Language of document : ECLI:EU:C:2019:451

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

G. HOGAN

van 23 mei 2019 (1)

Zaak C383/18

Lexitor Sp. z o.o

tegen

Spółdzielcza Kasa Oszczędnościowo – Kredytowa im. Franciszka Stefczyka z siedzibą w Gdyni,

Santander Consumer Bank S.A. z siedzibą we Wrocławiu,

mBank S.A. z siedzibą w Warszawie

[verzoek van de Sąd Rejonowy Lublin-Wschód w Lublinie z siedzibą w Świdniku (rechter in eerste aanleg Lublin-Wschód, Lublin, zittingsplaats Świdnik, Polen) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Bescherming van de consument – Richtlijn 2008/48/EG – Artikel 16, lid 1 – Kredietovereenkomsten – Vervroegde aflossing – Recht van de consument op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en kosten verschuldigd gedurende de resterende duur van de overeenkomst”






1.        Deze zaak betreft de uitlegging van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66, met rectificaties in PB 2009, L 207, blz. 14, PB 2010, L 199, blz. 40, PB 2011, L 234, blz. 46). Zoals ik hierna zal aantonen, is de betekenis van deze wettelijke bepaling – die betrekking heeft op het recht van een consument op een verlaging van de kredietkosten wanneer hij of zij een op grond van een kredietovereenkomst verschuldigd bedrag geheel of gedeeltelijk vervroegd heeft afgelost – ondoorzichtig, althans in sommige opzichten, en leent zij zich niet goed voor een uitlegging die tot tevredenheid stemt. Het is goed mogelijk dat de Uniewetgever – wellicht vanwege de zaken die juist in deze verwijzing aan de orde komen – de bewoordingen van deze bepaling te zijner tijd nog eens onder de loep wil nemen.

2.        Het verzoek is in elk geval ingediend in het kader van een geding tussen Lexitor Sp. z o.o en Spółdzielcza Kasa Oszczędnościowo – Kredytowa im. Franciszka Stefczyka z siedzibą w Gdyni, Santander Consumer Bank S.A. z siedzibą we Wrocławiu (hierna: „Santander Consumer Bank”) en mBank S.A. z siedzibą w Warszawie, dat gaat over de toepassing van aanvullende kosten en boeten wanneer consumenten zich vervroegd kwijten van hun verplichtingen uit hoofde van consumentenkredietovereenkomsten.

3.        Alvorens op deze vraag in te gaan, moeten eerst de relevante bepalingen van zowel richtlijn 2008/48 als de nationale wetgeving in kaart worden gebracht.

I.      Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Richtlijn 87/102

4.        Artikel 8 van richtlijn 87/102/EEG van de Raad van 22 december 1986 betreffende de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake het consumentenkrediet (PB 1987, L 42, blz. 48) luidde:

„De consument heeft het recht vervroegd aan zijn verplichtingen uit hoofde van een kredietovereenkomst te voldoen. In dit geval heeft de consument overeenkomstig de door de lidstaten vastgestelde bepalingen recht op een billijke vermindering van de totale kosten van het krediet.”

5.        Richtlijn 87/102 is ingetrokken bij en vervangen door richtlijn 2008/48 met ingang van 11 juni 2010.

2.      Richtlijn 2008/48

6.        De overwegingen 7, 9, 10, 39 en 40 van richtlijn 2008/48 luiden als volgt:

„(7)      Teneinde de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, moet op een aantal kerngebieden een geharmoniseerd communautair kader worden geschapen. Met toekomstgerichte communautaire voorschriften die aan toekomstige kredietvormen kunnen worden aangepast en die de lidstaten de nodige speelruimte laten bij de omzetting daarvan, dient, met het oog op de gestage ontwikkeling van de markt voor consumentenkrediet en de toenemende mobiliteit van de Europese burger, een bijdrage te worden geleverd aan een modern consumentenkrediet.

[...]

(9)      Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Gemeenschap een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. Deze beperking moet echter alleen gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. [...]

(10)      De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. [...]

[...]

(39)      De consument moet de mogelijkheid krijgen om voor het verstrijken van de in de kredietovereenkomst gestelde termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Bij vervroegde gedeeltelijke of gehele aflossing moet de kredietgever het recht hebben op vergoeding van de kosten die rechtstreeks uit de vervroegde aflossing voortvloeien, waarbij ook wordt gekeken naar de daaruit voortvloeiende besparingen van de kredietgever. Bij de vaststelling van de berekeningsmethode van de vergoeding moet echter een aantal beginselen worden nageleefd. De berekening van de vergoeding voor de kredietgever moet al in de precontractuele fase en in ieder geval tijdens de uitvoering van de kredietovereenkomst transparant en begrijpelijk zijn voor de consument. Bovendien moet de berekeningsmethode voor de kredietgevers eenvoudig te hanteren zijn en de verantwoordelijke autoriteiten moeten gemakkelijk toezicht kunnen houden op de vergoeding. Daarom, en omdat een consumentenkrediet, gezien de gemiddelde duur en omvang ervan, niet wordt gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen, dient het maximum voor de vergoeding als vast bedrag te worden vastgesteld. Deze aanpak sluit aan bij het specifieke karakter van consumentenkredieten en dient een eventuele andere aanpak voor andere producten die worden gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen, zoals hypothecaire leningen met vaste rente, onverlet te laten.

(40)      De lidstaten moeten het recht hebben te bepalen dat de kredietgever alleen aanspraak kan maken op de vergoeding voor vervroegde aflossing indien het bedrag dat binnen twaalf maanden moet worden terugbetaald een door de lidstaten te bepalen drempel overschrijdt. Bij het vaststellen van die drempel, die niet hoger mag zijn dan 10 000 EUR, moeten de lidstaten bijvoorbeeld rekening houden met het gemiddelde bedrag van consumentenkredieten op hun markten.”

7.        Artikel 1 van richtlijn 2008/48 draagt het opschrift „Onderwerp” en luidt als volgt:

„Deze richtlijn heeft tot doel bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.”

8.        Overeenkomstig artikel 2, lid 1, is richtlijn 2008/48 van toepassing op kredietovereenkomsten.

9.        Artikel 3 van richtlijn 2008/48 draagt het opschrift „Definities”. Dit artikel luidt als volgt:

„In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

c)      ‚kredietovereenkomst’: een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten c.q. goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt;

[...]      

g)      ‚totale kosten van het krediet voor de consument’: alle kosten, met inbegrip van rente, commissielonen, belastingen en vergoedingen van welke aard ook, die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen;

[...]”

10.      Artikel 10 van richtlijn 2008/48 draagt het opschrift „In de kredietovereenkomst te vermelden informatie”. Lid 2 van dit artikel luidt als volgt:

„In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:

[...]

r)      het recht tot vervroegde aflossing, de procedure voor vervroegde aflossing alsmede, in voorkomend geval, informatie over het recht van de kredietgever op een vergoeding en de wijze waarop deze vergoeding wordt vastgesteld;

[...]”

11.      Artikel 16 van richtlijn 2008/48 draagt het opschrift „Vervroegde aflossing” en luidt als volgt:

„1.      De consument heeft het recht om zich te allen tijde volledig of gedeeltelijk van zijn verplichtingen op grond van een kredietovereenkomst te kwijten. In dat geval heeft hij recht op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst.

2.      De kredietgever heeft in geval van een vervroegde aflossing recht op een billijke en objectief gegronde vergoeding voor eventuele kosten die rechtstreeks verband houden met de vervroegde aflossing, mits de vervroegde aflossing valt in een termijn waarvoor een vaste debetrentevoet geldt.

Dergelijke vergoeding mag niet hoger zijn dan 1 % van het vervroegd afgeloste kredietbedrag, indien de termijn tussen de vervroegde aflossing en het overeengekomen einde van de kredietovereenkomst meer bedraagt dan één jaar. Indien de termijn niet meer bedraagt dan één jaar, mag de vergoeding ten hoogste 0,5 % van het vervroegd afgeloste kredietbedrag bedragen.

3.      Er wordt geen vergoeding voor vervroegde aflossing aangerekend indien:

a)      de aflossing heeft plaatsgevonden uit hoofde van een verzekeringscontract dat bedoeld is om een kredietaflossingsgarantie te bieden;

b)      in geval van een geoorloofde debetstand op een rekening, of

c)      indien de aflossing valt in een termijn waarvoor geen vaste debetrente geldt.

4.      De lidstaten kunnen bepalen dat:

a)      de kredietgever deze vergoeding alleen mag aanrekenen indien het bedrag van de vervroegde aflossing een in de nationale wetgeving vastgestelde drempel overschrijdt. Deze drempel bedraagt maximaal 10 000 EUR over een periode van twaalf maanden;

b)      de kredietgever uitzonderlijk een hogere vergoeding kan vorderen indien hij kan bewijzen dat het door de vervroegde aflossing geleden verlies hoger is dan het krachtens lid 2 bepaalde bedrag.

Indien de door de kredietgever gevorderde vergoeding hoger is dan het werkelijk geleden verlies, kan de consument een overeenkomstige vermindering vorderen.

In dat geval bestaat het verlies in het verschil tussen de oorspronkelijk overeengekomen rentevoet en de rentevoet waaraan de kredietgever een lening kan verstrekken ten belope van het vervroegd afgeloste bedrag op de markt op het ogenblik van de vervroegde aflossing; bij de bepaling van het verlies wordt tevens rekening gehouden met de administratieve kosten ten gevolge van de vervroegde aflossing.

5.      Een vergoeding mag niet hoger zijn dan het rentebedrag dat de consument zou hebben betaald gedurende de termijn tussen de vervroegde aflossing en de overeengekomen datum waarop de kredietovereenkomst eindigt.”

12.      Artikel 22 van richtlijn 2008/48 draagt het opschrift „Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn”. Lid 1 van dit artikel bepaalt:

„In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.”

B.      Nationale wetgeving

13.      Met de ustawa z dnia 12 maja 2011 roku o kredycie konsumenckim (wet op het consumentenkrediet van 12 mei 2011, Dz. U. 2016, volgnr. 1528, zoals gewijzigd) (hierna: „wet op het consumentenkrediet”) is richtlijn 2008/48 omgezet in Pools recht.

14.      Overeenkomstig artikel 49, punt 1, van deze wet, worden in het geval van een totale aflossing van het krediet vóór de in de overeenkomst vastgestelde einddatum de totale kredietkosten verlaagd met de kosten die betrekking hebben op de periode waarmee de looptijd van de overeenkomst is ingekort, ook wanneer de consument deze kosten vóór de aflossing heeft betaald.

II.    Feiten

15.      De prejudiciële verwijzing heeft betrekking op drie zaken die met het oog op een gemeenschappelijke behandeling en beslechting door de verwijzende rechter zijn gevoegd. Deze zaken vertonen in wezen hetzelfde patroon, dat hierna wordt beschreven.

16.      Verweersters – kredietinstellingen – hebben met consumenten consumentenkredietovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten, waarbij zij voor de verlening van de betreffende kredieten een commissieloon in rekening hebben gebracht. In alle drie gevallen hing het bedrag van het commissieloon niet af van de duur van de kredietovereenkomsten. Alle consumenten hebben de verleende kredieten vóór de in de overeenkomsten vermelde datum volledig afgelost.

17.      Vervolgens hebben deze consumenten met verzoekster overeenkomsten gesloten tot cessie van hun schuldvorderingen die waren ontstaan als gevolg van de vervroegde volledige aflossing van hun kredieten en onder meer betrekking hadden op de terugbetaling van de eerder betaalde commissielonen. Verzoekster heeft verweersters een bericht van cessie van de onderhavige schuldvorderingen toegezonden en heeft hun tevens verzocht om de vrijwillige betaling van het betwiste bedrag, dat overeenkwam met het commissieloon naar rato van de aflossingsperiode, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente.

18.      Aangezien verweersters niet aan haar verzoeken hebben voldaan, heeft verzoekster bij de verwijzende rechter vorderingen ingediend tot veroordeling van verweersters tot betaling van de betwiste bedragen, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente.

III. Verzoek om een prejudiciële beslissing

19.      De verwijzende rechter twijfelt of het recht van de consument op een verlaging van de totale kredietkosten, zoals geregeld in de nationale wetgeving waarbij artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 is omgezet, aldus moet worden uitgelegd dat daaronder kosten vallen die niet afhangen van de duur van de kredietovereenkomst. De verwijzende rechter wijst er in dit verband op dat Poolse rechters deze bepaling uiteenlopend hebben uitgelegd. Hij heeft in het bijzonder twee uitspraken van twee verschillende Poolse rechters aangehaald, die hebben geoordeeld dat de wet op het consumentenkrediet uitsluitend recht geeft op vergoeding van het deel van de kosten die afhangen van de duur van de overeenkomst. Een andere rechter heeft in een derde uitspraak echter bepaald dat het recht van de consument op kostenverlaging, op grond van een uitlegging van nationaal recht in het licht van artikel 16 van richtlijn 2008/48, kosten omvat die niet afhangen van de duur van de kredietovereenkomst.

20.      In deze omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy Lublin-Wschód w Lublinie z siedzibą w Świdniku (rechter in eerste aanleg Lublin-Wschód, Lublin, zittingsplaats Świdnik, Polen) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd:

„Moet artikel 16, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 3, onder g), van [richtlijn 2008/48] aldus worden uitgelegd dat een consument die zich vervroegd van zijn verplichtingen op grond van een kredietovereenkomst kwijt, recht heeft op een verlaging van de totale kredietkosten, waaronder begrepen de kosten die niet afhankelijk zijn van de duur van deze kredietovereenkomst?”

IV.    Analyse

A.      Bevoegdheid van het Hof en ontvankelijkheid van de prejudiciële verwijzing

21.      Van de zijde van verweersters betoogt Santander Consumer Bank in wezen dat de gestelde vraag niet-ontvankelijk is. Zij voert aan dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 niet van toepassing is, daar het hoofdgeding een geschil betreft tussen twee personen die handelen in de uitoefening van hun onderneming.

22.      In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de procedure van artikel 267 VWEU een instrument van samenwerking tussen het Hof van Justitie van de Europese Unie en de nationale rechterlijke instanties is, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht verschaft die zij voor de beslechting van de hun voorgelegde geschillen nodig hebben.(2) Het is uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis te beoordelen, als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt.(3)

23.      Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het recht van de Unie, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk hypothetisch van aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.(4) Het feit dat een van de partijen in het hoofdgeding de relevantie van de prejudiciële vragen voor de beslechting van het hoofdgeding betwist, kan als zodanig evenwel niet de slotsom rechtvaardigen dat deze vragen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

24.      In deze zaak moet worden opgemerkt dat de werkingssfeer van richtlijn 2008/48 afhankelijk is van de identiteit van partijen bij het krediet en niet die bij het geding. Op grond van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/48 is deze richtlijn immers van toepassing op „kredietovereenkomsten”, een term die in artikel 3, onder c), van deze richtlijn wordt gedefinieerd als „een overeenkomst waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit, met uitzondering van overeenkomsten voor doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde goederen, waarbij de consument, zolang de diensten c.q. goederen worden geleverd, de kosten daarvan in termijnen betaalt”. In casu staat vast dat de betreffende kredieten aan consumenten zijn verleend.

25.      Gegeven de omstandigheden blijkt niet zo duidelijk uit de door de verwijzende rechter voorgelegde kwestie dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 niet van toepassing is op de situatie die in het hoofdgeding aan de orde is. Derhalve geef ik het Hof in overweging de gestelde vraag niet niet-ontvankelijk te verklaren.

B.      Ten gronde

26.      Ten aanzien van de gestelde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 al dan niet aldus moet worden uitgelegd dat de verlaging van de kredietkosten waarop een consument die een vervroegde aflossing heeft gedaan recht heeft, betrekking kan hebben op kosten die niet afhangen van de duur van de kredietovereenkomst.

1.      Inhoud van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48

27.      Op grond van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 heeft een „consument [...] het recht om zich te allen tijde volledig of gedeeltelijk van zijn verplichtingen op grond van een kredietovereenkomst te kwijten. In dat geval heeft hij recht op een verlaging van de totale kredietkosten, bestaande uit de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst.”

28.      Uit de tekst van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 volgt derhalve dat lidstaten bepalen dat consumenten, in het geval van vervroegde aflossing, recht hebben op een verlaging die, ten eerste, de totale kredietkosten betreft en die, ten tweede, bestaat uit de interesten en de kosten gedurende de  resterende duur van de overeenkomst.

29.      In het eerste deel van deze bepaling wordt omschreven welke soort kosten naar hun aard kunnen worden verlaagd. Artikel 16, lid 1, bepaalt immers dat de verlaging de totale kredietkosten betreft, zodat uitsluitend de kosten die deel uitmaken van de totale kredietkosten, kunnen worden verlaagd.

30.      In artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48 worden de totale kredietkosten gedefinieerd als „alle kosten [...] die de consument in verband met de kredietovereenkomst moet betalen en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van notariskosten; dit omvat ook de kosten in verband met nevendiensten met betrekking tot de kredietovereenkomst, met name verzekeringspremies, indien, daarenboven, het sluiten van een dienstencontract verplicht is om het krediet, in voorkomend geval op de geadverteerde voorwaarden, te verkrijgen”. In geval van vervroegde aflossing kan, krachtens artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48, dus geen verlaging van notariskosten worden gevorderd.

31.      In het tweede deel van artikel 16, lid 1, is bepaald dat de toepasselijke verlaging bestaat uit „de interesten en de kosten gedurende de resterende duur van de overeenkomst”. Hieruit volgt dat de verlaging, ten eerste, betrekking moet hebben op zowel interesten als kosten en, ten tweede, verband moet houden met de „resterende duur van de overeenkomst”.

32.      Concluderend kan worden gesteld dat artikel 16, lid 1, bepaalde kernbeginselen vastlegt – die ik namelijk hiervoor heb omschreven – waaraan lidstaten zich moeten houden. Ik stel nu voor te bekijken in hoeverre richtlijn 2008/48 een harmonisatiemaatregel is.

2.      Toepassingsgebied van de bij richtlijn 2008/48 ingevoerde harmonisatie

33.      De eerste zin van overweging 9 luidt als volgt: „Volledige harmonisatie is nodig”. De mate van harmonisatie die met een richtlijn wordt beoogd moet echter niet worden verward met het toepassingsgebied van deze harmonisatie. De volledige harmonisatie waarvan in overweging 9 sprake is, heeft dus niet noodzakelijkerwijs betrekking op alle aspecten van een consumentenkrediet als genoemd in richtlijn 2008/48. Voorts stel ik vast dat de derde zin van diezelfde overweging uitdrukkelijk bepaalt dat het verbod voor lidstaten om andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd „alleen [moet] gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren.”

34.      Het feit dat richtlijn 2008/48 uitsluitend ten aanzien van bepaalde aspecten van consumentenkredieten volledige harmonisatie beoogt, wordt in artikel 1 van deze richtlijn bevestigd. Volgens die bepaling heeft richtlijn 2008/48 tot doel „bepaalde aspecten van de wettelijke [...] bepalingen [...] inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren”. Bovendien wordt in artikel 22 van richtlijn 2008/48 louter bepaald dat uitsluitend „[i]n zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, [...] de lidstaten geen bepalingen [mogen] handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld”.

35.      Tot slot kan nog worden opgemerkt dat het Hof reeds in het kader van een richtlijn die volledige harmonisatie beoogt, heeft geaccepteerd dat alle in die richtlijn genoemde aspecten niet geharmoniseerd waren. Zo heeft het Hof bijvoorbeeld ten aanzien van de Zesde btw-richtlijn(5) geoordeeld dat lidstaten, wanneer zij gebruikmaken van bepaalde mogelijkheden die worden gegeven in artikel 17, lid 5, derde alinea, van de Zesde richtlijn, een berekeningsmethode mogen hanteren die afwijkt van de in die richtlijn gegeven methode, mits in het bijzonder is gewaarborgd dat het pro rata voor de aftrek van de voorbelasting met de gekozen methode nauwkeuriger wordt bepaald dan bij toepassing van de in de richtlijn gegeven methode.(6)

36.      Wat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 betreft, kan worden opgemerkt dat deze bepaling niet voorschrijft welke berekeningsmethode moet worden gehanteerd, zodat ik van mening ben dat het de bedoeling van de Uniewetgever is om lidstaten op dat punt een zekere vrijheid te gunnen. Voorts bepaalt overweging 10 dat de definities in artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48, het toepassingsgebied van de met deze richtlijn beoogde harmonisatie bepalen. Het is derhalve van belang op te merken dat de term „verlaging”, zoals in artikel 16, lid 1, gebruikt, niet in deze richtlijn wordt gedefinieerd.

37.      Dit betekent uiteraard niet, zoals ik eerder heb aangegeven, dat lidstaten elke gewenste methode kunnen kiezen. Zij moeten zich houden aan de beginselen van artikel 16, lid 1, ten aanzien van de verplichting om zowel interesten als kosten af te dekken. Met betrekking tot de vaststelling welk deel van de interesten en kosten kan worden verlaagd, brengt echter geen van deze beginselen, zoals de verwijzende rechter heeft gevraagd, de verplichting mee dat het bedrag van de betreffende kosten afhangt van de duur van de kredietovereenkomst. Hoewel artikel 16, lid 1, van de richtlijn bepaalt dat dit deel gelijk is aan interesten en kosten „[verschuldigd] gedurende de resterende duur van de overeenkomst”, blijft deze bepaling relatief vaag aangezien hiermee de interesten en kosten na de aflossingsdatum kunnen zijn bedoeld.(7)

38.      Gelet op het voorgaande lijkt het mij duidelijk dat richtlijn 2008/48 niet de berekeningsmethode harmoniseert die moet worden gehanteerd bij de vaststelling wat de toepasselijke verlaging is in het geval van vervroegde aflossing van een krediet, maar de beginselen vastlegt waaraan lidstaten zich moeten houden bij de bepaling van die methode.

3.      Analyse van de verenigbaarheid van de voorgestelde verschillende uitleggingen met artikel 16, lid 1

39.      Wat het hoofdgeding betreft, lijkt de tekst van de wet op het consumentenkrediet van 12 mei 2011 relatief open geformuleerd, hetgeen wordt bevestigd door het door de verwijzende rechter vermelde feit dat de Poolse rechters deze verschillend hebben uitgelegd.

40.      Aangezien de verwijzende rechter verplicht is zijn nationale recht in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen, stel ik derhalve voor over te gaan tot nadere bestudering van de verplichting van de lidstaten krachtens het zinsdeel „gedurende de resterende duur van de overeenkomst” vervat in artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 waarop de gestelde vraag betrekking heeft.(8)

41.      In dit kader kan worden opgemerkt dat de verwijzende rechter twee verschillende uitleggingen van dit zinsdeel voorstelt.

42.      De eerste uitlegging gaat uit van het idee dat het zinsdeel „gedurende de resterende duur van de overeenkomst” ertoe strekt de verlaging te beperken tot louter kosten die verband houden met de duur van het krediet. De term „kosten” heeft dan ook betrekking op de onkosten die de kredietinstelling moet maken in verband met het verleende krediet.(9) Consumenten zouden dan ook krachtens artikel 16, lid 1, wat „kosten” betreft, in wezen zijn vrijgesteld van betaling van de onkosten die verband houden met de resterende contractduur. Het punt hier is dat de kredietinstelling deze onkosten niet zal maken, zodat de consument er recht op zou moeten hebben dat deze onkosten worden afgetrokken van de totale kredietkosten.(10)

43.      Bij de tweede uitlegging wordt ervan uitgegaan dat de totale kredietkosten moeten worden verlaagd naar evenredigheid van de resterende contractduur. Het zinsdeel „gedurende de resterende duur van de overeenkomst” zou eigenlijk slechts een indicatie zijn van de wijze waarop de verlaging wordt berekend, namelijk naar evenredigheid van de resterende duur van de overeenkomst.

44.      Twee andere uitleggingen moeten ook nog in overweging worden genomen.

45.      Bij de derde uitlegging, die door verweersters is voorgesteld, wordt ervan uitgegaan dat uitsluitend de kosten die formeel in de kredietovereenkomst als zijnde afhankelijk van de duur van die kredietovereenkomst staan vermeld, van de totale kredietkosten kunnen worden afgetrokken. Aangezien de dienstverlening, die bestaat uit kredietverstrekking, is voltooid zodra het geld ter beschikking van de consument is gesteld, zou de winstmarge van de kredietinstelling in stand moeten blijven.  

46.      Op grond van de vierde en laatste uitlegging zou de consument recht hebben op een verlaging gelijk aan de eenmalige of terugkerende betalingen die nog niet opeisbaar zijn op het moment van de vervroegde aflossing.

47.      Om nu vast te stellen welke van deze uitleggingen verenigbaar is met artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48, dient rekening te worden gehouden met de beginselen die in deze bepaling zijn vastgelegd, daar deze beginselen, overeenkomstig de uitleggingsmethoden van het Hof, kunnen worden afgeleid uit de context van deze bepaling, de doelstellingen en de bewoordingen ervan.(11)

48.      Wat de context betreft, kan worden opgemerkt dat verschillende partijen tegen de achtergrond van artikel 16, lid 2, een systematische uitlegging van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 voorstellen. Daar kredietinstellingen op grond van artikel 16, lid 2, recht hebben op „een billijke en objectief gegronde” vergoeding voor „eventuele kosten die rechtstreeks verband houden met de vervroegde aflossing, mits de vervroegde aflossing valt in een termijn waarvoor een vaste debetrentevoet geldt”, moet de omvang van de verlaging, als bedoeld in artikel 16, lid 1, dan ook ruim en in het voordeel van de consument worden uitgelegd.

49.      Ik ben echter niet overtuigd van deze benadering. Anders dan de Poolse regering beargumenteert, meen ik niet dat artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 – voor de nuttige werking („effet utile”) van artikel 16, lid 2 – aldus moet worden uitgelegd dat hiermee noodzakelijkerwijs een verlaging van de winst van de kredietinstelling gepaard gaat. Artikel 16, lid 2, heeft namelijk niet tot doel, in tegenstelling tot wat een zeer gangbare uitlegging lijkt, de winst te compenseren die de kredietgever had kunnen realiseren als het krediet niet vervroegd was afgelost. Ook als de kredietinstelling de afgeloste bedragen weer uitleent, is haar winstmarge inderdaad niet per se gelijk aan de winstmarge wanneer de eerste kredietovereenkomst nog van kracht was geweest.(12) Dit mag echter niet het feit verhullen dat in artikel 16, lid 2, geen sprake is van „verlies” voor de kredietinstelling, maar van „kosten” die bovendien „rechtstreeks verband [moeten] houden met de vervroegde aflossing”. Hieruit volgt derhalve dat de vergoeding waarop krachtens deze bepaling aanspraak kan worden gemaakt, slechts tot doel heeft de onkosten vanwege de vervroegde aflossing van het krediet te compenseren, doordat de kredietinstelling hiervoor specifieke werkzaamheden moet verrichten.(13)

50.      De mogelijkheid om een vergoeding voor gederfde winst te vorderen vanwege de vervroegde aflossing van een krediet wordt wel degelijk in richtlijn 2008/48 geregeld, maar dit wordt in artikel 16, lid 4, onder b), geregeld en niet in artikel 16, lid 2. Daar artikel 16, lid 4, onder b), optioneel is, moeten lidstaten deze mogelijkheid hebben opgenomen in de nationale wetgeving waarbij de richtlijn is omgezet. Daar komt bij dat artikel 16, lid 4, onder b), van deze richtlijn bepaalt dat deze vergoeding slechts uitzonderlijk kan worden gevorderd indien de kredietinstelling kan bewijzen dat het geleden verlies hoger is dan de drempel bepaald in artikel 16, lid 2, tweede alinea. Dientengevolge is het risico dat een kredietinstelling een vergoeding ontvangt ook al is haar winst niet aanzienlijk gedaald, relatief klein.

51.      Wat de doelstellingen betreft die met artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 nagestreefd worden, vermeldt overweging 7 dat de richtlijn ertoe strekt „de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet” te vergemakkelijken. Anders dan door verweersters is aangevoerd, kan echter niet hieruit worden afgeleid dat artikel 16, lid 1, tot doel heeft kredietinstellingen te beschermen tegen de gevolgen van vervroegde aflossing. In deze overweging wordt immers uitdrukkelijk bepaald dat de totstandkoming van een goed functionerende interne markt moet worden gerealiseerd door op een aantal kerngebieden een geharmoniseerd Uniekader te scheppen en niet door kredietinstellingen te beschermen tegen de gevolgen van vervroegde aflossing.

52.      Daarentegen kan niet worden voorbijgegaan aan het feit dat overweging 39, waarin de met artikel 16, lid 1, nagestreefde doelstellingen specifiek aan de orde komen, op geen enkele wijze melding maakt van deze verlaging maar slechts bepaalt dat „[d]e consument [...] de mogelijkheid [moet] krijgen om voor het verstrijken van de in de kredietovereenkomst gestelde termijn aan zijn verplichtingen te voldoen”. Dit wijst er inderdaad op dat de Uniewetgever deze verlaging als het simpele gevolg van vervroegde aflossing beschouwde en derhalve als iets wat gemakkelijk kan worden berekend. Daarnaast blijkt het idee dat gemakkelijk een raming moet kunnen worden gemaakt van de gevolgen van vervroegde aflossing, duidelijk uit diezelfde overweging waarin ook sprake is van de vergoeding waar een kredietinstelling recht op heeft. Volgens overweging 39 moet immers in een dergelijke situatie „[...] de berekeningsmethode voor de kredietgevers eenvoudig te hanteren zijn [...]”.

53.      Vanuit die optiek lijkt de eerste uitlegging, die ervan uitgaat dat de verlaging gelijk is aan de onkosten die de kredietinstelling niet hoeft te maken vanwege de vervroegde aflossing, op het eerste oog relatief eenvoudig – en op haar beurt dus ook heel aantrekkelijk – maar het is aannemelijk dat de praktische uitvoering hiervan grote praktische problemen zal opleveren. Zoals de verwijzende rechter in zijn verzoek ook heeft aangegeven, wordt door kredietinstellingen zelden gespecificeerd welke door hun gemaakte onkosten onder de kosten vallen die zij bij consumenten in rekening brengen en ook als zij dit wel doen, dan zou de consument toch het recht hebben de juistheid van die specificaties te betwisten.

54.      De hoogte van de in rekening gebrachte vergoedingen zegt ook weinig. Zelfs als de in rekening gebrachte bedragen aan de hand van de duur van de kredietovereenkomst zijn berekend, moet worden opgemerkt dat zij een gedeeltelijke compensatie kunnen vormen voor terugkerende kosten en gedeeltelijk voor eenmalige kosten, waaronder de kosten die uitsluitend zijn ontstaan vóór de vervroegde aflossing. Hetzelfde geldt wanneer deze kosten zijn berekend op basis van de hoogte van het verleende krediet, aangezien niet alle variabele kosten per se terugkerende kosten zijn. Tot slot kan een deel van de winst besloten liggen in de kosten of vergoedingen die consumenten moeten betalen, daar er geen enkele regel is die kredietinstellingen verplicht om hun winstmarge uitsluitend te realiseren met de rente die bij consumenten in rekening wordt gebracht.

55.      In de praktijk is het dan ook uitsluitend mogelijk zich een precies beeld te vormen van de hoogte van de door de kredietinstelling te realiseren besparingen wanneer de kredietinstelling wordt verplicht een kostprijsadministratie te voeren met als doel vast te stellen en te beoordelen uit welke onderdelen haar nettobedrijfsresultaat bestaat. In het geval van een kredietinstelling vallen onder deze onderdelen immers de kosten voortvloeiende uit de duur van de verleende kredieten. Toch is kostprijsadministratie voor kredietinstellingen niet verplicht gesteld door richtlijn 2008/48 en ogenschijnlijk ook niet door enige andere handeling van de Unie.(14) Wanneer het Hof dus de eerste benaderingswijze zou volgen, zou dit betekenen dat kostprijsadministratie in de praktijk verplicht wordt, hoewel een dergelijke verplichting op geen enkele andere wijze is vastgelegd. Ingeval een geschil bestaat over het bedrag van de verlaging waar de consument bij vervroegde aflossing recht op heeft, moeten nationale rechters bovendien boekhouddeskundigen inschakelen, ook als de betreffende kosten, gezien de aard ervan, relatief laag zijn.

56.      Wat de positieve effecten van deze mogelijke uitlegging in theorie ook mogen zijn, gelet op de naar verwachting grote praktische problemen, zoals ik hiervoor heb besproken, ben ik van mening dat deze uitlegging niet verenigbaar is met het in overweging 39 van richtlijn 2008/48 verwoorde idee dat de gevolgen van vervroegde aflossing eenvoudig te ramen moeten zijn.

57.      De tekst van artikel 16, lid 1, is echter een factor die van groter belang is. Zowel de eerste als de derde uitlegging zijn namelijk strijdig met de verwijzing in dit artikel naar de term „interesten”. Ik zal met de derde uitlegging beginnen.

58.      Volgens deze uitlegging kunnen alleen kosten worden verlaagd, mits deze formeel in de kredietovereenkomst zijn vermeld als zijnde afhankelijk van de duur van de overeenkomst. Hierbij kan echter worden opgemerkt dat de Uniewetgever het nodig achtte zowel interesten als kosten te noemen en dat de verlaging als bedoeld in artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 derhalve aldus moet worden uitgelegd dat deze betrekking heeft op beide elementen en niet alleen op kosten, zoals in de derde uitlegging het geval is.

59.      Ook als de derde uitlegging zou worden toegepast op interesten, zou dit in de praktijk niet kunnen werken zonder iets anders dan de tweede of de vierde uitlegging te volgen.(15) Wanneer wordt vastgehouden aan de derde uitlegging, dan veronderstelt dit dus dat twee afzonderlijke berekeningsmethoden worden gehanteerd, namelijk één voor de interesten en één voor de kosten. Dit valt echter niet te rijmen met de tekst van artikel 16, lid 1.

60.      Ten aanzien van de eerste uitlegging merk ik op dat de term „interesten” betrekking heeft op een exact onderdeel van de vergoeding van de kredietinstelling, dat snel te achterhalen is aangezien het wordt berekend door een jaarlijks percentage toe te passen. Een rentevergoeding draagt natuurlijk bij aan de winstgevendheid van de kredietinstelling, net als alle andere onderdelen van haar vergoeding, maar wordt ook gebruikt om de door banken gemaakte onkosten in verband met de kredieten aan consumenten door te berekenen. Wanneer de term „kosten” in artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 wordt uitgelegd als verwijzende naar de door de kredietinstelling gemaakte kosten, zoals in de eerste en de derde uitlegging wordt voorgesteld, kan dit leiden tot een dubbele verlaging van hetzelfde onderdeel, aangezien dit ook interesten betreft. Ik denk echter niet dat de Uniewetgever dit voor ogen had.

61.      Daar de termen „interesten” en „kosten” door het voegwoord „en” met elkaar verbonden zijn, lijkt het mij logischer dat beide termen verband houden met betalingen die door de consument moeten worden gedaan. De term „kosten” in artikel 16, lid 1, verwijst dus niet, zoals bij de eerste uitlegging wordt aangenomen, naar de onkosten ten laste van de kredietinstelling, maar naar betalingen die naast interesten van consumenten worden geëist.

62.      Met andere woorden, het zinsdeel „[verschuldigd] gedurende de resterende duur van de overeenkomst” moet aldus worden uitgelegd dat de in artikel 16, lid 1, bedoelde verlaging niet afhangt van het doel van de kosten die bij consumenten in rekening worden gebracht, zoals in de eerste en de derde uitlegging wordt voorgesteld, maar wel afhangt van de datum waarop consumenten de kosten dienen te betalen.

63.      Naar mijn mening zijn alleen de tweede of de vierde uitlegging verenigbaar met deze vaststelling. Ik erken dat aan beide uitleggingen nadelen kleven, maar, zoals ik eerder heb opgemerkt, er is eigenlijk geen enkele uitlegging van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 die tot volle tevredenheid stemt.

64.      Ik erken in het bijzonder dat beide uitleggingen ertoe kunnen leiden dat de relatie tussen de kredietnemer en de kredietgever uit balans raakt. Bij de tweede uitlegging is het goed mogelijk, als het gaat om een zeer vervroegde aflossing, dat de vaste kosten van de kredietinstelling nog niet volledig zijn voldaan uit de vergoedingen en rente die de consument heeft betaald en dat de kredietinstelling dus verlies kan lijden. Bij de vierde uitlegging wordt aan kredietinstellingen de mogelijkheid gelaten om de gevolgen van kostenverlaging bij vervroegde aflossing te omzeilen door aan het begin van de overeenkomst al hun terugkerende kosten door te berekenen aan consumenten. Beide uitleggingen hebben echter als duidelijk voordeel dat, als gevolg van de vervroegde aflossing, zowel de interesten als de kosten voor de consument worden verlaagd op een wijze die (relatief gezien) evenredig is met de periode waarmee het krediet eerder is afgelost.

65.      Ik ben er voorts niet van overtuigd dat het per se de bedoeling van de Uniewetgever is geweest om een perfect evenwicht te creëren tussen de belangen van kredietinstellingen en die van consumenten. Uit artikel 16, lid 5, van richtlijn 2008/48 volgt immers ook dat de wetgever, in zekere mate, niet de mogelijkheid heeft willen uitsluiten dat de consument hetzelfde bedrag zou moeten betalen als datgene wat hij had moeten betalen als hij niet vervroegd had afgelost.(16)

66.      Hoewel de tekst van artikel 16, lid 1, van richtlijn 2008/48 op dit punt zeker duidelijker geformuleerd had kunnen worden, zijn de tweede en de vierde uitlegging niet alleen verenigbaar met de beginselen van richtlijn 2008/48, maar geven zij mogelijk ook weer wat de Uniewetgever voor ogen moet hebben gehad.

67.      Daarom kunnen lidstaten naar mijn oordeel, onder meer, kiezen voor omzetting van deze bepaling of in elk geval, waar nodig, voor uitlegging van hun nationale regelgeving in overeenstemming met een van deze twee uitleggingen.

V.      Conclusie

68.      Om de hiervoor uiteengezette redenen geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Sąd Rejonowy Lublin-Wschód w Lublinie z siedzibą w Świdniku als volgt te beantwoorden:

„Artikel 16, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 3, onder g), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moet aldus worden uitgelegd dat de verlaging waarop een consument die een vervroegde aflossing heeft gedaan recht heeft, betrekking kan hebben op kosten die niet afhangen van de duur van de kredietovereenkomst. Een lidstaat kan deze verlaging echter niet simpelweg beperken tot – en een nationale rechter kan zijn nationale wetgeving niet in die zin uitleggen – de kosten die de kredietinstelling als gevolg van de vervroegde aflossing heeft uitgespaard.”


1      Oorspronkelijke taal: Engels.


2      Arrest van 5 juli 2016, Ognyanov (C‑614/14, EU:C:2016:514, punt 16).


3      Arrest van 1 juli 2010, Sbarigia (C‑393/08, EU:C:2010:388, punten 19 en 20).


4      Arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring (C‑51/17, EU:C:2018:750, punt 37).


5      Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1).


6      In geen enkele bepaling in de Zesde btw-richtlijn is immers uitdrukkelijk bepaald dat lidstaten van die methode mogen afwijken. Zie arrest van 8 november 2012, BLC Baumarkt (C‑511/10, EU:C:2012:689, punt 24).


7      In de Franse en Italiaanse versie van richtlijn 2008/48 wordt het bijvoeglijk naamwoord „verschuldigd” gebruikt (de „intérêts et frais dus pour la durée résiduelle”, „dovuti per la restante durata”). Maar los van het feit dat dit bepalende woord niet in andere talen te vinden is, is dit mijns inziens niet in tegenspraak met wat ik zojuist heb beschreven, daar de betekenis van deze term kan worden opgevat als „vervallen”. In de Engelse versie is een dergelijk bijvoeglijk naamwoord in elk geval niet gebruikt („interest and the costs for the remaining duration”), terwijl in de Spaanse en Duitse versie tamelijk algemene bewoordingen zijn gekozen, namelijk „correspondientes a la duración” en „für die verbleibende Laufzeit des Vertrags richtet”).


8      Zie bijvoorbeeld arrest van 27 maart 2019, Pawlak (C‑545/17, EU:C:2019:260, punt 83).


9      Volgens die uitlegging, die door verweersters in het hoofdgeding en door de Spaanse regering wordt ondersteund, zouden de eenmalige kosten in het geval van vervroegde aflossing niet kunnen worden verlaagd. Deze verlaging zou alleen betrekking hebben op terugkerende kosten na de aflossing.


10      De van de totale kredietkosten af te trekken kosten zouden bijgevolg laag zijn: deze worden voornamelijk gevormd door kosten in verband met het opstellen en toezenden van periodieke informatie aan de consument overeenkomstig de geldende Uniebepalingen en nationale bepalingen. Het merendeel van de uit een lening voortvloeiende kosten zijn immers eenmalige kosten, zoals kosten voor het opstellen en verwerken van het dossier van de aanvrager of het verzamelen van informatie over de kredietwaardigheid van de consument. In de praktijk gaat het om terugkerende kosten die zouden zijn ontstaan na de datum van de vervroegde aflossing, daar eenmalige kosten doorgaans losstaan van de duur van de overeenkomst.


11      Arrest van 4 mei 2010, TNT Express Nederland (C‑533/08, EU:C:2010:243, punt 44)


12      Wanneer de kredietinstelling de afgeloste bedragen weer uitleent, kunnen andere herfinancieringsvoorwaarden gelden (door gebruikmaking van de interbancaire markt of geld van spaarders als de kredietinstelling een bank is). In die situatie zal echter voor kredietovereenkomsten in beginsel ook een andere rente gelden. Een verandering van de winstmarge zal dus in eerste instantie optreden bij veranderende concurrentieomstandigheden in de markt na het aangaan van de overeenkomst.


13      De redenen waarom gederfde winst niet valt onder de vergoeding als bedoeld in artikel 16, lid 2, van richtlijn 2008/48 kunnen worden afgeleid uit overweging 39, waarin wordt benadrukt dat „een consumentenkrediet, gezien de gemiddelde duur en omvang ervan, niet wordt gefinancierd met langlopende financieringsmechanismen”. In dergelijke omstandigheden is winstderving wel mogelijk maar blijft zij relatief beperkt, tenzij de markt compleet onderuitgaat.


14      Een dergelijke verplichting bestaat slechts in bepaalde zeer specifieke omstandigheden. Zie bijvoorbeeld artikel 34 van verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en verordening (EU) nr. 236/2012 (PB 2014, L 257, blz. 1) en artikel 11 van verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PB 2017, L 57, blz. 1).


15      Dit betekent bovendien dat wordt overwogen, en dus wordt opgelegd, dat een deel van de winst kan worden toegerekend aan de resterende duur. Een winstmarge is echter niet noodzakelijkerwijs lineair van aard.


16      Hierbij moet nog worden opgemerkt dat kredietinstellingen op grond van artikel 10, lid 2, onder r), van richtlijn 2008/48 verplicht zijn consumenten informatie te verstrekken over de procedure voor vervroegde aflossing en dus ook over de voorwaarden die gelden voor vervroegde aflossing. Deze voorwaarden zijn dan ook een factor waarmee consumenten rekening kunnen houden voordat zij besluiten om bij een bepaalde kredietinstelling al dan niet een krediet af te sluiten.