Language of document : ECLI:EU:C:2021:528

ARREST VAN HET HOF (Zesde kamer)

1 juli 2021 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 650/2012 – Europese erfrechtverklaring – Geldigheid van een gewaarmerkt afschrift van de erfrechtverklaring zonder vermelding van een einddatum – Artikel 65, lid 1 – Artikel 69 – Rechtsgevolgen van de verklaring jegens personen die daarop staan vermeld, maar die niet om afgifte ervan hebben verzocht – Artikel 70, lid 3 – Tijdstip waarop de geldigheid van het afschrift wordt beoordeeld – Rechtsgevolgen voor de bewijskracht van het afschrift”

In zaak C‑301/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 27 mei 2020, ingekomen bij het Hof op 7 juli 2020, in de procedure

UE,

HC

tegen

Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank AG,

in tegenwoordigheid van:

Nalatenschap van VJ,

wijst

HET HOF (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: L. Bay Larsen, kamerpresident, C. Toader (rapporteur) en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–        de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door J. Schmoll, E. Samoilova en A. Posch als gemachtigden,

–        de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller, M. Hellmann en U. Bartl als gemachtigden,

–        de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. J. Ruiz Sánchez als gemachtigde,

–        de Hongaarse regering, vertegenwoordigd door M. Z. Fehér en K. Szíjjártó als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en M. Heller als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 april 2021,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 63, artikel 65, lid 1, artikel 69 en artikel 70, lid 3, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen, enerzijds, UE en HC, zoon en dochter van VJ, overleden, met laatste gewone verblijfplaats in Spanje, en, anderzijds, Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank AG, een bank met zetel in Oostenrijk, over een verzoek om vrijgave van een door deze bank in gerechtelijke bewaring gegeven geldsom en waardepapieren.

 Toepasselijke bepalingen

3        De overwegingen 7, 67, 71 en 72 van verordening nr. 650/2012 luiden als volgt:

„(7)      De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.

[…]

(67)      Een snelle, soepele en efficiënte behandeling van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen in de Unie impliceert dat de erfgenamen, de legatarissen, de executeurs-testamentair en de beheerders van de nalatenschap eenvoudig hun rechtspositie en/of rechten en bevoegdheden moeten kunnen aantonen in een andere lidstaat, bijvoorbeeld een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden. Om dit te verwezenlijken, moet bij deze verordening worden voorzien in de instelling van een eenvormige verklaring, de Europese erfrechtverklaring (hierna ‚de erfrechtverklaring’), die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt. […]

[…]

(71)      De erfrechtverklaring moet in alle lidstaten dezelfde rechtsgevolgen hebben. De erfrechtverklaring moet niet een zelfstandige executoriale titel zijn, maar moet bewijskracht hebben en moet worden geacht nauwkeurig aan te geven welke elementen zijn vastgesteld krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht of krachtens een ander rechtsstelsel dat van toepassing is op bepaalde elementen, bijvoorbeeld de materiële geldigheid van een uiterste wilsbeschikking. […] Hij die betalingen verricht of goederen uit de nalatenschap overdraagt aan iemand die in de erfrechtverklaring wordt aangeduid als gerechtigd om de betaling of het goed als erfgenaam of legataris in ontvangst te nemen, moet afdoende worden beschermd indien hij, op basis van de in de erfrechtverklaring bevestigde informatie, te goeder trouw heeft gehandeld. Deze bescherming moet ook worden verleend aan hem die, afgaand op de nauwkeurigheid van de in de erfrechtverklaring geattesteerde informatie, goederen uit de nalatenschap koopt of ontvangt van iemand die in de erfrechtverklaring wordt aangeduid als gerechtigd over die goederen te beschikken. De bescherming moet worden verleend als geldige afschriften van de erfrechtverklaring worden overgelegd. […]

(72)      De bevoegde instantie geeft de erfrechtverklaring uit op verzoek. Het origineel van de erfrechtverklaring moet onder de instantie van afgifte blijven; zij moet een of meer gewaarmerkte afschriften ervan verstrekken aan de aanvrager en aan eenieder die een rechtmatig belang aantoont. […]”

4        Artikel 62 („Instelling van een Europese erfrechtverklaring”) van deze verordening luidt:

„1.      Bij deze verordening wordt een Europese erfrechtverklaring (hierna ‚erfrechtverklaring’) ingesteld, die wordt afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt en die de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen heeft.

2.      Het gebruik van de erfrechtverklaring is niet verplicht.

3.      De erfrechtverklaring komt niet in de plaats van de documenten die in de lidstaten voor soortgelijke doeleinden worden gebruikt. Zodra de erfrechtverklaring evenwel, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, is afgegeven om in een andere lidstaat te worden gebruikt, heeft zij tevens de in artikel 69 omschreven rechtsgevolgen in de lidstaat van afgifte.”

5        Artikel 63 („Doel van de erfrechtverklaring”) van die verordening bepaalt:

„1.      De erfrechtverklaring is bestemd voor erfgenamen, rechtstreeks tot de nalatenschap gerechtigde legatarissen en voor executeurs-testamentair of beheerders van de nalatenschap, die zich in een andere lidstaat dienen te beroepen op hun hoedanigheid of de daaraan verbonden rechten en/of bevoegdheden dienen aan te tonen.

2.      De erfrechtverklaring kan met name worden gebruikt om het bewijs te leveren van een of meer van het volgende:

a)      de rechtspositie en/of de rechten van alle erfgenamen en, in voorkomend geval, alle legatarissen die in de erfrechtverklaring worden genoemd, alsmede hun erfdeel of legaat;

[…]”

6        Artikel 65 („Aanvraag van een erfrechtverklaring”) van dezelfde verordening luidt als volgt:

„1.      De erfrechtverklaring wordt afgegeven op verzoek van een van de in artikel 63, lid 1, bedoelde personen (hierna ‚de aanvrager’).

[…]

3.      De aanvraag bevat de volgende informatie, voor zover deze de aanvrager bekend is en de autoriteit van afgifte deze nodig heeft om de juistheid van de gegevens te kunnen vaststellen, welke de aanvrager gestaafd wil hebben, en gaat vergezeld van alle nodige documenten, hetzij de originele documenten, hetzij afschriften aan de hand waarvan de echtheid ervan kan worden vastgesteld, onverminderd artikel 66, lid 2:

[…]

e)      de gegevens van de andere mogelijke rechthebbenden volgens de uiterste wilsbeschikking en/of volgens de wet: achternaam en voornaam of voornamen of naam van de organisatie, identificatienummer (indien van toepassing) en adres;

[…]”

7        Artikel 68 („Inhoud van de erfrechtverklaring”) van verordening nr. 650/2012 luidt:

„De erfrechtverklaring bevat de volgende gegevens, voor zover deze nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij wordt afgegeven:

[…]

g)      de gegevens van de rechthebbenden: naam (in voorkomend geval naam bij geboorte), voornaam of voornamen en identificatienummer (indien van toepassing);

[…]”

8        Artikel 69 („Rechtsgevolgen van de erfrechtverklaring”) van deze verordening bepaalt:

„1.      De erfrechtverklaring heeft rechtsgevolgen in alle lidstaten zonder dat daartoe een procedure vereist is.

2.      De erfrechtverklaring wordt geacht datgene nauwkeurig aan te tonen dat vaststaat volgens het recht dat van toepassing is op de erfopvolging, dan wel volgens enig ander recht van toepassing op specifieke gegevens. Degene die in de erfrechtverklaring als erfgenaam, legataris, executeur-testamentair of beheerder van de nalatenschap wordt genoemd, wordt geacht de in de erfrechtverklaring genoemde hoedanigheid te hebben en/of de houder te zijn van de in de erfrechtverklaring vermelde rechten of bevoegdheden, zonder andere voorwaarden en/of beperkingen met betrekking tot die rechten of bevoegdheden dan die welke in de erfrechtverklaring vermeld zijn.

3.      Eenieder die, handelend op grond van de in de erfrechtverklaring geattesteerde informatie, betalingen verricht of een goed overdraagt aan een persoon die in de erfrechtverklaring wordt genoemd als bevoegd om betalingen of goederen in ontvangst te nemen, wordt geacht een transactie te hebben verricht met een persoon die bevoegd is betalingen of goederen te ontvangen, tenzij hij weet, of door grove nalatigheid niet weet, dat de inhoud van de erfrechtverklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt.

4.      Indien degene die in de erfrechtverklaring wordt genoemd als bevoegd om over goederen uit de nalatenschap te beschikken, deze goederen aan een ander overdraagt, dan wordt laatstgenoemde, handelend op grond van de in de verklaring geattesteerde informatie, geacht een rechtshandeling te hebben verricht met een persoon die bevoegd is om over de betrokken goederen te beschikken, tenzij hij weet, of door grove nalatigheid niet weet, dat de inhoud van de erfrechtverklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt.

5.      Onverminderd artikel 1, lid 2, onder k) en l), is de erfrechtverklaring een geldig document voor de inschrijving van goederen uit de nalatenschap in het desbetreffende register in een lidstaat.”

9        Artikel 70 („Gewaarmerkte afschriften van de erfrechtverklaring”) van die verordening bepaalt:

„1.      De autoriteit van afgifte bewaart het origineel van de erfrechtverklaring en verstrekt een of meer gewaarmerkte afschriften aan de aanvrager en aan eenieder die een rechtmatig belang aantoont.

2.      De autoriteit van afgifte houdt, voor de toepassing van artikel 71, lid 3, en artikel 73, lid 2, een lijst bij van de personen aan wie overeenkomstig lid 1 gewaarmerkte afschriften zijn verstrekt.

3.      De verstrekte gewaarmerkte afschriften zijn geldig gedurende een beperkte termijn van zes maanden, waarvan de einddatum op het gewaarmerkte afschrift wordt aangegeven. In uitzonderlijke gevallen kan de autoriteit van afgifte hiervan afwijken en beslissen dat de geldigheidsduur langer is. Na het verstrijken van deze termijn dient eenieder die in het bezit is van een gewaarmerkt afschrift, wil hij de erfrechtverklaring kunnen gebruiken voor de in artikel 63 genoemde doeleinden, de verlenging van de geldigheid van het gewaarmerkte afschrift te vragen of bij de autoriteit van afgifte een nieuw gewaarmerkt afschrift aan te vragen.”

10      Artikel 71 („Correctie, wijziging of intrekking van de erfrechtverklaring”) van deze verordening bepaalt in lid 3:

„De autoriteit van afgifte stelt eenieder die overeenkomstig artikel 70, lid 1, gewaarmerkte afschriften van de erfrechtverklaring heeft ontvangen, onverwijld in kennis van de correctie, wijziging of intrekking.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

11      Vorarlberger Landes- und Hypothekenbank heeft een geldsom en waardepapieren in gerechtelijke bewaring gegeven nadat HC, UE en hun vader, VJ, om teruggave van deze activa hadden verzocht en daarbij onderling strijdige aanspraken hadden laten gelden, waarvan onduidelijk was of ze gegrond waren.

12      VJ, die zijn laatste gewone verblijfplaats in Spanje had, is op 5 mei 2017 overleden. Na zijn overlijden werd de erfopvolgingsprocedure naar Spaans recht voor een Spaanse notaris afgehandeld.

13      HC en UE hebben verzocht om de vrijgave van de in bewaring gegeven vermogensbestanddelen. Om aan te tonen dat zij erfgenamen zijn van VJ, hebben zij aan het Bezirksgericht Bregenz (rechter in eerste aanleg Bregenz, Oostenrijk) een gewaarmerkt afschrift overgelegd van een Europese erfrechtverklaring die overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van verordening nr. 650/2012 door de Spaanse notaris op verzoek van HC is afgegeven. Dit afschrift, dat de vorm aanneemt van een „formulier V” (hierna: „formulier V”), zoals vastgesteld in uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in verordening nr. 650/2012 (PB 2014, L 359, blz. 30), bevat de vermelding „onbeperkt” in de rubriek „geldig tot en met”. UE wordt in deze erfrechtverklaring naast zijn zus genoemd als begunstigde van de helft van de betrokken erfenis.

14      Het Bezirksgericht Bregenz heeft het verzoek van HC en UE afgewezen. Het Landesgericht Feldkirch (rechter in tweede aanleg Feldkirch, Oostenrijk) heeft het hoger beroep tegen de beslissing in eerste aanleg verworpen. Het heeft geoordeeld dat, ten eerste, alleen de persoon die om de afgifte van de Europese erfrechtverklaring heeft verzocht, zijn rechten kan aantonen door deze erfrechtverklaring over te leggen, ten tweede, de afgifte van een afschrift van een dergelijke erfrechtverklaring met onbepaalde geldigheidsduur in strijd is met het vereiste om voor de behandeling van dit afschrift te voorzien in een beperkte geldigheidsduur van zes maanden en, ten derde, dit afschrift geldig moet zijn op de datum waarop de rechter in eerste aanleg zijn beslissing wijst.

15      Bij de verwijzende rechter, het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), is tegen de beslissing van het Landesgericht Feldkirch beroep in Revision ingesteld. Die wijst erop dat in bewaring gegeven activa naar Oostenrijks recht, zolang er geen definitieve rechterlijke beslissing is gewezen, alleen mogen worden vrijgegeven op gezamenlijk en schriftelijk verzoek van alle partijen („tegenpartijen”). Om uitspraak te kunnen doen, wenst de verwijzende rechter bijgevolg te vernemen of het afschrift van de Europese erfrechtverklaring kan worden gebruikt om de rechten van de erfgenamen aan te tonen.

16      In het bijzonder uit de verwijzende rechter ten eerste twijfels over de geldigheid van een gewaarmerkt afschrift zonder einddatum. Hij merkt op dat verordening nr. 650/2012 niet in een dergelijk geval voorziet en dat er dienaangaande geen rechtspraak van het Hof bestaat. Hij wijst op de mogelijkheid dat dit document wegens deze onregelmatigheid geen rechtsgevolgen sorteert, evenals op het feit dat de vermelding „onbeperkt” een verlenging van de geldigheidsduur zou kunnen inhouden indien zij als een „uitzonderlijk geval” in de zin van artikel 70, lid 3, van die verordening kan worden beschouwd. De bewoordingen van deze bepaling kunnen echter ook aldus worden uitgelegd dat dit document slechts zes maanden geldig is, en dan rijst de vraag vanaf welke datum deze termijn moet worden berekend.

17      Ten tweede vraagt deze rechter zich af of de gevolgen van de Europese erfrechtverklaring enkel gelden voor de „aanvrager” ervan of voor alle daarin vermelde personen. Verordening nr. 650/2012 voorziet immers niet in het geval waarin slechts één van de erfgenamen om afgifte van deze verklaring verzoekt.

18      Ten derde vraagt de verwijzende rechter zich af wat de eventuele gevolgen zijn van het verstrijken van de geldigheidsduur van een afschrift van de Europese erfrechtverklaring. In dit verband wijst hij op uiteenlopende standpunten in de desbetreffende rechtsleer en op discrepanties tussen de rechtspraak van de Oostenrijkse en de Duitse rechterlijke instanties over de vraag of het volstaat dat dit afschrift geldig is wanneer het verzoek bij de aangezochte autoriteit wordt ingediend dan wel of het nog geldig moet zijn op het tijdstip waarop de beslissing wordt gegeven.

19      In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moet artikel 70, lid 3, van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat een afschrift van de erfrechtverklaring dat is afgegeven in strijd met die bepaling, dat wil zeggen voor onbepaalde tijd en zonder vermelding van een einddatum,

–        voor onbepaalde tijd geldig is en rechtsgevolgen sorteert, dan wel

–        slechts geldig is gedurende zes maanden, te rekenen vanaf de datum van afgifte van het gewaarmerkte afschrift, dan wel

–        slechts geldig is gedurende zes maanden, te rekenen vanaf een andere datum, dan wel

–        ongeldig is en niet geschikt is om te worden gebruikt in de zin van artikel 63 van verordening nr. 650/2012?

2)      Moet artikel 65, lid 1, juncto artikel 69, lid 3, van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat de erfrechtverklaring rechtsgevolgen heeft voor iedere persoon die in de erfrechtverklaring met naam wordt vermeld als erfgenaam, legataris, executeur-testamentair of beheerder van de nalatenschap, zodat ook personen die niet zelf om de afgifte van de erfrechtverklaring hebben verzocht, ervan kunnen gebruikmaken overeenkomstig artikel 63 van verordening nr. 650/2012?

3)      Moet artikel 69 juncto artikel 70, lid 3, van verordening nr. 650/2012 aldus worden uitgelegd dat de legitimerende werking van het gewaarmerkte afschrift van een erfrechtverklaring moet worden erkend wanneer het bij de eerste overlegging ervan nog geldig was, maar de geldigheidsduur ervan is verstreken voordat de bevoegde autoriteit het aangevraagde besluit vaststelt, of verzet deze bepaling zich niet tegen een voorschrift van nationaal recht op grond waarvan de verklaring ook op het tijdstip van dat besluit geldig moet zijn?”

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Eerste en derde prejudiciële vraag

20      Met zijn eerste en zijn derde vraag, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 70, lid 3, van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een gewaarmerkt afschrift van de Europese erfrechtverklaring met de vermelding „onbeperkte duur” geldig is en dat de gevolgen ervan in de zin van artikel 69 van deze verordening zonder tijdsbeperking moeten worden erkend, wanneer dit afschrift geldig was bij de eerste overlegging ervan.

21      Om te beginnen moet worden opgemerkt dat de termijn van artikel 70, lid 3, van verordening nr. 650/2012 geen betrekking heeft op de geldigheidsduur van de Europese erfrechtverklaring, maar enkel op die van de gewaarmerkte afschriften ervan. Zoals blijkt uit lid 1 van dit artikel 70, gelezen in het licht van overweging 72 van deze verordening, moet de Europese erfrechtverklaring overigens worden bewaard door de autoriteit van afgifte, die afschriften ervan verstrekt.

22      Uit de bewoordingen van artikel 70, lid 3, van verordening nr. 650/2012 blijkt dat de gewaarmerkte afschriften van deze verklaring slechts geldig zijn gedurende een termijn van zes maanden, die op het betrokken afschrift moet worden aangegeven door vermelding van de einddatum. In uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan de autoriteit van afgifte een langere geldigheidsduur vaststellen. Wanneer die termijn van zes maanden is verstreken, dient eenieder die in het bezit is van een gewaarmerkt afschrift van een Europese erfrechtverklaring, te verzoeken om verlenging van de geldigheid van dit afschrift of bij de autoriteit van afgifte een nieuw gewaarmerkt afschrift aan te vragen, wil hij deze verklaring kunnen gebruiken voor de in artikel 63 genoemde doeleinden.

23      De beperking van de geldigheidsduur van de afschriften is immers ingegeven door het feit dat de Europese erfrechtverklaring rechtsgevolgen heeft in alle lidstaten en moet worden geacht nauwkeurig aan te geven welke elementen zijn vastgesteld krachtens het op de erfopvolging toepasselijke recht of krachtens een ander rechtsstelsel dat van toepassing is op bepaalde elementen, alsmede de hoedanigheid en de rechten aan te geven van de personen die overeenkomstig artikel 69, leden 1 en 2, van deze verordening zijn aangewezen als erfgenamen, legatarissen, executeurs-testamentair of beheerders van de nalatenschap.

24      Zoals de advocaat-generaal in punt 41 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, maakt de in artikel 70, lid 3, van verordening nr. 650/2012 bepaalde termijn van zes maanden het mogelijk om te garanderen dat de inhoud van het gewaarmerkte afschrift van de Europese erfrechtverklaring en de juridische realiteit van de nalatenschap overeenstemmen, en met name om op gezette tijden na te gaan of deze verklaring niet krachtens artikel 71 van deze verordening is gecorrigeerd, ingetrokken of gewijzigd, dan wel of de rechtsgevolgen ervan niet op grond van artikel 73 van deze verordening zijn opgeschort.

25      Hieruit volgt dat de geldigheid van een dergelijk gewaarmerkt afschrift, behoudens uitzonderlijke gevallen, beperkt is tot zes maanden.

26      Niettemin rijst de vraag of dit afschrift moet worden geacht zes maanden geldig te zijn wanneer de autoriteit van afgifte op formulier V uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het geen einddatum heeft, dan wel of het ontbreken van een einddatum eraan in de weg staat dat dit afschrift wordt gebruikt in de zin van artikel 63 van verordening nr. 650/2012.

27      In dit verband moet worden opgemerkt dat de doelstelling van verordening nr. 650/2012 – die, zoals blijkt uit overweging 7 ervan, erin bestaat de goede werking van de interne markt te vergemakkelijken door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen –, zou worden ondermijnd indien de erfgenamen of andere personen die een legitiem belang hebben, hun rechten niet zouden kunnen aantonen wegens een vormfout in het gewaarmerkte afschrift van de Europese erfrechtverklaring dat hun is afgegeven, maar een nieuw afschrift van deze verklaring zouden moeten vragen, wat mogelijkerwijs kan leiden tot langere termijnen en hogere kosten.

28      Wanneer een gewaarmerkt afschrift van de Europese erfrechtverklaring de vermelding „onbeperkt” draagt, moet dit afschrift dus worden geacht zes maanden geldig te zijn.

29      Wat de aanvang van de geldigheidsduur van dit afschrift betreft, moet worden opgemerkt dat de autoriteit van afgifte op formulier V na de geldigheidsdatum van het gewaarmerkte afschrift de afgiftedatum ervan moet vermelden. De geldigheidsduur moet dus worden berekend vanaf die datum, die de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid met betrekking tot het gebruik van dit afschrift waarborgt.

30      Aangaande de vragen van de verwijzende rechter over de datum waarop het gewaarmerkte afschrift van de Europese erfrechtverklaring geldig moet zijn om rechtsgevolgen te sorteren in de zin van artikel 69 van verordening nr. 650/2012, en met name over het verstrijken van de geldigheid van dit afschrift in de loop van de procedure, moet worden vastgesteld dat geen enkele bepaling van deze verordening rechtstreeks op deze vraag antwoordt.

31      Zoals de advocaat-generaal met name in punt 49 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet dit afschrift echter in alle lidstaten dezelfde gevolgen hebben, zodat de geldigheid ervan moet worden geregeld door verordening nr. 650/2012.

32      Uit overweging 71 van verordening nr. 650/2012 blijkt immers dat de Europese erfrechtverklaring in alle lidstaten dezelfde rechtsgevolgen moet teweegbrengen en dat aan personen die vertrouwen op de nauwkeurigheid van de in de erfrechtverklaring geattesteerde informatie bescherming moet worden verleend zolang geldige gewaarmerkte afschriften worden overgelegd. Dit waarborgt met name de bescherming van derden die een betaling verrichten of goederen uit de nalatenschap overdragen aan iemand die in de erfrechtverklaring wordt aangeduid als gerechtigd om de betaling of het goed als erfgenaam in ontvangst te nemen.

33      Indien werd geëist dat het gewaarmerkte afschrift van de Europese erfrechtverklaring geldig is op de datum waarop de autoriteit waaraan dit afschrift is overgelegd, de verlangde beslissing geeft, of tijdens de daarop betrekking hebbende gerechtelijke procedure, en niet op de datum van indiening van het verzoek, zou dat echter afbreuk kunnen doen aan de rechten van de erfgenamen en anderen die tot de nalatenschap gerechtigd zijn, die geen enkele invloed hebben op de duur van de procedure die tot deze beslissing leidt en, in voorkomend geval, herhaaldelijk een dergelijk afschrift zouden moeten aanvragen en overleggen.

34      Zoals de advocaat-generaal in de punten 58 en 59 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zou een dergelijke uitlegging vertragingen en aanvullende handelingen en inspanningen tot gevolg hebben, zowel voor de betrokkenen als voor de autoriteiten die belast zijn met de erfopvolging, hetgeen in strijd zou zijn met de doelstelling van verordening nr. 650/2012, die, zoals in punt 27 van dit arrest in herinnering is gebracht, erin bestaat een nalatenschap met grensoverschrijdende gevolgen evenals de rechten van degenen die tot de nalatenschap gerechtigd zijn snel, gemakkelijk en doeltreffend te regelen, zoals blijkt uit de overwegingen 7 en 67 van deze verordening.

35      Bovendien bepaalt artikel 71, lid 3, van verordening nr. 650/2012 dat de autoriteit van afgifte de personen die gewaarmerkte afschriften hebben ontvangen, van wie zij krachtens artikel 70, lid 2, van deze verordening een lijst bijhoudt, onverwijld in kennis stelt van elke correctie, wijziging of intrekking van de Europese erfrechtverklaring om, overeenkomstig overweging 72 van die verordening, onrechtmatig gebruik van die afschriften te voorkomen en het risico te beperken dat het gewaarmerkte afschrift waarvan de geldigheid ten tijde van de vaststelling van de gevraagde beslissing is verstreken, niet overeenstemt met de inhoud van de Europese erfrechtverklaring.

36      Zoals de advocaat-generaal in punt 70 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kan de autoriteit waaraan het afschrift van de Europese erfrechtverklaring is overgelegd en die over elementen beschikt die redelijkerwijs rechtvaardigen dat zij de status van de verklaring in twijfel trekt, bij uitzondering verzoeken om overlegging van een nieuw afschrift of een afschrift waarvan de geldigheidsduur is verlengd.

37      Gelet op een en ander dient op de eerste en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 70, lid 3, van verordening nr. 650/2012 aldus moet worden uitgelegd dat een gewaarmerkt afschrift van de Europese erfrechtverklaring met de vermelding „onbeperkte duur” geldig is gedurende zes maanden vanaf de datum van afgifte ervan en rechtsgevolgen teweegbrengt in de zin van artikel 69 van deze verordening indien het geldig was op het tijdstip waarop het voor het eerst aan de bevoegde autoriteit werd overgelegd.

 Tweede vraag

38      Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 65, lid 1, van verordening nr. 650/2012, gelezen in samenhang met artikel 69, lid 3, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de Europese erfrechtverklaring gevolgen sorteert voor alle personen die er met naam in worden genoemd als erfgenaam, legataris, executeur-testamentair of beheerder van de nalatenschap, ook al hebben zij niet zelf om de afgifte ervan verzocht.

39      Artikel 63, lid 1 en lid 2, onder a), van die verordening, welke bepaling betrekking heeft op het doel van de Europese erfrechtverklaring, bevat een opsomming van de personen die deze verklaring kunnen gebruiken, te weten de erfgenamen, de rechtstreeks tot de nalatenschap gerechtigde legatarissen en de executeurs-testamentair of de beheerders van de nalatenschap, teneinde in een andere lidstaat met name hun hoedanigheid en/of hun recht op de nalatenschap aan te tonen (zie in die zin arrest van 1 maart 2018, Mahnkopf, C‑558/16, EU:C:2018:138, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

40      Overeenkomstig artikel 65, lid 1, van verordening nr. 650/2012 wordt de Europese erfrechtverklaring afgegeven op verzoek van een van de in artikel 63, lid 1, van deze verordening bedoelde personen. Artikel 65, lid 3, onder e), ervan bepaalt dat het verzoek om een Europese erfrechtverklaring met name gegevens bevat over andere mogelijke rechthebbenden dan de aanvrager volgens een uiterste wilsbeschikking en/of volgens de wet. Deze informatie moet krachtens artikel 68, onder g), van de verordening in dit afschrift worden opgenomen.

41      Artikel 69, lid 3, van verordening nr. 650/2012 bepaalt dat een persoon aan wie op basis van de gegevens in de Europese erfrechtverklaring betalingen kunnen worden gedaan of goederen kunnen worden overgedragen en die daarin wordt genoemd als erfgenaam, legataris, executeur-testamentair of beheerder, wordt geacht bevoegd te zijn om betalingen of goederen te ontvangen. De Europese erfrechtverklaring kan dus rechtsgevolgen sorteren voor deze persoon, zonder dat deze bepaling verduidelijkt of hij de hoedanigheid van aanvrager moet hebben.

42      Bovendien verstrekt de autoriteit van afgifte, die het origineel van de erfrechtverklaring bewaart, ongeacht de hoedanigheid van de aanvrager, krachtens artikel 70, lid 1, van deze verordening een of meer gewaarmerkte afschriften aan de aanvrager en aan iedere persoon die een rechtmatig belang aantoont. Hieruit volgt dat een verplichting volgens welke degene die zich op het gewaarmerkte afschrift van een Europese erfrechtverklaring beroept, de persoon dient te zijn die oorspronkelijk de erfrechtverklaring heeft aangevraagd, in strijd zou zijn met de bewoordingen van artikel 70, lid 1, van die verordening.

43      Geen van deze bepalingen vereist dat degene die een gewaarmerkt afschrift van de Europese erfrechtverklaring gebruikt om de gevolgen ervan te genieten, de aanvrager van die verklaring is.

44      Bovendien zouden, zoals de Europese Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft uiteengezet, onnodige kosten ontstaan indien elke belanghebbende verplicht zou zijn om een Europese erfrechtverklaring en het gewaarmerkte afschrift ervan voor een bepaalde nalatenschap aan te vragen terwijl voor deze laatste reeds verklaringen en afschriften zijn afgegeven. Een dergelijke verplichting zou in strijd zijn met de doelstelling van verordening nr. 650/2012, zoals die blijkt uit overweging 67 ervan, die erin bestaat een grensoverschrijdende nalatenschap snel, soepel en efficiënt te behandelen.

45      Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 65, lid 1, van verordening nr. 650/2012, gelezen in samenhang met artikel 69, lid 3, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat de Europese erfrechtverklaring gevolgen sorteert voor alle personen die er met naam in worden genoemd, ook al hebben zij niet zelf om afgifte ervan verzocht.

 Kosten

46      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 70, lid 3, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, moet aldus worden uitgelegd dat een gewaarmerkt afschrift van de Europese erfrechtverklaring met de vermelding „onbeperkte duur” geldig is gedurende zes maanden vanaf de datum van afgifte ervan en rechtsgevolgen teweegbrengt in de zin van artikel 69 van deze verordening indien het geldig was op het tijdstip waarop het voor het eerst aan de bevoegde autoriteit werd overgelegd.

2)      Artikel 65, lid 1, van verordening nr. 650/2012, gelezen in samenhang met artikel 69, lid 3, ervan, moet aldus worden uitgelegd dat de Europese erfrechtverklaring gevolgen sorteert voor alle personen die er met naam in worden genoemd, ook al hebben zij niet zelf om afgifte ervan verzocht.

ondertekeningen


*      Procestaal: Duits.