Language of document :

Beroep ingesteld op 23 oktober 2020 – Republiek Malta / Europees Parlement, Raad van de Europese Unie

(Zaak C-552/20)

Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Republiek Malta (vertegenwoordigers: A. Buhagiar, gemachtigde, D. Sarmiento Ramírez-Escudero, J. Sedano Lorenzo, abogados)

Verwerende partijen: Europees Parlement, Raad van de Europese Unie

Conclusies

artikel 5, lid 1, onder b), van verordening 1071/20091 en artikel 8, lid 2 bis, van verordening 1072/20092 , zoals gewijzigd bij respectievelijk de artikelen 1 en 2 van verordening (EU) 2020/10553 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2020 houdende wijziging van verordeningen (EG) nr. 1071/2009, (EG) nr. 1072/2009 en (EU) nr. 1024/2012 teneinde ze aan te passen aan ontwikkelingen in de wegvervoersector, nietig verklaren;

het Europees Parlement en de Raad verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van het beroep om nietigverklaring van de bestreden bepalingen voert de Republiek Malta de volgende gronden aan.

Met het eerste middel verzoekt de Republiek Malta het Hof artikel 1, lid 3, van verordening 2020/1055 (de regel inzake de terugkeer van voertuigen naar huis) nietig te verklaren, aangezien het

in strijd is met artikel 91, lid 2, VWEU junctis artikel 11 VWEU en artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, omdat bij de vaststelling ervan geen rekening is gehouden met milieueffecten en de ernstige gevolgen ervan op vervoersoperaties.

in strijd is met artikel 5, lid 4, VEU en het evenredigheidsbeginsel, omdat het niet de minst beperkende maatregel is en onevenredige schade veroorzaakt met betrekking tot de kosten en baten vanuit milieu- en vervoersoogpunt.

Met het tweede middel verzoekt de Republiek Malta het Hof om artikel 2, lid 4, onder a), van verordening 2020/1055 (regel inzake de wachttijd na cabotage) nietig te verklaren, aangezien het

in strijd is met artikel 91, lid 2, VWEU omdat verweerders bij de vaststelling van de maatregel geen rekening hebben gehouden met de ernstige gevolgen ervan op vervoersoperaties.

in strijd is met artikel 5, lid 4, VEU en het evenredigheidsbeginsel omdat het vervoerders sterk beperkt bij het inrichten van hun logistiek en het goede gebruik van hun wagenparken.

in strijd is met de artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van gelijke behandeling omdat – zonder dat dit objectief gerechtvaardigd is – geen rekening is gehouden met de bijzondere kenmerken van een insulaire lidstaat en zijn markt voor goederenvervoer.

____________

1 Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB 2009, L 300, blz. 51).

2 Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg (PB 2009, L 300, blz. 72).

3 PB 2020, L 249, blz. 17.