Language of document :

Arrest van het Hof (Grote kamer) van 12 maart 2014 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State - Nederland) – S / Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel / G

(Zaak C-457/12)1

(Artikelen 20 VWEU, 21, lid 1, VWEU en 45 VWEU – Richtlijn 2004/38/EG – Recht van vrij verkeer en verblijf op grondgebied van lidstaten – Begunstigden – Verblijfsrecht van derdelander die familielid is van burger van de Unie, in lidstaat van nationaliteit van die burger – Burger van de Unie die woont in lidstaat waarvan hij nationaliteit bezit – Beroepsactiviteiten – Regelmatige verplaatsingen naar andere lidstaat)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: S, Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel

Verwerende partijen: Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, G

Voorwerp

Verzoek om een prejudiciële beslissing – Raad van State - Nederland – Uitlegging van de artikelen 20, 21, 45 en 56 VWEU en van de artikelen 3, lid 1, 6 en 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77) – Begunstigden van het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten – Derdelander die familielid is van een burger van de Unie die woont in zijn lidstaat van herkomst en werkt in een andere lidstaat voor een daar gevestigde werkgever – Derdelander die familielid is van een burger van de Unie die woont en werkt in zijn lidstaat van herkomst, maar zich in het kader van zijn werk vaak verplaatst naar een andere lidstaat

Dictum

Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, moet in die zin worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzet dat een lidstaat weigert een verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander die familielid is van een burger van de Unie, wanneer deze burger de nationaliteit heeft van die lidstaat en aldaar woont, maar zich in het kader van zijn beroepswerkzaamheden regelmatig naar een andere lidstaat begeeft.

Artikel 45 VWEU moet in die zin worden uitgelegd dat het aan een familielid van een burger van de Unie, dat een derdelander is, een afgeleid verblijfsrecht verleent in de lidstaat waarvan die burger de nationaliteit bezit, wanneer deze burger in laatstbedoelde lidstaat woont, maar zich als werknemer in de zin van die bepaling regelmatig naar een andere lidstaat begeeft, indien de weigering om een dergelijk verblijfsrecht toe te kennen tot gevolg heeft dat de betrokken werknemer ervan wordt weerhouden de rechten die hij aan artikel 45 VWEU ontleent, daadwerkelijk uit te oefenen. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.

____________

1 PB C 26 van 26.1.2013.