Language of document : ECLI:EU:C:2018:131

Zaak C46/17

Hubertus John

tegen

Freie Hansestadt Bremen

(verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Landesarbeitsgericht Bremen)

„Prejudiciële verwijzing – Sociale politiek – Richtlijn 1999/70/EG – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Clausule 5, punt 1 – Maatregelen ter voorkoming van misbruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 2000/78/EG – Artikel 6, lid 1 – Verbod van discriminatie op grond van leeftijd – Nationale regeling op grond waarvan het einde van de arbeidsovereenkomst, dat op de normale pensioenleeftijd is vastgesteld, kan worden uitgesteld om de enkele reden dat de werknemer een recht op ouderdomspensioen verkrijgt”

Samenvatting – Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 28 februari 2018

1.        Sociale politiek – Gelijke behandeling in arbeid en beroep – Richtlijn 2000/78 – Verbod van discriminatie op grond van leeftijd – Nationale bepaling die het uitstellen van de beëindiging van het actieve beroepsleven van werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, afhankelijk stelt van een akkoord van de werkgever dat wordt gegeven voor bepaalde tijd – Toelaatbaarheid

(Richtlijn 2000/78 van de Raad, art. 2, lid 2)

2.        Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Werkingssfeer – Arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding als omschreven door de nationale regeling of gebruiken – Automatische beëindiging van de arbeidsovereenkomsten bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd – Daarvan uitgesloten

(Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage)

3.        Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Objectieve redenen die de vernieuwing van dergelijke overeenkomsten rechtvaardigen – Nationale regeling op grond waarvan het einde van de arbeidsovereenkomst, dat op de normale pensioenleeftijd is vastgesteld, kan worden uitgesteld om de enkele reden dat de werknemer een recht op ouderdomspensioen verkrijgt – Toelaatbaarheid

(Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage, clausule 5, punt 1)

1.      Artikel 2, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale bepaling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die het uitstellen van de beëindiging van de beroepswerkzaamheid van werknemers die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, afhankelijk stelt van een akkoord van de werkgever dat wordt gegeven voor bepaalde tijd.

Volgens de Duitse regering heeft de nationale wetgever met de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepaling, op verzoek van de sociale partners, een flexibel en rechtszeker systeem willen invoeren om arbeidsverhoudingen, waar nodig en onder bepaalde voorwaarden, te kunnen voortzetten na de normale pensioenleeftijd.

Deze uitlegging wordt niet ontkracht door de verwijzende rechterlijke instantie, volgens welke de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepaling kan worden geacht een afwijking toe te staan van het beginsel van de automatische beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij het bereiken van de normale pensioenleeftijd. Anders dan voor jongere werknemers het geval is, staan werknemers die de normale pensioenleeftijd bereiken, immers voor de keuze om de arbeidsverhouding te verlengen dan wel het beroepsleven volledig te verlaten.

Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat de partijen bij de betrokken arbeidsovereenkomst de einddatum van de arbeidsverhouding herhaaldelijk, onvoorwaardelijk en onbeperkt in de tijd kunnen uitstellen. Deze mogelijkheden verlenen die bepaling juist een gunstig of voordelig karakter, daar de voortzetting van de arbeidsverhouding op die manier naar goeddunken kan worden geregeld en die voortzetting in elk geval niet kan plaatsvinden zonder dat de twee contractpartijen daar tijdens de arbeidsverhouding mee instemmen.

(zie punten 28‑30, 33, dictum 1)

2.      Zie de tekst van de beslissing.

(zie punten 37, 42‑44)

3.      Clausule 5, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale bepaling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die partijen bij een arbeidsovereenkomst in staat stelt om zonder verdere voorwaarden en beperking in de tijd, de overeengekomen beëindiging van de arbeidsverhouding door het bereiken van de normale pensioenleeftijd bij overeenkomst tijdens de arbeidsverhouding, in voorkomend geval ook herhaaldelijk, uit te stellen, enkel omdat de werknemer door het bereiken van de normale pensioenleeftijd aanspraak kan maken op ouderdomspensioen.

In casu moet worden opgemerkt dat met het begrip „objectieve redenen” in clausule 5, punt 1, onder a), van de raamovereenkomst precieze en concrete omstandigheden worden bedoeld die een bepaalde activiteit kenmerken en die dus rechtvaardigen dat in die welbepaalde context gebruik wordt gemaakt van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Die omstandigheden kunnen met name voortvloeien uit de bijzondere aard van de taken waarvoor dergelijke overeenkomsten zijn gesloten en uit de inherente kenmerken ervan of, in voorkomend geval, uit het nastreven van een rechtmatige doelstelling van sociaal beleid van een lidstaat (arrest van 26 januari 2012, Kücük, C‑586/10, EU:C:2012:39, punt 27).

In dit verband moet erop worden gewezen dat volgens de verwijzende rechterlijke instantie een werknemer die de normale leeftijd voor het wettelijke ouderdomspensioen bereikt, verschilt van andere werknemers, niet alleen omdat hij sociale bescherming geniet, maar ook omdat hij in beginsel aan het einde van zijn beroepsleven staat en hij zich dus, wat zijn overeenkomst voor bepaalde tijd betreft, niet geplaatst ziet tegenover het alternatief van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

Zoals in punt 29 van het onderhavige arrest al is uiteengezet, kan de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bepaling bovendien worden geacht een afwijking toe te staan van het beginsel dat de arbeidsovereenkomst automatisch eindigt wanneer de werknemer de normale pensioenleeftijd bereikt.

Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt trouwens dat de beëindiging van de arbeidsverhouding volgens die bepaling slechts kan worden uitgesteld indien daarover reeds tijdens de arbeidsverhouding daadwerkelijk een akkoord wordt gesloten, op basis waarvan de bestaande arbeidsverhouding zonder onderbreking wordt voortgezet en de contractvoorwaarden voor het overige ongewijzigd blijven. Dergelijke beperkingen bieden de werknemer de zekerheid dat de aanvankelijke contractvoorwaarden behouden blijven, zonder dat hij daarbij zijn recht op een ouderdomspensioen verliest.

(zie punten 53‑57, dictum 2)