Language of document :

Beroep ingesteld op 22 april 2016 – NF / Europese Raad

(Zaak T-192/16)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: NF (Lesbos, Griekenland) (vertegenwoordiger: B. Burns, solicitor)

Verwerende partij: Europese Raad

Conclusies

nietigverklaring van de overeenkomst tussen de Europese Raad en Turkije van 18 maart 2016, „Verklaring EU-Turkije, 18 maart 2016”;

verwijzing van de verzoekende partij in de proceskosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.

Eerste middel: de overeenkomst tussen de Europese Raad en Turkije van 18 maart 2016, „Verklaring EU-Turkije, 18 maart 2016” is onverenigbaar met EU-grondrechten, in het bijzonder de artikelen 1, 18 en 19 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Tweede middel: Turkije is geen Europees veilig derde land in de zin van artikel 36 van richtlijn 2005/85/EG van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB L 326, 13.12.2005, blz. 13-34).

Derde middel: richtlijn 2001/55/EG van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212, 7.8.2001, blz. 12-23) had moeten worden uitgevoerd.

Vierde middel: de bestreden overeenkomst is in werkelijkheid een bindend verdrag of „handeling” met rechtsgevolgen voor de verzoekende partij. De niet-naleving van artikel 218 VWEU en/of artikel 78, lid 3 VWEU, tezamen of afzonderlijk, leidt tot de ongeldigheid van de bestreden overeenkomst.

Vijfde middel: het verbod op collectieve uitzetting in de zin van artikel 19, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is geschonden.

____________