Language of document : ECLI:EU:C:2016:980

Gevoegde zaken C‑154/15, C‑307/15 en C‑308/15



en


(verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 1 de Granada en de Audiencia Provincial de Alicante)

„Prejudiciële verwijzing – Richtlijn 93/13/EEG – Consumentenovereenkomsten – Hypotheekleningen – Oneerlijke bedingen – Artikel 4, lid 2 – Artikel 6, lid 1 – Nietigverklaring – Beperking in de tijd door de nationale rechter van de gevolgen van de nietigverklaring van een oneerlijk beding”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Grote kamer) van 21 december 2016

1.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Vaststelling dat een beding oneerlijk is – Draagwijdte – Herziening van de inhoud van een oneerlijk beding door de nationale rechter – Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 93/13 van de Raad, vierentwintigste overweging en art. 6, lid 1, en 7, lid 1)

2.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Verplichting voor de nationale rechter om ambtshalve te onderzoeken of een beding in een overeenkomst waarover hij moet oordelen, oneerlijk is

(Richtlijn 93/13 van de Raad)

3.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Vaststelling dat een beding oneerlijk is – Draagwijdte – Verplichting voor de nationale rechter om ambtshalve alle uit die vaststelling voortvloeiende consequenties te trekken

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 6, lid 1)

4.        Bescherming van de consument – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Richtlijn 93/13 – Vaststelling dat een beding oneerlijk is – Draagwijdte – Nationale rechtspraak op grond waarvan de nationale rechter de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst, in de tijd mag beperken – Ontoelaatbaarheid

(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 3, lid 1, 6, lid 1 en 7, lid 1)

1.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punten 57, 60)

2.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punt 58)

3.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punt 59)

4.      Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij het oneerlijke karakter van dat beding in rechte is vastgesteld, op grond van dat beding onverschuldigd zijn betaald.

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet immers aldus worden uitgelegd dat een oneerlijk contractueel beding in beginsel moet worden geacht nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is, in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument zonder dat beding rechtens en feitelijk zou hebben verkeerd, wordt hersteld. Hieruit volgt dat de verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, in beginsel tot een terugbetalingsplicht leidt die overeenkomt met deze zelfde bedragen. Het ontbreken van een dergelijke terugbetalingsplicht zou immers de afschrikkende werking in gevaar kunnen brengen die artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13, gelezen in samenhang met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn, heeft willen hechten aan de vaststelling dat de bedingen in de tussen een consument en een verkoper gesloten overeenkomst, oneerlijk zijn.

Voorts mag die regeling die het nationale recht voor de door richtlijn 93/13 aan consumenten geboden bescherming biedt, de omvang en bijgevolg de inhoud van deze bescherming niet wijzigen en aldus geen afbreuk doen aan de door de Uniewetgever gewenste versterking van de doeltreffendheid van deze bescherming door de vaststelling van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen, zoals ook is aangegeven in de tiende overweging van richtlijn 93/13. Hoewel de lidstaten bijgevolg door middel van hun nationale recht de modaliteiten dienen te bepalen in het kader waarvan kan worden vastgesteld dat een in een overeenkomst opgenomen beding oneerlijk is, en de concrete juridische gevolgen van deze vaststelling vorm krijgen, neemt dit niet weg dat op basis van een dergelijke vaststelling de situatie waarin de consument zich zonder dat oneerlijke beding rechtens en feitelijk zou hebben bevonden, moet kunnen worden hersteld, met name door een recht in het leven te roepen op terugbetaling van de voordelen die de verkoper op grond van dat oneerlijke beding ten nadele van de consument onverschuldigd heeft verkregen.

In dit verband mogen de in het nationale recht geldende voorwaarden, waarnaar artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 verwijst, geen afbreuk doen aan de essentie van het recht dat consumenten aan deze bepaling ontlenen om niet gebonden te zijn aan een beding dat wordt geacht oneerlijk te zijn.

Hieruit volgt dat nationale rechtspraak betreffende de beperking in de tijd van de rechtsgevolgen die overeenkomstig artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 voortvloeien uit de vaststelling dat een contractueel beding oneerlijk is, slechts een beperkte bescherming biedt aan consumenten. Een dergelijke bescherming is bijgevolg onvolledig en ontoereikend en vormt geen geschikt en doeltreffend middel om een einde te maken aan het gebruik van dit soort bedingen, hetgeen in strijd is met artikel 7, lid 1, van deze richtlijn. In deze omstandigheden dienen de verwijzende rechterlijke instanties, die gebonden zijn aan de door het Hof gegeven uitlegging van het Unierecht, op eigen gezag de uit deze rechtspraak voortvloeiende beperking in de tijd van de gevolgen buiten toepassing te laten, aangezien deze beperking niet verenigbaar is met dit recht.

Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 moet bijgevolg aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter, in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn, van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij het oneerlijke karakter van het beding in rechte is vastgesteld, op grond van dat beding onverschuldigd zijn betaald.

(zie punten 61‑63, 65, 66, 71, 73‑75 en dictum)