Language of document : ECLI:EU:F:2013:31

ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN
VAN DE EUROPESE UNIE (Derde kamer)

6 maart 2013 (*)

„Openbare dienst – Tijdelijk functionaris – Beëindiging van overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd – Geldige reden”

In zaak F‑41/12,

betreffende een beroep krachtens artikel 270 VWEU, van toepassing op het EGA-Verdrag op grond van artikel 106 bis ervan,

Séverine Scheefer, voormalig tijdelijk functionaris van het Europees Parlement, wonende te Luxemburg (Luxemburg), vertegenwoordigd door R. Adam en P. Ketter, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door V. Montebello-Demogeot en M. Ecker als gemachtigden,

verweerder,

wijst

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Van Raepenbusch (rapporteur), president, I. Boruta en R. Barents, rechters,

griffier: J. Tomac, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 10 oktober 2012,

het navolgende

Arrest

1        Bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie van het Gerecht op 21 maart 2012, heeft S. Scheefer gevraagd om, kort samengevat, nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 20 juni 2011 tot beëindiging van haar overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd en veroordeling van het Europees Parlement tot betaling van een schadevergoeding.

 Toepasselijke bepalingen

2        Artikel 29, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) bepaalt:

„Voor het aanwerven van hoger leidinggevend personeel (directeuren-generaal of daarmee gelijkgestelden in de rangen AD 16 of 15 en directeuren of daarmee gelijkgestelden in de rangen AD 15 of 14) alsmede in buitengewone gevallen voor het vervullen van ambten waarvoor bijzondere kundigheden vereist zijn, kan door het tot aanstelling bevoegde gezag een andere procedure worden gevolgd dan die van het vergelijkend onderzoek.”

3        Artikel 2 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) luidt:

„Als tijdelijk functionaris in de zin van deze regeling wordt aangemerkt:

a)      [h]et personeelslid, aangesteld om een ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op iedere instelling betrekking heeft en aan welk ambt de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend;

[...]”

4        Artikel 47 RAP bepaalt:

„Behalve door overlijden eindigt de dienst van tijdelijk functionaris:

[...]

c)      bij overeenkomsten voor onbepaalde tijd:

i)      na afloop van de in de overeenkomst vastgestelde opzeggingstermijn; deze moet ten minste één maand per volbracht dienstjaar bedragen, met een minimum van drie maanden en een maximum van tien maanden. De opzeggingstermijn mag evenwel niet ingaan tijdens een moederschapsverlof, of tijdens een ziekteverlof voor zover dit niet langer dan drie maanden duurt. Voorts wordt de opzeggingstermijn gedurende deze verloven binnen bovengenoemde grens geschorst;

[...]”

5        Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43) heeft uitvoering gegeven aan de op 18 maart 1999 door de algemene brancheoverkoepelende organisaties gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (hierna: „raamovereenkomst”).

6        Clausule 3 van de raamovereenkomst luidt:

„In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

1.      ‚werknemer met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’: iemand met een rechtstreeks tussen een werkgever en een werknemer aangegane arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding voor bepaalde tijd waarvan het einde wordt bepaald door objectieve voorwaarden zoals het bereiken van een bepaald tijdstip, het voltooien van een bepaalde taak of het intreden van een bepaalde gebeurtenis;

[...]”

7        Artikel 7, leden 2 tot en met 4, van de interne regeling voor de aanwerving van ambtenaren en andere functionarissen, door het bureau van het Parlement vastgesteld op 3 mei 2004 (hierna: „interne regeling”), luidt:

„2.      Onverminderd de voor ambtenaren geldende bepalingen, worden tijdelijk functionarissen in bruikbare volgorde aangeworven onder de geslaagde kandidaten van een vergelijkend onderzoek of van een aanwervingsprocedure als bedoeld in artikel 29, lid 2, van het Statuut [...].

3.      Bij gebreke van beschikbare geslaagde kandidaten, worden tijdelijk functionarissen aangeworven:

–        wat de tijdelijk functionarissen betreft bedoeld in artikel 2, [sub] a, RAP, na selectie door een ad-hoccomité waarvan één lid is aangewezen door het personeelscomité;

–        wat de tijdelijk functionarissen betreft bedoeld in artikel 2, [sub] b, RAP, na advies van de paritaire commissie.

4.      In afwijking van de voorgaande bepalingen, kunnen tijdelijk functionarissen bedoeld in artikel 2, [sub] a, RAP worden aangeworven volgens de procedure voorzien in lid 3, tweede streepje, van dit artikel, indien die aanwervingen uitsluitend bedoeld zijn om voorlopig in ambten te voorzien in afwachting van de vervulling daarvan overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, lid 3, eerste streepje.”

 Aan het geding ten grondslag liggende feiten

8        Bij op 29 maart respectievelijk 4 april 2006 ondertekende overeenkomst heeft het Parlement verzoekster voor de periode van 1 april 2006 tot en met 31 maart 2007 aangeworven als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, sub a, RAP en haar als arts tewerkgesteld bij het artsenteam te Luxemburg (Luxemburg).

9        Bij aanhangsels van 23 februari 2007 en 26 maart 2008 is verzoeksters overeenkomst verlengd tot en met 31 maart 2009.

10      Naar aanleiding van verzoeksters vraag over de mogelijkheid om haar samenwerking met het artsenteam van de instelling voort te zetten op grond van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, heeft de secretaris-generaal van het Parlement haar op 12 februari 2009 geantwoord dat die mogelijkheid niet aanwezig was en haar bevestigd dat haar overeenkomst op 31 maart 2009 zou aflopen.

11      Bij arrest van 13 april 2011, Scheefer/Parlement (F‑105/09; hierna: „arrest Scheefer”), heeft het Gerecht het in de brief van 12 februari 2009 vervatte besluit nietig verklaard. In dat arrest heeft het Gerecht namelijk geoordeeld dat ervan moest worden uitgegaan dat verzoeksters overeenkomst, gelet op artikel 8, eerste alinea, RAP, twee keer was verlengd, zodat het tweede aanhangsel van 26 maart 2008 alleen als gevolg van de wil van de wetgever van rechtswege moest worden geherkwalificeerd als aanstelling voor onbepaalde tijd, met als gevolg dat de afloop van de in dat aanhangsel vastgestelde termijn niet tot gevolg kon hebben dat verzoeksters aanstelling werd beëindigd.

12      Inmiddels had het Parlement op 18 oktober 2007 kennisgeving van aanwerving nr. PE/95/S bekendgemaakt waarin de organisatie werd aangekondigd van een selectieprocedure op grondslag van schriftelijke bewijsstukken en examens voor de aanwerving van een tijdelijk functionaris als arts-administrateur en voor de opstelling van een lijst van geschikte kandidaten bestaande uit de vier beste kandidaten (PB 2007, C 244 A, blz. 5; hierna: „selectieprocedure PE/95/S”). Verzoekster heeft zich aangemeld, maar haar aanmelding is op 28 januari 2008 afgewezen op grond dat zij niet over de vereiste ervaring beschikte. De na die procedure opgestelde lijst van geschikte kandidaten is vastgesteld op 16 mei 2008 en er zijn twee artsen aangeworven, één op 1 mei 2009 en de andere op 1 juni daaraanvolgend.

13      Op 24 mei 2011 heeft het Parlement verzoekster meegedeeld dat haar overeenkomst naar aanleiding van het arrest Scheefer was geherkwalificeerd als overeenkomst voor onbepaalde tijd, zodat de beëindiging van haar werkzaamheden op 31 maart 2009 niet tot stand was gekomen, hetgeen haar recht gaf op betaling van haar bezoldiging vanaf 1 april 2009, met aftrek van de in dat arrest genoemde vervangende inkomsten die zij sinds die datum had ontvangen.

14      Bij brief van 14 juni 2011 heeft verzoekster het Parlement met name meegedeeld dat zij nog steeds beschikbaar was om haar werk zo spoedig mogelijk te hervatten.

15      Bij brief van 20 juni 2011 heeft de secretaris-generaal van het Parlement verzoekster meegedeeld dat het Parlement haar overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd opzegde, op grond dat „[haar] aanstelling niet langer gerechtvaardigd was, gelet op het feit dat [hij] thans beschikte over een lijst van geslaagde kandidaten die voldeden aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, van de interne regeling [...] en dat hij op basis van die lijst [had] voorzien in alle vacante ambten van in Luxemburg tewerkgestelde raadgevende artsen”.

16      Op 5 augustus 2011 heeft verzoekster krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut, dat bij artikel 46 RAP van toepassing is verklaard op tijdelijk functionarissen, een klacht ingediend tegen het ontslagbesluit vervat in de in het vorige punt genoemde brief. Het tot het sluiten van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”) heeft deze klacht afgewezen bij besluit van 21 december 2011.

 Conclusies van partijen

17      Verzoekster verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dientengevolge:

–        primair, het in de brief van de secretaris-generaal van het Parlement van 20 juni 2011 vervatte ontslagbesluit nietig te verklaren „met alle daaruit voortvloeiende (financiële) gevolgen”;

–        voor zover nodig, het besluit van 21 december 2011 tot afwijzing van haar klacht nietig te verklaren;

–        „derhalve te verklaren dat zij weer wordt tewerkgesteld bij het Parlement”;

–        subsidiair, het Parlement te veroordelen tot vergoeding van haar materiële schade door betaling van het bedrag van 288 000 EUR „zijnde 36 maandsalarissen [...] onverminderd het exacte bedrag dat berekend moet worden door rekening te houden met de nodige aanpassingen [...], dan wel van elk ander bedrag dat door het Gerecht ex aequo et bono of door deskundigen zal worden vastgesteld” alsmede tot vergoeding van haar immateriële schade door betaling van het bedrag van 15 000 EUR;

–        het Parlement te verwijzen in de kosten.

18      Het Parlement verzoekt het Gerecht:

–        het beroep ongegrond te verklaren;

–        verzoekster te verwijzen in de kosten.

 In rechte

 Vordering tot nietigverklaring van de afwijzing van de klacht en vordering tot het geven van een bevel

19      Verzoekster vraagt bij afzonderlijke vordering om nietigverklaring van het besluit van het Parlement van 21 december 2011 tot afwijzing van haar klacht.

20      Volgens vaste rechtspraak heeft een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen het besluit tot afwijzing van een klacht, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen het besluit waartegen de klacht is ingediend, wanneer eerstgenoemd besluit als zodanig geen zelfstandige inhoud heeft (arrest Hof van 17 januari 1989, Vainker/Parlement, 293/87, punt 8; arrest Scheefer, punt 21). In casu bevestigt de afwijzing van de klacht van 21 december 2011 het aanvankelijke besluit, vervat in de brief van 20 juni daaraan voorafgaande, om verzoeksters overeenkomst voor onbepaalde tijd te beëindigen, en geeft het aan de hand van die klacht aanvullende preciseringen. In een dergelijk geval is het de wettigheid van het oorspronkelijke bezwarend besluit die wordt onderzocht, waarbij rekening wordt gehouden met de motivering volgende uit een gezamenlijke lezing van dat besluit en van de afwijzing van de klacht. De vordering tot nietigverklaring van de afwijzing van de klacht heeft dus geen zelfstandige inhoud, zodat ervan moet worden uitgegaan dat het beroep formeel is gericht tegen het besluit vervat in de brief van 20 juni 2011 (hierna: „bestreden besluit”), zoals gepreciseerd bij het besluit tot afwijzing van de klacht van 21 december 2011 (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 10 juni 2004, Eveillard/Commissie, T‑258/01, punten 31 en 32).

21      Verzoekster vraagt het Gerecht voorts om te verklaren „dat zij weer wordt tewerkgesteld bij het Parlement”.

22      Bovengenoemde vordering moet aldus worden aangemerkt dat zij ertoe strekt dat het Gerecht de administratie gelast om verzoekster opnieuw in dienst te nemen ter uitvoering van een eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit. Het staat in het kader van een krachtens artikel 46 RAP en artikel 91 van het Statuut ingesteld beroep echter niet aan het Gerecht, een bevel tot de instellingen van de Europese Unie te richten. In geval van nietigverklaring van een besluit dient de betrokken instelling op grond van artikel 266 VWEU immers zelf de maatregelen te nemen die voor de uitvoering van het arrest nodig zijn (arrest Gerecht van eerste aanleg van 4 mei 2005, Castets/Commissie, T‑398/03, punt 19).

23      Hieruit volgt dat de vordering tot het geven van een bevel niet-ontvankelijk is.

 Vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit

24      Verzoekster voert drie middelen aan, ontleend aan:

–        het eerste, schending van de motiveringsplicht en van de transparantieplicht;

–        het tweede, het ontbreken van rechtsgrondslag, kennelijke beoordelingsfout, schending „van de artikelen 2, 3, 8, 29 en 47 RAP” en misbruik van bevoegdheid;

–        het derde, schending van de zorgplicht, misbruik van recht alsmede schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten.

 Eerste middel: schending van de motiveringsplicht en van de transparantieplicht

25      Verzoekster betoogt dat elk eenzijdig besluit tot beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd van een functionaris moet worden gemotiveerd. Zij beklemtoont voorts dat het bestreden besluit is genomen na het arrest Scheefer, korte tijd na het schrijven van het Parlement van 24 mei 2011 waarbij haar werd bevestigd dat de beëindiging van haar werkzaamheden op 31 maart 2009 niet tot stand was gekomen en na mondelinge toezeggingen dat zij snel haar ambt weer zou kunnen hervatten. Ondanks de bijzondere omstandigheden van de zaak hebben haar hiërarchieke meerderen geen enkel onderhoud georganiseerd om het ontslag aan haar uit te leggen.

26      In een dergelijke context had de motivering van het bestreden besluit, volgens welke haar aanstelling voor onbepaalde tijd niet langer gerechtvaardigd was aangezien alle vacante posten van arts te Luxemburg waren vervuld door de geslaagde kandidaten van selectieprocedure PE/95/S die aan de vereisten van artikel 7, lid 2, van de interne regeling voldeden, nadere uiteenzettingen moeten bevatten. Zo geeft het Parlement in het bestreden besluit „helemaal geen details” over die aanwervingen, met name over de data en de vorm ervan. Bovendien heeft het Parlement geen rekening gehouden met het feit dat verzoekster „(sinds 31 maart 2008) over een overeenkomst voor onbepaalde tijd beschikte” en over voldoende ervaring om aanspraak te kunnen maken op aanstelling in een van de betrokken posten.

27      In dit verband moet worden beklemtoond dat het bestreden besluit luidt als volgt:

„[...] Krachtens artikel 7, lid 2, van de interne regeling [...] worden de tijdelijk functionarissen bedoeld in artikel 2, [sub] a, [RAP] aangeworven onder de geslaagde kandidaten van een vergelijkend onderzoek of van een aanwervingsprocedure zoals bedoeld in artikel 29, lid 2, van het Statuut. U bent met ingang van 1 april 2006 aangeworven als tijdelijk functionaris in de zin van artikel 2, [sub] a, RAP, volgens de bijzondere procedure bedoeld in lid [4] van datzelfde artikel [artikel 7 van de interne regeling] om het gebrek aan geslaagde kandidaten van vergelijkende onderzoeken of van andere aanwervingsprocedures te verhelpen.

Sindsdien heeft het Parlement echter selectieprocedure [...] PE/95/S [...] georganiseerd. U bent niet geslaagd voor deze procedure, aangezien uw aanmelding niet is aanvaard daar u destijds niet over de door de kennisgeving van vacature vereiste beroepservaring beschikte.

In punt 58, laatste volzin, van [het arrest Scheefer] heeft het Gerecht eraan herinnerd dat een overeenkomst voor onbepaalde tijd op elk moment om een geldige reden en met inachtneming van de opzeggingstermijn van artikel 47, sub c‑i, RAP kan worden beëindigd.

In deze omstandigheden beëindigt het Parlement uw overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd op grond dat uw aanstelling niet langer gerechtvaardigd is, gelet op het feit dat het Parlement thans beschikt over een lijst van geslaagde kandidaten die voldoen aan de vereisten van artikel 7, lid 2, van de interne regeling [...] en het op basis van die lijst heeft voorzien in alle vacante posten van raadgevend arts [...] te Luxemburg.

[...]”

28      Een dergelijke motivering lijkt voldoende, zelfs indien rekening wordt gehouden met de bijzondere situatie waarin verzoekster stelt te verkeren, aangezien hierin duidelijk en precies wordt gezegd waarom haar overeenkomst van tijdelijk functionaris wordt beëindigd.

29      Meer bepaald verwijt verzoekster het Parlement ten onrechte dat het geen rekening heeft gehouden met het feit dat zij over een overeenkomst voor onbepaalde tijd beschikte en over voldoende beroepservaring om aanspraak te maken op vervulling van een van de vacante ambten van arts. Zowel in het bestreden besluit als in de afwijzing van de klacht heeft het Parlement immers beklemtoond dat verzoekster bij wijze van uitzondering was aangesteld omdat er sprake was van een vacature voor het ambt van arts en er geen kandidaten waren die konden worden aangeworven op grond van de interne regeling. Het heeft eveneens gepreciseerd dat het selectieprocedure PE/95/S nu juist had georganiseerd om in deze vacature te voorzien en dat verzoekster niet was geslaagd voor de procedure, omdat haar aanmelding niet-ontvankelijk was geacht. Er zij aan herinnerd dat de motivering impliciet kan zijn, mits de belanghebbende de redenen kan kennen waarom het bestreden besluit is vastgesteld en de bevoegde rechter over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen [zie arrest Hof van 8 februari 2007, Groupe Danone/Commissie, C‑3/06 P, punt 46; zie naar analogie arrest Gerecht van eerste aanleg van 9 juli 2008, Reber/BHIM – Chocoladefabriken Lindt & Sprüngli (Mozart), T‑304/06, punt 55; arrest Gerecht van de Europese Unie van 13 april 2011, Safariland/BHIM – DEF-TEC Defense Technology (FIRST DEFENSE AEROSOL PEPPER PROJECTOR), T‑262/09, punt 92]. Daar het Parlement de in punt 27 van dit arrest genoemde selectieprocedure niet buiten beschouwing kon laten, zijn de overwegingen in het bestreden besluit op zich voldoende, aangezien zij indirect, maar nochtans zeker de mogelijkheid uitsluiten dat verzoekster in vaste dienst werd aangesteld in een van de betrokken posten, en dit ongeacht de aard van haar overeenkomst en haar beroepservaring.

30      Bovendien kan het bestreden besluit niet onvolledig worden geacht op grond dat „het Parlement helemaal geen details geeft over de aanstellingen” van artsen in de vacante ambten, met name over de exacte data van die aanstellingen en de vorm ervan. Zoals verzoekster zelf aangeeft, betreft het hier slechts details, zodat het Parlement niet gehouden was om deze in het bestreden besluit te vermelden. Een motivering is immers toereikend wanneer daarin de feiten en de overwegingen rechtens worden uiteengezet die van essentieel belang zijn voor de opzet van het besluit, zodat de administratie niet verplicht is een motivering van haar motivering te geven (arrest Gerecht van 29 september 2011, AJ/Commissie, F‑80/10, punt 117). Voorts heeft het Parlement in de afwijzing van de klacht beklemtoond dat „sinds 1 juni 2009 was voorzien in alle ambten van raadgevend arts”.

31      Voorts zij eraan herinnerd dat een vermeende ontoereikende motivering kan worden verholpen door uitleg die in de loop van de procedure voor het Gerecht wordt gegeven. In casu heeft het Parlement in zijn verweerschrift gepreciseerd dat een eerste arts was aangeworven op 1 mei 2009 en een tweede op 1 juni daaraanvolgend en wel op basis van overeenkomsten van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd. Afgezien daarvan heeft verzoekster ter terechtzitting zelf opgemerkt dat alle zogenaamd ontbrekende redenen in dat verweerschrift waren opgenomen.

32      Ten slotte verwijt verzoekster het Parlement eveneens ten onrechte dat er vóór de vaststelling van het bestreden besluit geen onderhoud met haar heeft plaatsgevonden. Het is juist dat volgens de rechtspraak wordt voldaan aan de verplichting om een bezwarend besluit te motiveren wanneer de betrokkene tijdens gesprekken met zijn meerderen naar behoren op de hoogte is gesteld van die motivering (arrest Gerecht van 26 oktober 2006, Landgren/ETF, F‑1/05, punt 79). Deze rechtspraak heeft echter alleen tot doel, een omstandigheid aan te geven die een motiveringsgebrek kan verhelpen, maar schrijft niet voor dat er, zoals verzoekster lijkt te suggereren, op grond van de motiveringsplicht of de transparantieplicht een voorafgaand onderhoud met de hiërarchieke meerderen moet plaatsvinden wanneer het ontslagbesluit toereikend is gemotiveerd, zoals in casu het geval is.

33      Het eerste middel moet dus worden afgewezen.

 Tweede middel: ontbreken van rechtsgrondslag, kennelijke beoordelingsfout, schending van de artikelen 2, 3, 8, 29 en 47 RAP en misbruik van bevoegdheid

34      Uit de titel en de uiteenzettingen van het tweede middel blijkt dat het in drie onderdelen kan worden verdeeld die achtereenvolgens moeten worden onderzocht. Voorts blijkt uit die uiteenzettingen dat de verwijzing naar artikel 29 RAP kennelijk het gevolg is van een onoplettendheid, aangezien dat artikel op geen enkele wijze verband houdt met het geding daar het betrekking heeft op de geboortetoelage en verzoekster daaraan geen enkel specifiek argument ontleent. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat zij zich veeleer op artikel 29 van het Statuut beroept voor zover artikel 7 van de interne regeling daarnaar verwijst.

–       Eerste onderdeel van het tweede middel: ontbreken van rechtsgrondslag

35      Verzoekster is van mening dat het Parlement zich niet kon beroepen op de „economische reden” ontleend aan het feit dat alle ambten van arts waren vervuld, aangezien die reden noch in de RAP noch in haar overeenkomst is opgenomen als geldige reden voor de beëindiging van een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

36      In herinnering moet worden gebracht dat artikel 47, sub c, RAP het TAOBG een ruime beoordelingsbevoegdheid geeft om de overeenkomst voor onbepaalde tijd van een tijdelijk functionaris te beëindigen (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 8 september 2009, ETF/Landgren, T‑404/06 P, punt 162, en aldaar aangehaalde rechtspraak; arrest Gerecht van de Europese Unie van 7 juli 2011 Longinidis/Cedefop, T‑283/08 P, punt 84).

37      In het licht hiervan en in antwoord op het argument van het Parlement dat artikel 7, lid 4, van zijn interne regeling hem verhinderde om een overeenkomst voor onbepaalde tijd te sluiten ofschoon de continuïteit van de door het artsenteam te Luxemburg verzekerde dienst moest worden gegarandeerd, heeft het Gerecht in het arrest Scheefer geoordeeld dat dit artikel „niet verbiedt dat gebruik wordt gemaakt van overeenkomsten voor onbepaalde tijd, aangezien een voorlopige situatie gedurende een onbeperkte periode kan voortduren, zoals in casu het geval is, en een dergelijke overeenkomst de begunstigde ervan in geen geval de stabiliteit van een aanstelling als ambtenaar biedt, daar deze om een geldige reden en met eerbiediging van een opzeggingstermijn kan worden beëindigd, overeenkomstig artikel 47, sub c‑i, RAP” (arrest Scheefer, punt 56).

38      Met betrekking tot de vraag of de omstandigheid dat in alle vacante posten van arts van het artsenteam van het Parlement te Luxemburg was voorzien in casu een geldige reden voor ontslag kon vormen, zij eraan herinnerd dat een functionaris die, zoals verzoekster, op basis van artikel 2, sub a, RAP is aangesteld, dit is om „een ambt te vervullen dat is opgenomen in de lijst van het aantal ambten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op iedere instelling betrekking heeft en aan welk ambt de begrotingsautoriteiten een tijdelijk karakter hebben verleend”.

39      De grond ontleend aan de „economische reden”, zoals verzoekster die omschrijft, dat wil zeggen het ontbreken van een vacant ambt in de lijst van het aantal ambten gevoegd bij de begroting van de instelling, vormde voor het Parlement dus een geldige reden om op basis van artikel 47, sub c‑i, RAP het bestreden besluit te kunnen nemen.

40      Het eerste onderdeel van het tweede middel moet derhalve worden afgewezen.

–       Tweede onderdeel van het tweede middel: kennelijke beoordelingsfout en een rechtsfout volgende uit schending van de artikelen 2, 3, 8 en 47 RAP alsmede van artikel 29 van het Statuut

41      Verzoekster is van mening dat het bestreden besluit een kennelijke beoordelingsfout en een rechtsfout bevat, aangezien het in strijd is met de artikelen 2, 3, 8 en 47 RAP alsmede met artikel 29 van het Statuut. Haars inziens heeft het Parlement geprobeerd om de RAP te omzeilen door op onwettige wijze meerdere overeenkomsten van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd met haar te sluiten en kon het zich volgens het adagium dat niemand zich op zijn eigen schaamteloze gedraging kan beroepen, niet op die manoeuvre beroepen om het bestreden besluit te rechtvaardigen. Preciezer gezegd, de reden ontleend aan het niet-beschikbaar zijn van ambten van arts ter rechtvaardiging van haar ontslag kan niet worden beoordeeld door de omstandigheden van het geding buiten beschouwing te laten, en met name het feit dat het Gerecht in het arrest Scheefer heeft vastgesteld dat haar overeenkomst van tijdelijk functionaris voor bepaalde tijd met ingang van „31 maart 2008” was omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Indien het Parlement de RAP had geëerbiedigd, had het vanaf die datum een overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten en haar vervolgens een vacant ambt van arts toegewezen. Deze aanstelling zou bovendien in het belang van de dienst zijn geweest, gelet op de ervaring die verzoekster binnen de instelling heeft verworven. Ten slotte is het in de afwijzing van de klacht opgenomen argument dat verzoekster niet op de lijst van geslaagde kandidaten van selectieprocedure PE/95/S was geplaatst, zodat het onmogelijk was om haar in vaste dienst aan te nemen, niet-ontvankelijk, daar het voor het eerst na het bestreden besluit is aangevoerd. Het argument is eveneens onjuist, aangezien in casu niet het feit moet worden bestraft dat zij niet op de lijst van geslaagde kandidaten van selectieprocedure PE/95/S is geplaatst, maar de omstandigheid dat het Parlement zich beroept op het niet-beschikbaar zijn van ambten van arts van het artsenteam te Luxemburg, waarbij het vergeet dat dit het gevolg was van zijn eigen schaamteloze gedraging.

42      Het Gerecht merkt echter op dat het Parlement, door in het bestreden besluit te stellen dat „[verzoeksters] aanstelling niet langer gerechtvaardigd was, gelet op het feit dat [het] thans beschikt[e] over een lijst van geslaagde kandidaten die voldeden aan de voorwaarden van artikel 7, lid 2, van de interne regeling [...] en dat [het] op basis van die lijst [had] voorzien in alle vacante ambten van in Luxemburg tewerkgestelde raadgevend artsen”, zich niet beroept op zijn „eigen schaamteloze gedraging”, maar op een objectief feit, ongeacht de onwettigheid waaraan het zich schuldig had gemaakt door verzoeksters overeenkomst bij aanhangsel van 26 maart 2008 slechts voor bepaalde tijd te verlengen.

43      Voorts is de grond dat het Parlement verzoekster niet in haar ambt kon handhaven, omdat zij niet was geslaagd voor selectieprocedure PE/95/S, daar haar aanmelding wegens te weinig beroepservaring terzijde was gelegd, noch niet-ontvankelijk noch onjuist.

44      Deze grond is niet niet-ontvankelijk, aangezien de administratie in het stelsel van rechtswegen voorzien in de artikelen 90 en 91 van het Statuut waarnaar artikel 46 RAP verwijst en gelet op het evolutieve karakter van de bij die artikelen ingevoerde precontentieuze procedure, ertoe kan worden gebracht om bij de afwijzing van de klacht de gronden op basis waarvan zij het bestreden besluit had genomen aan te vullen of zelfs te wijzigen (zie in die zin arrest Gerecht van de Europese Unie van 9 december 2009, Commissie/Birkhoff, T‑377/08 P, punten 55‑60; arrest Gerecht van 13 april 2011, Chaouch/Commissie, F‑30/09, punt 35).

45      In het bestreden besluit had het Parlement verzoekster er echter al aan herinnerd dat zij was aangesteld „volgens de bijzondere procedure” bedoeld in artikel 7 van de interne regeling, „omdat er geen geslaagde kandidaten van vergelijkende onderzoeken of van andere aanwervingsprocedures waren”, en dat zij niet was geslaagd voor selectieprocedure PE/95/S die was georganiseerd om te voorzien in de vacante ambten van arts. In die context heeft het TAOBG die herinnering in de afwijzing van de klacht slechts verduidelijkt door te beklemtonen dat „het in die omstandigheden voor het Parlement onmogelijk was om verzoekster aan te werven, omdat anders het beginsel van gelijke behandeling van kandidaten zou worden geschonden”.

46      Die grond is evenmin onjuist, aangezien uit artikel 7, leden 2 en 3, van de interne regeling daadwerkelijk blijkt dat tijdelijk functionarissen die krachtens artikel 2, sub a, RAP zijn aangesteld bij gebreke van geslaagde kandidaten van een vergelijkend onderzoek alleen duurzaam kunnen worden aangeworven na een selectietoets. Vastgesteld moet worden dat ofschoon de betrokken aanwervingsprocedure niet wordt voorgeschreven door de RAP, deze integrerend deel uitmaakt van de formaliteiten die het Parlement als (toekomstige) werkgever in acht moest nemen (zie in die zin arrest Gerecht van eerste aanleg van 28 januari 1992, Speybrouck/Parlement, T‑45/90, punt 68). Deze procedure was voor het Parlement des te meer geboden daar het de gelijke behandeling van kandidaten van selectieprocedure PE/95/S diende te eerbiedigen, met name ten aanzien van geslaagde kandidaten van die procedure die, doordat zij geslaagd waren, in aanmerking kwamen om de vacante ambten van arts bij het artsenteam te Luxemburg te vervullen. Ook was het Parlement, dat op 18 oktober 2007 selectieprocedure PE/95/S had gestart, ondanks het feit dat verzoeksters overeenkomst als gevolg van artikel 8, eerste alinea, RAP vanaf 26 maart 2008 was geherkwalificeerd als overeenkomst voor onbepaalde tijd, in beginsel gehouden om onder de geslaagde kandidaten van selectieprocedure PE/95/S niet alleen de op 1 mei 2009 aangestelde arts aan te werven om te voorzien in het eerste vacante ambt, maar ook de op 1 juni daaraanvolgend aangestelde arts voor de tweede vacature. Ook al was bovengenoemde selectieprocedure georganiseerd „met het oog op de aanwerving van een tijdelijk functionaris als administrateur [...] arts”, de aankondiging van die procedure voorzag immers eveneens in de opstelling van een lijst van geschikte kandidaten bestaande uit de vier beste kandidaten.

47      In tegenstelling tot hetgeen verzoekster stelt, volgt hieruit dat de omstandigheid dat zij niet was geplaatst op de lijst van geslaagde kandidaten van selectieprocedure PE/95/S en zij geen aanspraak kon maken op aanstelling in een van de te vervullen ambten krachtens artikel 7, lid 2, of artikel 7, lid 3, eerste streepje, van de interne regeling, een doorslaggevend argument was dat het Parlement niet buiten beschouwing kon laten, en dit ongeacht de fout die het in het verleden met betrekking tot de kwalificatie van haar overeenkomst vanaf 26 maart 2008 had gemaakt.

48      Bovendien mag een instelling de overeenkomst voor onbepaalde tijd van een tijdelijk functionaris opzeggen op grond dat hij, zoals in casu het geval is, niet is geplaatst op de lijst van geslaagde kandidaten van een vergelijkend onderzoek of van een andere selectietoets (zie arrest Gerecht van eerste aanleg van 5 december 2002, Hoyer/Commissie, T‑70/00, punt 44).

49      De door verzoekster ter terechtzitting aangevoerde argumenten kunnen de voorgaande overwegingen niet met succes ter discussie stellen.

50      Het Statuut en de RAP hebben weliswaar voorrang op de interne regeling, doch artikel 7 van die regeling maakt geen inbreuk op een van hun voorschriften door te bepalen dat tijdelijk functionarissen moeten worden aangeworven onder de geslaagde kandidaten van vergelijkende onderzoeken of selectieprocedures en dat een kandidaat die niet aan die formaliteiten heeft voldaan, alleen bij wijze van uitzondering en voorlopig als tijdelijk functionaris kan worden aangesteld.

51      Verzoekster merkt nochtans op dat zij als gevolg van artikel 8, eerste alinea, RAP na het aanhangsel van 26 maart 2008 was aangesteld op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd, op een tijdstip waarop sinds 28 januari daaraan voorafgaand reeds vaststond dat zij niet mocht deelnemen aan selectieprocedure PE/95/S. Zij betoogt in dit kader dat overeenkomsten voor onbepaalde tijd de rechthebbende ervan een bepaalde stabiele dienstverhouding garanderen, terwijl overeenkomsten voor bepaalde tijd op grond van clausule 3 van de raamovereenkomst juist tot doel hebben, in ambten te voorzien met name in afwachting van het intreden van een bepaalde gebeurtenis. De overeenkomst voor onbepaalde tijd die zij op dat moment had gekregen kon niet tot doel hebben, voorlopig in een ambt van arts te voorzien en de aanwervingsvoorwaarden van artikel 7 van de interne regeling konden niet langer tegen haar worden gebruikt.

52      Het is juist dat de duur van een overeenkomst volgens artikel 3, lid 1, van de raamovereenkomst niet alleen kan worden bepaald door „het bereiken van een bepaald tijdstip”, maar eveneens door „het intreden van een bepaalde gebeurtenis” (zie arrest Gerecht van 15 september 2011, Bennett e.a./BHIM, F‑102/09, punt 85). Het is eveneens juist dat de aanwerving van geslaagde kandidaten van selectieprocedure PE/95/S een „bepaalde gebeurtenis” vormde die, in afwachting daarvan, niet de sluiting van verschillende overeenkomsten voor bepaalde tijd met elk een precieze afloopdatum zou hebben gerechtvaardigd, maar wel van een overeenkomst voor bepaalde tijd die door die aanwerving zou zijn beëindigd. Zoals in punt 37 hierboven ter sprake is gebracht, heeft het Gerecht die mogelijkheid overigens geopperd in punt 56 van het arrest Scheefer.

53      Dit neemt echter niet weg dat de herkwalificatie van het aanhangsel van 26 maart 2008 als overeenkomst voor onbepaalde tijd waardoor het Parlement overeenkomstig artikel 8, eerste alinea, RAP is bestraft voor het feit dat het met verzoekster opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd met een precieze afloopdatum had gesloten, hem niet de mogelijkheid heeft ontnomen om die overeenkomst te beëindigen onder de voorwaarden voorzien in artikel 47, sub c‑i, RAP. De gebruikmaking van overeenkomsten voor onbepaalde tijd biedt de rechthebbende ervan immers niet de stabiliteit van een aanstelling als ambtenaar.

54      De omstandigheid dat verzoekster sinds 26 maart 2008 was aangesteld op basis van een overeenkomst voor onbepaalde tijd kon haar met name niet beschermen tegen ontslag als gevolg van de aanwerving van geslaagde kandidaten van selectieprocedure PE/95/S, daar er op die datum een grote mate van onzekerheid bestond verband houdende met het feit dat de lijst van geschikte kandidaten nog niet was vastgesteld en de door het Parlement ter terechtzitting genoemde omstandigheid dat niet zeker was dat de voor die selectieprocedure geslaagde artsen definitief een ambt zouden aanvaarden waardoor zij hun vrije praktijk moesten opgeven.

55      Het tweede onderdeel van tweede middel moet derhalve worden afgewezen.

–       Derde onderdeel van het tweede middel: misbruik van bevoegdheid

56      Verzoekster stelt dat het Parlement de hem bij artikel 47, sub c‑i, RAP verleende bevoegdheid heeft gebruikt om de moeilijkheden te omzeilen die zijn ontstaan door de kunstgrepen die het had toegepast door haar in 2008 niet een overeenkomst voor onbepaalde tijd te geven.

57      Dit derde onderdeel kan niet slagen, daar verzoekster geen objectieve, precieze en onderling overeenstemmende aanwijzingen geeft over het feit dat het Parlement artikel 47 RAP zijn doel heeft ontnomen.

58      Bovendien is in de punten 46 en 47 van dit arrest uiteengezet dat het Parlement, los van zijn fout in het verleden, wel rekening moest houden met artikel 7 van zijn interne regeling en met het feit dat verzoekster niet was geplaatst op de lijst van geschikte kandidaten die na selectieprocedure PE/95/S was opgesteld.

59      Gelet op het voorgaande, moet het tweede middel in zijn geheel worden afgewezen.

 Derde middel: schending van de zorgplicht, misbruik van recht alsmede schending van de beginselen van behoorlijk bestuur en van de uitvoering te goeder trouw van overeenkomsten

60      Verzoekster stelt dat het Parlement noch met haar belang noch met dat van de dienst rekening heeft gehouden. Zo heeft het niet geprobeerd om in overleg met haar een oplossing te vinden. Zelfs zonder haar ook maar te hebben gehoord, heeft het in het bestreden besluit de kunstgreep toegepast waarvoor het door het Gerecht in het arrest Scheefer reeds was bestraft. Op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur moet het gezag echter rekening houden met alle elementen die zijn besluit kunnen bepalen. Indien het Parlement de RAP had geëerbiedigd en met verzoekster een overeenkomst voor onbepaalde tijd had gesloten, was het in zijn eigen belang geweest om haar in haar ambt te handhaven, daar zij niet was tekortgeschoten, maar in het artsenteam van het Parlement te Luxemburg juist een zekere ervaring had opgedaan. Door zich te beroepen op een grond ontleend aan zijn eigen fout zonder te trachten om zowel voor hemzelf als voor verzoekster een juridisch aanvaardbare oplossing te vinden, heeft het Parlement zich bovendien schuldig gemaakt aan schending van het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd en heeft het misbruik van recht gemaakt.

61      Geoordeeld is echter dat het feit dat een kandidaat als tijdelijk functionaris soortgelijke functies uitoefent als die waarvoor een vergelijkend onderzoek is georganiseerd, de instelling niet verhindert om rekening te houden met het feit dat de betrokkene niet voor dat vergelijkend onderzoek is geslaagd teneinde zijn overeenkomst te beëindigen (zie arrest Hoyer/Commissie, aangehaald in punt 48 hierboven, punt 47). In dit licht moet eveneens worden erkend dat de omstandigheid dat verzoekster voorlopig en in afwachting van de uitslag van selectieprocedure PE/95/S op basis van een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd de functie van arts uitoefende, het Parlement niet verhinderde om rekening te houden met het feit dat zij niet was geplaatst op de lijst van geschikte kandidaten van die selectieprocedure om haar overeenkomst te beëindigen, op grond dat alle vacante ambten van arts thans werden vervuld door geslaagde kandidaten van die selectieprocedure.

62      Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 7 van de interne regeling tot doel heeft, de aanwerving van tijdelijk functionarissen voor de diensten van het Parlement te organiseren door hun duurzame aanwerving in het belang van behoorlijk bestuur afhankelijk te stellen van een selectieprocedure en dat het Parlement, zoals eerder reeds gezegd, in beginsel gebonden was aan die bepaling alsmede aan het feit dat verzoekster niet was geplaatst op de lijst van geschikte kandidaten van selectieprocedure PE/95/S. Zelfs al had het Parlement verzoekster op 26 maart 2008 een overeenkomst van tijdelijk functionaris voor onbepaalde tijd gegeven, het had haar dus niet een vacant ambt van arts kunnen aanbieden zonder de gelijke behandeling te schenden van kandidaten van die selectieprocedure ten nadele van, met name, de geslaagde kandidaten daarvan.

63      Voorts heeft het Parlement betoogd dat het alvorens verzoekster te ontslaan overeenkomstig de zorgplicht heeft onderzocht of zij kon worden tewerkgesteld in een ander ambt van arts binnen het artsenteam, maar dit bleek onmogelijk wegens haar specifieke kwalificaties. Vastgesteld zij echter dat verzoekster alleen vordert dat zij wordt gehandhaafd in haar ambt van arts binnen het artsenteam te Luxemburg.

64      Verzoekster stelt ook dat het Parlement niet heeft geprobeerd om samen met haar een oplossing te vinden en dat het haar heeft ontslagen zonder haar ook maar te hebben gehoord, hetgeen inderdaad het geval is.

65      Laatstgenoemde kritiek lijkt samen te vallen met de grief ontleend aan schending van de zorgplicht waarop zojuist is ingegaan.

66      Aangenomen dat verzoekster echter een grief heeft willen aanvoeren ontleend aan schending van de rechten van de verdediging of van het beginsel van behoorlijk bestuur, op grond dat het Parlement haar niet in staat heeft gesteld om haar standpunt uiteen te zetten, moet eraan worden herinnerd dat schending van het recht om te worden gehoord alleen kan leiden tot nietigverklaring van het genomen besluit indien de procedure zonder schending van dat recht een andere uitkomst had kunnen hebben (zie arrest Hof van 12 november 1996, Ohja/Commissie, C‑294/95 P, punt 67; arresten Gerecht van eerste aanleg van 18 januari 2000, Mehibas Dordtselaan/Commissie, T‑290/97, punt 47, en 23 april 2002, Campolargo/Commissie, T‑372/00, punt 39; arrest Gerecht van 8 maart 2011, De Nicola/EIB, F‑59/09, punt 182, waartegen hogere voorziening is ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, zaak T‑264/11 P). Gelet op artikel 7 van de interne regeling, de verplichting om de gelijkheid van kandidaten van selectieprocedure PE/95/S te eerbiedigen, het feit dat verzoekster niet was geplaatst op de lijst van geschikte kandidaten die na die procedure was opgesteld en de omstandigheid dat het TAOBG gebonden was aan het aantal posten waarin moest worden voorzien, had in casu echter geen ander besluit dan het bestreden besluit kunnen worden genomen indien verzoekster wel in staat was gesteld haar opmerkingen te maken.

67      Vastgesteld moet worden dat het derde middel dus niet gegrond is en dat de vordering tot nietigverklaring bij gebreke van enig gegrond middel dus moet worden afgewezen.

 Vordering tot een uitspraak van het Gerecht over alle (financiële) gevolgen voortvloeiende uit de nietigverklaring van het bestreden besluit en vordering tot betaling van een schadevergoeding

68      Verzoekster vraagt het Gerecht om haar in het kader van zijn volledige rechtsmacht te plaatsen in de positie die zij in geval van nietigverklaring van het bestreden besluit zou hebben gehad, te weten dat zij nog steeds in dienst is bij het artsenteam van het Parlement te Luxemburg.

69      Voor het geval dit onmogelijk zou zijn, vraagt zij het Gerecht om het Parlement te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 288 000 EUR, dat wil zeggen 36 maandsalarissen, aan haar. Voorts vraagt zij om het Parlement te veroordelen tot betaling van het bedrag van 15 000 EUR ter vergoeding van haar immateriële schade. Deze schade zou voortvloeien uit de nogal oneerbiedige wijze waarop haar sociale rechten zijn behandeld, het gevoel om misleid te zijn over haar loopbaanperspectieven en het feit dat zij een tweede procedure heeft moeten aanspannen om haar rechten te doen gelden.

70      Deze vordering sluit aan bij de vordering tot nietigverklaring en moet als gevolg van de afwijzing van laatstgenoemde vordering eveneens worden afgewezen.

71      Zelfs al zou ter rechtvaardiging van de vergoeding van immateriële schade worden aangenomen dat verzoekster zich baseert op gedragingen van het Parlement die niet het karakter van een besluit hebben, namelijk dat het haar heeft misleid over haar loopbaanperspectieven en de oneerbiedige wijze waarop haar sociale rechten zijn behandeld, dan nog moet worden vastgesteld dat de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk is omdat deze niet is voorafgegaan door een verzoek op basis van artikel 46 RAP en artikel 90 van het Statuut.

 Kosten

72      Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.

73      Uit de hierboven uiteengezette rechtsoverwegingen volgt dat verzoekster in het ongelijk is gesteld. Voorts heeft het Parlement in zijn conclusies uitdrukkelijk gevorderd om verzoekster te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de onderhavige zaak niet de toepassing van de bepalingen van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering rechtvaardigen, moet verzoekster worden verwezen in haar eigen kosten en in die van het Parlement.

HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Derde kamer),

rechtdoende, verklaart:

1)      Het beroep wordt verworpen.

2)      S. Scheefer draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het Europees Parlement.

Van Raepenbusch

Boruta

Barents

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 6 maart 2013.

De griffier

 

       De president

W. Hakenberg

 

       S. Van Raepenbusch


* Procestaal: Frans.