt, omdat zij deel uitmaken van dezelfde groep, een subjectief recht toekent om een klacht bij de Commissie in te dienen teneinde van laatstgenoemde een besluit te verkrijgen waarbij steun die door de betrokken lidstaat niet werd aangemeld, verenigbaar met de interne markt wordt verklaard.

23      Artikel 24 van verordening 2015/1589, met als opschrift „Rechten van de belanghebbenden”, bepaalt in lid 2 dat „[e]lke belanghebbende [...] een klacht [kan] indienen om de Commissie in kennis te stellen van mogelijk onrechtmatige steun of van mogelijk misbruik van steun”. Tegelijkertijd ziet de definitie van „belanghebbende” in artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 op „een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen”.

24      Hoewel de bewoordingen van de hierboven aangehaalde bepalingen dus erop lijken te wijzen dat begunstigden van onrechtmatig uitgekeerde steun een klacht kunnen indienen bij de Commissie, moet een dergelijke conclusie toch van de hand worden gewezen om redenen die verband houden met de structuur van de controle op staatssteun en de opzet van de klachtenregeling.

25      Wat om te beginnen de structuur van de controle op staatssteun betreft, moet in herinnering worden gebracht dat de aanmeldingsplicht een van de fundamentele aspecten van het bij het VWEU ingevoerde controlesysteem op het gebied van staatssteun vormt, die voorziet in een bij artikel 108, lid 3, VWEU ingestelde preventieve controle op voorgenomen nieuwe steun, die ervoor moet zorgen dat alleen met de interne markt verenigbare steunmaatregelen tot uitvoering worden gebracht nadat de twijfel over de verenigbaarheid ervan is weggenomen door een eindbesluit van de Commissie (arrest van 24 november 2020, Viasat Broadcasting UK, C‑445/19, EU:C:2020:952, punten 18 en 19). Dit systeem van preventieve controle verzet zich ertegen dat lidstaten die in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU steun verlenen, worden bevoordeeld boven lidstaten die hun steunvoornemens overeenkomstig deze bepaling aanmelden en niet uitvoeren totdat de Commissie haar definitieve besluit vaststelt (arrest van 4 maart 2021, Commissie/Fútbol Club Barcelona, C‑362/19 P, EU:C:2021:169, punt 92). Dienaangaande zij tevens eraan herinnerd dat de Commissie bij uitsluiting bevoegd is om de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de interne markt te beoordelen overeenkomstig artikel 107, lid 3, VWEU en daarbij onder toezicht van de rechters van de Europese Unie staat (zie arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26      Uit de opzet van artikel 108, lid 3, VWEU – dat een bilaterale verhouding tussen de Commissie en de lidstaten invoert – volgt dat de aanmeldingsplicht op de lidstaten rust. Aan deze verplichting wordt dus niet voldaan wanneer de steun door de begunstigde onderneming wordt aangemeld. Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, legt het door artikel 108 VWEU opgezette stelsel van controle op en onderzoek van staatssteun geen specifieke verplichting op aan de begunstigde van de steun. De aanmeldingsplicht en het verbod om voorgenomen steunmaatregelen daarvóór tot uitvoering te brengen, zijn alleen tot de betrokken lidstaat gericht, zoals indirect ook blijkt uit artikel 10 van verordening 2015/1589, waarin is bepaald dat de betrokken lidstaat zijn aanmelding kan intrekken zolang de Commissie geen besluit heeft genomen over de verenigbaarheid van de steun met de interne markt. Bovendien is ook het besluit waarbij de Commissie de onverenigbaarheid van een steunmaatregel vaststelt en gelast dat deze binnen de door haar vastgestelde termijn wordt ingetrokken, alleen tot de lidstaat gericht [arresten van 11 juli 1996, SFEI e.a., C‑39/94, EU:C:1996:285, punt 73, en 1 juni 2006, P&O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, C‑442/03 P en C‑471/03 P, EU:C:2006:356, punt 103].

27      Indien zou worden aanvaard dat de begunstigde van onrechtmatig uitgekeerde steun een klacht kan indienen bij de Commissie om te doen vaststellen dat die steun verenigbaar is met de interne markt, zou dat alleen tot gevolg hebben dat deze begunstigde in de plaats kan treden van de betrokken lidstaat, die als enige bevoegd is om een steunmaatregel bij de Commissie aan te melden.

28      Bovendien zou de toekenning, aan de begunstigde van onrechtmatig uitgekeerde steun, van een dergelijke bevoegdheid om zich tot de Commissie te wenden teneinde de verenigbaarheid van deze steun met de interne markt te doen vaststellen, afbreuk doen aan het fundamentele en dwingende karakter van de verplichting tot aanmelding van steunmaatregelen en van het verbod op de tenuitvoerlegging ervan op grond van artikel 108, lid 3, VWEU, zoals in de rechtspraak in herinnering is gebracht (zie in die zin arrest van 17 september 2019, Italië en Eurallumina/Commissie, T‑119/07 en T‑207/07, niet gepubliceerd, EU:T:2019:613, punt 113), alsook van de sanctie die in beginsel wordt gekoppeld aan de niet-nakoming door een lidstaat van met name deze verplichting tot voorafgaande aanmelding, namelijk de terugbetaling van de onrechtmatig uitgekeerde steun (zie in die zin arrest van 11 juli 1996, SFEI e.a., C‑39/94, EU:C:1996:285, punt 70).

29      Zij zou de begunstigde van onrechtmatig uitgekeerde steun immers de mogelijkheid bieden om de niet-nakoming door de betrokken lidstaat in zijn eigen voordeel te verhelpen door een besluit van de Commissie uit te lokken op grond waarvan hij zich vervolgens zou kunnen beroepen op punt 55 van het arrest van 12 februari 2008, CELF en Ministre de la Culture et de la Communication (C‑199/06, EU:C:2008:79), volgens hetwelk de nationale rechter niet verplicht is om de terugvordering te gelasten van steun die in strijd met artikel 108, lid 3, laatste volzin, VWEU tot uitvoering is gebracht wanneer de Commissie een eindbeslissing heeft genomen waarin zij vaststelt dat deze steun verenigbaar is met de interne markt, hetgeen verzoeksters naar eigen zeggen beogen.

30      Voorts dient eveneens vanuit de invalshoek van de structuur van het controlesysteem op het gebied van staatssteun in herinnering te worden geroepen dat de nationale rechterlijke instanties de justitiabelen moeten garanderen dat overeenkomstig hun nationale recht alle consequenties uit niet-nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 108, lid 3, VWEU zullen worden getrokken, zowel wat betreft de geldigheid van handelingen tot uitvoering van steunmaatregelen als wat betreft de terugvordering van financiële steun die in strijd met deze bepaling of eventuele voorlopige maatregelen is verleend (arrest van 21 november 1991, Fédération nationale du commerce extérieur des produits alimentaires en Syndicat national des négociants et transformateurs de saumon, C‑354/90, EU:C:1991:440, punt 12). Te dien einde kunnen bij de nationale rechter gedingen aanhangig worden gemaakt waarin deze zich genoodzaakt ziet het begrip steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU uit te leggen en toe te passen, in het bijzonder teneinde vast te stellen of een overheidsmaatregel al dan niet aan de voorafgaande controleprocedure van artikel 108, lid 3, VWEU had moeten worden onderworpen. Komt de nationale rechter tot de conclusie dat de betrokken maatregel inderdaad eerst bij de Commissie had moeten worden aangemeld, dan moet hij die maatregel onrechtmatig verklaren (arrest van 19 maart 2015, OTP Bank, C‑672/13, EU:C:2015:185, punt 37).

31      Hieruit volgt dat begunstigden van onrechtmatige steun hun nationale rechterlijke instanties kunnen verzoeken om de steunverlenende staat te straffen voor zijn uitdrukkelijke of stilzwijgende weigering om zijn aanmeldingsplicht na te komen. Bijgevolg is er geen reden om hun het recht toe te kennen om, via een klacht bij de Commissie op grond van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 2015/1589, het onderzoek van de verenigbaarheid van de steun op gang te brengen met het oog op de goedkeuring van die steun, waarbij in voorkomend geval wordt ingegaan tegen de wil van de betrokken lidstaat, die blijkt uit zijn verzuim om de steun aan te melden.

32      Zoals de Commissie terecht opmerkt, bevat het Unierecht geen subjectief recht op toekenning van staatssteun. De begunstigde kan dan ook niet in de plaats treden van de bevoegde lidstaat en op eigen initiatief namens de lidstaat een aanmelding verrichten om van de Commissie een besluit te verkrijgen waarbij de tenuitvoerlegging van niet-aangemelde steun wordt toegestaan [zie in die zin arrest van 1 juni 2006, P & O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, C‑442/03 P en C‑471/03 P, EU:C:2006:356, punt 103].

33      Wat de opzet van de klachtenregeling en het recht om een klacht bij de Commissie in te dienen betreft, moet worden opgemerkt dat dit recht volgens artikel 24, lid 2, eerste volzin, van verordening 2015/1589 beoogt de Commissie in kennis te stellen van mogelijk onrechtmatige steun, hetgeen overeenkomstig artikel 15, lid 1, eerste volzin, van deze verordening leidt tot de opening van de in artikel 108, lid 3, VWEU, bedoelde inleidende onderzoeksfase en de vaststelling door de Commissie van een besluit op grond van artikel 4, lid 2, 3 of 4, van verordening 2015/1589 impliceert (arrest van 5 mei 2021, ITD en Danske Fragtmænd/Commissie, T‑561/18, hogere voorziening ingesteld, EU:T:2021:240, punt 47).

34      Voorts bepaalt artikel 12, lid 1, tweede alinea, van verordening 2015/1589 dat de Commissie ervoor zorgt „dat de betrokken lidstaat volledig en regelmatig van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek [van een klacht] op de hoogte wordt gehouden”. Deze bepaling, die ertoe strekt de rechten van verdediging van de betrokken lidstaat te beschermen, houdt in dat het besluit waarbij gevolg wordt gegeven aan een klacht nadelig zal uitvallen voor die lidstaat, en dat daarbij dus zal worden vastgesteld dat de steun waarop de klacht betrekking heeft onverenigbaar is.

35      De opzet van de klachtenregeling, te weten met de interne markt onverenigbare steun te identificeren, wordt ook bevestigd door punt 8 van het in artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 bedoelde klachtenformulier dat is opgenomen in bijlage bij verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] (PB 2004, L 140, blz. 1), zoals gewijzigd, volgens hetwelk de klager moet aangeven „[w]aarom [...] de betwiste staatssteun volgens [hem] niet verenigbaar [is] met de interne markt”.

36      Bovendien blijkt uit punt 3 van dit formulier dat begunstigden van steun niet worden vermeld bij de partijen die een klacht kunnen indienen. Ook de verwijzing naar de concurrenten van de begunstigde(n) van steun en de in dit punt geformuleerde vraag om te verduidelijken waarom en in welke mate de concurrentiepositie van de klager wordt geschaad door de betwiste staatssteun, tonen aan dat de klachtenregeling met name strekt tot bescherming van de rechten van degenen wier belangen dreigen te worden geschaad door de toekenning van steun aan bepaalde begunstigden. Dit wordt tevens bevestigd door punt 7 van dat formulier, volgens hetwelk de klager dient uit te leggen hoe de betwiste staatssteun volgens hem een economisch voordeel oplevert aan de begunstigde of begunstigden.

37      Hoewel begunstigden als „belanghebbenden” worden beschouwd in artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589, staat de opzet van de klachtenregeling dus eraan in de weg dat deze regeling wordt gebruikt door partijen die, zoals inzonderheid de begunstigden van de bekritiseerde steun, een belang hebben bij de vaststelling door de Commissie dat die steun verenigbaar is.

38      Hieruit volgt dat de werkingssfeer van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 beperkt is tot klachten die beogen onrechtmatige steun aan het licht te brengen die volgens de klagers onverenigbaar is met de interne markt. De werkingssfeer van artikel 24, lid 2, van deze verordening omvat echter niet de klachten waarbij de klagers stellen dat steun verenigbaar is met de interne markt en daarom door de Commissie moet worden goedgekeurd. Begunstigden van onrechtmatige steun en ondernemingen die een economisch belang in die begunstigde onderneming hebben wegens de economische eenheid die zij met haar vormen omdat de moedermaatschappij 100 % van het kapitaal van de klagers in handen heeft, kunnen zich derhalve niet beroepen op artikel 24, lid 2, eerste volzin, van verordening 2015/1589 om een klacht in te dienen over onrechtmatige steun die zij rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen, opdat de Commissie een besluit zou nemen waarbij de verenigbaarheid van deze steun wordt vastgesteld.

39      In deze omstandigheden dient te worden vastgesteld dat de door verzoeksters op 20 juni 2020 ingediende klacht buiten de werkingssfeer van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 valt.

40      Uit het voorgaande volgt dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door vast te stellen dat de door verzoeksters ingediende klacht buiten de werkingssfeer van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 viel. Het eerste middel moet derhalve ongegrond worden verklaard.

 Tweede middel: schending van artikel 12, lid 1, van verordening 2015/1589

41      Met hun tweede middel voeren verzoeksters aan dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast, voor zover zij haar verplichting om de inleidende onderzoeksfase te openen niet is nagekomen. Die verplichting was ontstaan krachtens artikel 12, lid 1, van verordening 2015/1589. Verzoeksters hebben naar eigen zeggen namelijk een klacht overeenkomstig artikel 24, lid 2, van deze verordening ingediend.

42      De Commissie is van mening dat het tweede middel niet losstaat van het eerste middel en dat het lot ervan dus volledig afhangt van het eerste middel tot nietigverklaring, dat berust op schending van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589. De Commissie acht het eerste middel ongegrond, mede rekening houdend met het bepaalde in artikel 12 van deze verordening. Bijgevolg moet ook dit tweede middel tot nietigverklaring worden afgewezen.

43      In antwoord op dit middel moet worden opgemerkt dat volgens artikel 12, lid 1, tweede alinea, van verordening 2015/1589 de Commissie een klacht onderzoekt „die een belanghebbende overeenkomstig artikel 24, lid 2, [van deze verordening] heeft ingediend”. Aldus is de Commissie gehouden om de bij haar ingediende klachten die zijn gebaseerd op schending van artikel 107, lid 1, VWEU en waarin de aan deze schending ten grondslag liggende maatregelen op ondubbelzinnige en gedetailleerde wijze worden aangewezen, zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken (zie in die zin arrest van 15 maart 2018, Naviera Armas/Commissie, T‑108/16, EU:T:2018:145, punt 102). Aangezien de klacht, zoals ingediend door verzoeksters op 20 juni 2020, niet was gebaseerd op schending van artikel 107, lid 1, VWEU en derhalve buiten de werkingssfeer van artikel 24, lid 2, van die verordening viel, was de Commissie niet verplicht om de inleidende onderzoeksfase overeenkomstig artikel 12, lid 1, van die verordening in te leiden.

44      In die omstandigheden moet het tweede middel ongegrond worden verklaard.

 Derde middel: verplichting voor de Commissie om het VWEU te handhaven

45      In het kader van het derde middel voeren verzoeksters aan dat de Commissie haar verplichtingen uit hoofde van de artikelen 107, 108 en 109 VWEU en verordening 2015/1589 niet is nagekomen.

46      Hoewel de Commissie op de hoogte was gesteld van het bestaan van de steunregelingen die voortvloeien uit tariefbesluiten de 2006, 1/2010 en 8/2010 en van de niet-aanmelding ervan, heeft zij geen actie ondernomen, waardoor de bepalingen van het VWEU de zin ervan werd ontnomen. De Commissie heeft haar rol van hoedster van het Unierecht en die van het verzekeren van de rechtszekerheid voor de justitiabelen niet vervuld door een klacht over steun af te wijzen waarbij zij erkende dat de steun onrechtmatig was, zonder evenwel vooraf te hebben nagegaan of deze verenigbaar was met de interne markt. Aangezien de Commissie bij uitsluiting bevoegd is om de verenigbaarheid van steun te onderzoeken, had zij moeten nagaan of de onrechtmatige steun, waarvan zij op de hoogte was gebracht door verzoeksters, verenigbaar was. Bovendien hadden verzoeksters gegevens overgelegd, te weten met name een advies van de Commission de régulation de l’énergie (reguleringscommissie voor energie, Frankrijk), die de verenigbaarheid van de steun met de interne markt in twijfel trokken.

47      In die omstandigheden komt het ontbreken van een standpuntbepaling van de Commissie over de verenigbaarheid van de betrokken steun volgens verzoeksters neer op rechtsweigering, aangezien het leidt tot een rechtsvacuüm dat de artikelen 107 tot en met 109 VWEU en verordening 2015/1589 beogen te vermijden.

48      De Commissie betwist de aangevoerde argumenten.

49      In antwoord op het derde middel moet in navolging van verzoeksters in herinnering worden gebracht dat de Commissie bij uitsluiting bevoegd is om de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de interne markt te beoordelen (zie arrest van 19 juli 2016, Kotnik e.a., C‑526/14, EU:C:2016:570, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Unierecht legt de Commissie echter geen absolute verplichting op om de verenigbaarheid van niet-aangemelde steun te beoordelen zodra zij daarvan in kennis is gesteld.

50      Verordening 2015/1589 voorziet namelijk slechts in twee situaties waarin de Commissie daadwerkelijk gehouden is om de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de interne markt te onderzoeken. Ten eerste bestaat een dergelijke verplichting in geval van aanmelding door de lidstaat die de steun verleent. Zo bepaalt artikel 4, lid 1, eerste alinea, van deze verordening dat „[d]e Commissie [...] de aanmelding onverwijld na ontvangst [onderzoekt]”. Ten tweede rust er krachtens artikel 12, lid 1, tweede alinea, van die verordening een onderzoeksplicht op de Commissie in het geval van een klacht „die een belanghebbende overeenkomstig artikel 24, lid 2, [van deze verordening] heeft ingediend”.

51      In casu staat vast dat de Franse Republiek de uit de tariefbesluiten 2006, 1/2010 en 8/2010 voortvloeiende steun niet heeft aangemeld bij de Commissie. Voorts moet worden vastgesteld dat de door verzoeksters op 20 juni 2020 ingediende klacht buiten de werkingssfeer van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 valt. Onder deze omstandigheden hoefde de Commissie de voornoemde steunmaatregelen niet te onderzoeken. Bijgevolg kan het uitblijven van een besluit van de Commissie met betrekking tot deze steunmaatregelen geen rechtsweigering vormen die kan leiden tot een rechtsvacuüm. Dit geldt des te meer aangezien, zoals in de punten 29 en 31 hierboven is opgemerkt, verzoeksters de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat kunnen verzoeken om die staat te straffen voor zijn weigering om de gelaakte maatregelen aan te melden, voor zover die rechterlijke instanties tot de bevinding komen dat deze maatregelen als nieuwe staatssteun moeten worden aangemerkt.

52      Dienaangaande moet erop worden gewezen dat het bij artikel 108, lid 3, laatste volzin, VWEU gestelde verbod op tenuitvoerlegging van voorgenomen steunmaatregelen rechtstreekse werking heeft. De rechtstreekse werking van het in deze bepaling geformuleerde verbod op tenuitvoerlegging strekt zich uit tot iedere steunmaatregel die zonder kennisgeving tot uitvoering is gebracht (zie arrest van 21 november 2013, Deutsche Lufthansa, C‑284/12, EU:C:2013:755, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Voorts staat het aan de nationale autoriteiten om onrechtmatig verleende steun op eigen initiatief terug te vorderen (arrest van 5 maart 2019, Eesti Pagar, C‑349/17, EU:C:2019:172, punt 92).

53      Gelet op dit duidelijke juridische kader inzake de regeling van nieuwe staatssteun die zonder voorafgaande aanmelding is toegekend en gelet op de omstandigheid dat het Unierecht niet voorziet in een subjectief recht voor de huidige of potentiële begunstigden op toekenning door een lidstaat van steun die door die lidstaat niet is aangemeld, kan het uitblijven van een besluit van de Commissie over de verenigbaarheid van dergelijke onrechtmatige steun evenmin afbreuk doen aan het rechtszekerheidsbeginsel.

54      Gelet op een en ander moet het derde middel worden afgewezen en moet het beroep uiteindelijk in zijn geheel worden verworpen.

 Kosten

55      Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

HET GERECHT (Achtste kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      Solar Electric Holding, Solar Electric Guyane, Solar Electric Martinique en Société de production d’énergies renouvelables worden verwezen in de kosten.

Svenningsen

Barents

Laitenberger

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 10 november 2021.

ondertekeningen


*      Procestaal: Frans.